Het Boek

Dit is het verhaal van de Artiflat, een kunstenaarsflat in het noorden van Johannesburg, een grote stad in het hiernamaals. Negen verdiepingen telt de flat met tweeënzeventig appartementen. Bovenaan vier reusachtige penthouses, onderaan elf piepkleine appartementjes. Hoe hoger je komt, des te voornamer de bewoners en des te groter hun onderkomens en inkomens. Lieden van allerlei slag wonen er: klassieke componisten, kunstschilders, dichters, een balletdanser, een beeldhouwster, zangers en zangeressen, popmuzikanten, twee dirigenten, acteurs en zo verder. Op de begane grond wonen drie purgatijnen, zielen gevlucht of vrijgelaten uit het vagevuur, het purgatorium: Wigbert, de barkeeper van café de Nadorst, huismeester Smit met zijn hondje Lodewijk en juffrouw Annette, de beheerster van de wasserette.Op de uiterste hoek links, naast de entree, bevindt zich café de Nadorst, een toevluchtsoord voor menig artibewoner. Aan de andere zijde van de entree het winkeltje van de huismeester, met daarachter het pianokamertje, de oefenruimte bedoeld voor bewoners van de lagere etages en daar weer naast de schilderszaal. De hoofdstad is Sint-Petrusburg, een miljoenenstad, een stad met allure, een stad waar alles mag maar niets hoeft. Een stad waar honderdduizenden ex-purgatijnen hun toevlucht hebben gezocht. Andere grote steden zijn Voorstad Sint-Jacoba, ook wel de Bloemenstad genoemd, en verder Mozestown en Holy City. De stad waar zich dit verhaal grotendeels afspeelt is Johannesburg.

1 Sjors in de Nadorst

Het was die middag allesbehalve druk in de Nadorst. Alle tafels en stoelen waren onbezet. De schuifdeuren naar de gelagkamer waren gesloten. Aan de bar zat slechts één persoon, de musicus Dmitri Sjostakovitsj van nummer 701. Wig, de barkeeper, spoelde glazen. Door de luidsprekers klonk Imagine. Wig zette de muziekinstallatie luider en zong de tekst mee. Hij was trots op zijn muziekinstallatie. Bij zijn weten bezat alleen meneer Mahler van de zevende verdieping er ook een. Een goed nummer, Imagine, vond hij. Hij wilde dit zijn klant mededelen, maar toen hij het sombere gezicht van Sjostakovitsj zag hield hij wijselijk zijn mond. De zanger en auteur van het lied was John Winston Lennon, een jongeman die hier een jaar of wat geleden op nummer 402 was komen wonen. Tot nu toe had de zanger de Nadorst slechts een enkele keer bezocht. Wig had nauwelijks een woord met hem gewisseld. Een verlegen jongeman meende hij zich te herinneren.

‘Godverdee man,’ schold Sjostakovitsj onverhoeds luid naar de kroeg­baas. ‘Zet die herrie eens wat zachter, ik kan me onmoge­lijk concentre­ren.’ De musicus knikte met een geïrriteerd gelaat naar de luidsprekerbox. Zijn dunne lippen stonden allesbehalve vrolijk.

‘Sorry,’ zei Wig.’ Hij draaide de volumeknop naar links en haalde een beetje geschrokken zijn schouders op. Klant is koning, mompelde hij onverstaanbaar. Geen gemakkelijk kereltje die Sjostakovitsj, dacht hij terwijl hij de componist door de spiegelwand gadesloeg, in ieder geval niet iemand om ruzie mee te krijgen.

Sjors, zoals de componist gewoonlijk op de artiflat genoemd werd was een vaste klant. Dagelijks kwam hij zijn natje en droogje in de Nadorst halen. Pappen en nathouden die handel, dacht de barkeeper, en zette voor de zekerheid de stereo nog een graadje zachter.

Sjostakovitsj roerde geërgerd in zijn thee en neuriede een thema uit zijn nieuwe symfonie. De partituur lag uitgespreid voor hem op de bar. Voortdurend zat hij aan zijn spuuglok te draaien. Af en toe tekende hij met een minuscuul potloodje enige noten. Plotseling maakte hij bruusk enkele wilde diri­geerbe­wegin­gen, vloekte nog eens en riep:

‘Breng me toch maar een biertje!’

Wig knikte zwijgend.

Sjostakovitsj stak zuchtend een sigaret op. Het was vandaag zwaar klote. Het ging niet meer, tenminste niet zo gemakkelijk als weleer. Ooit barstte hij van de energie en inspiratie. Hij had aan de lopende band muzikale ingevingen, maar nu leek het alsof hij vastzat. Vijftien symfonieën had hij op zijn naam staan. Misnoegd trok hij aan zijn sigaret. Zou het misschien aan de kommer en kwel van weleer gelegen hebben? Had hij misschien meer ellende nodig om een knappe compositie op papier te krijgen? Hij schrok van zichzelf. Hij duwde zijn sigaret plat in de asbak en stak direct een nieuwe op.

Klootzakken als Stalin en Hitler waren meerdere malen zijn inspiratiebron geweest. Zijn topwerken zaten bol van de gruweldaden van deze twee rotzakken. Grote successen had hij geboekt met muziek die verwees naar concentratiekampen, gaskamers, dwangarbeiders, massagraven en verbanningen. Het leed van joden, zwakzinnigen, homoseksuelen en lilliputters had hem geïnspireerd muziek te scheppen met gebalde vuist. Zijn werken hadden het uitgegild van angst. Maar dit was wel even iets anders. Nu stond hij voor de taak om een stuk vredelievende muziek te maken. Nu zat er een zestiende symfonie in de koker, een Welkomstsymfonie. Een opdracht van de Heer. Jazeker, de Heer Himself. Maar kon hij dat eigenlijk wel?

Deze angstaanjagende gedachte had hem de laatste tijd beziggehouden. Had hij wel talenten om een vredelievend stuk te schrijven? Moest er geen bloed aan zijn noten kleven? Heftig schudde hij van nee. Natuurlijk niet. Hij had toch zeker ook dansmuziek en marsen gecomponeerd. Dat was er toch ook ingegaan als koek!

Hij klopte de as van zijn sigaret. Zijn ogen volgden de noten in de partituur. Het eerste deel was nagenoeg klaar. Er moesten nog drie delen in elkaar geflanst worden. Wist hij nu maar hoelang hij nog de tijd had. Niemand wist precies wanneer de Dag des Heren zou zijn. Niemand wist wanneer Hij zou komen. Ja, als een dief in de nacht werd er gezegd, maar zo kende hij er nog wel een paar. Als de Maestro zich morgen zou laten aankondigen, dan was hij mooi de sigaar!


2 Juffrouw Monroe

MARILYN MONROE MET SJOSTAKOVITSJ IN HET CAFE 

Klokslag drie uur kwam juffrouw Monroe van 102 het café binnen. Ze droeg een rood leren jekkie, een kort wit plooirokje en bruine halfhoge cowboylaarsjes met sliertjes. Ze leek zo uit een majorettekorps te zijn gestapt.

‘Doe maar een jonge b-borrel,’ stotterde ze tegen Wig terwijl ze naast Dmitri Sjostakovitsj op de kruk ging zitten. Een beetje geringschattend keek ze naar haar buurman.

‘Nog steeds met je nieuwe symfonie bezig Sjors?’ vroeg ze spot­tend, terwijl ze brutaal in de partituur bladerde.

Sjostakovitsj glimlachte zuur en nam voorzichtig de partituur uit haar handen waarna hij deze snel in het zwarte aktetasje borg dat naast de barkruk op de vloer lag. Hij gaf haar geen antwoord. Ja, hij was met zijn nieuwe symfonie bezig, een opdracht van de Heer zelf zogezegd. Maar wist tuthola wel wat een symfonie was. Kon zij het woord überhaupt wel spellen? Had zij ooit gehoord van een meerdelig orkestwerk waarvan het eerste deel een sonatevorm was, gevolgd door een andante of adagio, daarna een menuet of scherzo en tenslotte een finale? Vast en zeker niet. Een slechts drie-minuten-lang hijgliedje, met de veelzeggende tekst I wanna be loved by you, was haar muzikale bagage. Wig de barman had hem het liedje een keertje laten horen.

Terwijl hij zijn aktetasje dicht klikte, maakte hij snel van de gelegenheid gebruik om een bliksembezoek af te leggen aan haar weelderige benen. Een dom geil wijf vond hij haar. Maar in zijn mastur­ba­tiebuien haalde hij haar vaak voor de geest. Een paar seconden bleef hij gebukt. Zij had haar benen licht geopend. Zeker weten dat ze hem op zat te geilen. Moest hij nu niet even naar het toilet? In plaats daarvan nam hij een flinke slok bier.

 

Sjostakovitsj had zich dikwijls afgevraagd hoe juffrouw Monroe in godsnaam in de artiflat terecht gekomen was. Wat had zij met kunst uit te staan? Actrice was zij geweest, en dan ook nog één van het soort dat het hebben moest van een uitbundig lichaam. Jongetje Warhol van nummer 207 had haar ooit geschilderd, wist hij, maar ook Warhol kon je nauwelijks een kunstenaar noemen. Soort zoek soort, moest je maar denken. Dom geil wijf, dacht hij voor de tweede keer. Gelukkig woonde ze ver onder zijn niveau, op de eerste etage, als hij het goed had op nummer 102.

 

‘Hoe staat het leven,’ vroeg Wig, die op zijn gemak voor zijn nieuwe klant ging staan en zijn ellebogen voor haar op de bar plaatste. Ongegeneerd keek hij naar haar borsten.

‘Lekker,’ antwoordde juffrouw Monroe, terwijl ze de kop van haar borrel nipte. ‘Ik heb het alleen loei heet en daar k-kan ik niet goed tegen.’

Ze wipte weer van haar kruk en liep naar de sigarettenautomaat. Ze voelde de blikken van de twee mannen op haar kont. En zo hoorde het ook, vond ze.

‘G-geef Sjors wat van mij,’ zei ze, toen ze zich voor de tweede maal op haar kruk hees.

Wig keek vragend naar Sjostakovitsj.

‘Doe nog maar een biertje,’ zei deze. Achter zijn rechteroor ruste het potloodje waarmee hij zojuist nog had getracht noten te noteren.

‘N-neem zelf ook wat,’ zei ze tegen Wig.

‘Als je het niet erg vindt,’ neem ik koffie. Het is nog vroeg.

‘Je d-doet maar,’ antwoordde juffrouw Monroe nonchalant. Ze dronk in één teug haar glaasje leeg. ‘Zet er nog maar eentje neer,’ zei ze.

Ze keek op haar horloge.

Wig keek naar Sjostakovitsj.

‘Van mij,’ zei deze.

‘H-het is rustig,’ zei juffrouw Monroe.

Ze keek om zich heen en opende haar pakje sigaretten.

‘Het is nog vroeg,’ zei Wig voor de tweede maal deze middag, terwijl hij zijn kopje omhoog hield.

‘G-gezondheid,’ zei juffrouw Monroe.

‘Gezondheid,’ zei Wig.

Sjostakovitsj stond op en stiefelde naar het toilet.


3 Vincent van 704

JUFFROUW MONROE, SJOSTAKOVITSJ EN VAN GOGH IN CAFE DE NADORST

Toen Vincent van Gogh van nummer 704 die middag om kwart voor vier café de Nadorst binnen­trad, zaten juffrouw Monroe en Dmitri Sjostakovitsj aan hun vierde consumptie.

‘Goede middag samen,’ groette Vincent vriendelijk. Hoffelijk lichtte hij zijn vilten hoed.

‘G-geef meneer Van Gogh iets van mij,’ bestelde juffrouw Monroe.

‘Wat kan ik voor u betekenen?’ vroeg Wig aan Van Gogh toen deze op de barkruk naast Sjostakovitsj plaatsnam en onmiddellijk zijn pijp begon te stoppen.

‘Een rode wijn alstublieft.’ Nadat Wig de wijn had ingeschonken en voor zijn nieuwe klant had neergezet keerde Van Gogh zich naar juffrouw Monroe.

‘Op uw gezondheid,’ zei hij vriendelijk en hief zijn glas in haar richting.

‘I-ins gelijks,’ antwoordde juffrouw Monroe. Ze gaf hem een ietwat ondeugende knipoog. Lellebel, dacht Sjostakovitsj. De componist schudde zijn bijna lege glas heen en weer om nog wat schuim op het dode bier te krijgen.

‘Volgens mij kijkt u treurig,’ zei Van Gogh tegen zijn buurman. Sjostakovitsj keek de spreker een ietwat minachtend aan en dacht: kerel, wat ben je lelijk met die roze baard, dat witte sproetige smoelwerk, dat rare oor en die bek met bruine tanden.

‘Vind je?’ vroeg hij.

‘Ja, dat vind ik. Ik bedoel, je kijkt allerminst vrolijk.’ Er viel een stilte. Heel in de verte klonk Wigs muziekinstallatie. Van Gogh lurkte aan zijn pijp. Juffrouw Monroe zat aan d’r haar te wriemelen. Wig wreef met een vochtig doekje over de bar. Sjostakovitsj stak een sigaret op en zuchtte.

‘Ik heb ook absoluut geen reden om vrolijk te zijn,’ antwoordde hij. Mistroostig keek de componist tussen zijn knieën naar beneden.

‘Vertel,’ zei Van Gogh.’ Sjostakovitsj zweeg. Hij leek naar woorden te zoeken.

‘Mijn hele land gaat naar de kloten,’ antwoordde hij op droevige toon. Met een diepe zucht klopte hij zijn sigaret op de rand van de schone asbak die Wig zojuist voor hem had neergezet. Zijn buurman keek hem verwonderd aan. ‘Mijn Rusland brokkelt af, weet je,’ riep hij plotseling ongehoord fel. ‘Nieuwe vlaggen, nieuwe volksliederen, nieuwe leiders! Ze helpen mijn vaderland naar de sodemieter.’

‘Wat is daar mis mee?’ onderbrak Van Gogh hem. ‘Als ik het goed begrepen heb wilde je vrijheid en zette je je met jouw muziek af tegen het Russische regime. Of heb ik het mis? Jij predikte met jouw klanken toch voor democratie,’ vervolgde hij, ‘en nu krijg je demo­cratie en is het nog niet goed.’ Van Gogh haalde zijn schouders op en nam een slok van zijn wijn. Hij glimlachte. Hoor mij nu, dacht hij. Nog een geluk dat hij laatst een stukje over zijn buurman gelezen had. En natuurlijk was hij op de hoogte van de opdracht die Sjors ten deel was gevallen. In beginsel had Vincent van Gogh de ballen verstand van muziek. Op het aardse had hij zo goed als niets aan muziek gedaan. Ja, op de Bijbelschool had hij ooit een blokfluit in zijn mond gehad en tijdens kerkdiensten had hij braaf de psalmen mee gegalmd, meer niet. Maar sinds hij hier in het hiernamaals vertoefde, was hij zich wat meer voor muziek gaan interesseren, al was dit uit pure noodzaak. De Heiland had hem hier op de artiflat te midden van muzikanten en flierefluiters gezet. Zijn buren op de zevende etage waren mensen als Frederik Händel, Gustav Mahler, Guus Verdi en de man die naast hem zat, Dmitri Sjostakovitsj, niet de minsten dus.

Diezelfde Sjostakovitsj trommelde nu een ritme op de bar en heel zachtjes floot hij een thema uit een probeersel van zijn nieuwe symfonie. Toen riep hij met verheven stem: ‘Maar ze hoeven godverdomme mijn Rusland toch niet uit elkaar te rafelen in weet ik hoeveel kleine onbenullige landjes? Wat is dat voor een onzin!’

‘Wees blij dat je er niets meer mee te maken hebt,’ troostte Van Gogh. Wees blij dat er hier niemand op je vingers kijkt.’ Broederlijk legde hij een hand op de schouder van zijn buurman.

‘Hoezo wordt er hier niet op je gelet!’ riep Sjostakovitsj overdreven luid, terwijl hij Van Goghs hand van zijn schouder schudde. ‘Heb je niet gehoord wat onze bovenbuurman meneer Picasso van nummer 801 is overko­men?’

‘Ja, ja, ik heb het gehoord,’ antwoordde Van Gogh, ‘maar…’

‘Wat maar,’ onderbrak Sjostakovitsj hem. ‘Niets te maren. Kunst is kunst en daar moet iedereen met zijn fikken van afblijven! Ik weet daar alles van! Ik moest passages in mijn symfonieën veranderen omdat idioot Stalin dacht dat deze ongeschikt waren voor mijn volk. Ik moest botweg schrappen! En ik deed het. De lul! En ik ontving staatsprijzen. Hoera! En weet je hoe mijn muziek tenslotte werd genoemd?’ Van Gogh haalde zijn schouders op, hij had zoals gezegd de ballen verstand van muziek en helemaal niet van symfonieën. ‘Nou?’ schreeuwde Sjostakovitsj met overslaande stem. Even was het stil in de Nadorst, zo akelig stil dat Wig de neiging had de volumeknop naar rechts te draaien. In­ plaats daarvan gaf hij juffrouw Monroe een vette knipoog. Geduldig wachtte een ieder op het antwoord van Sjostakovitsj. De musicus nam een servetje van de bar en begon zijn dikke ronde brillenglazen schoon te poetsen. ‘Ach laat ook maar,’ mompelde hij tenslotte vermoeid, waarna hij het zweet van zijn voorhoofd veegde en zijn spuuglok fatsoeneerde. Zo te zien had hij zich veel te druk gemaakt. Van het ene op het andere moment was hij zich moe gaan voelen, heel erg moe. Hij had de laatste tijd wel vaker last van wisselende stemmingen. In ieder geval had hij nu een rooie kop, zag hij in de spiegel van Wig. Van Gogh keek zijn buurman aandachtig aan. Hij mocht Sjors wel. Hij vond het te gek dat hij van het gemeentebestuur van Johannesburg de opdracht had gekregen een Welkomstsymfonie voor de Dag des Heren te schrijven. Hij was zelfs trots dat het zijn buurman betrof.

‘Ik zou u willen portretteren,’ zei hij toen. Mongool, dacht Sjostakovitsj.

‘Waar heeft u vroeger g-gewoond?’ vroeg juffrouw Monroe aan Van Gogh, terwijl ze iets naar voren boog om hem te kunnen zien.

‘Overal en nergens,’ antwoordde deze een beetje somber. Zijn pijp maakte een slurpend geluid. Ondertussen bleven zijn ogen op de prachtige borstpartij van de vragenstelster gericht. Wat een begeerlijke vrouw, dacht hij.

‘G-gossepietje,’ zei juffrouw Monroe. En ze nam een slok van haar borrel.

‘Ik ben in Nederland geboren,’ vervolgde Van Gogh, ‘maar mijn hart lag in Frankrijk.’

‘Ik dacht dat u Belg was,’ zei Sjostakovitsj, die zijn bril weer opzette en een nieuwe sigaret opstak. Hij was blij dat het onderwerp van gesprek een wending had genomen en het nu even niet over hem ging. Van Gogh schudde langzaam van nee.

‘Ik heb een tijd in België gewoond,’ antwoord­de hij. ‘Het prachtige land waar vriend Brel van nummer 301 zo mooi over heeft gezongen.’

‘Oooo, d-daar helemaal,’ zuchtte juffrouw Monroe overdreven. Maar ze had geen notie waar België gelegen had. Wie Brel was, wist ze wel. Dat was die stille man met de eeuwige sigaret tussen de dikke lippen. Hij was van haar leeftijd. Twee dagen geleden had hij hier de hele avond in z’n eentje aan een tafeltje gezeten. Ze herinnerde zich dat ze hem een paar keer vrien­delijk had toege­knikt. Maar hij had geen sjoege gegeven, de oetlul.

‘G-geef de heren nog wat van mij,’ zei juffrouw Monroe tegen Wig. Ze stak een nieuwe filter op. Nog eentje en dan ga ik, dacht ze bij zichzelf, maar in haar hart hoopte ze dat er nog aardig gezelschap zou komen. Ze verveel­de zich stierlijk. Er was vanmiddag met die twee ouwe lullen naast haar weinig te beleven. Glimlachend en een beetje spottend keek ze naar haar buurman. Eigenlijk vond ze Sjors, in zijn bruin geblokte colbertje en zijn dikke brilmontuur op zijn kleine hoofd, meer lijken op een verzekeringsagent of een bankbediende dan op een kunstenaar. En dan ook nog dat malle leren tassie… Ze schudde haar hoofd en keek hoopvol naar de ingang.


4 De huismeester

GERRIT SMIT EN ZIJN HONDJE LODEWIJK

Onder het clubje lage olijfbomen, aan de rand van het terras van café de Nadorst, aan de achterzijde van de artiflat, stond huismeester Gerrit Smit rond een uur of vier in de middag een sigaretje te rollen. Hij stond daar min of meer verscholen. Als je niet beter wist zou je denken dat hij daar verdekt stond opgesteld. Maar niets was minder waar. Zijn ogen waren gericht op zijn hondje Lodewijk, die zoals altijd nerveus liep te neuzen naar zijn eigen geur aan de onderkant van de heg. Ja zeker, naar zijn eigen geur, want soortgenoten lieten zich in geen velden of wegen zien. Lodewijk moest zo langzamerhand doorhebben dat hij het enige hondje in het hiernamaals was. Dagelijks speelde het witte keffertje hetzelfde spelletje door ergens nonchalant een plasje te doen om vervolgens met opgeheven kop en staart een rondje kegelbaan te dribbelen om daarna in volle ren naar het zelfde plekje terug te keren en verrukt aan zijn eigen plasje te snuffelen. Zijn baasje besefte als geen ander dat Lodewijk vriendjes en vriendinnetjes miste. Naar zijn weten waren er hier verder geen hondjes. En evenmin poezenbeestjes om achteraan te rennen. Nee, andere viervoeters dan zijn hondje was hij hier nog niet tegengekomen.

Toch moest er ergens in het hiernamaals vee grazen, want maandelijks bracht een kleine vrachtwagen diverse vleeswaren naar de artiflat. Zo was er in het winkeltje van de huismeester broodbeleg te koop, terwijl er bij Wigbert de barman van de Nadorst een in de maand bitterballen en stokjes saté werden afgeleverd. VLEES, stond er kortweg op de spierwitte vrachtwagen. Meer niet. Geen adres, geen logo, geen naam van een leverancier. Natuurlijk had huismeester Gerrit Smit zich dikwijls afgevraagd waar dat vlees dan wel vandaan zou mogen komen. Want nergens in het hiernamaals waren er zover hij wist schaapjes, koeien en paarden te bekennen. Maar meer dan een vrachtbrief ondertekenen had hij tot nu toe niet gedaan.

 

De rand van de kegelbaan, aan de achterzijde van het caféterras, met als scheiding een groepje lage bomen en struikgewas was het lievelingsplekje van huismeester Smit. Zeker driemaal daags stond hij daar. Behalve dat Lodewijk het naar zijn zin had, had de huismeester een uitstekend zicht op het flatgebouw, zijn flat! Hij was immers de huismeester! Vanaf zijn plaatsje onder de bomen, meestal met de handen in de zij en een peuk in de hoek van zijn mond, stond hij de kunstenaarsflat als een vorst op te nemen. Van top tot teen volgde hij de etages. Van de eenvoudigste appartementjes op de eerste etage tot aan de luxe penthouses aan de top.

Als hij het wel had, zag hij op dit moment op de negende etage het dikke blonde hoofd van meneer J.S. over de balustrade hangen. Maar lust om zijn hand op te steken had de huismeester niet. Van deze afstand zou de componist hem nauwelijks kunnen waarnemen.

De huismeester was er trots op dat hij bij elke voordeur de juiste naam wist te noemen. Niemand anders deed hem dit na. Hij was er eveneens trots op dat hij grootmeesters mocht dienen, grootmeesters van de klassieke kunst, zoals de heren Bach en Mozart van de negende of meneer Schubert van nummer 805. Hij genoot er van als hij hun muziek en hun namen uit zijn transistor hoorde, dat hij soms voor hen mocht zorgen en zo dicht bij hen in de buurt mocht wonen. Niet dat de Smit verstand van klassieke muziek had, maar hij voelde dat het iets verhevens was, iets groots, iets belangrijks. Zij moeten op het aardse grote kunstenaars geweest zijn, anders had de Heer hen niet zo hoog op de artiflat neergezet.

Huismeester Smit had vroeger op het aardse ook aan muziek gedaan. Zo had hij met zijn broer een muzikaal duo gevormd. Hij had niet onverdienstelijk accordeon gespeeld en soms had hij daar bij gezongen. Maar zich meten met deze grootheden kon hij zich natuurlijk niet.

 

Over de kunstschilders hier op de artiflat was Gerrit Smit minder te spreken. Soms hing er beneden in de hal of op de overloop van een etage een nieuw schilderstuk gemaakt door één van de kunstschilders van hier. Doch in de meeste gevallen begreep hij niets van zo’n kunstwerk. Oneerbiedig noemde hij sommige schilders wel kliederaars. Een uitzondering vormden de Hollanders, de heren Vermeer van 604 en Rembrandt van 804. Van deze schilders kon een blinde zien dat ze iets in hun mars hadden. Daar konden jongens als Picasso van 801 en Van Gogh van 704 en zijn vriendje Lautrec van 211 nog wat van leren en dan nog maar te zwijgen over die pief van 207, Andy Warhol.

Maar behalve observeren was de huismeester ook bezig met zijn taak. Zo had hij zojuist nog enige rommel van het grindpad geraapt en in het plastic draagtasje geborgen dat hij tijdens zijn ronde altijd met zich meedroeg en waar hij tevens de drolletjes van Lodewijk in deponeerde. Was iedereen op de flat maar zo proper als ik, dacht hij dikwijls. De rommel die hij links en rechts in de bosjes en op het grindpad aantrof was meestal van de onderste etages gegooid. Met een schuin oog keek hij naar de eerste etage. Verschillende keren had hij bewoners betrapt die het niet zo nauw namen met orde en netheid. Het leek alsof hij zich met de dag meer ergerde aan het gedrag van de bewoners van de onderste galerijen.

 

‘Kom Lodewijk,’ riep Smit, we gaan een hapje eten. Het hondje spitste zijn oren, maar maakte nog geen aanstalten om zich bij zijn baasje te voegen.

‘Ha meneer Smit,’ groette mevrouw Joplin van nummer 105 vanaf haar balkonnetje op de eerste etage.

De huismeester stak met een zure glimlach zijn hand naar haar op. Gek mens dacht hij, waarna hij zijn schouders ophaalde en zijn hondje nog eens riep. Hij liep het grindpad af richting caféterras. Voor een moment gluurde hij bij Wig naar binnen. Het was er op dit uur nog niet druk. Twee of drie figuren aan de bar telde hij, meer niet.


5 De volksbuurt van de arti

VROLIJK GEVERFDE VOORDEUREN

De eerste etage van de artiflat zou je het beste kunnen omschrijven als een gezellig volksbuurtje. Doe maar gewoon, was hier over het algemeen het motto. Elf personen van totaal verschillende geaardheid en geloofsovertuiging bevolkten de mini appartementjes van de artiestenflat aan de rand van Johannesburg. Mini appartementjes, dat zeker, want met de afmetingen van drie meter breed, drie meter diep en drie meter hoog, hadden de huisjes eigenlijk niets met de status van appartement te doen, al had de drie meter hoogte wel een aardig effect en leek het zo op het eerste gezicht niet zo benauwd.

Men kon het op de eerste goed met elkaar vinden, al viel de dirigent Herr von Karajan van 110 buiten de boot. Deze hield zich min of meer afzijdig van de rest. Voelde hij zich misschien te belangrijk voor de eerste? Wie zal het zeggen. Hij scheen in ieder geval weinig met zijn buren te maken willen hebben. De meeste bewoners gingen echter joviaal met elkaar om en enkelen hadden zelfs vriendschap gesloten en kwamen regelmatig bij elkaar over de vloer. Er werd op de eerste etage veel aan muziek gedaan, er werd gefeest, soms flink gediscussieerd, dikwijls gevreeën, en heel veel gelachen, maar ook wel getreurd, ja zelfs gehuild. Het mag dan ook niet verwonderlijk zijn dat er tussen de meeste bewoners van de eerste etage een hechte band was ontstaan.

Hoewel deze drukbevolkte etage bij verschillende medebewoners niet erg hoog stond aangeschreven, lieten zich wonderwel dikwijls zielen van hoger gelegen etages in het volksbuurtje zien. Zo was de kunstschilder Pablo Picasso, nota bene bewoner van het gigantische perceel 801, met de afmetingen tien meter breed, acht meter diep en drie meter vijftig hoog precies ruim driemaal zo groot als de miniappartementjes van de eerste, vrijwel een dagelijkse gast op de eerste galerij. Maar ook de heren Hendrix van nummer 202 en trompetspeler Miles Davis van 403 kwamen bij tijd en wijlen buurten.

Een snelle wandeling langs de vrolijk geverfde voordeuren van de eerste etage leverde van links naar rechts de volgende naamplaatjes op: Marie Monroe, Chet Baker, Brian Jones, Janis Joplin, Erik Satie, Marlene Dietrich, Freddy Queen, Josephine Baker, Herr von Karajan en Otis Redding. Het huisje met de laagste nummering, dat van nummer 101, stond al geruime tijd leeg. Vanzelfsprekend was iedereen op de flat nieuwsgierig welke nieuwkomer daar binnenkort naar binnen zou stappen.

Zoals gezegd hadden de meeste bewoners van de eerste het aardig naar hun zin. Natuurlijk waren er ook problemen en werd er soms gescholden en gejammerd. Eén van de redenen van onvrede waren de minimale afmetingen van hun onderkomen. Het was toch godgeklaagd dat je in je eigen huis nauwelijks je kont kon keren. Geruime tijd geleden hadden mevrouw Marlene Dietrich van nummer 107 samen met haar buurman, de nieuwkomer Freddie Queen van 108, de stoute schoenen aangetrokken en een verzoek ingediend bij burgemeester mevrouw moeder Teresa en haar gemeenteraad om de achtermuur van de woninkjes te mogen laten uitbreken en deze een paar meter naar achteren te verplaatsen. Achter de woninkjes bevonden zich magazijnen die volgens huismeester Smit voor de helft leeg stonden. Deze ruimtes deden dienst als opslagplaats voor allerlei noodzakelijks, zoals zakken graszaad, tuinmeubilair, logeerbedden, noodaggregaten, motormaaiers, enzovoorts. Ruimte genoeg had huismeester Smit gezegd, er staan tientallen vierkante meters leeg. Maar tot nu toe hadden de twee initiatiefnemers nog niets vernomen van het college van B & W. En om de verbouwing illegaal te laten plaatsvinden, daar durfde men voorlopig niet aan.

Een ander onderwerp van gesprek tussen de bewoners van de eerste etage was, waarom de Heer hen zo laag had doen belanden. Waar hadden ze dit aan verdiend, was de meest gestelde vraag. Maar eerlijkheid zij geboden. De meeste bewoners waren zich wel degelijk bewust van hun lage plaats op de arti. En in hun hart waren zij de Heer reuze dankbaar voor hun plekje in het hiernamaals en zo ook in de artiflat. En ach, mopperen hoorde er nu eenmaal bij op de laagste etage.

 

 


6 Het purgatorium

EEN DROEVIG VERBLIJF

Het westen was de minst gunstige richting in het dodenrijk. In gezelschap sprak je liever niet over het westen, laat staan dat je die kant uit reisde. ‘Het wilde westen’ werd het ook wel spottend genoemd. En als men toch richting het westen wilde reizen, was dit meestal voor een bezoek aan Sint-Petrusburg of een trip naar het Voorportaal, om daar de aankomst van bijzondere personen bij te wonen of zich te mengen in de gezelligheid van de dagelijkse drukte. Het Voorportaal was met zijn immense uitkijktorens een attractie van de eerste orde. Ook waren er winkelcentra, pretparken, markten en een complete kermis die vele zielen richting Voorportaal lokten. Beroemd door de gehele zevende hemel waren de maandelijkse rommelmarkten. Er waren eveneens horde zielen die dagelijks een bezoek brachten aan hoofdstad Sint-Petrusburg, een miljoenenstad, doch ook een stad van kwaad en verderf, een stad waar alles mocht en niets moest, een stad waar duizenden illegalen vertoefden, een stad waar de criminaliteit hoogtij vierde, een stad aan de rand van de afgrond, een stad in het uiterste westen, een stad dichtbij het purgatorium… Je moest wel stevig in je schoenen staan om daar niet van je geloof te vallen.

 

In de uiterste westhoek, verwijderd van het Voorportaal en Sint-Petrusburg kwam je niet. Sterker nog, het was zelfs ten strengste verboden om je daar zonder de benodigde vergunningen op te houden. In het uiterste westen tussen het Satansgebergte en het Louteringsgebergte bevonden zich de uitgestrekte velden met tentenkampen van het purgatorium. Een laag hangende nevel bedekte de bodem in dit sombere deel van het hiernamaals. Zo ver het oog reikte was het zwart, nat en modderig. Van het woeste Satansgebergte, met daarachter het zo gevreesde hellevuur, tot aan het Louteringsgebergte stonden daar ontelbare eenpersoons tentjes, bewoond door purgatijnen, met af en toe een uitschieter in de vorm van een reuze tent. Zo’n reuze tent, in de volksmond circustent genoemd, deed dienst als kerkgebouw of liever gezegd kerktent. In een kerktent beleefden de purgatijnen nog enige vorm van gezelligheid en sociaal contact. Rondom deze tenten was het dagelijks een drukte van jewelste. Reeds bij het ochtendgloren trokken honderden purgatijnen, de alsmaar neerdalende regen trotserend, blootsvoets door de modder en blubber naar deze tenten om gebedsdiensten bij te wonen. Ook konden er in deze kerktenten catecheselessen gevolgd worden en werden er allerlei cursussen aangeboden waarvan de Bijbellezerskringen het meeste in trek waren. Tegenover de ondraaglijke sleur en verveling die er in de tentenkampen heerste, vormden genoemde samenkomsten en activiteiten voor de purgatijnen een welkome afleiding. Natuurlijk hoopte een ieder spoedig aan de andere kant van het Louteringsgebergte te komen, om toch nog een plaatsje in het hiernamaals te krijgen. De tentenkampen werden afgeschermd door een metershoge betonnen muur, waarlangs mannen of vrouwen in witte gewaden op paarden surveilleerden. De kant van het woeste Satansgebergte werd minder streng bewaakt, want wie zou het in zijn hoofd halen om over de bergen naar het hellevuur te vluchten? Zo af en toe gonsden hoog boven in de lucht en onzichtbaar voor de purgatijnen, vliegmachientjes.

 

Zoals altijd was het weer in het purgatorium somber. Mist en motregen. Het was om gek van te worden. Het spreekwoord Na regen komt zonneschijn scheen hier niet van toepassing te zijn. Verder was daar ook nog de hinder van de ontelbare vliegjes rond de tentjes en misschien nog erger, de kruipdiertjes die binnenin actief waren en men vooral ‘s nachts de stuipen op het lijf joegen. Doch het ontbreken van zonlicht was de allergrootste kwelling voor deze martelaren. Volgens zeggen was de onophoudelijke vette mist in het purgatorium het gevolg van de donkere uitlaatwolken die het schoorsteenpark vanuit het hellevuur onophoudelijk uitstootten. Maar men beweerde daar in de directe omgeving van het Satansgebergte wel meer. Zo sprak men, al was het niet hardop, over de rode gloed die er ’s nachts in de lucht zou hangen. Het hellevuur, ook wel spottend de hoogovens genoemd, werkte dan op volle toeren.

 

Zo woest en ledig als het Satansgebergte was, zo vriendelijk leek het Louteringsgebergte. Behalve de iets aangenamere temperaturen was dit gebergte enigszins groen van kleur. Er groeide hier en daar zelfs gras. Grote keien en stenen waren bedekt met een laagje mos. En soms leek er een lichte zonneschijn door de mist te trekken, maar dat kon ook verbeelding zijn. Op zo’n moment van zonneschijn stonden honderden purgatijnen aan de voet van het Louteringsgebergte dit wonder te aanschouwen. Helaas waren deze momenten van korte duur, al gaf het velen op de één of andere manier enige hoop op een betere toekomst.

 


7 Modder en kruipdiertjes

Juffrouw Annette woonde in een vrouwenkamp aan de voet van het Louteringsgebergte, de grens tussen het purgatorium en het hiernamaals. Een niet ongunstige plek. Niet alleen de temperatuur in dit district was zeker een paar graden hoger dan de tentenkampen nabij het Satansgebergte, ook de regen was hier minder en milder, terwijl de mist en de smog dunner en lichter leek. Wat dat aangaat had juffrouw Annette niets te klagen.

Juffrouw Annette zat zoals iedere avond voor het slapengaan in de opening van haar tentje. Dit was voor haar één van de betere momenten van de dag. Ze zat daar op haar manier gelukkig te zijn. Het onritmische getik van de regendruppels op het tentzeil leek haar te ontgaan, evenals de zwerm vliegen die vanavond wel heel hinderlijk voor de opening van haar tentje rondvlogen. Soms, als de vliegen al te lastig waren en op haar kwamen zitten wuifde ze met haar handen de lastige diertjes van zich af. Wezenloos, al zou ze er niet bij horen, keek ze naar de soppende vrouwenvoeten van heen en weer lopende buurtjes die op weg waren naar de waterpomp of poepdozen. Af en toe was daar een groet in de vorm van een knikje. Nog even en dan zouden de luidsprekers boven in de hoge houten palen het sein van zeven uur geven. Over een uur diende een ieder onder zeil te gaan. Ja ja ze wist het, maar zo ver was het nog niet. Tot de klok van acht zou juffrouw Annette nog een uurtje kunnen zitten mijmeren.

In dit laatste uur van de dag klonken uit de luidsprekers bazuinklanken en kerkliederen afgewisseld door mededelingen van activiteiten die de volgende dag in de kerktenten op het programma stonden.

 

Het weer was deze avond allerbelabberdst. Een dikke mist zorgde er voor dat de toppen van het Louteringsgebergte onzichtbaar waren. Ook was het kouder dan normaal en de regendruppels leken vetter. In ieder geval was het geen weer om er uit gaan. Vaak ondernam juffrouw Annette voor het slapengaan nog een wandeling. Zij was dan te vinden op de paadjes dichtbij de eerste heuvels aan de voet van het Louteringsgebergte. Zij zocht er naar kiezeltjes, zoals ze vroeger als meisje op het aardse aan het strand naar bijzondere schelpjes had gezocht. Vaak vond ze onverwachts stukjes gras en mos die ze als een schat mee terug nam naar haar tentje. Met haar nieuwe aanwinsten naast zich op de grond viel ze dan als een kind zo blij in slaap en droomde meestal dezelfde dromen. Ze droomde van haar geboortestad op het aardse. Een middelgrote stad van pakweg 200.000 inwoners, een stad die gehavend uit een oorlog was gekomen en waarvan het oude centrum plaats had moeten maken voor moderne recht opstaande kantoorgebouwen met daar onderin winkels, terrassen en parken.

In deze alsmaar terugkerende droom wandelde juffrouw Annette hand in hand met haar dochtertje door de winkelstraten. Meestal was het koopavond. Gezelligheid alom. Altijd maar diezelfde droom. Opvallend was dat het daar ook altijd regende. Maar gezellige regen. Het waren herfstavonden. Autolichten, kleurige reclames, lantaarnpalen en fel verlichte etalages spiegelden zich in de natte straten. Gewapend met een paraplu, stevig arm in arm wurmden moeder en dochter zich door de mensenmassa. Ze hadden meestal een vast rondje en deden dan dezelfde winkels aan: Mobieltjes kijken bij Primafoon, een saucijzenbroodje eten aan het luikje van de Hema, met daarna nog een grote kop warme chocolademelk met slagroom boven bij Vroom en Dreesman, kijken naar koopjes bij het Kruidvat, make-upspulletjes bij Douglas, de laatste boodschapjes doen bij Albert Heijn en tenslotte de wandeling terug naar huis door het halfverlichte park om daar nog de laatst zwemmende eendjes te voeren. Hoe warm kon een koude avond wel niet zijn.

Een groot probleem deed zich tijdens deze dromen steeds voor. Ze kon met geen mogelijkheid het gezicht van haar dochter voor zich halen. Zij was haar beeltenis volkomen kwijt. Zelfs haar naam was haar ontgaan. Haar helderheid van geest had het hier laten afweten. Hoe was het toch mogelijk, dacht ze dikwijls, dat ze zich haar enig geboren dochter niet meer kon herinneren. Ze nam dit zichzelf erg kwalijk en vroeg zich af of ze misschien niet genoeg van haar dochtertje gehouden had. Maar snel verwierp ze deze belachelijke gedachte. Het zou waarschijnlijk alles te maken hebben met de straf die ze hier in het vagevuur moest ondergaan en daar was geen plaats voor sentimentaliteit. Hoezo, God is liefde, vroeg ze zich dan verbitterd af.

Slechts een enkele keer droomde ze dat het middag was. Ze was dan op pad met een groepje cursisten en wandelde door het centrum. Soms hielden ze halt en juffrouw Annette deed haar verhaal over de historie van de stad, over beelden en overgebleven monumenten. Ze vertelde over achtergronden, over beeldhouwers en architecten. En natuurlijk werd de grote kathedraal op het plein bezocht, de trots van de stad, die eveneens ongeschonden uit de oorlog was gekomen.

 

Maar vanavond leek alles anders. Dromen deed ze niet. Ze lag reeds om half acht op haar veldbed. Zoals iedere avond probeerde zij voor het slapengaan haar tentje te schonen van de kruipdiertjes. Zo goed als kwaad had ze nu ook weer een aantal kruipers uit haar tentje weten te krijgen. Ze was hier zo langzamerhand behendig in geworden. Door haar vingers als harkje te gebruiken wist ze altijd wel een aantal diertjes te vangen.

Haar tentje stond voor de helft open, als zou ze iemand verwachten. Ze luisterde naar alles wat waarneembaar was. Haastige voetstappen en zo nu en dan een klagende stem over het slechte weer. Toen om acht uur het lied van de dag uit de luidsprekers klonk met daarna het signaal van acht uur, was Annette in haar eerste slaap. Maar niet voor lang, want een half uur later was ze alweer wakker. Behalve de kletterende regen was het stil. Verschillende keren richtte ze zich op en tuurde naar de duisternis. Alles was zwart. Na een kwartier was ze weer wakker en zo leek het de hele avond en nacht door te gaan.

 

 

 


8 De bevrijding

Vrouwen met brandende fakkels, gehuld in witte gewaden en op paarden gezeten waren die nacht onverwachts het vrouwenkamp nabij het Louteringsgebergte binnengereden en hadden honderden purgatijnse vrouwen, waaronder juffrouw Annette, aangewezen en meegenomen.

Even leek daar paniek. De angst sloeg eenieder om het hart. Het zou toch niet waar zijn. Ze zouden toch niet van de ene op de andere dag alsnog verdoemd zijn tot het hellevuur? Of was het andersom en wachtte hen het paradijs? Dit laatste was het meest waarschijnlijk, want het vagevuur gaf uiteindelijk toch toegang tot de hemel. Waar dan toch die vertwijfeling?

Maria, werd er plotseling van verschillende kanten geroepen. En toen wist men het weer. De twijfel sloeg over in opluchting en vreugde. Het was immers middernacht, het begin van de Mariafeesten. Hoe had men dit kunnen vergeten?

Commando’s klonken. Er werd gehuild, gekrijst, ja zelfs akelig gevloekt. Met alle geweld wilden de achterblijvers een plaatsje veroveren in de rijen die er door de witte ruiters gevormd werden. Iedereen wilde er bij horen. Maar de meesten werden meedogenloos naar hun tentje teruggedreven. Juffrouw Annette wist niet wat haar overkwam. Was zij een uitverkorene? Ze kon het nauwelijks geloven. Maar toen haar een nummer werd omgehangen met een Maria-logo en ze een plaatsje kreeg in één van de tientallen rijen leek het tot haar door te dringen.

 

Voor haar lag de vrijheid. Van het ene op het andere moment voelde ze zich verlost van haar aardse schulden. Wat precies de reden was van haar onverwachte verlossing, God mocht het weten. Net zo min als ze wist waarom ze ooit in het purgatorium terecht was gekomen. Weg waren haar schuldgevoelens over het kwade dat ooit was geschied en waar ze dagelijks mee bezig geweest was. Hoe vaak had ze zich niet afgevraagd waarom ze met het vagevuur was gestraft. Was het misschien haar echtscheiding geweest? Want stond er niet zwart op wit in de Bijbel dat geen mens mag scheiden wat God heeft samengebracht? Of was het de abortus die ze had laten plegen. Of haar geheime verhouding met één van haar cursisten, een vader van drie kinderen. Of had ze haar straf moeten ondergaan omdat ze haar dochtertje niet had laten dopen? Hoe dan ook, het waren in ieder geval geen doodzonden geweest. Halleluja!

Maria, Maria, werd er nu van alle kanten geroepen. Wees gegroet. Gij zijt de gezegende onder de vrouwen! 

 

Marcherend in pelotons waren de gelukkigen richting Dies Irae geleid. Als een elitekorps hadden ze schouder aan schouder gelopen. Gedisciplineerd en in de maat. Links, twee drie vier. Links, twee drie vier. Spreekkoren herhaalden keer op keer het Onzevader en het Weesgegroet. Fanatiek opgestoken vingers lieten het V-teken zien. Uit de kelen schalden liederen als Dank dank nu allen God, Prijs den Heer met blijde galmen, en U zij de glorie. Katholieken en protestanten zongen gezamenlijk Kyrie eleison, Christe eleison. Juffrouw Annette genoot van de zang, het handgeklap, de gebeden. Met een wildvreemde aan haar hand had ze meegezongen, maar echt geluid was er nauwelijks uit haar keel gekomen.

Gaandeweg, toen men zich realiseerde dat het menens was en dat ze op weg waren naar de hemel, de zevende hemel nog wel, leek de tocht een feest te worden. Er werden nu ook aardse liederen gezongen als: We gaan naar Zandvoort, al aan de zee, we nemen broodjes en koffie mee… Gejuich ging op toen de stoet de eerste mannenkampen naderde. Honderden jongens en mannen, opgejaagd door ruiters, voegden zich tussen de vrouwenrijen. Wildvreemden vielen elkaar in de armen. Stelletjes werden gevormd. Er werd geknuffeld en gekust.

Toen de stoet van purgatijnen, na een twee dagen lange voettocht de gerechtsgebouwen van het Dies Irae passeerde, verkeerde iedereen ondanks de vermoeidheid in een juichstemming. Zo gedisciplineerd als men zich in het purgatorium had gedragen, zo ongeorganiseerd kwam de stoet in Nieuw Jeruzalem aan, de eerste stad in de zevende hemel.

 

 

 


9 De klassieke fruitmand

HÄNDEL OP DE THEE BIJ BACH

De hoogste etage van de artiflat, de negende, bestond uit vier luxueu­ze penthou­ses, welke een prachtig uitzicht boden over de stad Johannes­burg in het oosten van de zevende hemel. De inhoud van de vier appartementen was met de afmetingen negen meter in de breedte en twaalf in de diepte op zijn zachts gezegd ruim te noemen. De appartementen werden bewoond door vier kanjers uit het aardse kunstverleden. Op nummer 901 de componist Bastiaan Bach, in de volksmond ook wel J.S. genoemd, op 902 de letterkundige Wolf von Goethe, op 903 de componist Ludwig van Beethoven en op 904 componist Wolfgang Amadeus Mozart. Vergeleken met bijvoorbeeld de twaalf bewoners van de eerste etage, die het moesten doen met een kamer van drie bij drie, woonden de genoemde kunstenaars van de bovenste etage riant. Het zal daarom niemand verbazen dat de vier hooggeplaatste heren het qua woongenot naar hun zin hadden op de artiflat. Alle vier beschikten over extra ruimtes waarin zij hun hobby’s konden botvieren. Zo beschikte Bach bijvoorbeeld over een gezellig ingerichte muziekkamer compleet met een klavecimbel. In de werkkamer van Beethoven stond een vleugelpiano. Goethe had de beschikking over een goed gevulde bibliotheek. En Mozarts trots was zijn biljartkamer.

 

Op het brede balkon van appartement 901 zaten die middag de heren Bastiaan Bach en zijn vriend Frederik Händel van nummer 703 van het zonnetje te genieten. De staande staartklok in de huiskamer van Bach had zo juist vier geslagen. De radio stond op de Klas­sieke fruitmand en de heren mochten niet klagen over belangstelling. Van Händel hadden er drie deeltjes uit zijn Watermu­sic geklon­ken en van de heer Bach was het Tweede Brandenburgs concert in zijn geheel uitgezonden. De twee vrienden leken zo op het eerste gezicht tevreden.

Meester Bach was in de ogen van de meeste artibewoners een super uitverkorene. Niet alleen omdat hij een penthouse op de hoogste etage bewoonde maar vooral om zijn eenvoud en bescheidenheid. En natuurlijk ook vanwege zijn beroemdheid. Want luisterde hij niet met zijn vermaarde orgelspel de feesten en diensten op van de belangrijkste kathedralen en basilieken in het hiernamaals.

De gastheer schonk zijn collega en vriend Händel een tweede kopje thee in en hield hem het zilveren schaaltje met likkoekjes voor. Doch Frederik bedankte. Hij genoot van zijn sigaar. Uit de radio klonk op dit moment muziek uit de Vijfde symfonie van Gustav Mahler. De twee musici luisterden aandachtig. Maar het was aan hun gezichten te zien dat het hen weinig kon beko­ren.

‘Ik weet niet wat jij er van vindt,’  zei Bastiaan met een zucht, ‘maar ik moet je zeggen dat ik er weinig van begrijp.‘

‘Langdradig en één en al herhaling,’  antwoordde Frederik. Met zijn rechterhand maakte hij een wegwerp gebaar. Zijn ogen volgden het kringetje rook dat hij zojuist had uitgeblazen.

‘Zo is het,’  zei Bach. Hij zette de radio iets zachter. ‘ Spreek je die Mahler wel eens?’  vroeg hij aan zijn vriend. De vraag kwam er -gewild of ongewild- enigszins spottend uit.

‘ Zo nu en dan kom ik hem wel tegen op de galerij of in de lift. Natuurlijk groeten we elkaar, maar meer niet.’

‘Hij is toch jouw buurman, is het niet?’ Bach vroeg naar de bekende weg. Natuurlijk wist hij van de hoogste etages wie waar woonde.

‘Hij woont twee nummers verder,’  antwoordde Händel, ‘ op nummer 705, tussen schilder Van Gogh en onze gewaardeerde collega Guus Verdi. Ik weet dat hij Gustav van zijn voornaam heet, maar verder weet ik weinig van hem, want spraakzaam is hij allerminst. Je moet de woorden uit hem trekken, snap je? Als je met hem praat, kijkt-ie een beetje langs je heen, alsof hij uit een andere hemel zou komen.’ De beide meesters lachten om Händels woordspeling.

‘Ik heb hem nimmer gesproken,’  zei Bach. Voor een moment was het stil op het balkon van 901. De vrienden roerden in hun thee. Heel in de verte klonk nog altijd de Vijfde symfonie van Mahler. Maar of de twee vrienden luisterden was niet helemaal zeker. Zij leken eerder verzonken in gedachten. Frederik zoog aan zijn sigaar en Bastiaan volgde met bewondering de kringetjes die zijn vriend naar boven blies.

‘Stom, stom, stom,’ sprak Händel plotseling. Hij stompte zich tegen het voorhoofd. ‘Ik heb hem kortgeleden nog gesproken! Luister: Laatst zaten we beneden met z’n tweeën als enigen in de wasserette, ik bedoel, Mahler en ik. We raakten aan de praat en wisselden onze muziekkennis uit, je weet hoe dat gaat. Hij werd zowaar even enthousiast en liet mij weten dat ik één van zijn favoriete componisten ben. Hij vergeleek mijn Messiah met jouw Matthäus. Hoe vind je dat?’

‘Toe maar,’ zei Bach glimlachend, terwijl hij opstond, zich uitrekte en naar de balustrade liep. Die heeft geen verstand van muziek, dacht hij. Een prima stuk maar dit duidt op onkunde stelde hij vast. Bach grinnikte. Hij keek naar beneden. Nog iedere dag genoot hij van het uitzicht en nog iedere avond knielde hij voor zijn bed om de Heiland te danken voor de schitterende woonruimte die hem ten deel was gevallen. Beneden op het grasveld liep de heer Smit, de huismeester. Een aardige kerel, vond Bach, een beetje simpel, maar iemand die zijn plaats wist. Als hij het goed had was Smit purgatijn. Maar wat maakt dat uit, dacht hij, nu hij over de balustrade naar de huismeester keek. Het was tegenwoordig de gewoonste zaak dat er in de zevende hemel purgatijnen rondliepen en volgens hem deed Smit geen vlieg kwaad.

‘ Zijn vrouw woont hier ook,’  zei Händel. ‘ Dat weet je toch?’

‘ O ja?’  vroeg Bach een tikkeltje afwezig. Hij oefende op de leuning van de balustrade een lastige vingerzetting voor zijn koraalbewerking Wat God doet dat is welgedaan. Hij zou dit morgenmiddag tijdens het openingsconcert van de Mariafeesten in de Onze-Lieve-Vrouwekerk gaan spelen. Hij was altijd met muziek bezig, ook hier in de zevende hemel. Hij kon eenvoudig niet zonder. Een warm gevoel bekroop hem als hij dacht hoe de kerk tot aan de laatste plaats bezet zou zijn en dat men van zijn orgelspel zou genieten. Hij moest trouwens niet vergeten zijn schoenen te poetsen, schoot hem nu te binnen.

‘Ik meen op de derde,’  antwoordde Händel. ‘In ieder geval mag ze er zijn.’ Bach keek zijn vriend vragend aan. ‘Het is een mooie vrouw,’  zei Händel terwijl hij Bastiaan een veelbetekende knipoog gaf. Hij klopte de as van zijn sigaar op een leeg schoteltje dat Bastiaan altijd bij wijze van asbak voor hem neerzette.

‘Wonen ze niet samen dan?’  vroeg Bach verwonderd.

‘Niet dat ik weet. Ik heb haar nimmer bij hem op de stoep gezien. Volgens zeggen hield ze het beneden met meerdere mannen. Het was in ieder geval geen goed huwelijk. Hij had dit Wigbert de barkeeper ooit eens aan iemand horen vertellen.’

‘O jee, zei Bach.’ Hij schudde zijn hoofd. De radio kondigde een Mandolineconcert van Vivaldi aan. Bastiaan liep door de schuifpui de woonkamer binnen en klikte de radio uit. ‘Kom, laten we een soepje gaan halen bij Wigbert,’  riep hij naar zijn gast. Van het ene moment op het andere scheen Bach haast te hebben.

Even later stonden ze zwijgend tegen over elkaar in de lift. Soms begreep Frederik geen sikkepit van zijn vriend. Plotseling kon zijn humeur omslaan. Hij had Bastiaans gezicht zien vertrek­ken. Had hij misschien iets ver­keerds gezegd? Frederik probeerde het zich te herinneren. Ze hadden het over Gustav Mahler gehad, over de eentonigheid en langdradigheid van zijn muziek en ook hadden ze nog een woordje gewisseld over Mahlers ex-vrouw Alma. Händel begreep het niet. Of was het misschien Mahlers opmerking geweest over de gelijkenis tussen The Messiah en de Matthäus? Nee, zo kinderach­tig kon Bach niet zijn. En bovendien, iedereen wist toch dat de Matthäuspassi­on op eenzame hoogte stond, daar kon zijn Messiah  toch niet aan tippen? Wacht eens, het was toch niet Tonio Vivaldi van nummer 405 die hem van humeur had doen veranderen? Het was hem wel meer opgevallen als Vivaldi ter sprake kwam dat Bach geïrriteerd raakte.

Frederik Händel had het bij het juiste eind. Bach mocht die Vivaldi niet. Bach mocht de man niet, die overal rond bazuinde dat Bachs groot­heid mede te danken was aan hem. Het was om je rot te lachen. Vivaldi had zeker gedoeld op een aantal vioolconcerten die door Bach omgezet waren tot klavierconcerten. Nou en? Was dat zo wereld­schokkend geweest? Een paar nietszeggende, inhoudloze vioolmop­pies, als tijdverdrijf om te zetten tot klaviermuziek? Hij mocht eerder blij zijn. Zo klonk het tenminste nog ergens naar! Maar in plaats daarvan moest die roodharige Italiaan links en rechts beweren dat niemand minder dan Bastiaan Bach muziek van hem zou hebben gepikt. Hoe durfde die katholieke hond! Bach was nog liever van zijn geloof geval­len, dan om muziek te jatten van een tweederangs compo­nist als Vivaldi.

Maar toch hield je altijd lieden die het voordeel van de twijfel kozen. Zo hoorde hij een aantal weken geleden de aankondiger van de Klassieke fruitmand mededelen dat Bachs Italiaans Concert in de Vivaldische concert­vorm zou hebben gestaan. Witheet was Bach geweest. En hij had nog die zelfde avond een brief naar de Evangelische Omroep geschreven en om rectificatie en excuses verzocht. Maar een antwoord had hij tot op heden nog niet ontvangen. Een geluk bij een ongeluk: Onze Lieve Heer kende het verschil tussen kunst met een grote K en een kleine k. Immers, Bach was op de negende, de hoogste etage terechtgeko­men, Vivaldi slechts op de vierde. En wie was er uitgenodigd om tijdens de hoogtijdag van de Mariafeesten een concert te geven in de Onze-Lieve-Vrouwekerk?

Nee, wat dat aan ging hoefde Bach zich niet druk te maken over zijn grootsheid. Maar in zijn hart moest hij toegeven dat het Gloria van Vivaldi een prachtig koorwerk was en dat dit werk, toen hij het voor het eerst hoorde, hem kippenvel had bezorgd. Maar dat had hij nooit hardop tegen iemand durven zeggen.

 

 


10 Het bruine gebouw

In Nieuw Jeruzalem was juffrouw Annette met een honderdtal andere purgatijnen in de slang geloodst. In een poep en een scheet waren ze vervolgens naar Sint-Petrusburg gebracht, de grootste stad van de zevende hemel, een miljoenenstad, een wereldstad zouden ze beneden op de aardkloot zeggen.

Vanaf het Centraal Station Sint-Petrusburg hadden kleine witte legervoertuigen de uitverkorenen naar een asielcentrum in het westen van de stad gebracht. Onderweg had juffrouw Annette haar ogen uitgekeken. Als een kind zo blij had ze aan het raampje gezeten. Eindelijk weer huizen, flats, kerken, winkels, fabrieken, kantoorgebouwen, groene parken en boulevards. De lucht was blauw en er viel geen spatje regen. En, daar was-ie dan, eindelijk, de zon! Hoe vaak had ze hier niet naar verlangd.

Doodmoe was ze geweest. Ze had kunnen huilen van blijdschap. Om geen zonnestraal te verliezen had ze de hele reis met haar wang tegen het raam geplakt gezeten. Het leek alsof ze aan het begin had gestaan van een lange vakantie. Ze was vrij, ze was nu in het echte hiernamaals.

 

Bij aankomst was juffrouw Annette met een dertigtal andere vrouwen naar een somber bruin gebouw gebracht waarna ze direct naar een slaapzaal waren gedirigeerd. Er was hen een bed en nachtkastje toegewezen. Een echt bed met een echt matras! Wat had ze daar vaak naar verlangd toen ze in haar tentje tussen het ongedierte op haar veldbedje had gelegen. Aan haar bed had hetzelfde nummer gehangen dat ze tijdens de reis om haar hals had gedragen. Direct was ze naast haar bed op haar knieën gevallen en had de Heiland hartstochtelijk bedankt.

 

De eerste nachten waren zeer onrustig geweest. Ondanks het verbod was het een komen en gaan van manvolk. Waar ze vandaan kwamen was een raadsel. Maar voorlopig leek men dit alles te gedogen. Want hoelang waren de stakkers niet alleen geweest. Hoelang hadden ze geen intimiteiten met anderen kunnen delen. Zonder enige vorm van schaamte werd er links en rechts gevreeën. Als uitgehongerde beesten was men tekeer gegaan. Luidruchtig en ongegeneerd werd er gelachen, gekreund en gesmakt. Bedden hadden hinderlijk gekraakt. Zo af en toe was er ook een manspersoon aan het voeteneinde van het bed van juffrouw Annette verschenen, maar ze had zich netjes slapende gehouden. Aan haar lijf voorlopig geen polonaise.

 

De volgende morgen, de eerste dag in het hiernamaals was er kleding uitgereikt. Een ieder ontving een pasje van de sociale dienst, een handjevol tegoedbonnen voor de eerste levensbehoeften en een plattegrond van de stad. Het pasje gaf recht op vijftig zilverlingen per maand. Een karig bedrag, werd er links en rechts gemopperd, maar juffrouw Annette had het prima gevonden. Voorlopig vond ze alles prima. Ze was allang blij dat ze het stinkende tentenkamp had mogen verlaten.

Er diende nu gewerkt te worden en gezocht naar een kamer, zo werd er bevolen. De huisvesting in het bruine gebouw was van tijdelijke aard. Met klem werd een ieder aangeraden een baan te zoeken. Verder werd er medegedeeld dat men ’s avonds aanwezig diende te zijn bij de eerste les van de inburgeringscursus.

Annette liet alles over haar heenkomen. Ze wilde zo snel mogelijk alles vergeten en niet meer denken aan de ontberingen van weleer. Het vertoeven in het purgatorium was een hel geweest.

 

De enige vrouw waar ze de eerste dagen zo af en toe mee sprak was een kleine vrouw. Nokia was haar naam. Ze lag een paar bedden links van haar. Twee schreeuwvrouwen sliepen nog tussen hen in. Vrouwen die Annette soms het inslapen moeilijk maakten. Vrouwen die tot diep in de nacht met elkaar kletsten. Vrouwen die zich weinig aantrokken van slaap willigen. Vrouwen die tegen de regels in soms ook een bedgenoot toelieten. Met de vingers in de oren, diep in het kussen gedoken, wachtte juffrouw Annette dan af tot het rustiger werd.

In de eetzaal zat Nokia tegenover haar. En als de bel ‘s avonds om zeven uur het tijdsein gaf voor de inburgeringscursus liep ze aan haar zijde en kwam naast haar zitten.

De kleine vrouw ratelde aan een stuk door. In de korte tijd dat ze in het bruine gebouw vertoefden had ze al een paar keer het verhaal verteld over haar dood. Ze vertelde over haar zieke moeder die aan de andere zijde van de grens had gewoond en die ze hoe dan ook nog een keer wilde ontmoeten. Ze vertelde hoe ze was vastgeraakt in het prikkeldraad en als een hond door grenswachten was neergeschoten.

Al een aantal keer had ze verteld over haar visvangsten in de rivier en de manden vis die zij op de markt voor een goede prijs had verkocht. En dan ook nog het orkestje waarin ze gespeeld had. Steeds maar dezelfde verhalen. Annette werd er soms tureluurs van.

Voor de geschiedenis van Annette leek de kleine vrouw met de smalle oogjes geen belangstelling te hebben. Nooit was er een vraag over haar aardse leven. Aan een stuk door ratelde Nokia haar eigen verhalen. Geduldig luisterde juffrouw Annette en zweeg over haar eigen verleden. Intussen verbaasde zij zich over het feit dat ze de overvloed aan woorden in een vreemde taal gewoon kon verstaan.

Ook de leraar van de inburgeringscursus, een pikzwarte man gestoken in wit uniform met korte broek en de lieveling van veel vrouwelijke cursisten, deed zijn les in een taal die juffrouw Annette niet eerder had gehoord. En toch kon iedereen de man volgen. Men hing zelfs aan zijn lippen. Er werd de nieuwbakken purgatijnen geleerd hoe men zich in het hiernamaals diende te gedragen. Er werd hun verteld over hun sollicitatieplicht, identiteitskaart en over het gebruik van het geldpasje. Streng wees de leraar de dames er tenslotte op dat men in het bruine gebouw niet gediend was nachtelijk bezoek.

 

Het was op een ochtend, de gehele slaapzaal leek nog in diepe rust, buiten was het nog donker, toen juffrouw Annette wakker werd van het heen en weer geschuifel van voetenstappen en fluisterende stemmen. Na een tijd geluisterd te hebben naar deze voor het tijdstip ongebruikelijk geluiden, richtte ze zich op en tuurde de donkerte in. Een flauw schijnsel verlichtte de slaapzaal. Het duurde niet lang of anderen richtten zich eveneens op. Wat was er aan de hand, wat was er gaande? Als ze het goed zag was er bij de tussendeur naar de eetzaal een soort van tentdoek gespannen. Ze scherpte haar ogen. En inderdaad, er stond een witte tent opgesteld. In de tent zelf leek een fel licht te branden. Figuren liepen in en uit. Het was er een drukte van jewelste. Juffrouw Annette kon het niet goed zien, maar ze dacht dat het allen vrouwspersonen waren. Het leken wel verpleegsters, of waren het engelen? Inmiddels zaten er velen rechtop in bed. Enkelen maakten zelfs aanstalten om zich naar het gebeuren in de hoek te begeven.

Plotseling stond Nokia aan haar bed.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ze met een angstige stem.

Juffrouw Annette sloeg de dekens open en ging op de rand van haar bed zitten. Nokia nam plaats naast haar en greep onmiddellijk haar hand. De kleine vrouw beefde.

De lichten in de zaal floepten plotseling aan. Hier en daar klonk een kreet. Handen werden voor de ogen geslagen. Een ieder leek nu ontwaakt.

 

Een grote vrouw met een witte schort en kniekousen stond midden in de zaal. In de verste verte een engelen type. Ze stond op een verhoginkje. Drie keer klapte ze in haar handen en riep om stilte. Onmiddellijk hield het geroezemoes op. Het werd zelfs akelig stil. De vrouw schraapte haar keel. En toen schalde haar stem door de zaal. Een irritant hoge stem. Een ieder diende zich binnen vijf minuten met ontbloot bovenlijf in de buurt van de ingang van de eetzaal te begeven. De vrouw wees naar de witte tent. Er werd verzocht om zich ordelijk in rijen op te stellen en te wachten op een ieder zijn beurt. Er diende gewacht te worden op het moment dat de dokter zou vragen om verder te komen.

‘De dokter, de dokter,’ werd er van alle kanten geroepen. ‘Wat moeten we met een dokter. Wat wilde die van hen?’ Van het ene op het andere moment leek het chaos in de slaapzaal. Een ieder drentelde door elkaar. Er heerste een lichte paniek.

Na de aankondiging van de vrouw op het verhoginkje marcheerden een twintigtal vrouwspersonen, gekleed in boerka-achtige gewaden door de slaapzaal. Zij leken de instructies van hun leider over te nemen.

Tien minuten later stonden Annette en Nokia hand in hand te midden van een lange rij voor de geheimzinnige witte tent. Twee aan twee wachtte een ieder op de dingen die zouden gaan komen. Links en rechts van de rij stonden de in boerka gehulde wachtsters. Daarna werden de eerste purgatijnen de tent binnengelaten. Nu was het stil. Zenuwachtig schuifelden de wachtende voeten. Vanuit de positie waar Annette zich bevond was weinig te zien. Ze stond met Nokia midden in de rij. Een lange rij.

 

Er klonk een gil uit de tent, een angstige gil. Iedereen leek zijn adem in te houden. Enkelen huilden. Wat gebeurde daar binnen? Kort daarna klonk er wederom een kreet, een afschuwelijke kreet, een kreet die door merg en been ging. Annette huiverde. Nokia snikte. Daarna werd het stil. De volgende werd binnengelaten. En alsmaar die akelige angstige kreten, kreten van pijn, zo leek het. Voetje voor voetje naderden Annette en Nokia de ingang van de tent.

Even later waren ze aan de beurt. Nokia beefde over haar lijf. Nog steeds had Annette haar hand vast, een natte hand. Daarna werd het doek opengeschoven. Een vriendelijk ogend manspersoon knikte hen toe. Een grote man met een gladde kale schedel. Het was de dokter.

 

 


11 De gemeentereiniging

STRAATVEEGSTER IN HET HIERNAMAALS

En het geschiedde in die dagen dat juffrouw Annette te werk werd gesteld bij de gemeentereiniging van Sint-Petrusburg. Na veelvuldig solliciteren had ze een baantje gekregen als straatveegster in de arbeiderswijk Jozef de timmerman, in stadsdeel Nieuw West. Gehuld in een werkpak, grote gele handschoenen, een petje en hoge bruine wandelschoenen was ze op een zonnige dag aan het werk gegaan. Haar attributen waren een tweewielig karretje, een bezem, een metalen blik en een prikstok. Volstrekt overbodige attributen daar het super schoon was in Nieuw West. Haar werk bestond grotendeels uit het rijden met het karretje en af en toe een opgestoken hand naar een onbekende. Ze rustte vaak uit op een bankje aan de rand van een bloemperk in een van tientallen parkjes. Nog dikwijls had ze hinder van haar chip. Het wondje dat zo goed als genezen was jeukte soms hevig. Met haar handen kon ze daar niet bij, dus schurkte ze tegen de rugleuning van het bankje.

Kaarsrecht stonden de flatgebouwen met kriskras daar doorheen kronkelende zand- en grindpaden. Asfalt kende men niet in het hiernamaals. Flatgebouwen die namen droegen als Klein metaal, De arbeiderspers, Pijpfitter, De bouwvakker, De graafmachine.

Haar vaste ronde was Klein metaal, een wijk met flats bewoond door honderden loodgieters, elektriciens, verwarmingsmonteurs, koperslagers, pijpfitters… Langs de paden, in het gras en op de bankjes rond de perken, was het dagelijks een drukte van jewelste. Voor de flats zaten manspersonen met een natje en droogje gezellig met elkaar te keuvelen. Tussen de flats lagen tennisbanen, jeu-de-boules banen en sportveldjes bestemd voor volleybal, voetbal, korfbal, tafeltennis en dergelijke. Soms plukte Annette in een van de perken een boeketje bloemen die ze dan ’s avonds in het bruine gebouw op haar nachtkastje zette. De bewoners in Nieuw West waren vriendelijke en vrolijke zielen. Het duurde niet lang of juffrouw Annette werd herkend en begroet. Ze had het naar haar zin in Nieuw West.

Als ze zich zo door de wijken bewoog verlangde ze er hevig naar om ook in een flatje te mogen wonen. Ze voelde zich veilig in een omgeving als Nieuw West. Van horen zeggen wist ze dat er achter Jozef de timmerman, richting centrum ook vrouwenflats waren. Flats bewoond door naaisters, caissières, verkoopsters, receptionisten, kapsters, schoonmaaksters en dergelijke. Haar karretje voor zich uit duwend droomde ze over haar toekomst in het hiernamaals.

 

Ook Nokia had werk gevonden. Dagelijks nam de kleine vrouw de slang naar de bloemenstad Voorstad Sint Jacoba. Ze werkte bij de groenvoorzieningen in een groot attractiepark. Ze had de zorg over het bijknippen van grasperken, het ledigen van afvalbakken en het opruimen van rondslingerend vuil.

Sinds het inwijdingsritueel leek het dat ze nu echte vriendinnen waren. Natuurlijk spraken ze nog vaak over de gebeurtenissen op de bewuste ochtend in de slaapzaal. Het gebeuren dat hen ook dichterbij elkaar had doen komen. Zeker een aantal uren hadden ze naast elkaar op een brancardbedje gelegen. Nokia had gekrijst. Als een wild dier was ze te keer gegaan. Het was bizar geweest. Zonder enige verdoving was er een opening in hun rug geboord en een chip geplaatst. Daarna was de wond dicht geplamuurd en waren ze in de tot ziekenzaal omgebouwde eetzaal op een bedje gelegd. Einde operatie!

 

En dan was daar plotseling de verandering. Van het ene op het andere moment moest Annette weg uit stadsdeel Nieuw West. Ze zou overgeplaatst worden naar het centrum van de stad en eveneens als straatveegster te werk worden gesteld. Ze zou ingedeeld worden bij de uitrukploeg Centrum. Van de ene op de andere dag had ze van wijk moeten veranderen. De wijk waar ze inmiddels vertrouwd mee was geraakt. Waarvan ze zo langzamerhand elk grindje kende, elk bloemperkje en elk grasveldje. Bij verschillende wijkbewoners was het meisje met de bezem, zoals men haar noemde, inmiddels bekend. Er waren zielen die haar iedere dag begroet hadden en soms wat lekkers hadden aangeboden of iets te drinken, een glaasje limonade of kopje thee. Hoewel het een mannengemeenschap betrof was ze nimmer lastiggevallen. Ze wist dat dit met haar outfit te maken had gehad, met haar werkpak, petje en lompe schoenen.

De mededeling van haar overplaatsing, evenals de nieuwe tijden en adresgegevens, waren op een kaartje geschreven dat op een avond bij thuiskomst in het bruine gebouw aan haar bed had gehangen. Ze zou voortaan een uur eerder moeten opstaan. Het gebouw van de uitrukploeg Centrum bevond zich in de buurt van de rode molen, een toeristische attractie in het hartje van de stad. Haar werkterrein zou in de omgeving van de rode molen zijn. Verder geen enkele uitleg en geen vragen. Men diende hier in het hiernamaals zonder commentaar bevelen op te volgen. Het betrof hier immers een bericht aan een purgatijn, iemand uit de onderkant van de samenleving.

 

Geruime tijd had ze met de boodschap in haar handen op het krukje naast haar bed gezeten. Wezenloos had ze voor zich uit zitten staren. Wat waren ze met haar van plan? Waarom werd ze niet met rust gelaten? Ze had het hier immers naar haar zin. Ze was gewend aan haar dagelijkse besognes, aan haar werk in Nieuw West, aan het sombere gebouw, de eentonige slaapzaal en de zielen rondom haar.

Van juffrouw Annette werd verwacht dat ze zich de volgende ochtend reeds zou melden. De hele avond, totdat de zaallichten om tien uur doofden had ze op de rand van haar bed gezeten. Kamergenoten hadden haar gegroet, maar alles was aan haar voorbij gegaan. Ook Nokia had ze deze avond genegeerd. Nog zeker een uur had ze met wijd opengesperde ogen in het donker gelegen. Waarom deze onverwachte verplaatsing en wat was het nut hiervan? Wie zat er toch achter al deze beslissingen? Wie had er voor haar bevrijding uit het Purgatorium gezorgd en wie had haar op de bus gezet naar het bruine gebouw? Het kon toch onmogelijk zijn dat de Heiland zelf dit alles regelde. Natuurlijk had juffrouw Annette in het Purgatorium op de Bijbelschool gehoord over psalm 8 van David, waarin deze zich afvraagt hoe het mogelijk is dat God alles regeert en dan ook nog oog heeft voor een nietige ziel, in dit geval juffrouw Annette. Ze kon dit nauwelijks bevatten. Maar als het waar was, petje af voor God!


12 Pientje

DE DOCHTER VAN JUFFROUW ANNETTE

Hoe dan ook, het was een hele verandering voor juffrouw Annette om van de lange stille straten en lanen met de eentonige huizenblokken en flatgebouwen van Nieuw West afscheid te nemen en te verhuizen naar het drukke centrum van de stad. De miljoenenstad Sint-Petrusburg met zijn uitgaansgelegenheden, zijn kleine straten, pleinen, steegjes en de rosse buurt rondom de rode molen. Drukker zou ze het ook krijgen. Het centrum was veel minder schoon dan Nieuw West.

 

De dagen schreden voort en juffrouw Annette was spoedig gewend geraakt aan de drukte. En ook aan de gezelligheid van het centrum. Wonder boven wonder kreeg ze zowaar iets van vreugde in haar bestaan. Al spoedig kende ook deze buurtbewoners het meisje met het karretje en de bezem.

Nu ze meer onder de zielen kwam kreeg ze langzamerhand een hekel aan haar outfit. Ze geneerde zich voor haar blauwe werkmanspak met op de rug de tekst Uitrukploeg Centrum, haar lompe schoenen, haar grove handschoenen en haar petje. Soms werd ze aangesproken met jongeman of meneer. Verschrikkelijk vond ze dit. Waar was haar schoonheid van weleer en wat zou er gebeuren als ze haar haar weer los ging dragen en dat afschuwelijke petje zou aflaten? Wie zou haar hierop controleren? Ze wilde het minderwaardige bestaan van zich afschudden. Natuurlijk was ze gelukkig met haar verlossing uit het purgatorium, maar ze wilde vooruit. Ze zou hier in het centrum een kamer willen huren, maar ja, dan zou ze toch een ander baantje moeten zoeken, want de kamers in het centrum van Sint-Petrusburg waren schreeuwend duur, met name in de omgeving van de rode molen, waar de meisjes van plezier hun kamertjes hadden. In ieder geval wilde ze zo spoedig mogelijk weg uit dat grauwe, bruine gebouw, weg van die slaapzaal, weg van de andere vrouwen met wie ze nauwelijks contacten onderhield.

Met haar bezem links en rechts voor zich uit zwabberend droomde juffrouw Annette van een ander bestaan. Ze droomde er van om zelf iets te gaan ondernemen, een winkeltje of iets dergelijks. Ze droomde van een eigen huisje, maar ze zou ook al tevreden zijn met een kamer.

 

Op zekere dag, het was nog vroeg in de middag, de zon scheen al heerlijk − juffrouw Annette had zojuist op de rand van de stoep een plakje brood gegeten en een kartonnetje chocomelk leeggezogen − zag ze haar plotseling staan. En ook flitste haar naam door haar gedachten. Levensecht verscheen ze voor haar geest, haar dochtertje Pientje.

‘Pientje,’ riep ze buiten zinnen, ‘Pientje, daar ben je dan, het is niet te geloven, maar daar ben je dan.’ Ze liet haar karretje kieperen en ging op de stoeprand zitten, zomaar in de drukte, midden op straat. Ze huilde dikke tranen. Tijden had ze niet zo geschreid. ‘Pientje, hoe ik kon jou vergeten. Waar ben je nu, hoe is het met je, ik mis je zo.’ Vette tranen biggelden over haar wangen. Zover ze zich kon herinneren had ze haar laatste tranen in het purgatorium gelaten. Haar tentje had gelekt en ze had een aantal dagen en nachten in de nattigheid moeten doorbrengen. Als ze daar nog aan terugdacht kreeg ze de rillingen. Daarna had ze nooit meer gehuild. Ook niet toen een wilde groep mannen het vrouwenkamp was binnengedrongen en verschillende tentjes hadden bezocht. Uitgehongerd leken zij. Hoewel juffrouw Annette ook flink te grazen was genomen had ze geen kik gegeven.

Duidelijk had ze de beeltenis van haar dochter voor ogen en alsmaar riep ze haar naam. Dit was een moment van helderheid van geest. Maar ook was ze bang, bang dat het om een momentopname zou gaan en ze het beeld van haar enig geboren dochter weer kwijt zou raken.

‘Heer, laat mij haar behouden,’ bad ze daar op de rand van de stoep in het centrum van Sint-Petrusburg. Voorbijgangers bleven staan kijken naar de vrouw in het blauwe werkman pak. Wat was er aan de hand met haar die daar zo midden op straat zat te bidden en te huilen? Het ging om een purgatijnse, dat zeker, dat zag je zo, waarom was de vrouw zo overstuur? Ze was toch niet het slachtoffer van discriminatie of lijfelijk geweld? Je hoorde het de laatste tijd wel meer dat purgatijnen lastig gevallen werden. Wat dat aan gaat waren het rare tijden in Sint-Petrusburg.

Een enkeling probeerde haar te troosten. Er werd gevraagd waarom ze zo verdrietig was. Maar juffrouw Annette had geen aandacht voor de mensen rondom haar. Ze was drukdoende met Pientje, haar lieve dochter. Het leek alsof ze rechtstreeks met haar converseerde. Door haar tranen heen vertelde ze haar dochtertje:

‘Mama is in de hemel, ze werkt daar bij de gemeentereiniging. Maak je geen zorgen, het gaat goed met haar.’

Nog een beetje verdoofd van het gebeuren droogde ze haar tranen, zette haar karretje recht en vervolgde haar veegwerk. Herhaaldelijk sloot ze haar ogen om haar dochter te zien. Gelukkig verdween het beeld niet. Integendeel, het leek alsof ze haar steeds scherper, duidelijker zag. Ze zag nu zelfs haar groene ogen, haar lieve lach, de lange blonde haren en het moedervlekje in haar nek.


13 Achter de rode molen

VAN GOGH EN LAUTREC DOEN INSPIRATIE OP 

Juffrouw Annette richtte zich op van de stoeprand. Even had ze de neiging om d´r haar in orde te brengen. Maar dan voelde ze dat verdomde petje! Op hetzelfde moment dat juffrouw Annette haar bezemwagentje weer in beweging zette verschenen om de hoek van de straat de kunstschilders Van Gogh en Lautrec. De twee waren een dagje uit om ideeën op te doen voor een nieuw werkstuk. En waar kon dat beter dan in de chaos van het centrum van Sint-Petrusburg.

‘De kunst ligt op straat, makker,’ zei Lautrec tegen Van Gogh. Hij wees naar het meisje in haar blauwe werkpak dat een karretje voor zich uit duwde. Van Gogh knikte. Hij had haar gezien. De twee schilders hielden halt en observeerden het bezemmeisje aan de overkant van de straat. ‘Daar zou ik iets moois van kunnen maken,’ mompelde Lautrec.

‘Ze heeft inderdaad wel wat,’ zei Van Gogh. ‘Ik bedoel iets niet alledaags,’ vervolgde hij. ‘Maar laten we een momentje rusten, ik heb het even gehad.’ De twee hadden al geruime tijd gelopen en Van Gogh had gemerkt dat zijn vriend wat moeilijker was gaan lopen. Hij hinkte zelfs een beetje. Lautrec vond het een goed idee. De vrienden deden hun rugzakken af en haalden een pakketje brood en drinken tevoorschijn. Daarna namen ze plaats op een groen houten bankje aan de rand van een parkje met aan de achterkant, stoer boven de struiken uit stekend, de rode molen, het visitekaartje van de binnenstad.

‘Het kon je zuster zijn,’ zei Lautrec grinnikend en knikte met zijn hoofd naar de overkant. Hij bedoelde te zeggen dat zijn vriend net als het meisje een donkerblauwe kiel droeg.

‘Ze heeft geen baard, als ik het goed zie,’ zei Van Gogh lachend. En sloeg hierbij zijn handen op de knieën al zou het de mop van het jaar betreffen.

‘Ik zou haar willen tekenen,’ zei Lautrec. Ze aten van hun boterhammen en dronken koude thee. ‘Het wordt tijd voor een borrel,’ vervolgde hij terwijl hij met een vies gezicht van zijn thee dronk. Hij knikte met zijn hoofd naar de rode molen.

‘Het is nog vroeg,’ antwoordde zijn vriend, terwijl hij zijn tabakspullen tevoorschijn haalde.

 

De twee deden wel vaker een dagje Sint-Petrusburg. Ze waren dan even uit de sleur van het arti gebeuren. Bovendien vonden ze in de hoofdstad vaak inspiratie die in Johannesburg ver te zoeken was. Wat de kunst aanging hadden ze zo’n beetje dezelfde ideeën. Zij schilderden graag de drukte van de stad, de terrassen, de kroegen, de bordelen en de meisjes. Maar Van Gogh probeerde zijn vriend soms ook mee te lokken naar het veld, bijvoorbeeld naar het heuvelland achter de arti. Behalve het stadse leven hield Vincent van de natuur. Bovendien had zijn vriendin er moeite mee dat hij optrok met Lautrec en zijn reisjes naar de hoofdstad. Jazeker, Van Gogh was zeer op het buitenleven gesteld. In de artiflat was het bij menigeen bekend dat de roodharige schilder soms bij nacht en ontij met zijn schildersezel over de velden zwierf.

 

De kunstenaars zagen hoe juffrouw Annette een volle schep vuil in haar karretje kieperde. Zij op haar beurt zag hoe de twee mannen op het bankje haar observeerde. Lautrec floot op zijn vingers.

‘Doe niet zo ordinair,’ stootte Van Gogh zijn buurman aan. ‘Dat doe je toch niet!’ Maar Lautrec reageerde niet. In plaats daarvan wenkte hij de straatveegster om naar hen toe te komen. Juffrouw Annette stak de straat over en begaf zich naar de wenkende mannen. Misschien wilden ze haar de weg vragen. Zij waren niet van hier. Aan hun rugzakken te zien waren het reizigers.

‘Wij zouden u graag willen portretteren,’ zei Lautrec toen juffrouw Annette voor hen stond.

‘U lijkt ons verdrietig,’ zei Van Gogh. Hij keek daarbij het meisje onderzoekend aan en dacht, tjee, wat een leuke vrouw, maar waarom zo treurig. Het leek warempel alsof ze gehuild had.

‘U bent vast en zeker kunstenaars,’ zei juffrouw Annette zonder in te gaan op Van Goghs opmerking.

‘We moeten het ermee doen,’ lachte Lautrec. Hij haalde zijn schetsboek tevoorschijn. ´Noem ons liever kunstenmakers,’ vervolgde hij. En voor de tweede keer die morgen schaterde Van Gogh uitbundig.

‘Kom laten we op het gras gaan zitten, het is mooi weer,’ zei Van Gogh en vaderlijk legde hij zijn arm om de schouders van het treurige meisje. Even later zaten de drie op het grasveldje achter het groene bankje met uitzicht op de achterzijde van de rode molen. Nu ze zo dicht bij uitverkorenen zat en met hun in gesprek was, geneerde juffrouw Annette zich heviger dan ooit voor haar outfit. Het liefst zou ze haar kloffie verruilen voor iets vrouwelijks. Maar het was nu eenmaal niet anders, trouwens, de kunstmeneren droegen ook eenvoudige kleding.

‘Kunt u ook gedachten schilderen?’ vroeg ze plotseling. De twee schilders keken elkaar vragend aan.

‘U mag mijn dochtertje tekenen,’ vervolgde ze. Ze schrok van haar eigen uitspraak.

 

En zo geschiedde het dat juffrouw Annette die middag door twee kunstenaars uit de artiflat geportretteerd werd en dat er een heuse tekening van haar dochtertje op papier werd gezet. Vooral met dit laatste was ze als een kind zo blij. Intussen vertelde juffrouw Annette hoe het haar vergaan was hier in het hiernamaals. Ze vertelde over de verschrikkingen van het purgatorium, over de tentenkampen, het ongedierte, de mist en de eeuwige motregen, over haar onverwachte vrijheid, de reis naar Sint-Petrusburg, het bruine gebouw, haar vriendin Nokia, de slaapzaal, haar minimuminkomen en tenslotte haar werk bij de stadsreiniging. Haperend vertelde ze van haar wens om ooit eens een winkeltje te beginnen. De twee kunstenaars luisterden aandachtig naar haar ontroerende verhaal. Het ontging de twee schilders niet hoe ze tijdens haar relaas de tekening van haar dochter als een schat tegen haar hart gedrukt hield.

 

Nog diezelfde avond reisde juffrouw Annette met Vincent van Gogh en Lautrec met de slang naar Johannesburg. Daar aangekomen wist ze niet wat haar overkwam. Verrukt was ze over de rust die er heerste, het groen en het prachtige flatgebouw. En wat een vriendelijke zielen! Van alle kanten was de vrouw uit het wilde westen door de artibewoners verwelkomd. Niemand had naar haar afkomst gevraagd. Maar een ieder zag dat het een purgatijnse betrof. De dagen die volgden waren voor juffrouw Annette de mooiste sinds tijden. En het duurde niet lang dat zij haar droom in vervulling zag gaan en een winkeltje opende op de begane grond van de kunstenaarsflat: een wasserette.


14 Stoute dromen

DIETRICH GEILT OP OTIS REDDING

Op het moment dat juffrouw Monroe van nummer 102 zich in de Nadorst op een barkruk hees en de eerste woorden wisselde met Dmitri Sjostakovitsj van 802, stiefelde Otis Redding van nummer 111 met zijn vuilwas naar de wasserette aan de achterzijde van de artiflat. Het was kwart over vier toen Otis de wasserette binnenkwam.

Kling, zei de bel.

‘Ha, die mevrouw Dietrich,’ groette Otis vriendelijk.

‘Wel wel, kijk eens wie we daar hebben,’ antwoordde mevrouw Dietrich die op dat moment een oude Singel aan het doorbladeren was en zojuist een aantal contactadvertenties zorgvuldig had bestudeerd. ‘Wel wel, dat is een tijd geleden.´ Ze klopte met haar vingers op de zitting van de stoel naast haar om hem uit te nodigen plaats te nemen. Otis lachte zijn witte tanden bloot en plofte zijn tas op de vloer. Hij droeg een rood poloshirt, een kort glimmend lichtblauw sportbroekje met witte biezen, en aan zijn naakte bruine voeten wit wollen slippers. Het leek alsof hij een bezoek zou gaan brengen aan een zwembad of sauna. Hij ritste zijn tas open en haalde enkele zorgvuldig gesorteerde pakketjes wasgoed tevoorschijn. Vervolgens, alsof het ging om reeds gewassen en gestreken wasgoed, legde hij de stapeltjes voorzichtig neer op de wasautomaat tegenover hem.

‘Zoo,’ zei hij tegen zichzelf en uit het achterzakje van zijn sportbroekje haalde hij een beursje te voorschijn. Na wat gezoek en gemompel keek hij in het rond, vervolgens weer in zijn beursje en tenslotte naar mevrouw Dietrich, die hem van boven haar tijdschrift geen moment uit het oog had verloren. ‘Is juffrouw Annette er niet?’ vroeg hij om zich heen kijkend.

‘Niet dat ik weet,’ antwoordde mevrouw Dietrich zonder van haar Singel op te kijken. ‘Maar we redden het zonder juffrouw Annette ook wel,’ denk je niet?

‘Vast wel,’ lachte Otis. Maar eigenlijk had hij liever gehad dat juffrouw Annette er geweest zou zijn. Hij zag haar namelijk graag. ‘Neemt u mij niet kwalijk,’ vervolgde hij, ‘kunt u een vijfje klein maken? Mevrouw Dietrich keek op van haar tijdschrift.

‘U, u, u,’ zei ze toen traag op een toon alsof ze zich beledigd voelde. ‘Ik heet Marlene, weet je nog liefje?’ Otis keek naar zijn voeten. Hij bedacht zich hoe hij haar in godsnaam bij haar voornaam kon noemen. Hij voelde de koele ogen van zijn buurvrouw en weldoenster op zijn halfblote huid prikken. ‘Hadden wij laatst niet een afspraak gemaakt?’ vroeg mevrouw Dietrich zonder verder op zijn vraag in te gaan. ‘Had meneer de muzikant niet beloofd een kopje koffie bij zijn buurvrouw te komen drinken? Of was hij deze afspraak vergeten?’ Otis kleurde tot op zijn rug. Marlene Dietrich rolde haar Singel op, hield deze als een kijker voor haar rechteroog en nam de jonge neger brutaal van top tot teen op. Ze moest lachen om zijn outfit. Voor een artiest een absolute amateur. Iemand die geen notie had om zich fatsoenlijk te kleden. Toch vond ze hem een heerlijk dier, een lief vertederend manneke dat volgens haar geen weet had van zijn seksuele uitstraling.

Ze fantaseerde dat ze hem zou kunnen verzoeken om op de strijktafel te gaan liggen en zijn hoofd in de kom van haar rechterarm zou laten rusten. Ze zou haar erotische ervaringen op hem kunnen botvieren door met haar vrije hand met duim en wijsvinger in zijn tepels te knijpen. Met haar tong zou ze zijn dikke roze lippen kunnen benatten, om vervolgens met haar linkerhand zijn kruis te beroeren op zoek naar zijn zwarte roede. Het ding zou volgens haar een prachtexemplaar moeten zijn. Ze zou hem door het wijde pijpje van zijn sportbroekje kunnen kneden. Natuurlijk zou ze ook direct de gemakkelijkste weg kunnen nemen door gewoon zijn sportbroekje naar zijn knieën te trekken en haar hand in zijn slip te laten rusten om hem vervolgens stevig vast te pakken. Marlene wist wat ze moest doen om een man en zichzelf sterretjes te laten zien. Ervaring genoeg.

Sinds het jaar 1992 na de geboorte van onze Heiland, toen ze op de artiflat haar plaatsje had gekregen had ze met verschillende bewoners pleziertjes beleefd. En nog steeds onderhield ze contacten met haar bovenbuurman, Pablo Picasso van nummer 801 en met haar buurtjes Edith Piaf van nummer 204 en haar buurman Freddie Queen van 110.

Terwijl haar linkerhand zijn kloppende roede zou omknellen, fantaseerde ze verder, zou haar tong intussen in zijn mondholte op onderzoek uitgaan om zijn paarse tong te ontmoeten en vervolgens deze bij haar naar binnen te zuigen. Ze kon hem bloedgeil krijgen. God nog aan toe, zag ze het goed? Had hij nu reeds een erectie van haar aanwezigheid of was dit gewoon zijn slaapstand?

‘Kunt u een vijfje wisselen?’ vroeg Otis voor de tweede maal. Marlene Dietrich schudde langzaam haar hoofd. Haar ogen lieten zijn lichaam los. Ze ontrolde het tijdschrift en legde deze op de lege stoel naast haar. Vervolgens rommelde ze wezenloos en zuchtend in haar handtasje op zoek naar los geld.

‘Kijk eens lieve jongen,’ zei ze en reikte hem haar hand met een zilverling. ‘Laat maar zitten,’ vervolgde ze toen hij met een papieren vijfje ritselde. ‘Geld genoeg,’ mompelde ze. Ze sloot haar handtas met een klik.

‘Dank je, Marlene,’ stotterde Otis met gebogen hoofd toen hij het muntstuk aannam.

‘Het is goed, jongen.’ Ze keek hem nog even indringend aan, als zou ze haar fantasieën terug willen roepen. Even was het stil. Het onritmisch rommelen van de wasmachines was op dat moment het overheersende geluid in de wasserette van juffrouw Annette.

‘Als het u uitkomt… ik bedoel als je het uitkomt, kom ik vanavond een kopje koffie drinken en zal ik je mijn nieuwe gitaar laten zien.’

‘Wel, wel,’ knikte Marlene voldaan. ‘Zo mag ik het horen.’ Op dat moment verscheen juffrouw Annette in de deuropening. Zij begroette haar twee klanten allervriendelijkst. Mevrouw Marlene Dietrich zag hoe het gelaat van Otis veranderde en hoe begerig hij naar juffrouw Annette keek. Ze zou op dat moment liever wat jonger geweest zijn dan haar 91 jaar.


15 Drinkende zielen

DE HOUTEN BEK VAN MONROE

Om kwart voor vijf hinkte de zevenendertig jarige Lautrec van nummer 211 de Nadorst binnen. Zonder iets te zeggen klom hij op de lege kruk naast zijn vriend Vincent van Gogh. Met een vingertje gaf hij Wig te kennen om voor hem en zijn buurman iets in te schenken. Wig keek de kleine man vragend aan.

‘Doe maar hetzelfde,’ zei deze. Wig haalde de fles absint tevoorschijn. Lautrec knikte.

‘Poeh,’ zei Van Gogh.

‘Wat poeh,’ vroeg Lautrec.

‘Het is nog vroeg.’ Lautrec haalde zijn schouders op. Hij keek op zijn horloge en zag dat het over vijven was. Wig klokte de twee hoge glazen vol.

‘Hebben wij een houten b-bek?’ vroeg juffrouw Monroe overdreven luid. Lautrec negeerde haar opmerking. Het antwoord aan dwazen is zwijgen, mompelde hij binnensmonds. Bovendien zat ze drie plaatsen van hem verwijderd. Hij mocht haar niet en waarom zou hij haar dan wat aanbieden. Ze had hem meerdere malen in het bijzijn van anderen gekleineerd. In wezen had Lautrec wel oog voor het soort meisjes zoals juffrouw Monroe. Hij hield van hoerige typetjes en natuurlijk fantaseerde hij ook wel eens over het geile blondje van 102. Het was algemeen bekend dat zij het speeltje was van verschillende artibewoners. Ze hield het zowel met mannen als vrouwen. Er was wel eens gekscherend beweerd dat zij zich zelfs door Lodewijk het hondje van de huismeester liet likken. Maar Lautrec vond het wel best. Hij had tot nu toe nooit uit haar doosje gesnoept en of dit er ooit van zou komen wist hij niet. Voorlopig haalde hij zijn plezier bij de meisjes rond de rode molen in Sint-Petrusburg.

 

Sjostakovitsj keek somber voor zich uit. Hij roerde met een lepeltje in zijn dode bier. Hij gaf niet de indruk de binnenkomst van de kleine man met bolhoed opgemerkt te hebben. Eigenlijk voelde hij zich uitgeblust. Hoeveel had hij er alweer achter de kiezen? Hij vroeg zich ook af waarom hij zich in het bijzijn van jan en alleman toch altijd zo druk moest maken over de politieke toestanden van zijn land beneden op de aardkloot. Wig haalde een vochtig doekje over de bar en ledigde de asbakken in een glimmend emmertje.

‘Zo, jongen, hoe is het allemaal?’ vroeg Lautrec aan zijn buurman en gaf hem joviaal een klap op de schouder. In plaats van antwoord te geven glimlachte Van Gogh naar zijn kleine vriend en hield bij wijze van toost zijn glas een weinig omhoog. ‘Santé,’ zei Lautrec. Hij nam een flinke slok van zijn pittige borrel. Voor een moment was het stil in de Nadorst. ‘Het is groen en hangt in de boom,’ verbrak Lautrec de stilte.

‘M-mogen wij ook meedoen?’ stotterde juffrouw Monroe met een kindstemmetje.

‘Wat was de vraag ook alweer?’ vroeg Wig, terwijl hij zijn klanten een schaaltje bitterballen voorhield.

‘Het is groen en hangt in de boom,’ herhaalde Lautrec. Maar niemand wist het. Lautrec zelf waarschijnlijk ook niet meer, want hij gaf het onderwerp van gesprek een volledig andere wending door tegen zijn buurman te zeggen: ‘Een beetje zin in het leven?’

‘Als je het nog niet wist, ik ben al een tijdje dood.’ Lautrec grinnikte om het mopje van zijn buurman. Uit zijn binnenzak haalde hij een klein doosje kleurpotloden. Met één van de potloodjes maakte hij een schrijfbeweging in de lucht. ‘Wig!’ riep hij toen. Vrijwel gelijktijdig scheurde Wig een stuk papier van een rol en legde dit op de bar voor Lautrec neer. Een irritant kereltje, die Lautrec, vond Wig. Soms tegen het brutale aan. Maar het was een goede klant, dus liet-ie het maar zo. Lautrec begon direct te schetsen. Op de achtergrond zette Wigs stereo een nieuw nummer in. Verder was het stil in het café. Juffrouw Monroe zuchtte een aantal keren moeizaam. Sjostakovitsj zat roerloos te staren in zijn half lege glas. Lautrec bewoog zich naar zijn vriend Vincent, knikte naar Sjostakovitsj en fluisterde: ‘Moet jij je geen zorgen maken om je buurman?’ Van Gogh keek zijn vriend vragend aan. ‘Zie je niet dat hij bezopen is?’

‘Dat is zijn probleem.’

‘Ik dacht dat jullie van de zevende sociale contacten met elkaar onderhielden.’

‘Ja, ja, ja,’ antwoordde Vincent. ‘Maar dat wil nog niet zeggen dat ik als kindermeisje moet optreden.’ Hij klopte ongeduldig zijn pijp leeg in de asbak. Van Gogh zag zichzelf langzaam maar zeker op het tekenpapier van Lautrec te voorschijn komen.

‘Hoe is het trouwens met de liefde?’ wilde Lautrec weten.

‘Rondje van de zaak,’ riep Wig luid en klingelde aan de grote koperen bel.

‘Ze is niet blij dat ik hier in het café zit ,’ mopperde Van Gogh.

‘Als jij maar blij bent,’ zei Lautrec. Hij kleurde de kiel van Van Gogh met blauw potlood in.

‘G-geef mij nog maar een neut,’ liet juffrouw Monroe Wig weten. ‘En dan stap ik op.’ Ze stak een nieuwe sigaret op. Ze vroeg zich af waarom ze hier te midden van een aantal zwakzinnigen aan de bar zat. Een beetje minachtend keek ze naar haar buurman. Zo te zien had deze hem al aardig zitten. Sjostakovitsj zat te knikkebollen. Het leek zelfs of hij op het punt stond in slaap te vallen. Ze kon het niet nalaten hem speels in zijn oorlelletje te knijpen. ‘Alles g-goed met je Sjors?’ vroeg ze met haar kindstemmetje. Sjostakovitsj schrok omhoog.

‘Ja, ja, ja, alles goed,’ antwoordde hij geërgerd. En in één teug sloeg hij zijn restje dode bier achterover.

‘N-nou ja, het was maar een vraag,’ zei juffrouw Monroe. Ze keek langs haar buurman naar de twee verderop. Van hen moest ze ook weinig hebben. Ze gruwelde van Lautrec, met zijn korte pootjes en veel te grote hoofd. En die rooie Van Gogh vond ze gewoonweg een engerd. Nee, ze zat hier onder haar niveau. Ze had zin in een echte kerel. Waarom kwam één van haar buurtjes niet even gezellig binnenstappen. Ze keek voor de zoveelste keer naar de ingang. Misschien kwam Pablo nog even langs. Meestal kwam hij om deze tijd. Hoelang was het alweer niet geleden dat hij even lekker met haar deed?

‘Koffie?’ vroeg Wig pedagogisch aan Dimitri Sjostakovitsj.

‘Wat koffie,’ antwoordde deze pinnig.

‘Nou ja, ik zeg maar wat,’ antwoordde Wig. Hij haalde zijn schouders op en zette een vers biertje voor zijn sombere klant.

‘Je laat je toch niet de baas spelen hè?’ waarschuwde Lautrec.

‘Ik zie Zusje graag,’ antwoordde Vincent.

‘Dat kan. Maar daarom hoef je niet de ganse dag handje handje te lopen.´

‘Ze is nogal een huiselijk type, weet je. Ze had bijvoorbeeld liever dat ik nu gezellig bij haar aan de thee zou zitten en een spelletje Scrabble met haar speelde.’

‘Heren, wat mag het wezen,’ vroeg Wig aan de twee kunstschilders.

‘Hetzelfde,’ zei  Lautrec. Van Gogh knikte instemmend naar zijn glas. Hij lustte er nog wel één. Hij was in een rare stemming.

‘Zusje heeft liever dat ik naar het veld ga om te werken in plaats met jou te schilderen,’ vervolgde Van Gogh. ‘Ze heeft het niet zo op het stadse en van Sint-Petrusburg moet ze helemaal niks hebben.’

Juffrouw Monroe rommelde in haar handtasje en haalde make-upspulletjes tevoorschijn. Ze keek in haar klapspiegeltje en trok een vies gezicht. Ze zag er niet uit. ‘Ik ga even p-plassen,’ mompelde ze. Maar niemand luisterde op dat moment naar haar. Ze gleed van haar kruk en trippelde naar het toilet.

‘Blijf zo nog even zitten,’ zei Lautrec. Deze was bezig zijn schets van zijn vriend te voltooien. ‘Je moet je niet vastzetten op één vrouw. Er zijn meer lieve vrouwtjes in de zevende hemel. Juffrouw Annette bijvoorbeeld. Heb je al gemerkt dat ze een oogje op je heeft?’

‘Je lult uit je nek,’ antwoordde Vincent. Hij veranderde van kleur.

‘Maar heb je dan niet gezien hoe ze altijd naar jou zit te koekeloeren? Grijp je kans man, het lijkt mij een fantastische meid! En dat Zusje, ik weet het zo net nog niet, ik vind het maar een burgerlijk trutje. In ieder geval niks voor jou. Sorry hoor.’

Op dat moment klom juffrouw Monroe weer op haar kruk en stak een sigaret op. Even later bewonderden de aanwezigen in café de Nadorst het portret van Van Gogh dat zojuist door Lautrec was geschetst. Zelfs juffrouw Monroe sprak vol bewondering over het kunstwerkje. Alleen Sjors had geen oog voor de schets, deze zat te knikkebollen op zijn kruk. ‘W-wilt u mij ook een keertje tekenen?’ vroeg juffrouw Monroe.

‘Tuurlijk, lieve schat, zeg maar wanneer ik bij je langs kan komen,’ antwoordde Lautrec.

‘K-kan dat hier dan niet?’

‘Nee, poezekindje, voor jou heb ik meer tijd nodig. Van jou wil ik iets speciaals maken,’ zei  Lautrec. Hij keek haar veel betekenend, een tikkeltje geil aan.

Om kwart over vijf trad juffrouw Annette de Nadorst binnen. Ze had een pakketje onder haar arm en keek om haar heen. ‘Nee maar,’ zei Wig, ‘ U hier?’ Een ieder keek verwonderd naar de vrouw die zojuist het café was binnen gekomen. Want juffrouw Annette kwam maar zelden in de Nadorst.

‘Meneer Van Gogh was zijn wasgoed vergeten,’ zei juffrouw Annette.

‘Een kut smoes,’ fluisterde Lautrec, terwijl hij zijn vriend aanstootte. Van Gogh kleurde tot diep in zijn nek.

‘Wilt u iets drinken van de zaak,’ vroeg Wig. Maar juffrouw Annette was alweer weg.

 


16 Zappa loopt een marathon

Frank Zappa had weinig be­grepen van zijn plotselinge wan­del­lust. Goed beschouwd was hij helemaal geen wandelaar. Waar was dit allemaal goed voor, wie had dit bedacht? vroeg hij zich af. Waar ging hij naar toe, wie had hem hier ge­bracht, wie had hem zo gek ge­kregen om onge­traind aan zo’n idioot lange voettocht te begin­nen? Dagenlang had hij onafgebro­ken ge­lopen. Zeg maar gerust ge­sjouwd en gerend. Vooral de eerste da­gen was hij doodmoe ge­weest. Zijn hele lichaam had hem pijn gedaan. Afgezien van het hobbelige tra­ject hadden er om de haverklap verraderlijk diepe kuilen in de weg gezeten en moest er om de zoveel tijd een stevige helling beklauterd worden. Ook lagen er links en rechts stenen en keien die hem alsmaar deden struikelen. Liep hij het ene moment door de blubber, het ander moment zonk hij tot z’n knieën in het water. Dit was geen loopparcours, dit was een helse hindernisbaan!

Er waren momen­ten dat zijn benen niet meer wilden. De blaren onder zijn voeten waren opengegaan en wonden geworden. Waarom had hij zich niet goed voorbereid en fatsoenlijk getraind? Waarom had hij niet aan professioneel schoei­sel gedacht en liep hij hier op zijn pantoffels? Waarom had hij geen korte broek aangedaan of van hem part een trainingspak? Want wie loopt er nu in gods­naam in een pyjama en lange witte re­gen­jas een mara­thon?

Hij prakkiseerde zich suf, maar kon er niet achter komen wat de oorzaak was van deze ellende, van deze helse tocht. Zo langza­merhand waren zijn rug en nek ook pijn gaan doen en iedere stap veroor­zaakte hem een steek in de zij. Langzaam maar zeker raakte hij uitgeput en kon hij eenvoudig niet meer. Hij hoestte, kwijlde, en rochelde. Christus me ziele, wat een ellende! Ver­schil­len­de keren had hij in de berm of in een greppel gebraakt, of had het kots gewoon als kwijl over zich heen laten lopen.

Hij had gevloekt en gebeden. Soms dacht hij dat hij ijlde. Hij had dorst, hon­ger en diaree. En om de honderd meter moest hij plassen, plassen en nog eens plassen. Maar stoppen ging moeilijk, dus liet hij alles na verloop van tijd maar lopen. Het leek alsof hij met zachte hand werd voortgeduwd. Zijn kruis werd zeiknat, zijn liezen schrijnden. Tevergeefs zocht hij naar een hoofdweg waarop misschien rich­tingaan­wij­zers zouden staan. Kon niemand hem dan vertellen hoelang dit alles nog door zou moeten gaan? Het was een doolhof waarin hij zat opgesloten. Soms had hij het idee dat hij enkel rond­jes liep. Tien­tallen malen dacht hij langs het zelfde punt te zijn gelo­pen. Hij raakte in paniek en gilde:

‘Laat me er uit! Ik zit vast!’ Maar er was niemand die hem hoorde. Er was in geen velden of wegen iemand te beken­nen, al had hij wel het vreemde gevoel dat hij gevolgd werd. Maar als hij omkeek was daar de mist en een angst­aanjagende donker­te. Dus rende en struikelde hij maar voort…

 

En eindelijk, na dagenlang zwoe­gen, zweten en zwalken, was daar de hoofdweg, een brede landweg van mos en zand, met aan weers­kanten hoge bomen, cipressen, meende Frank. Een groot bord links aan de weg gaf aan waar hij zolang had gestreden De Eeuwige Jachtvelden. Maar het drong nauwelijks tot hem. Voor hem slingerde zich de hoofdweg door een korenveld en verdween in de heuvels. Daar moest hij dus zijn, daarginds hoog in de heuvels. Daar zou de finish zijn en onge­merkt begon hij sneller te lopen.

Het leek wel, nu hij op de hoofdweg liep, dat hij zich beter begon te voelen. Hij had het idee dat het einde naderde. Zijn voeten deden minder pijn. Hij begon makke­lijker te lopen. Ook de drang om alsmaar te plassen werd minder. Achter hem trok de mist op. Sneller en sneller liep hij. Wederom passeerde hij een groot bord met ditmaal de tekst Het Hijgend Hert Der Jacht Ontkomen en nauwelijks honderd meter verder las hij Voorwaarts Christus Strijders, met direct daarna een reclamebord Heerlijk Helder Heineken. Frank begreep er geen pest van. Waar was hij en wat deed hij hier?

 

Op een gegeven moment kreeg hij bevestiging van het idee dat hij gevolgd werd. Sinds hij over de hoofdweg snelde vloog er hoog aan de hemel een zwerm vogels met hem mee. Frank floot een fragment uit zijn Touring can make you crazy. Een toepasselijk nummer, mompelde hij glimlachend. In ieder geval was hij nog niet gek geworden…

Na verloop van tijd kreeg hij plezier in het rennen. Zijn voe­ten voelden beter. En even later dacht hij zelfs op veertjes te lopen, zoals in een reclame­spotje voor een nieuw soort sportschoe­nen. De moeheid verdween en maakte plaats voor fitheid en energie. Meer en meer kreeg hij plezier in zijn wandeling. Uitgelaten begon hij te huppelen, te zingen, te lachen. Hij zwaaide naar de vogels, die alsmaar lager kwamen vliegen en tenslotte pal boven zijn hoofd met hem mee deinden. Het was hem nu helder dat zij hem volgden. Hij probeerde ze te tellen, hetgeen hem gemakkelijk afging daar de beesten in perfecte harmonie vlogen, een militairencolonne in de lucht. Goed geteld waren het er drieëndertig. Op het ritme en geluid van de enorme vleugels zou hij best een lied kunnen componeren: Woep woep woep woep… In ieder geval wapperden ze met hem mee richting heu­vels. Maar kom op, moedigde hij zichzelf aan, we moeten verder en hij zette een sprintje in.

‘Kunnen jullie me bijhouden?’ riep hij een tikkeltje overdreven naar zijn volgelingen. Af en toe schrok hij als hij zag dat de meedeinende colonne weer een metertje gezakt was. Het waren nu loeigrote beesten, veel groter dan ooievaars of blauwe reigers. Nooit eerder had hij zulke grote vliegende beesten gezien…

Zo zoetjes aan ging ook het weer mee­werken: De zon werd gemoede­lijk, de wind strelend. De hemel was blauw, de weide groen. Overal bloei­ende bloemen, struiken en bomen, een prachtig decor voor een nieuwe muziekfilm. Toen Frank de heuvel beklom, leek hij opge­tild te worden. De vogels vlogen nu zo laag dat hij het trage geklapper nu vlak boven zijn hoofd hoorde. Het geluid deed hem denken aan draaiende wieken van een grote windmolen, woep woep woep woep… Ook meende hij nu gezang te horen. Hij keek omhoog en zag dat de vogels witte gewaden droegen.


17 Engel Kees

HET HIERNAMAALS FRANK ZAPPA ENGEL KEES

Op de top van de heuvel, waarvan Frank later vernam dat het de Olijfberg betrof, landde één van de witte vogels. Frank bleef aan de grond genageld staan. Hij hijgde als een bezetene. Eigenlijk zou hij willen rusten na deze idiote renpartij, maar hij bleef staan, zoals gezegd als aan de grond genageld. ‘Christus me ziele,’ riep hij verschrikt. ‘Een engel!’ Midden op de hoofdweg stond hij daar. Hij dacht geen stap meer te kunnen verzetten. Toen de engel hem wenkte, liep hij naar hem toe. Hij beefde over zijn hele lichaam.

‘Wees niet bevreesd,’ zei de engel met fluwelen stem toen Frank voor hem stond. ‘Volg mij, ik ben uw gids.’ Vanonder zijn rechtervleugel kwam een hand met een witte handschoen te voorschijn die hij Frank toereikte. ‘U bent meneer Frank Vincent Zappa?’ vroeg de engel nu met normale stem. Frank knikte en greep met tegenzin de uitgestoken hand. ‘Kees,’ zei de engel.

‘Kees wat?’ vroeg Frank aarzelend.

‘ Ik ben Kees,’ antwoordde de engel met een glimlach.

‘Kees?’ vroeg Frank verwonderd. Hij keek de engel ongelovig aan. ‘Maar een engel heet toch geen Kees?’ De engel sloeg broederlijk een arm om Frank en fluisterde dicht bij zijn oor:

‘Natuurlijk niet liefje, officieel heet ik Gabriël. Net als alle engelen in deze contreien.’ De engel keek om zich heen en kwam zo dicht bij Franks oor dat hij meende voor een moment het heilige gelaat te voelen. ‘We zijn gekopieerd, weet je,’ fluisterde de engel. ‘We zijn schaamteloze klonen van Gabriël, de enige echte Gabriel en ons opperhoofd. Maar in het geniep hebben we ons onderling een eigen naam aangemeten,’ vervolgde de Kees. ‘Zo voelen we ons wat minder kloon en houden we een stukje persoonlijkheid, snap je? Maar mondje dicht,’ voegde hij er snel aan toe. Frank knikte, maar hij begreep er geen pik van.

‘Waar gaan we naar toe?’ vroeg hij met onvaste stem.

‘Dat is de bekende vraag,’ lachte de engel. ‘Een vraag die een ieder stelt, maar zoals gezegd, wees niet bevreesd.’ Lichtjes duwde de engel Frank voorzichtig de richting uit naar het pad dat naar beneden leidde. ‘Kom, laten we gaan’, zei hij. ‘Er is nog een hoop te doen.’

Een moment later wandelden zij op hun gemak zwijgend naast elkaar over de top van de heuvel naar beneden. Wederom verwonderde het Frank dat hij na de dagenlange run geen vermoeidheid voelde. Voor hen lag een dal. Hij werd stil van het uitzicht. Zo’n mooi stuk natuur had hij zelden gezien. Hij hield zelfs even halt, zodat de engel hem moest aansporen om door te lopen. Voor hen uit liepen zingende troepjes soldaten. Frank ving flarden op van het lied When the saints go marchin’ in. Elk groepje soldaten werd aangevoerd door een engel. Ondanks zijn verwarde positie kon hij, kijkende naar de engelen een glimlach niet onderdrukken. Het is toch om je rot te lachen, dacht Frank: Kees, Piet, Klaas, Jan, Gerrit. En dat zijn dus engelen! Voor de groepjes soldaten liepen enkele loslopende personen zonder begeleiding van een engel. ‘Ik maak geen enkele kans,’ zei Frank. Hij voelde dat het menens ging worden. Het speet hem dat hij vroeger niet wat meer in de Bijbel had gebladerd. Zijn glimlach was verdwenen en had plaatsgemaakt voor een bloedserieus gelaat.

‘Dat zeggen ze allemaal,’ antwoordde de engel. ‘Maar kop op jongen, wie weet hebben ze een verrassing voor je in petto.’

‘Ja maar ik…’

‘Uw moeder was toch katholiek?’ vroeg de engel. Hij haalde een notitieblokje van onder zijn vleugel vandaan. Hij leek naar Frank zijn gegevens te zoeken. Van op zij keek de engel Frank vragend aan. Frank knikte. Maar wat had hij daar aan? Voor een moment dacht hij aan zijn moeder. Hoelang had hij haar niet gezien? En zou hij haar hier dan weer ontmoeten? ‘Nou, dat is tenminste al wat,’ onderbrak de engel Frank zijn gedachten. ‘Laten we voorlopig over dit onderwerp zwijgen. Misschien valt het allemaal wel mee.’ Frank schrok. Wat bedoelde Kees met: misschien valt het allemaal nog mee? Jezus nog aan toe, ze zouden hem te grazen nemen. Hij wist het zeker!

Onder in het dal stond een immens gevaarte. Het deed Frank denken aan de Arc de Triomphe. Maar dan tig keer zo groot. ‘Het Voorportaal,’ zei Engel Kees alsof hij Franks gedachten kon lezen. Direct daarna werd Kees opgepiept. Als hij meneer Zappa bij het Voorportaal had afgeleverd, moest hij zich weer melden bij de groep. Het was vandaag uitzonderlijk druk. Ze namen de laatste glooiing. Het lange pad voor hen werd versmald door dranghekken, welke links en rechts van de weg stonden opgesteld. Hier en daar stonden groepjes belangstellenden. Om de pakweg vijfentwintig meter stonden kaarsrechte palen waarin bovenaan luidsprekers bevestigd waren, waaruit marsmuziek klonk, afgewisseld door onverstaanbare mededelingen.

‘Laten we een mobiel pakken,’ zei de engel. Hij trok Frank mee naar een parkeerterrein aan de kant van de weg waar tientallen gemotoriseerde open wagentjes stonden. Ze deden hem denken aan invalidenwagentjes. In de verte hoorde hij gejuich, al zou er een doelpunt gescoord zijn. Hij herkende dit geluid. Hoe vaak had hij niet in arena’s, concertzalen en overdekte hallen opgetreden en was hij verwelkomd door mensenmassa’s. Het gejuich deed hem goed. Doch de luidsprekers met de marsmuziek en mededelingen maakte hem bang. ‘Ga zitten,’ zei engel Kees. Een kind kan de was doen. Rechts gas, links remmen. Frank voelde zich behoorlijk opgelaten toen hij even later in zijn scootmobiel langs de alsmaar drukker wordende menigte reed. Hij voelde zich als een paus op tournee Voorzichtig hief hij zijn hand op naar een paar enthousiastelingen. Wonderbaarlijk genoeg riepen ze zijn naam. Toen ze de eerste tribunes naderden steeg er gejuich op.

‘Frankie, Frankie,’ klonk het steeds luider. Sommigen hielden een papiertje met pen in de lucht. Ja, kom hij was gek, hij had wel wat anders te doen dan handtekeningen uitdelen. Hij zou zo direct voorgeleid worden.

‘Doorrijden,’ sprak engel Kees streng toen hij merkte dat Frank langzamer begon te rijden en terug begon te zwaaien. Het werd drukker. Men bleef zijn naam scanderen. Ook vernam hij Amerikaanse vlaggetjes. De groepjes soldaten en loslopende personen voor hen schenen nauwelijks aandacht te krijgen. Dikwijls werd er achterom gekeken. De weg verbreedde zich. Ze reden nu langs volle tribunes bevolkt met zingende, zwaaiende en roepende mensen. ‘Frankie! Frankie! Frankie!’ Er werden volkse melodieën gezongen als Olee, Olee, Olee en We are the champions. Engel Kees keek trots naar zijn metgezel. Hij had er duidelijk schik in. Dit was wel even iets anders dan een gewone burger uit de Jachtvelden op te pikken.

‘Dit is meen ik allemaal voor u bedoelt,’ riep hij met een big smile naar Frank. Geniet er maar van. Je weet maar nooit… En zonder dat hij er erg in had stak hij zijn hand in de lucht en zwaaide met Frank mee naar de zielen aan de kant.

‘Wie zijn dat, waar komen die lui allemaal vandaan?’ riep Frank terug. Ze reden nu heel dicht bij elkaar. Gewoon praten was vrijwel onmogelijk geworden.

‘Die zijn een dagje uit,’ schreeuwde de engel. ´Iedereen uit het Koninkrijk bezoekt jaarlijks wel een keer een Aankomst. Maar vandaag is het erg druk. Ze wisten van uw komst. Daar kun je donder op zeggen. U was beneden een beroemdheid!´

‘Maar hoe weten zij dat…’

‘Hier zijn geen geheimen,’ onderbrak de engel hem. Zij bestegen de laatste helling. Links en rechts tribunes met uitzinnig zingende zielen. Boven aan de heuvel verrezen ge­bouwen. Gebouwen met koepels. Gebouwen met gouden daken die blonken in de zon. Gebouwen zoals hij nimmer had gezien. En hij had tijdens zijn concertreizen toch heel wat steden bezocht. Op aanwijzingen van geüniformeerden werden de scootmobiels achter rood-witte slagbomen geplaatst en werd het laatste stuk te voet afgelegd.

‘Meneer Zappa, meneer Zappa, dit is Evangelische Omroep, mogen wij u een paar vragen stellen?’ Er werd een microfoon onder zijn neus geduwd. Langs de kant stonden grote grijze auto’s met schotelantennes op het dak. Eigenlijk waren het kleine vrachtauto’s. Radio Maria, las Frank en op een van de radio-auto;s, en op een andere stond met schreeuwende letters Evangelische Omroep. Frank duwde de man opzij. Hij had wel wat anders aan zijn hoofd dan een interview. ‘Het is maar voor even,’ riep de reporter nog.

‘Is dit het echte hiernamaals?’ vroeg hij met trillende stem aan de engel Kees. Maar er was geen engel Kees meer. In plaats van een antwoord te krijgen werd hij ruw bij de arm genomen. Hij zocht naar zijn beschermengel. Maar deze was in de drukte verdwenen. Hulpeloos keek hij om zich heen.

‘Kees, Kees,’ schreeuwde hij met overslaande stem. Hij rukte zich los en zette het op een lopen.


18 Dies Irae

ZAPPA IN DE WACHTKAMER VAN HET HIERNAMAALS

Nadat Frank Zappa door engel Kees bij het Voorportaal was afgeleverd was hij naar het Dies Irae geleid, het immense gerechtsgebouw. Ondanks de aanwezigheid van honderden zielen, maar misschien waren het er ook wel duizenden, had er rust en eerbied geheerst. Velen hadden wezenloos voor zich uit zitten staren. Links en rechts waren gebeden gepreveld en bijbelteksten uitgesproken. Gezichten waren vertrokken van angst en aan de lopende band werden er toiletten bezocht. Frank zelf moest er trouwens ook knap gestrest uit hebben gezien, want hij herinnerde zich nog de prop in zijn maag, zijn jeukende geslacht, maar dat konden nog de naweeën van zijn kanker geweest zijn, het onophoudelijk getril van zijn rechterbeen en het eindeloze gepulk aan zijn sik. Ja, hij kende zichzelf. Soms had hij over zijn hele lijf gebeefd en had hij hetzelfde gevoel van pakweg twintig jaar geleden toen hij tijdens een concert door een overspannen fan het podium was getrokken en metersdiep in de orkestbak terecht was gekomen. Toen had hij, bang dat hij aan zijn verwondingen zou overlijden, ook over zijn hele lijf getrild. Maar of hij toen een gebedje had gedaan, kon hij zich niet meer herinneren. Zichzelf kennende zou hij best eens alle duivels uit de hel bij elkaar gevloekt kunnen hebben. Maar nu was alles anders. Nu zou hij eigenlijk moeten bidden… of iets van dien aard.

Samen met lotgenoten had hij, in afwachting van zijn proces, verscheidene uren in een gigantische wachtkamer gezeten. Een wachtkamer die leek op een fabriekshal. In plaats van machines hadden er tientallen in het beton vastgeklonken houten banken gestaan, banken zonder rugleuningen. Een tukje doen of even knikkebollen werd je hier onmogelijk gemaakt. Frank had gedacht aan zijn dagenlange dwaaltocht door de Eeuwige Jachtvelden. Hoe kapot hij geweest was, en hoe blij dat hij daar in ieder geval heelhuids doorheen gekomen was.

Hij en de anderen hadden zich bevonden in een grote koele ruimte waarvan de kale muren waren opgetrokken uit witte baksteen. Alles had koud aangedaan. Nergens glas-in-loodramen, nergens een kunstzinnig houtsnijwerk of christelijke versierselen. Alles was sober en hoogst ongezellig. Frank had een gespannen sfeer gevoeld. Je wilde maar één ding, zo snel mogelijk weg…

Naast hem had een huilende negerin gezeten, die alsmaar had geroepen: Heer vergeef het ons, wij wisten niet wat wij deden. Een hysterisch wijf had Frank haar gevonden. Hij wist vrijwel zeker dat zij een plaatsje in het hiernamaals zou krijgen. Behalve het zinnetje Heer vergeef het ons, had ze zittend op haar knieën en met haar hoofd naar boven gericht -als zou zich daar nog een hemel bevinden- een aantal godsdienstige liederen ten gehore gebracht. Het liefst had hij zijn handen voor de oren geslagen. Maar een stemmetje in hem had gezegd dat hij zich gedeisd moest houden. Op het aardse zou hij de eerste geweest zijn die zijn wenkbrauwen zou hebben opgetrokken. En hij zou zijn minachtende glimlachje tevoorschijn hebben getoverd. Maar in deze verschrikkelijke wachtkamer moest hij zich rustig houden en misschien wel een beetje eerbiedig zijn.

Even verderop had er een grote chinees gezeten met een wit verband om zijn hoofd. De man had met gesloten ogen, in zichzelf murmelend, onophoudelijk op zijn bank zitten te wippen. Was hij dement? Frank wist het niet en vragen doe je zoiets niet. In ieder geval had de man hem sterk doen denken aan de reus uit de film One flew over the cuckoo’s nest.

In de hoek van de hal had een verpleegster een krijsende baby tot bedaren proberen te brengen. Vreemd had Frank dit gevonden. Je doet een baby toch geen proces aan? Waarom zo’n kind niet direct het hiernamaals in? God was toch liefde, of niet soms? Het tafereeltje had Frank doen terugdenken aan een voorval bij hem in de straat op het aardse waar de moeder van zijn vriendje Harrie een baby had gekregen, een mongooltje. Het gedrochtje had slechts twee weken geleefd. Een tijdlang was het gezin in diepe rouw geweest, niet zo zeer door het overlijden van de baby, doch dat het kind niet gedoopt was en naar christelijk-gereformeerde maatstaven nooit in het hiernamaals terecht zou komen. Als achtjarig jochie had Frank dit al de grootste onzin gevonden.

Hij moest terugdenken aan het groepje soldaten dat tegenover hem had gezeten. Ze waren gezien hun bebloede kleding rechtstreeks van het front gekomen en hadden zo te horen flink de pest in. Ze hadden gevloekt en op de ruw betonnen vloer gespuugd. Volgens Frank waren het Joegoslaven geweest. Brutaal en gedurfd had hij het gevonden om zo vloekend je proces in te gaan. Ook had hij had zich geërgerd over hun dubbelzinnige opmerkingen aan het adres van de huilende negerin.

In het midden van het wachtlokaal had zich een glazen cabine bevonden. Achter het glas hadden geüniformeerde beambten toezicht gehouden. Hij herinnerde zich hoe hij voorovergebogen op de houten bank had gezeten, kijkende naar zijn bemodderde pantoffels. Hij had zich geschaamd voor zijn smerige regenjas. Uit luidsprekers had religieuze muziek geklonken, soms onderbroken door een mededeling van één van de toezichthouders uit het glazen hok. Zo werd de wachtenden herhaaldelijk gevraagd nog even geduld te hebben, daar de gaande processen vertragingen hadden opgelopen. Wijn en brood kond eventueel besteld worden. Soms hadden mededelingen in geheimtaal geklonken. Mededelingen die grotendeels bestonden uit lettercombinaties en getallenreeksen waar Frank Zappa in ieder geval niets van begreep.

Hoe was het mogelijk, had Frank alsmaar gezucht, zittende op het harde hout en wachtende op zijn proces, er was dus toch leven na de dood. Het was dus toch waar. De christenen, waar Frank nooit een hoge pet van op had gehad en waar hij zijn gehele leven tegen had afgegeven, hadden gelijk gehad. Maar waarom had die God niet een beetje meer zijn best gedaan om hem naar zich toe te trekken. Hij had toch best religieuze popmuziek gemaakt kunnen hebben of van hem part avant-garde gospel? Hij had toch evangelische songs kunnen schrijven en op het podium uit de Bijbel voorgedragen hebben? In plaats daarvan had hij aan een ieder die het horen wilde verteld dat de menselijke ziel niets anders was dan een mengsel van chemicaliën en elektriciteit. En dat een leven na de dood een sprookje was, een zoethoudertje zo gezegd. In zijn liedjes had hij gezongen dat religie een middel was om mensen volgzaam en dom te houden. Je moest geloven, dan kwam je in de hemel. Hij had openlijk kritiek geleverd op televisiedominees. Sterker nog, hij had ze uitgelachen en voor schut gezet. Ik geloof niet in een leven na de dood, hoorde hij zich nog tegen journalisten zeggen. Ik heb ook geen angst voor de dood, want wat is het alternatief? Eeuwig leven? Laat me niet lachen… En hoe luid had hij niet geapplaudisseerd toen hij een professor tijdens een lezing had horen verkondigen: Als één persoon lijdt aan waanzin noemt men dit krankzinnigheid. Als veel mensen tegelijk lijden aan waanvoorstellingen noemt men dit religie.

Hij was toch wel heel bruut tegen het geloof te keer gegaan, had hij zich beseft. Dat zou straks wat worden als hij getuigenis zou moeten afleggen. Nog dikwijls had hij zichzelf zien zitten in de wachtkamer van het Dies Irae. Frank Zappa de praatjesmaker, de schreeuwlelijk, bibberend, met de billen tegen elkaar, voortdurend zachte winden latend.


19 Het uur der waarheid

WEES GERUST UW GOD IS KONING

In het wachtlokaal van het Dies Irae had het doordringende geluid van een Chinese gong geklonken Het moet een reuze gong geweest zijn, want het hele gebouw leek te trillen. Eenieder schrok op uit zijn overpeinzingen of gebeden en sommigen gingen uit eerbied staan.

‘Heer wij wisten niet wat wij deden, vergeef het ons,’ gilde de negervrouw naast hem.

Nu gaat het dus gebeuren, mompelde Frank, terwijl hij naar de in de war zijnde buurvrouw keek. Hij zag dat ze totaal de weg kwijt was. Dit wordt dus het moment waar een sterveling zijn hele leven op het aardse mee bezig was geweest, tenminste de supergelovigen. Deze zouden het naar hun zin hebben. Een proces zouden zij niet nodig hebben. Zij bevonden zich wellicht al in het hiernamaals.

Wie niet gelooft dat hij op een dag ter verantwoording zal worden geroepen voor wat hij in de wereld heeft gedaan, zal in grote moeilijkheden komen. Maar iemand die altijd geloofde dat hij zich bij de Oordeelsdag tegenover God moet verantwoorden, zal worden opgenomen in het rijk der hemelen, had Frank een voorganger ooit horen prediken. Hij herinnerde zich dat hij de man ongenadig hard had uitgelachen. Frank huiverde. Hij vroeg zich af of al dit soort misstappen hierboven ook bekend waren. Hij kon het nauwelijks geloven.

Uiterst traag en vrijwel onhoorbaar werden witte tussenwanden uit elkaar geschoven. Akelig stil werd het in het wachtlokaal. Het witte licht in de rechtszaal was oogverblindend. De aanwezigen sloegen de handen voor de ogen. Zelfs de opstandige soldaten staakten hun geraas. Bazuingeschal klonk door de luidsprekers. Frank Zappa was met stomheid geslagen. Ondanks de stress keek hij zijn ogen uit. Zoiets indrukwekkendst had hij nimmer gezien. Velen van zijn lotgenoten zonken ineen om op hun knieën een laatste gebed van vergiffenis te doen. Frank bleef als versteend zitten.

Dit was dus de rechtszaal, de plaats waar God over een ieder een oordeel zou uitspreken. Was dit al een stukje hemel, een voorproefje misschien? De rechtszaal deed hem denken aan een arena. De koepelvormige zaal vertoonde sterke gelijkenissen met de Sint-Pieterbasiliek in Rome. Tijdens een Italiaanse tournee had hij met de band de reuze kerk bezocht en zich geërgerd aan de rijkdom van het katholicisme en het gedoe rond de paus. Een prachtige kerk, dat zeker, je keek je ogen uit naar de kunstschatten, met name die in de Sixtijnse kapel. Het had hen hem mateloos geërgerd dat de paus, de plaatsvervanger van Jezus op aarde, bivakkeerde in zulke rijkdom. Was die Jezus van Nazareth niet veel eenvoudiger geweest, had deze geen prikkeldoorn omgehad in plaats van een diamanten ring?

De grote pilaren van de rechtszaal die de koepel ondersteunden waren verguld of misschien wel van puur goud. De glazen koepel zelf was versierd met glas-in-loodmotieven. Doch om er achter te komen wat de afbeeldingen voorstelden, had men op zijn minst een gitzwarte zonnebril nodig, zo sterk was het licht geweest. Ditzelfde gold voor de aan de wand hangende tekstborden, die met het blote oog onleesbaar waren. God was licht, ja zeker, maar was dit niet een beetje overdreven? Langs de wanden bevond zich rond de gehele rechtszaal een balkon met een balustrade, versierd met goud, glitter en houtsnijwerk. Onbeweeglijk stonden daar boven tientallen engelen die de aanwezigen gadesloegen.

Rechtsgeleerden, mompelde Frank. Onbewust zocht hij naar Kees. Maar deze was er niet bij, zover hij het kon bekijken. Het felle licht scheen ongenadig in de ogen. Rondom de zaal, die met een centimeters dik bloedrood tapijt was bekleed, lagen de kamers waarin het oordeel zou plaatsvinden. Een metershoog bronzen beeld van een manspersoon stond midden in de ruimte. Van verschillende kanten hoorde Frank fluisteren dat het om Johannes zou gaan, de meest geliefde apostel van Jezus. Maar wie het ook mocht zijn, het was een indrukwekkend beeld, een beeld waar je niet omheen kon. De wijsvinger van de rechterhand stak waarschuwend omhoog. De linkerarm omklemde een dichtgeslagen boek, de Bijbel. Het leek alsof het beeld zei: Jongens, het is afgelopen. Jullie hebben alle tijd gehad de Heilige Schrift te lezen, maar voorlopig is het fini! Streng keek de heilige Johannes de menigte aan. Frank schudde zijn hoofd en klopte zijn regenjas af. Hij geneerde zich rot voor zijn outfit.

Plotseling barstte het geluid van een kerkorgel los met de gregoriaanse melodie van het Dies Irae. Het was volgens Frank de eerste keer dat hij huiverde tijdens het luisteren naar een religieuze melodie. Sterker nog, hij had voor een moment moeite om zijn tranen te bedwingen. Het werd hem allemaal te machtig. Bovendien deden deze gregoriaanse klanken hem aan zijn moeder denken, waarmee hij als jongetje dikwijls de katholieke kerk had bezocht.

Onder het volk brak nu een oorverdovend tumult los. Het uur der waarheid was aangebroken. Maak je borst maar nat, zou hij haast tegen zijn buurvrouw gezegd hebben, maar die scheen volledig van de wap. Razendsnel zochten zijn ogen zijn naam. En net voordat hij aanstalten maakte om zijn proceskamer op te zoeken werd hij zachtjes op zijn schouders getikt. Hoe zacht de aanraking ook geweest was, Frank was zich rot geschrokken. Het was engel Kees. Wees gerust uw God is Koning, had deze hem toegefluisterd. Door de fluwelen aanraking en de woorden van Kees voelde Frank zich plotsklaps geheel ontspannen. Hij was er klaar voor. Frank knikte engel Kees glimlachend toe en sloeg per ongeluk een kruisje.


20 Frank voor de rechter

ZAPPA MET DE BILLEN BLOOT

Bijna een dagdeel was een jury vrijwel onafgebroken met Frank Zappa bezig geweest. Zou hij wel of niet tot het koninkrijk der hemelen toegelaten worden. Terwijl ze hem het hemd van het lijf hadden gevraagd werden er op een reusachtig scherm beelden vertoond. Beelden over zijn opzienbarende manier van leven en werken op het aardse. Frank zag zichzelf terug als jochie in een matrozenpakje hand in hand met zijn moeder op weg naar de kerk. Goddank dat ze daar nog opnames van hadden. Hij zag zich staan op een kistje in de kapperszaak van zijn vader tijdens het inzepen van klanten. Hij zag zich terug als pubertje die experimenteerde met alles wat knalde, van klapperpistool tot een echt revolver, van buskruit tot chemicaliën. Maar ook zag hij zich als braaf kind, thuis aan de tafel zijn huiswerk maken. Beelden vlogen voorbij. Hij had een brok in zijn keel en het zweet stond in zijn handen. Maar tot nu toe had hij niets te klagen.

En dan de muziek. Het begon met het roffelen op potten en pannen. De beelden brachten hem naar de aula van de middelbare school waar hij op het drumstel trommelde en gitaar speelde. Plotseling galmden er ouderwetse rhythm & blues klanken door de rechtszaal. Rillingen deden ze hem bezorgen. Zelfs de jury had er ontspannen en glimlachend bijgezeten. Enkele leden van hen hadden ritmisch met de vingers op hun lessenaar getikt. Tot zo ver bleek er geen vuiltje aan de lucht.

Maar van het ene op het andere moment waren daar beelden van zijn vrouw en twee kinderen. Ter ondersteuning had de regie er fragmenten van haast angstaanjagende, opzwepende en chaotische muziek bij laten klinken. Ja, hij had het herkend. Het waren flarden van Varèse’s Ionisation vermengd muziek van Stravinsky. Beiden lievelings componisten van hem. Die lui hadden zich goed voorbereid op zijn komst.

Frank kromp ineen toen er beelden werden vertoond van zijn seksuele uitspat­tingen, zijn spottende liedjes en zijn onophou­delijke kritiek op de samenle­ving en de kerk. Wist hij wel dat hij met dit gedrag een slecht voor­beeld geweest was voor de jeugd, werd hem vanuit luidsprekers gevraagd? En wist hij wel dat hij zijn verschillende echtgenotes en kinderen veel verdriet had gedaan door open­lijk, ja, soms in het bijzijn van camera’s, toe te geven dat hij zich tijdens concertreizen liet vergezellen door lichtzinnige meisjes? Had hij zich niet geschaamd om walgelijke termen als motherfucker in zijn liedjes op te nemen?

De stem van de voorzitter had onverwachts streng door de rechtszaal geschald. En tegelijkertijd waren de tronies van de overige rechtsgeleerden weer in een normale, sombere plooi gevallen. Staande voor het houten hekwerkje had hij met gebogen hoofd de beschuldigin­gen onder­gaan. Ja, ja, hij wist het alle­maal. Maar moest dat zo nodig weer allemaal opgera­keld worden? Zappa had het idee dat hij als grof vuil behandeld werd. Zich verdedi­gen kon hij niet. Want toen hij om een advocaat had gevraagd, hadden ze hem snoeihard uitgela­chen. Een advocaat, die is goed. Hoe durfde hij het woord in zijn mond te nemen. Je kon wel merken dat meneer Zappa weinig in de Bijbel had gele­zen.

Het enige lichtpuntje in zijn omstre­den leven op de aardkloot was zijn goede voorbeeld ten opzichte van het drugsge­bruik. Tot zijn grote opluchting zag en hoorde hij zich tegen verslaggevers zeggen: LSD heeft massa’s hersens naar de kloten geholpen. En tijdens een antiharddrugscampagne had hij laten weten: Drugs verslapt je hart, verknoeit je lever, vernietigt je nieren, en verduistert je hersens. Ook had hij soortgelijke teksten gezongen op zijn album Only for the money.

Uiteindelijk was Frank Zappa met een krappe meerder­heid naar het hiernamaals verwezen Hij zou een klein appartement toegewezen krijgen in de kunstenaarsflat Arti aan de rand van Johannesburg, een stad in het uiterste oosten. Hij kwam daar weliswaar op de eerste etage te wonen, maar hij mocht zijn handen dichtknij­pen.

Na het proces werd hij met de rest van de uitverkorenen naar een grote zaal gedirigeerd. Daar stonden rijkelijk gedekte tafels opgesteld. Engelen in witte overalls liepen af en aan om heerlijkheden te serveren. Gretig werd er koffie gedronken en gebak gegeten. Over en weer klonken felicitaties. Wildvreemden omhelsden en kusten elkaar. Voor Frank kreeg de feestvreugde een extra tintje toen hij ontdekte dat er rookgerei op de tafels lag. Hij bedacht zich geen moment en stak een sigaret op. Hoelang was het alweer geleden dat hij zijn laatste sigaret gedoofd had, nadat de artsen hem het roken ten strengste verboden hadden?

Na de koffie en versnaperingen ging men over op iets hartigs en sterkers. Frank nam een whisky en daarna nog één en daarna nog één. Hij vond dat ie het verdiend had. Naast hem zat de negermevrouw die in de wachtkamer zo hartstochtelijk had gebeden, gehuild en gezongen. Na elk woordje dat ze nu met Frank wisselde, sloeg ze de handen ineen en lispelde halleluja. Voorheen zou hij hier iets van gezegd hebben, maar nu liet hij het maar zo. Hij glimlachte zelfs naar de vrouw. En als zij het woordje halleluja uitsprak, stak hij zijn duim omhoog. De grote Chinees met het witte verband om zijn hoofd, die in het wachtlokaal alsmaar had zitten wippen op zijn stoel zat schuin tegenover hem. Deze had nu het hoogste woord. En als hij het allemaal goed kon volgen, vertelde de man nu een erg schuine mop.

Nu pas besefte Frank dat hij een ieder kon verstaan. Hij herinnerde zich plotseling hoe de zondagsschooljuffrouw een verhaal had verteld dat alle mensen op aarde ooit één taal hadden gesproken. Iedereen gebruikte dezelfde woorden. Hij schudde zijn hoofd, hij kon dit alles maar moeilijk bevatten. Hij informeerde nog naar de afloop van de baby. Maar niemand wist het antwoord en de dienstdoende engelen hadden een zwijgplicht, zo verklaarden zij.

 

‘Christus me ziele, dat was op het nippertje,’ zuchtte Frank Zappa. Hij gooide zijn plunje­zak in de hoek van de kale kamer en keek in de rondte. Hij had zin in een bed. Moe was hij, doodmoe. Snel doorzocht hij zijn nieuwe huis, maar nergens was een bed te zien. Alles was leeg.

Hoelang heb ik al niet gesla­pen? vroeg hij zichzelf hardop af. Hij schrok van zijn stem en snapte vervolgens met zijn vingers. ´Klote akoestiek,’ bromde hij. Hij liep naar de keuken en zocht naar een ijskast. Hij moest iets drinken. Iets fris. Een colaatje, desnoods een 7-up of misschien al een biertje? Maar de ijskast was leeg. ‘Shit!’ Zou er hier in de buurt wel cola en zo te krijgen zijn? Waren hier wel winkels waar je zulk soort dingen kon kopen? Hij had geen idee. Wat zou hij zonder drank en siga­ret­ten moeten?

Frank liep terug naar de kamer en keek naar de grote Ikea dozen die tegen de wanden leunden. Zappa nummer 101, las hij op de blauw-gele stickers. Maar fut om één van de dozen uit te pakken had hij niet. Hij liep naar het raam. In de vensterbank lag een pakje sigaretten van zijn eigen merk en een knikkerzakje met muntgeld. Maandgeld Zappa 101 stond er op het labeltje dat aan het zakje hing. Honderd zilverlingen telde Frank in de gauwigheid, nadat hij het zakje leeg gekieperd had. Hij keek door het raam naar buiten en zag dat het weer prachtig was. Op bankjes aan de rand van een gras gazon zaten onbekenden, misschien zijn buren. Hij zou ze eerdaags wel leren kennen. Frank dacht na. Wat zou hij het eerst doen? Een rondje lopen om de buurt te verkennen? Een huis­meester opzoeken en vragen hoe hij aan cola, sigaretten en bier kon komen? Of toch maar een begin maken met het uitpakken van de dozen, waarin zich behalve meubels, misschien een bed en een matras zouden bevinden? Besluiteloos liet hij zich op de vloer zakken, trok zijn plunje­zak naar zich toe en legde doodmoe zijn hoofd te ruste.


21 Picasso’s muurschildering

PORNOGRAFISCH KUNSTWERK 

‘Die kutverf pakt voor geen meter,’ schold Picasso van nummer 801. ‘Ik ben godverdomme kunstschilder en geen huisschilder!’ Hij doopte de dikke kwast tot bijna voor de helft in de emmer latex en smeerde de smurrie nonchalant tegen de gevel van nummer 102, het optrekje van Marie Monroe, toevalligerwijs een vriendinnetje van hem. Ja, ja, hij wist het, mopperde hij verder, het was in opdracht van de Messias, van hoger hand zo gezegd en de Messias was de baas, dat wist de grootste boerenlul.

Een maand geleden had hij een aangetekende brief ontvangen van burgemeester en wethouders van Johannesburg. Evenals als zijn benedenbuurman van 701, de componist Dmitri Sjostakovitsj. Zij waren uitverkoren om voor de Dag des Heren een kunstwerk te maken. Eindelijk een opdracht, eindelijk werk. Want hoelang zat hij hier in het walhalla al niet met zijn pik te spelen? En inderdaad. Het was een opdracht. En wat voor één! De artiflat in een nieuw jasje steken! Ha, ha! Nou, dan was de Messias bij hem aan het juiste adres.

Pablo had ervaring met muurschilderingen. Nog die zelfde avond was hij aan het schetsen geslagen. Hij zou op de kale zijkanten van de artiflat iets ongehoords toveren, een muurschildering waarvan iedere Johannesburger opgetogen zou zijn. Binnen een week stuurde hij zijn ideeën naar burgemeester mevrouw moeder Teresa en haar gevolg. Maar zo groot zijn enthousiasme was geweest, zo groot was ook de teleurstelling. Want zijn ideeën waren regelrecht de prullenbak in gekegeld. Het keuringsrapport was vernietigend. Hij kreeg zelfs een officiële waarschuwing aan zijn broek. Als straf moest hij de onder helft van de Arti in de gele latex zetten. Dagenlang was hij uit zijn doen geweest en dagen achtereen had hij zich zitten te bezatten in de Nadorst.

Picasso begreep het niet. Het waren toch Bijbelse taferelen die hij de flat had toebedacht? Zo had hij aan de linker zijkant van het gebouw, de zijde van de hoofdingang, de paring tussen de Heilige Geest en de Heilige Maagd willen schilderen. Doch in het juryrapport had gestaan dat de geslachtsdelen van het paar onbehoorlijk en overdreven in beeld waren gebracht. Aan de andere zijde van het gebouw had hij Adam en Eva willen vereeuwigen. In plaats van een appelboom had hij een boom met bananen geschetst. Adam was met een erectie afgebeeld. Eva had begerig naar Adam gekeken. Het toppunt van vruchtbaarheid. Of niet soms? Pornografie, had er in het keuringsrapport gestaan. De schoonheid van Gods schepping was uit zijn verband gerukt.

Maar volgens Pablo had de commissie de ballen verstand van kunst. Had de Messias zelf de schetsen wel onder ogen gekregen? Deze zou toch in één oogopslag het thema vruchtbaarheid hebben ontdekt? En wat was er vulgair aan vruchtbaarheid? Bovendien, iedereen wist toch hoe Pablo Picasso werkte? Iedereen kon toch op zijn vingers natellen dat, als je Pablo een opdracht gaf, er iets revolutionairs, iets ongewoons uit de bus zou komen? Kenden zij hier zijn Guernica niet, een kunstwerk, waarop eveneens een loopje was genomen met de anatomische verhoudingen van sterveling en dier, maar waarop toch iedereen het thema angst kon ontdekken?

Een politiek spelletje was het geweest, niets anders. Welke flapdrollen hadden er in de jury gezeten? Indien ze iets realistisch, iets oubolligs op de muren hadden gewild, hadden ze beter bij zijn buurman, meester Rembrandt van 804 kunnen aankloppen, want had deze geen ervaring met nauwgezette bijbelprentjes? Misschien kreeg meester Rembrandt de opdracht nu toch wel, of die rooie Van Gogh van nummertje 704, of die stille van nummer 604, hoe heette die gabber ook al weer?

Beneden liep huismeester Smit met zijn hondje.

‘Gaat het?’ riep deze.

Maar Picasso antwoordde niet. Hij mocht die kerel niet. Een a culturele vogel was het. Niks meer! Altijd dat gelul over de rotzooi rond de flat. ‘Ruim op man, daar ben je voor aangenomen.’

Hij loerde bij Marie Monroe naar binnen. Jammer, ze was niet thuis. Ze had hem mooi even kunnen opbeuren. Hij heek op zijn horloge. Vijf uur geweest. Ze zou op dit moment wel in de Nadorst zitten. Met een aantal diepe zuchten verplaatste hij zijn stellage naar nummer 101. Daarna maakte hij zijn kwasten schoon, sloot de verfbussen en hees zich uit zijn overall. Het was mooi geweest voor vandaag. Het was tijd voor een borrel. Morgen was er weer een dag. Hij moest zijn gedachten verzetten. Al dat gedoe rond de Dag des Heren, waar iedereen het op dit moment over had, maakte hem misselijk.

Frank Zappa, las hij op het nieuwe naamplaatje op de voordeur van 101. Toen hij naar binnen keek zag hij in de hoek van de kamer een slapende man op de vloer liggen. Zo op het eerste gezicht een jonge man. Donker lang haar, grote neus, een snor en een klein sikje. Picasso glimlachte en stak een sigaret op.

’t Is een vreemdeling zeker, die verdwaald is zeker,’ zong hij. En hij tikte tegen het raam.


22 Guernica

PABLO SIDDERT

Hoe Pablo Picasso de kunstschilder van 801 ooit in het hiernamaals was terechtgekomen, was een vraag die menigeen op de arti bezighield. Het kon niet anders of de Messias zelf had hier de hand in gehad. Hij had deze zondaar op een of andere slinkse wijze de hemel binnen gesmokkeld. Maar waarom? Was de Messias mis­schien een lief­hebber van moderne kunst? Of was hij tijdens Picasso’s komst lichtelijk over­werkt geweest? Want tijdens zijn proces in het Voorportaal was Picasso onverbid­delijk naar het helle­vuur verwezen. Zijn aardse bestaan was een aaneen­schake­ling van godde­loosheid ge­weest, luidde het eensge­zinde oordeel. Bovendien was hij een regelrechte atheïst. Zelfs heden ten dagen stond meneer Picasso in de artiflat bekend om zijn onchristelijke opvattingen, zijn grove taalgebruik, zijn vloeken en zijn vrije omgang met vrouwen.

Hij had zich ook verre van populair gemaakt door zijn ideeën over de muurschilderingen welke hij op de zijgevels van de Arti had willen aanbrengen. Een opdracht die hem ten deel was gevallen ter ere van de aankomende Dag des Heren. Hoe vulgair was hij met deze opdracht omgesprongen. Want hoe had hij het aangedurfd om de Heilige Maagd, de Heilige Geest en het koppel Adam en Eva zo ordinair en godslasterend af te beelden. Goed dat hij op zijn vingers getikt was, vond het merendeel van de artibewoners. Al zei men dit liever niet hardop. Op de een of andere manier wilde men de kleine kale man te vriend houden. Maar nu moest hij met een emmertje latex aan de gang. God straft onmiddellijk.

‘De linker grot is voor U!’ had een stem door de luidspreker geklonken. Een bulderende stem. De stem van een of andere hogepriester uit een glazen hok. Hoe nonchalant hij ook was binnen komen wandelen, de snoeiharde woorden hadden hem doen huiveren. Voor de bedoelde linker grot zaten, stonden en hingen louche figuren. Donkere figuren met lang haar en dik bewapend met stokken en speren. Als hij het goed zag bevonden zich onder hen mismaakten.

We schrijven het jaar 1973 na de geboorte van onze heiland. Pablo Picasso bevond zich in een arena, in een overdekt stadion. Een ruimte die hem deed denken toen hij als kind met vader vechtpartijen met stieren had bezocht. Ja, dat wist hij nog goed, hij zag alles nog duidelijk voor zich, zijn helderheid van geest had hem niet in de steek gelaten. Maar hier in deze kut droom zou hij geen ijsco krijgen, geen snoep en ook geen lieflijke arm om hem heen. Hier stond hij tot aan zijn enkels in de blubber.

In een glazen huis midden in het stadion had zich het tribunaal bevonden. Uit luidsprekers hadden bevelen geklonken. Bevelen van allerlei aard. Een snauwende stem had geroepen dat hij rechtop diende te staan en zijn handen uit de zakken te laten. Na het commando: ‘De linker grot is voor U’ was hij door ongure typen in de kladden gepakt en hardhandig in de richting van de betreffende grot geduwd. Hij was zelfs door de klootzakken geschopt. Het zullen soldaten geweest zijn. Hij had willen protesteren. Maar gezien hun tronies had hij het zo gelaten. Hij had trouwens toch niet geloofd in een hemel en hel, een God en Vader, laat staan een Heilige Geest. Hij bevond zich in een dodenrijk, meer niet.

Nadat hij door de soldaten in zijn kladden was gepakt was hij in een lange brede tunnel geduwd. Stikdonker was het er. Hier en daar brandde een fakkel. Het decor van een griezelfilm, een horror. Achter hem had hij de soldaten in vreemde talen horen praten. Soms werd er uitbundig gelachen. Zo langzamerhand kwam daar de angst. Steeds maar weer werd hij vooruit geduwd. Het leek alsof er haast gemaakt diende te worden. Aan het einde van de tunnel had zich een doodlopende driesprong bevonden. Hoe vaak had hij deze steeds maar terugkerende droom niet beleefd? Hoe dikwijls had hij de opperrechter niet horen bulderen: ‘De linker grot is voor U!’ Hij had het warm gekregen, stik warm. Hij was gestruikeld en in een plas terecht gekomen. Ruw was hij overeind geholpen en hadden ze hem uitgelachen. En plots kreeg hij het akelige gevoel dat hij op weg was naar de hel, de verdoemenis.

Maar in plaats van kennis te maken met de satan en zijn gevolg had een aantal jonge kerels in rode gewaden hem aan het einde van de gang opgewacht en hem bevrijd. Ze hadden hem naar het Sint-Lukas gebracht. Daar had men zijn longen gereinigd en hem verder opgekalefaterd. Twee dagen na zijn opera­ties had hij zijn intrek in de artiflat genomen en nog wel op één der hoogste etages, op nummer 801. Pablo had er niets begrepen, maar hij was de koning te rijk.

Zijn buren op de achtste bleken allen van stand. Naast hem op 802 woonde een muzikant, een grote man. Een kort knikje was zijn welkomstgroet geweest. Hij herinnerde zich dat nog als de dag van gister. Pablo had het idee dat hij de man eerder had ontmoet, de man met het brilletje en het eierhoofd. Hij zou er nog wel achter komen. Zijn geheugen was prima in orde. Naast de reus woonde een dirigent. Op nummer 804 woonde niemand minder dan de Hollander Rembrandt van Rijn. Voorlopig zou deze de enige zijn waar hij zo af en toe een praatje mee maakte. Over het mooie weer bijvoorbeeld. Maar het bleek dat het in het hiernamaals altijd mooi weer was. Op de hoek, op nummer 805 woonde alweer een muzikant, een componist. Buurman Van Rijn deed hem geloven dat de man scharrelde met een zangeres van de derde. Geroddeld werd er dus ook in het hiernamaals. Goed zo!

Voorlopig bleef Picasso weinig contact houden met zijn buren op de achtste. Hij bevond zich liever op de laagste etages. Daar woonde zielen waar hij het aardig mee kon vinden.

Hoe vreemd zijn intrede in de hemel ook geweest moge zijn, zijn geboorte op aarde was eveneens normaal verlopen. De jonge Pablo had niet geademd en bewegen deed hij evenmin. Een doodgebo­ren kindje, had de moeder gesnikt. Zij had dus voor niets een strijd gestreden om het kereltje op de wereld te zetten. Maar niets was minder waar. Want nadat de dokter het kindje eerst hevig door elkaar had geschud en vervolgens siga­renrook in het neusje had gebla­zen was de baby gaan blèren. Goddank, het leefde!

Was de geboorte niet gemakkelijk geweest, het opgroeien liet eveneens te wensen over. Het leren voor de kleine werd een drama, het naar schoolgaan een kwelling. Lezen en schrijven was er niet bij. Het enige dat hem interesseerde waren zijn tekeningetjes. Tekenen was zijn communicatie­middel. Als hij trek had in een koekje, tekende hij een koekje. Moest hij een plasje doen dan tekende hij een piemeltje. Hij schilder­de reeds voor hij kon lezen. Het eerste woordje dat hij kon schrijven was potlood. Al spoedig hadden zijn ouders in de smiezen dat er een wonderkind in hem school.

Picasso’s eerste conflict met God was ontstaan tijdens zijn vroege jeugd. Nadat zijn zusje na een lang ziekbed was gestorven, besloot hij dat God voor hem bedorven was. Want een onschul­dig meisje van acht laat je niet lijden en sterven. Met zijn tekening Christus die de duivel zegent startte hij zijn agressie tegenover God. Als jongeman sloot zich aan bij de communis­tische partij en aan ieder die het horen wilde verkondigde hij atheïst te zijn. In zijn schilderijen uitte Pablo het verlangen de wereld te shockeren, uit te dagen, te vernietigen, te her­scheppen. Maar hij schilderde ook het aardse leed. Zijn Guernica was een protestschilderij naar aanleiding van een bombardement dat de fascisten hadden uitgevoerd op het stadje Guernica.

Dikwijls had hij zich afgevraagd of God de Vader misschien onder de indruk geweest was van zijn Guernica. En dat hij hem daarom een plaatsje in het hiernamaals had toegewezen. Vaak voerde hij lange gesprekken met de oude dame Marlene Dietrich van nummer 107. Tussen het vrijen door vervloekten zij klootzakken als Hiter, Franco en Mussolini.

Nee, een normaal aardbewoner was Pablo Picasso nimmer geweest. Verre van dat! Als hij niet in zijn atelier was, dan trof je hem aan in cafés en bordelen. Hij rookte als een schoorsteen, dronk als een ketter en neukte aan de lopende band. Met zijn gitzwarte ogen, zijn klassieke hoofd, zijn korte nek, en brede borst, veroverde hij vrouwvolk bij de vleet. Tientallen waren gesmolten voor zijn charme, en dierlijke aantrekkingskracht. Hij verslond ze, maar wierp ze korte tijd later als oud vuil weer weg. Hij was de mannelijke versie van de femme fatale. Van iedere vrouw, of het nu een prostituee betrof, een vriendin, of echtgenote, werden afschrikwekkende schilderijen gemaakt. De vrouwen die hij eens bemind had verschenen later als monsters op het doek. Hoe kon het toch mogelijk zijn dat de Messias zo’n barbaar in zijn Konink­rijk had toegelaten?


23 Huisnummer 101

ZAPPA EN PICASSO

Nadat nieuweling Frank Zappa die mid­dag op de vloer van zijn nieuwe woning op nummer 101 in slaap was gevallen, was hij wakker geworden door een onregelmatig getik tegen de ruiten. Toen hij was opgestaan en naar het raam was gelopen, had hij in het gelaat gekeken van de man die nu in kleermakerszit naast hem op de vloer zat. Een kleine kale oude man met vriendelijke pretoogjes.

‘Picasso, is de naam,’ had de man gezegd, toen Frank de voordeur voor hem open had gedaan. ‘Ik zie dat u hier nieuw bent. Ik kom graag met u kennismaken. Welkom in de zevende hemel,’ zei hij een beetje lacherig. ‘Welkom in deze kunstenaarskolonie.’ Frank had de hem toegestoken hand vastgepakt en hem verbaasd en onderzoekend aangekeken.

‘Bent u Pablo Picasso?’ had hij ongelovig gevraagd. ‘Picasso de kunstschilder?’

‘De enige echte,’ had de man lachend geantwoord en ongevraagd was hij langs Frank het kleine huisje binnengelopen.

‘Hoe is het mogelijk,’ had Frank gezegd. ‘Weet u wel dat ik een groot bewonderaar van u ben?’ En hij meende het uit de grond van zijn hart. Daar stond hij dus, oog in oog met een der groten der aardse kunstgeschiedenis. In ieder geval de grootste kunstenaar van de twintigste eeuw. De eeuw van zijn vader, de eeuw van zijn moeder, de eeuw van zijn kanker.

‘Dat doet me goed, beste jongen,’ had Picasso geantwoord zonder Frank hierbij aan te kijken. Hij had meer oog voor het schamele optrekje van de nieuwe bewoner. De schilder had meewarig zijn kale hoofd geschud. Moet iemand hier in dit hokje komen te wonen? En uit een soort ongenoegen of medelijden had hij tegen de dozen met bouwpakketten geschopt. ‘Dat doet me goed, beste jongen,’ had hij herhaald.

De opmerking van de nieuweling was hem welgevallen. Al woonde hij dan op de achtste etage, de één na hoogste van het hele zootje, veel bewonde­raars had hij hier niet. Wat de kunst betrof moest hij het over het algemeen hebben van de jongere generatie. Maar jongeren waren hier schaars. Nu ja, juffrouw Monroe, het schatje van hiernaast, van nummer 102. Maar zij had bewondering voor geheel andere kunsten. De meeste jonkies woonde op de onderste etages. Hij was daar regelmatig te zien. Hij mocht die lui wel, of dat schorremorrie zoals ze hier door medebewoners ook wel werden betiteld. Hoewel er best wat artistiekelingen tussen zaten, was hij nog nauwelijks echte bewonderaars van hem tegengekomen. Daarom had de opmerking van de nieuweling hem goed gedaan.

Picasso had Frank geholpen met dozen uit te pakken. Er was een tafel, een bed en twee kleine inklapbare krukjes uit het karton tevoorschijn gekomen. Daarna hadden ze het één en ander in elkaar geschroefd. Toen de meubeltjes op hun plaats stonden, had Frank wezenloos staan kijken. Hier moest hij het dus mee doen, dit was dus zijn nieuwe onderkomen. Picasso die gezien had hoe sip zijn nieuwe vriend keek, had een hand op zijn schouder gelegd. Hij had zich genegeerd alsof hij de oorzaak was van het schamele optrekje en de armzalige stukjes meubel. Daarna had hij hem uitgenodigd een borrel bij hem te komen drinken.

‘Ik woon op de achtste,’ had Picasso er uitgeflapt toen ze in de lift stonden. Maar hij had direct al spijt van zijn mededeling. Want het woordje achtste was veel te opschepperig uit zijn mond gekomen. Zappa had slechts geknikt en direct begrepen dat hoe hoger je woonde hoe meer comfort je tot je beschikking had. Hij voelde zich nietig bij deze man. Nog kleiner voelde hij zich toen hij even later voor het reusachtige appartement van Picasso had gestaan. Frank schatte dat zijn huisje op nummer 101 er met gemak drie keer in kon. Binnen had hij zich aan het prachtige uitzicht vergaapt en aan het beeldschone interieur, een interieur dat meer op een museumzaal leek dan een huiskamer. Hier woonde een kunstenaar, dat zag een blinde! Automatisch dacht hij aan zijn zojuist uitgepakte tafel en krukjes, wat een armoe vergeleken met hier.

Maar tegelijkertijd besefte hij dat hij niet moest zeuren. Hij was in het hiernamaals en daar mocht hij blij om zijn. Geen ziektes meer, geen enge artsen en geen operaties. Lekker roken en drinken en voor aardse begrippen stoute dingen doen, en verder zou hij wel zien. Er zouden betere tijden komen, daar was hij stellig van overtuigd. Terwijl hij dit alles overdacht bewonderde hij de kleurrijke kunstwerken aan de witte wanden van Picasso’s woonkamer. Hij vergaapte zich aan schilderijen, wandkleden en houten maskers. Op de marmeren vloer stonden links en rechts sokkels met houtsnijwerk en bronzen beelden. Frank had moeten denken aan de tijd hoe hij als scholier plakboeken met knipsels van de kunstenaar had verzameld. Hoe er jaren­lang een poster van Picasso’s Meisje met paardenstaart boven zijn piano had gehangen. En was hij niet hele­maal van streek geweest toen hij voor het eerst Guerni­ca had gezien en hierover uitleg had gekregen van zijn tekenlerares toen zij vertelde over het zinloze bombardement op het stadje Guernica. Hoe de kunstenaar zijn woede had geuit op een reuze doek.

Even later hadden ze tegenover elkaar gezeten op een wit lederen bank­stel. Picasso had hem verteld over zijn opdracht voor de Dag des Heren. Het gesprek van de dag hier op de flat. De dag dat de Messias de stad Johannesburg met een bezoek zou komen vereren. Hoe hij een opdracht had gekregen om de zijgevels van de artiflat op te fleuren. Hij vertelde hoe pissig hij was geweest over de afkeuring van zijn ideeën. Hij had Frank de schetsen laten zien. Met een ernstig gezicht had Frank ze bekeken en gezegd dat hij ze fantastisch vond. Maar hij vond alles mooi waar Picasso zijn naam onder stond. In wezen was hij nog zo aards als de pest.

‘Je mag ze hebben,’ had Picasso nonchalant geantwoord. ‘Ik wil er geen flikker meer mee te maken hebben.’ En hij overhandigde Frank de tekeningen.

‘Maar, meneer… ‘ had Frank gestameld. ‘Dat kan ik niet aannemen.’

‘Niks meneer! Pablo is de naam!’ En hij had hem de twee schetsen in zijn handen gedrukt. ‘Hang ze maar direct op,’ had de schilder hem opgedragen. ‘Een beetje kunst in dat hokje van jou kan geen kwaad.’

Daarna hadden ze een tijdlang rokend en met een borrel in de hand zwijgend voor het raam gestaan. Even later waren ze opgestapt. De kunstschilder had voorgesteld om hem kennis te laten maken met andere bewoners van de artiflat. Er zouden zich zeker enkelen bij Wig in de Nadorst bevinden. Toen ze de flat waren uitgelopen was juist de huismees­ter aan komen wandelen.

‘Goedemiddag samen’, had deze gegroet. Joviaal had hij een hand opgestoken. Met zijn andere hand had hij aan een lange lijn een wit hondje in bedwang gehouden. In het bijzonder had hij naar Frank gekeken, want die had hij hier niet eerder gezien.

‘De huismeester,’ had Picasso gefluisterd. ‘Een regelrechte lul.’

‘Goeie middag meneer Smit,’ had Picasso gegroet. ‘Mag ik u voor­stellen aan mister Zappa. De nieuwe bewoner van 101.’

‘Het is me een genoegen. Smit is de naam,’ had de huismeester geantwoord terwijl hij Franks hand had geschud. Hij had de nieuwe bewoner een beetje minder­waardig opgenomen. Dit heerschap komt dus op 101 te wonen. De Heer had zeker geen hoge pet van hem opgehad, want lager kon je niet zakken.

‘Hoe maakt u het,’ had Frank beleefd gevraagd. En hij had met voorzichtige voetbewegingen geprobeerd het hondje van zich af te houden dat hinderlijk aan hem zat te snuffelen en aanstalten maakte om zijn been te berijden.

‘Als u me nodig mocht hebben,’ zei de huismeester. ‘Ik woon op nummer 001. Gemakkelijker kan niet. Ha ha ha ha… Bovendien is mijn winkeltje in de avonduren open. Dus belieft u een paar flesjes bier, of een pakje boter. Ik help u graag, ook in de avonduren.’

‘Kom, zei Picasso ongeduldig.’ En hij trok zijn nieuwe vriend mee richting café de Nadorst.


24 Lekker ding

FRANK ZAPPA HOTELDEBOTEL VAN MARIE MONROE

Om kwart voor zes verschenen Pablo Picasso van nummer 801 en Frank Zappa van 101 in de deurope­ning van de Nadorst. Wigbert, de barkeeper en zijn klanten staakten hun gesprekken en keken nieuwsgierig hun kant uit. Juffrouw Monroe van 102 schikte haar haren Ze nam een bescheiden slokje van haar zesde borrel. Misschien wordt het toch nog gezellig, dacht zij. Haar schietgebedje was blijkbaar verhoord. Pablo was het café binnengekomen. En als deze binnenkwam dan gebeurde er meestal wat. En kijk eens wat hij had meegenomen? Wie stond daar aan zijn zijde? Niet verkeerd zeg! Ze had de man niet eerder gezien. In ieder geval ontving ze van Pablo alvast één van zijn veelzeggende blikken. Het gevolg was een knalrode kop.

‘Mag ik jullie mijn nieuwe vriend voorstellen?’ riep Pablo Picasso joviaal. Met een sierlijke zwaai mikte hij zijn alpino aan de kapstok. ‘Dame en heren, mister Frank Zappa!’ Frank stond er wat onwennig bij. Hij knikte het viertal aan de bar glimlachend toe en liep vervolgens op de uitgestoken hand van de barkeeper. Hij geneerde zich voor de overdreven aankondiging van Pablo. Moest dat nu zo luidruchtig.

‘Welkom, zei Wig.’ Hij drukte de nieuweling stevig de hand. Vervolgens gaf hij een ruk aan de koperen bel. ‘Rondje van de zaak,’ riep hij luid.

‘Applaus,’ riep Vincent van Gogh van nummer 704, die van de verschillende wijntjes blosjes op zijn wangen had gekregen. Met een grote smile lachte hij de nieuweling toe.

‘Hoe meer zielen hoe meer vreugd,’ mompelde Lautrec van 211. Hij zat aan zijn vierde glas absint. Wig had hem reeds geadviseerd om een kop thee te nemen. Maar de schilder had dit hardnekkig geweigerd. Hij vond dat hij zijn eigen boontjes wel kon doppen. Daar had hij geen purgatijn voor nodig. De componist Dmitri Sjostakovitsj van 701 ontging alles. Deze zat te dommelen boven zijn dode biertje. Soms raakte zijn spuuglok de rand van de bar. Zijn aktetasje met daarin de Welkomstsymfonie, zijn belangrijke opdracht voor de Dag des Heren, lag een beetje slordig, onder de as- en biervlekken naast zijn kruk.

‘Kom,’ zei Picasso. Hij nam zijn vriend bij de arm. ‘Laten we op het hoekje gaan zitten.’ Frank volgde Picasso naar de uiterste hoek van de lange bar. Picasso bestelde een warme chocolademelk, Zappa een biertje. ‘Waar hadden we het ook al weer over,’ vroeg Picasso aan zijn buurman. Maar zijn nieuwe vriend verstond hem niet of had op dat moment geen oor voor hem. Hij keek naar de vrouw aan de bar, de vrouw in het rode jasje. Was zij niet het meisje van Doeb doe bi doe, de vrouw van de opwaaiende rok? Christus me ziele, wat een lekker ding. Hij stootte zijn buurman aan en knikte naar de vrouw.

‘Wie is zij? ‘vroeg hij.

‘Jongen, je hebt geluk,’ fluisterde Picasso hem in het oor. ‘Ze woont naast je. Geniet er van. Ze is de zonde waard.’ Hij gaf Frank een vette knipoog. De kunstbroeders Van Gogh en Lautrec hervatten hun gesprek. Ze spraken over het opkomend fascisme in Sint-Petrusburg. Juffrouw Monroe zat er wat verloren bij. Ze had geen verstand van politiek. Bovendien voelde ze hem al behoorlijk zitten. Ze keek op haar horloge. Nog niet eens zes uur en nu al tipsy. Hoeveel had ze er al achter haar kiezen?

‘ W-w-ig,’ riep ze, ‘Wig! ‘

‘Momentje, ik kom zo bij u’ riep Wig, die bezig was een aantal losse muziekcassettes in doosjes op te bergen. ‘Zeg het eens schoon­heid,’ ant­woordde hij toen hij een moment later voor haar stond. Glunderend keek hij naar haar boezem. Juffrouw Monroe wenkte hem iets dichter­bij te komen.

‘W-wig,’ fluisterde ze. ‘Hoeveel b-borrels heb je me vanmiddag al ingeschonken?’ Glimlachend keek Wig juffrouw Monroe in haar ogen. Inderdaad, ze stonden al een beetje glazig. ‘Ik denk een stuk of vijf, maar ik zal even voor je kijken,’ antwoordde hij. Hij liep naar de kassa, waarnaast op een plankje de kaartjes van zijn klanten lagen. ‘Tuut, tuut, tuut,’ mompelde hij overdreven luid. ‘Tijd voor een kopje koffie, mevrouwtje’ fluisterde hij plagerig.

‘Nou h-hoeveel?’ vroeg ze ongeduldig.

‘Vijf,’ antwoordde Wig.

‘Maak maar verse k-koffie,’ zei ze. Ze liet zich vervolgens van haar kruk glijden. ‘Ik ga even naar het toilet.’ Oef, daar ging ze bijna onderuit.

‘Daar lag u bijna,’ zei Lautrec.

‘Man l-lul niet,’ mompelde ze. Waarna ze met een rood hoofd in de damestoiletten verdween. Op haar achterste voelde ze de blikken van de twee mannen die zojuist waren binnengekomen. Had ze het goed gezien? vroeg ze zich af, terwijl ze een koude straal water over haar polsen liet lopen. Had de donkere jongen, hoe heette hij ook al weer, Frank of zo, alsmaar haar kant uitge­ke­ken? Had hij oogcontact met haar gezocht? Waarom had ze hem nauwelijks aangekeken, waarom had ze niet even met hem gesjanst, een knipoogje gegeven? Hij leek haar een aardig type. Lelijk was ook niet, al had hij, als ze zich niet vergiste een behoorlijke grote neus. Maar verder was-ie wel gaaf. Hij had zwart haar en dat kwam goed uit, want ze hield van donkere mannen. Ook had-ie een snor en een baardje. Naar de rest moest ze gissen. Was hij purgatijn? Was hij hier voor vast komen wonen? Er stonden tenslotte een stuk of wat appartementen leeg. Ze hoopte het maar. Hoe oud zou hij zijn? Wat was de kleur van zijn ogen? Lachte hij leuk? Had hij mooie tanden? Kon-ie lekker zoenen?

Ze ademde in haar handen en rook er aan. Gelukkig geen borrellucht, alleen sigaretten. Soms walgde ze van zichzelf. Waarom om vijf uur al aan de borrel? Waarom eerst niet een chocomelk zoals ze Pablo vaak zag drinken, of koffie of thee zoals anderen van hogere etages wel bestelden. Ze maakte van haar handen een kommetje en liet dit vollopen met water. Gorgelend spoelde ze haar mond. Stel je voor dat ze aan de praat zou raken met de nieuweling. Ze wilde onder geen beding uit haar straatje ruiken. Hoeveel had Wig ook al weer gezegd? Vier, vijf, zes? Ze wist het niet meer. Ze was gewoon tipsy. Ze trok een vies gezicht en keek in de spiegel.

Juffrouw Monroe hunkerde de laatste tijd naar een jonge vent. Ze had wel eens met de gedachte gespeeld om overplaatsing aan te vragen naar één van de Kuku-flats in Holy City. Daar heerste tenminste een fatsoen­lijk uitgaansle­ven: Volop discothe­ken en een hele wijk met bars en nachtclubs, had Wig haar verteld. Of naar Sint-Petrusburg, nog beter. Hier in Johan­nesburg was het armoe troef. Het enige vertier hier in de buurt was de Nadorst. Nou, dat kende ze zo langzamerhand wel. Zelfs in het centrum, op en rond het Plein van de Hemelse Vrede, was niks te beleven. Hoelang was het alweer geleden dat ze voor het laatst met een jonkie had gevreeën? De oudere mannen gingen haar zo langza­merhand de keel uit hangen. Nou ja, op Pablo na dan, die viel nog wel mee. Ze was een paar keer met hem uit geweest En natuurlijk ook met hem in bed beland… de snoodaard.

Ze dacht terug aan een week of wat geleden. Ze hadden de hele avond in de Nadorst zitten pimpelen. Zij aan de jonge borrel, hij aan de whisky. Aan de bar had hij een schets van haar gemaakt en haar gevraagd om na slui­tingstijd met hem mee te gaan om de tekening bij hem thuis af te maken. Ze had toegestemd, al wist ze bij voorbaat waar hij op uit was. Maar als ze zich goed herinnerde was ze die avond zelf ook behoorlijk hitsig geweest. Eerst hadden ze in de huiskamer op de witte bank wat gedronken en een beetje geflikflooid. Daarna waren ze naar zijn atelier gegaan. Hij had haar op een kruk gezet. Geruime tijd had hij rondjes om haar heen gelopen. Plotseling had hij haar borsten omvat en gezegd dat die in ieder geval bloot moes­ten. Maar daar was het niet bij geble­ven, want ook de billen moesten bloot. ‘Ik vraag niet veel, ik wil gewoon alles,’ was zijn lijfspreuk geweest. En van het één kwam het ander. Ze waren op de sofa beland en hadden een stevig robbertje gevreeën. Van de tekening was verder niets gekomen.

Waarom was hij nu zo ver van haar af gaan zitten? Komt er eindelijk iemand die ze leuk vindt en dan gaat-ie een eind bij haar vandaan zitten! Ze nam de brillenkoker uit haar handtas­je. Ze hield niet van die bril. Brillen stonden haar niet. Ze zette de bril op en keek weer in de spiegel. Jezus, wat zag ze er uit! Met beide handen ploegde ze door haar haren. Weer keek ze in de spiegel, doch dit keer een beetje lonkend, een beetje uitdagend. Daarna haalde ze haar make-upspulletjes tevoorschijn, stalde ze uit op de wasbak en ging aan de slag.


25 Gekke Chet

TROMPETTIST OP EEN BLOEMENGIETER

Vluchtig keek ze om zich heen en razendsnel haalde ze haar truitje omhoog. ‘Dag heerlijke tieten van me’ , fluisterde ze naar haar spiegelbeeld. Morgen gaan jullie er aan. Ze omvatte haar borsten en vervolgde met haar bekende kindstemmetje: ‘Weet je het wel zeker, Marie? Zou je dit nu echt wel doen? De kerels zijn niet voor niets helemaal gek van je! Ja, ja, ik weet het, zei ze met een pruillipje.’ Ze had er zo langzamerhand genoeg van, dat geloer naar haar borsten. Zuchtend trok ze een beetje traag haar truitje weer omlaag. Baldadig stak ze haar tong uit. Met haar tong nog half uit de mond bleef ze voor een moment onbeweeglijk staan. Wat hoorde ze toch steeds in de verte. Ze spitste haar oren.

Achter de muurtjes van de toiletten klonken al geruime tijd onophoudelijke nootjes van een piano. Niet gewoon pianospel, maar probeerseltjes: Ping ping pong. Was er misschien een pianostemmer bezig? Voor een moment vergat ze de aantrekkelijke nieuweling aan de bar die misschien op haar te wachten zat. Ja, ze wist het zeker. Ze had daar gewoon feeling voor. En ook dacht ze even niet aan haar grote borsten en aan het Sint-Lukas waar ze morgen naar toe zou gaan. Ze keek naar haar strak zittende truitje en trok wederom een pruillip. Nu al spijt? Daar had je het weer, steeds dezelfde tonen. Wie doet nou zo iets? Een poetsvrouw die de piano schoonmaakt? Ping ping pong. Ze pakte haar spulletjes en sloop het gangetje in de muzieknootjes tegemoet. Het pianokamertje dus, natuurlijk waar anders. Ze bukte zich om door het sleutelgat te kijken. Daarna knielde ze neer en met een oor aan de deur luisterde ze naar de merkwaardige geluiden.

Het pianokamertje was zo’n beetje het kleinste kamertje van de artiflat. Het was bedoeld om lage bewoners de kans te geven hun pianospel op peil te houden, een lied te componeren of gewoon wat te pielen. Voor een zilverling per uur kon je de sleutel halen bij huismeester Gerrit Smit. Een piano, een krukje, een lessenaar en een schoolbord met notenbalken, dat was het interieur. Uit het kamertje kwamen op dit moment ongeschoolde klanken. Als een klein meisje zat Marie Monroe op haar hurken door het sleutelgat te kijken. Zij keek tegen de rug van een manspersoon. Als ze zich niet vergiste was het gekke Chet, haar buurman van nummer 103. Met slechts één vinger beroerde hij het toetsenbord, terwijl de muzikant, niet wetende dat hij begluurd werd, commentaar op zijn ingevingen gaf:

‘Ping… no… Pong… Yes, Thats right!… Ping… Shit!… no!… Pong… Very nice…’

Het tafereeltje was alleraardigst. Zelfs om je dood te lachen. De amateurpianist en -zanger, nog steeds in trance, begon nu plotseling met een merkwaardig hoog stemgeluid te zingen. Hij draaide zich om en met gespreide armen liep hij al zingend met een hoge falsetstem op de deur toe, zodat Marie razendsnel opstond en aanstalten maakte om zich uit de voeten te maken. Daarna werd het stil en even later herhaalde zich het eentonig gepingel:

‘Ping… yes… Pong… No, Shit!… Ping… yes! Very nice…’

Voorzichtig sloop Marie weer naar de deur en ging weer op haar hurken zitten om het vervolg gade te slaan. Ze mocht hem wel, gekke Chet Baker de trompetblazer. Doodzielig vond ze het dat hij bij gebrek aan een echte trompet op een bloemengieter moest blazen. Vrijwel niemand op de flat had contact met gekke Chet. Het gebeurde wel dat hij urenlang in de raampost of op de drempel van zijn voordeur van zijn appartementje 103 wezenloos voor zich uit zat te staren zonder dat het leek dat hij ook maar één keer met zijn ogen knipperde. Als je hem toevallig tegenkwam –in de Nadorst kwam hij nooit- ontweek hij je blik of keek je schuw aan. De enige waar je hem zo af en toe mee zag praten was Miles Davis van nummer 403..

Ook met Marie, nota bene zijn naaste buur had hij in al die tijd dat hij hier woonde nauwelijks een woordje gewisseld. Behalve dat van de toeter wist ze dat hij op zijn achterbalkonnetje polletjes gras en ander soort groen in potjes kweekte. Zij had wel eens gezien hoe hij zijn plantjes liefdevol besproeide met dezelfde gieter waar hij muziek op placht te maken. Een vertederend schouwspel. Marie herinnerde zich nu plotseling dat hij toen soortgelijk gezang had laten horen zoals nu in het pianokamertje. Mevrouw Dietrich van nummer 107 had wel eens het idee geopperd om een benefietconcert te organiseren om hem zo aan een echte trompet te helpen. Want toeteren op een bloemengieter was toch de grootste armoe en hoorde zeker niet in het hiernamaals thuis.

Gedroeg Chet Baker zich in het hiernamaals merkwaardig, op het aardse was het niet anders geweest. Als veelbelovend jazztrompettist had hij over de aardbol gezworven. Hij had geleefd in hotels, maar ook op politiebureaus en zelfs in het gevang. Herhaaldelijk was hij gearresteerd vanwege het in het bezit hebben van drugs. Het gevolg van zijn overmatig gebruik was dat hij vaak zijn concerten niet fatsoenlijk kon afwerken. Het was zelfs wel eens gebeurd dat hij op het podium in slaap was gevallen. Optredens werden vergeten of hij kwam uren te laat. Gek genoeg pikten zijn fans dit van hem. Zij hielden van zijn trompet spel en soms zong hij met een hese, fluisterende stem. Een ieder kende zijn lied My Funny Valentine. Chet had goudgeld verdiend maar alles uitgegeven aan heroïne en cocaïne. Zijn vrouw en kinderen had hij verwaarloosd. Herhaaldelijk was hij in elkaar geslagen vanwege het niet nakomen van zijn verplichtingen of het niet betalen van drugsgeld. Hij verloor zijn tanden en moest met een kunstgebit opnieuw leren trompet spelen. Men noemde hem op het laatst De luxe zwerver. Zijn thuishaven werd tenslotte het Hollandse Amsterdam. Daar zou hij de eeuwige drugstoerist worden en daar zou hij ook het aardse verlaten door vierhoog zijn hotelkamer uit te vliegen in de veronderstelling dat hij een vogel geweest zou zijn.


26 Een heerlijke inkijk

PRACHTIGE BEELDEN

Vincent van Gogh van nummer 704 had zojuist de Nadorst verlaten. Hij had het even gehad. In plaats van wijn en slap gelul stond hij nu in de schilderszaal tussen de kunst. Hier voelde hij zich op zijn gemak. Hier hoefde hij niet te spreken, niet intellectueel te ouwehoeren. Hij dacht aan de zielen aan de bar. Aan de dronken componist Sjostakovitsj, aan de constant zwetsende barkeeper Wigbert, aan de stoot Marie Monroe die met de nieuweling zat te flirten, de man met de snor en zijn grote neus. Ook dacht hij aan zijn vriend Lautrec. De laatste tijd begreep hij steeds minder van hem. Hij zat goddomme aan de lopende band glaasjes absint weg te werken. Niet dat Vincent vies was van een borreltje, maar hij wilde zo nu en dan wel eventjes zijn hersens er bijhouden. Dus even pauze, even de kunst.

Met de handen op de rug sjokte hij die middag omstreeks een uurtje of zes langs de doeken van zijn collega’s. De schilderszaal was leeg. Op dit uur werd er nauwelijks meer gewerkt, zeg maar helemaal niet. Hij had het rijk alleen. Toevallig stond hij op dit moment voor het doek waar zijn vriend Lautrec de laatste tijd aan werkte: Juffrouw Annette in Heaven. Het schilderij in de maak gaf je het idee dat het om een affiche ging, een reclame voor een wasmiddel. Lautrec had een lachende juffrouw Annette afgebeeld zittende op een wasmachine met een pak wasmiddel in haar handen. Juffrouw Annette dus, de mooie zachtaardige vrouw uit het purgatorium. De destijds doodongelukkige vrouw die als straatveegster in Sint-Petrusburg door Vincent en zijn vriend Lautrec uit haar lijden was verlost en naar de artiflat was gehaald en nu in haar wasserette gelukkig scheen te zijn. Juffrouw Annette, waarvan Lautrec alsmaar beweerde dat zij een oogje op Vincent zou hebben. Laat me niet lachen, zei Vincent dan. Wat moet zo’n mooie vrouw met zo’n lelijke kerel als ik, een kerel met rood haar, een verminkt oor en een bek met rotte tanden? Nee, hij was geen partij voor haar. Bovendien was Vincent reeds bezet. Hij had verkering met de zangeres van 309, Laverne Andrew. Ze was dan wel niet zo mooi als juffrouw Annette, maar hij was tevreden met haar. Hij had haar misschien zelfs lief. Hij noemde haar Zusje.

Het was stil in de schilderszaal. Vincent hield van stilte en rust. Hij snoof als het ware de kunst op. Hij stond voor een doek in wording van collega Jan Vermeer van 604. Hij deed een stap naar voren om het beter te kunnen bekijken. Hij hield van de oude meesters. Bij hen vergeleken was hij maar een kliederaar. ‘Het lijkt goddomme Frau von Bingen wel, de non van de zesde,’ mompelde hij. Een glimlach verscheen om zijn mond toen hem opviel dat er een klein pareltje in haar neus zat. ‘Die durft,’ zei hij toen. Hij slenterde verder. Midden in de zaal, met de handen in de zij, stond hij even stil om een pijp te stoppen. Het liefst zou hij zijn schilderskiel aandoen en aan het werk gaan. Hij was met een nieuw doek bezig. Rustend Zusje, had het als titel. Hij had Zusje zo ver gekregen om voor hem model te staan. Zittend in een stoel, met één voet op de vloer en de andere op de zitting van de stoel. Vanwege haar inkijk had Zusje aanvankelijk nogal tegengestribbeld, want Vincent wilde met alle geweld dat zij een rok droeg, een lange broek vond hij te boers. Kunst kent geen taboe, had Vincent zijn verkering uitgelegd en uiteindelijk had zij toegestemd.

Heel in de verte klonk al geruime tijd een piano afgewisseld met vreemdsoortige zanggeluiden. Vincent zette zijn oren scherp. Het kwam van hiernaast, uit het pianokamertje. Hij haalde zijn schouders op. Hij had niet zoveel met muziek. Ja, als kind op het aardse had hij zondags in de kerk, waar zijn vader predikant was, braaf de psalmen meegezongen. En ook op de zondagsschool had hij zover hij zich kon herinneren alle lieveheerversjes uit zijn hoofd geleerd. Hij betwijfelde of het allemaal wel muzikaal geweest was. Opnieuw stak hij een pijp in de brand en keek vervolgens aandachtig naar het doek op de schildersezel van collega Salvador Dali van nummer 404. Vincent fronste zijn wenkbrauwen. Hij begreep er echt geen zak van. Natuurlijk was hij wel wat gewend wat moderne kunst aanging, maar wat dit moest voorstellen. Het ging hem boven zijn pet. Het leken wel twee vrouwen die het met elkaar deden, die elkaar beminden. Hoe noemde je dat ook al weer, als twee vrouwen met elkaar vreeën? Ja, nu zag hij het toch duidelijk, twee gezichten tegen elkaar aan. Hun handen zaten aan elkaars pruimpje. Die Dali toch, mompelde hij, en hoofdschuddend, maar met een brede glimlach, liep hij door.

Weer verderop hing een geinig doek van Andy Warhol van nummer 207. Toen hij het werk in wording voor het eerst aanschouwde had hij keihard moeten lachen. Want meende de schilder dit nu echt of ging het om een grapje? Acht keer de kale knikker van Wigbert de barkeeper, acht keer dezelfde tronie. Zoiets had hij niet eerder gezien.

Vincent krabde aan zijn oortje. Die verdomde jeuk, mompelde hij. Goed dat hij morgen naar het Sint-Lukas ging om het een en ander te laten repareren. Intussen luisterde hij naar de eentonige pianoklanken. De zangstem klonk merkwaardig hoog. Het leek warempel wel een krolse kat. Hij moest lachen om zijn eigen gedachte. Vervolgens liep hij zonder echt te kijken langs de doeken van de vrouwelijke schilders Frida Kahlo van nummer 503 en Berthe Morisot van 409. Leuk geprobeerd dames, mompelde hij.

Vincent bemerkte dat hij al geruime tijd rondliep met een stijve. Een stijve opgedaan door alle erotiek in de schilderszaal maar ook door het gesprek aan de bar dat hij zojuist had gevoerd met juffrouw Monroe. Haar heerlijke tieten, waarvan het leek alsof ze recht vooruit stonden en ook haar korte rok en blote benen waren hem niet ontgaan. Een supergeil wijf! Wat dat aan ging was zij het uiterste van zijn geliefde Zusje. Hij vond dat zijn verkering er meestal onvrouwelijk bijliep. Altijd en eeuwig in een lange broek. En dan ook nog soms een hoofddoekje. Nooit eens een lief kleedje of een gezellige rok. Maar desondanks was Vincent blij met Zusje Andrew, zijn verovering. Zij was een lieve warme vrouw. Dus moest hij tevreden zijn en niet lullen.

Door zijn broekzakken heen masseerde hij lichtjes zijn lid. Goddomme wat was-ie geil. Hij had het wel meer dat bronstige gevoel als hij een paar wijntjes achter de kiezen had. Hij bleef even staan luisteren of hij het pianogepingel nog hoorde. Ja hoor, het was er nog steeds. Hij liep naar de uitgang en opende de deur, maar sloot hem weer direct. Jezus, kijk nu eens, schrok hij. Wat een prachtig plaatje! Hoe is het mogelijk! Hij kreeg er warempel een kleur van. Voorzichtig opende hij de deur op een kier. Ja hoor, daar zat ze, Marie Monroe, op haar hurken nog wel. Ze zat te loeren door het sleutelgat van de deur van het pianokamertje. Hij had een prachtig gezicht op haar geopende benen, hij keek goddomme recht in haar kruis.

Ping ping pong, klonk het vanuit het pianokamertje, gevolgd door een haast huilende zangstem. Vincent zijn lid spande hem in zijn broek. Hij moest er wat aan doen nu hij Marie Monroe zo zag zitten. Zo’n pose zou hij nooit meer bij haar zien. Wat een prachtig gezicht! Voor de zekerheid keek hij nog even achter hem de schilderszaal in. Daarna knoopte hij zijn broek open en ging aan de slag.


27 Hoog bezoek

Natuurlijk kenden ze de blonde juffer van 102, wie kende haar niet. Maar zo close hadden ze nimmer tegenover haar gestaan. Oog in oog stonden die namiddag de heren Bastiaan Bach van nummer 901 en Frederik Händel van 703 met de blonde vrouw. De twee musici waren zojuist de Nadorst binnen ­gestapt. Ze stonden op het punt hun jassen los te knopen.

‘G-goedenavond heren,’ groette juffrouw Monroe met haar bekende kindstemmetje. Vervolgens trippelde ze naar haar plaatsje aan de bar. Het was even over zes toen Marie Monroe opgemaakt en wel uit de damestoiletten tevoorschijn kwam. De twee heren volgden de vrouw naar de bar. Ze volgden de blote benen en draaiende bips onder de witte plooirok.

‘Foei,’ fluisterde Bastiaan in Frederiks oor terwijl hij zijn jas losknoopte. Zijn vriend knikte en schudde mistroostig zijn hoofd. Maar ondertussen dacht hij hoe hij haar in zijn geheugen zou kunnen vasthouden, zo in haar rokje. Wat een vrouw! Wig de barkeeper snelde de hoge gasten tegemoet om hun jassen aan te pakken. Marie Monroe liet zich met een zucht op haar kruk ploffen. Met een van haar mooiste glimlachen bekeek ze zich in de spiegelwand van de bar. Ze genoot als men haar zo aangaapte. Ze was het gewend. Ze wist niet beter. Maar ze was zich ook bewust hoe men hier op de artiflat over haar dacht. Ze wist dat ze doorging als dom blondje. Op de aardkloot had ze onder dezelfde omstandigheden geleefd. De kunst van het verleiden had ze beheerst tot in haar kleine teen. Ze was het liefje geweest van man en vrouw, van klein en groot, van sportman tot president. Haar portret had duizenden malen kranten en tijdschriften gesierd. Wereldvermaard was haar beeltenis met opwaaiende rok. Ze had bijna in haar blote bips aan de gevels van theaters en bioscopen gehangen. Ze had er van genoten. Maar hier in het hiernamaals wilde ze daar verandering in brengen. Ze wilde best sexy zijn maar absoluut niet hoerig. Deze afspraak had ze met zichzelf gemaakt. Nieuwsgierig keek ze naar de hoek van de bar. Ze zaten er nog, Pablo en de nieuweling.

Juffrouw Monroe was met haar zesendertig jaar niet de jongste vrouw van de artiflat. Die eer viel te beurt aan haar zevenentwintig jarige buurvrouw Janis Joplin van nummer 105. Ze was wel de mooiste en begeerlijkste. Dit vond ze zelf, tenminste. En dat moest zo blijven. Maar zoals gezegd, het kon ook minder. Ze had meer in haar mars dan alleen maar pronken met haar lichaam. Jaloers was ze op de meiden van hogere etages. Jaloers op hun talenten als zingen, componeren, schilderen en beeldhouwen. Soms zou zij graag één van hen willen zijn. Of toch niet? Ach ze wist het zelf niet. Natuurlijk hield ze van kerels en van verleiden. Maar nogmaals, zij wilde hier niet alleen gezien worden als stoeipoes. Ze wilde als volwaardige vrouw gerespecteerd worden. Ze stak een sigaret op. Ze baalde dat er nog eens twee droogkloten de Nadorst waren komen binnen wandelen. De voorste van de twee, die met het oorringetje en die idioot lange bontjas was volgens haar een regelrechte patser. Ze had hem wel eens ontmoet in de wasserette. Hij had haar toen de hele tijd aan zitten gapen. Toen al had ze hem een geile vent gevonden. Eentje waarmee niets te beleven viel. In ieder geval was hij geenszins haar type. Als ze het goed had woonde hij op de zevende. Maar hoe hij heette was zij vergeten.

‘Weet je wie dat zijn?’ vroeg de schilder Vincent van Gogh aan zijn buurman Lautrec.

‘Weten zij wel wie ik ben’, antwoordde deze met een dubbele tong.

‘Dat zijn Bastiaan Bach en Frederik Händel. Die met het oorringetje en bontjas is Händel,’ legde Van Gogh uit.

‘De kap maakt de monnik niet’, antwoordde Lautrec en ledigde zijn borrel. De componist Sjostakovitsj leek te slapen. Hij leunde met zijn voorhoofd op de rand van de bar. Juffrouw Monroe glimlachte toen zij zag hoe Wigbert zich uitsloofde tegenover de twee hoge heren. Ze mocht Wig wel. Een lekker ding vond ze. Hij kon altijd zo verlekkerd naar haar kijken. Ze wist dat hij van twee walletjes at. Ze had hem wel eens zien sjansen met supernicht Freddie Queen van 108. Zelf had ze ook wel eens wat met hem gehad. Een tijdje terug, na sluitingstijd, ze had die avond flink gedronken, had ze hem geholpen met opruimen. Dat deed ze wel meer als het druk was. Ook liep ze wel eens in de bediening. Ze hadden nog gezellig in het halfdonker aan de bar zitten flikflooien. Ze hadden gezoend en bij de garderobe had hij nog flink tegen haar op staan rijen. Maar daar was het bij gebleven, al had hij nog wel geprobeerd om haar op het biljard te krijgen.

‘Zie je die twee daar?’ fluisterde Picasso naar zijn buurman. Hij wees naar de ingang. ‘Dat zijn Bach en Händel.’ Maar Zappa had meer belangstelling voor de juffrouw in het rode jasje en het witte plooirokje. ‘Die in die bontjas en die sigaar is Frederik Händel,’ legde Picasso uit. ‘Je weet wel, van dat Halleluja.’ Zappa knikte afwezig. Om zijn buurman een plezier te doen keek hij vluchtig naar de twee muziekreuzen die op dat moment door Wig naar een tafeltje werden geloodst. Daarna zochten zijn ogen direct weer de vrouw aan de bar. Christus me ziele, wat een lekker ding! Frank hield van dit soort vrou­wen. Het deed hem denken aan het aardse, waar meisjes langs het sport­veld in hun wapperende jurkjes en blote billen het publiek en de spelers opzweepten. Hij hield van straatsletjes die zich in achteraf steegjes door jongens lieten pakken. Ook dacht hij terug aan zijn eigen groupies die hem en de band jarenlang hadden gevolgd en waar ze menig pleziertje mee hadden beleefd. Hoogtepunt waren de spelletjes met super groupie Wendy geweest, het meisje met de jarretelletjes en blote bibs. Hoe vaak had ze niet in de kleedkamer voor de jongens op de tafel gelegen…

‘Kijk,’ vervolgde Picasso terwijl hij een flinke haal van zijn sigaret nam, ‘je kunt zo zien dat die Händel vroeger een man van de wereld was. Bach was meer een hardwerkende schoolmees­ter, doceerde Picasso voort. ‘Hij had een gezin met pakweg vijftien kinderen en componeerde aan de lopende band. Händel schreef voor het theater, Bach voor God. Misschien woont die Bach daarom wel op de hoogste etage.’

‘De hoogste?’

‘De negende, pal boven mij. In een loei van een penthouse.’

‘Had Bach vijftien kinderen?’ vroeg Frank quasi geïnteresseerd. Steeds brutaler keek hij nu naar het meisje aan de bar.

‘Jazeker, sommigen beweren zelfs dat het er meer waren.’ Hij brak een stuk van het koekje dat Wig hem bij zijn warme chocolademelk had geserveerd en neuriede het Halleluja. Frank had intussen gemerkt dat zijn buurman knipoogjes uitwisselde met juffrouw Monroe.

‘Ik ga even kijken of ik nog een mannetje ben,’ zei Frank en gleed van zijn kruk. Een beetje opgelaten liep hij naar de toiletten. Hij voelde hoe de ogen van de cafébezoekers hem volgden. Toen hij terugkwam zat Picasso naast de rooie man met de pijp. De musicus Dmitri Sjostakovitsj stond naast zijn kruk en maakte aanstalten om te vertrekken. Hij had zijn zwarte aktetasje reeds onder de arm en praatte in zichzelf. Hij hoestte lelijk.

‘Je moet niet zoveel d-drinken Sjors,’ hoorde Frank juffrouw Monroe tegen hem zeggen.

‘D-dat maken wij toevallig zelf wel uit,’ stotterde Sjostakovitsj plagend terug. Juffrouw Monroe haalde haar schouders op en zei nog iets tegen haar buurman dat Frank niet verstond. Terwijl ze van haar koffie dronk zag hij dat ze zijn richting uitkeek. Ze gaf hem een knipoog. Hij bedacht zich geen moment, nam zijn halflege biertje en liep op haar toe. ‘Wig!!’ riep Sjostakovitsj onverwachts luid zodat iedereen in het café zijn kant uit keek. ‘Geef de hele tent nog wat van mij!!’ Wig fronste zijn wenkbrauwen.

‘Rondje van meneer Sjors,’ riep hij toen en klingelde de bel.

‘Een biertje,’ zei Sjostakovitsj moeizaam, toen Wig even later voor hem stond. ‘Geef mij nog maar een biertje.’

‘Zou u dat wel doen?’ vroeg Wig bezorgd.

‘Tap nou maar en lul niet zoveel,’ antwoordde Sjostakovitsj nors. Hij hees zich weer op zijn kruk en legde zijn aktetasje voor zich op de bar. Wig haalde zijn schouders op en tapte een vers biertje voor de musicus. Hij schudde hierbij mistroostig zijn hoofd.

‘Doe nog maar een wijntje alstublieft,’ bestelde Vincent van Gogh. Om hem te bedanken knikte hij vriendelijk naar Sjostakovitsj. Maar de musicus ontging vrijwel alles wat er rondom hem afspeelde. Lautrec sloeg een ronde over. Hij vond het even welletjes.

‘Wat zullen wij eens drinken,’ aarzelde Picasso toen hij aan de beurt was. Hij keek op zijn horloge. ‘Ik denk dat het tijd is voor de vrolijke noot,’ zei hij toen en bestelde een whisky.

‘D-doe nog maar een koffie,’ zei juffrouw Monroe.

‘Een pilsje alstublieft,’ zei Frank Zappa. Hij had inmiddels plaatsgenomen op de kruk naast juffrouw Monroe. Marie was in haar sas met de nieuweling naast haar. Een beetje nerveus zat ze aan haar rokje te wriemelen. Ze hoopte maar dat ze er niet te ordinair zou uitzien. Ze hadden nog geen woord met elkaar gewisseld. Toen ze een sigaret nam gaf Frank haar een vuurtje met de kaars die voor hen op de bar stond.

Na de klanten aan de bar geholpen te hebben liep Wig naar het tafeltje van Bastiaan en Frederik. ‘En, heeft de soep u gesmaakt?’ vroeg hij.

‘Voortreffelijk,’ antwoordde Bach. Hij knikte de barkeeper vriendelijk toe.

‘Heerlijk,’ zei Händel en veegde zijn mondhoeken af met een wit servetje.

‘U hebt nog wat te goed van meneer Sjors,’ zei Wig.

‘Aha,’ zei Bach, ‘reuze vriendelijk. Een kopje thee gaat er altijd nog wel in.’

‘Hetzelfde alstublieft,’ zei Händel. Hij stak een sigaar op.

‘Sjors… Sjors,’ mompelde Bach nadenkend.

‘Nummertje 701,’ zei Händel. ‘Mijn buurman, weet je wel.’

‘Aaahhh, ik weet het weer,’ zei Bach plotseling. ‘Sjostakovitsj, de Russische componist. De man van de opdracht, de man van de Welkomstsymfonie.’ Het leek zowaar dat er jaloezie in zijn stem klonk.

‘Zo is dat,’ zei Händel. Zijn ogen zochten naar de juffrouw aan de bar.

‘Heeft u wel eens een werkje van hem gehoord?’ vroeg Bach. Zijn vriend Händel schudde langzaam van nee. En volgde het kringetje rook dat hij zojuist had uitgeblazen.


28 Sjors valt van de kruk

‘Ik ken u van de film,’ zei Frank Zappa tegen zijn buurvrouw. Marie Monroe van glimlachte.

‘Dat is alweer een tijdje g-gele­den.’ Maar ze was blij dat er weer iemand op de arti was komen wonen die van haar gehoord had.

‘Wijde jurk en blote billen,‘ glimlachte Frank. Juffrouw Monroe nam een slok van haar koffie en dacht: Hij is niet zo knap als ik dacht. ‘Mag ik me even voorstellen? Frank Zappa, is de naam.’

‘M-Marie Monroe,’ zei juffrouw Monroe. Ze pakte zijn hand. Frank keek naar haar ogen en vervolgens naar haar borsten. Juffrouw Monroe kleurde. Tig keren op een dag werd er naar haar boezem gekeken en nog steeds kreeg ze een rood hoofd. Vervelend toch. Ze was blij dat ze de knoop had doorgehakt en dat ze morgen naar het Lukas zou gaan. Ze was het gekoekeloer meer dan zat. Ze lieten elkaars hand los. Een beetje brutaal vond ze hem wel. Maar wat een ogen mooie had hij.

‘Wat een prachtige naam, Marie Monroe. Is dat uw echte naam?’

‘Mijn d-doopnaam is Norma Jean Baker’. Frank knikte. ‘En b-bevalt het u hier?’ vroeg juffrouw Monroe. Frank nam een slok van zijn bier en haalde zijn schouders op.

‘Dat weet ik nog niet, ik ben hier nog niet zo lang. Ik ben op nummertje 101 neergezet, volgens de huismeester de laagste nummering.’

‘O, antwoordde juffrouw Monroe, u b-bent nieuw.’ Wat spannend dacht ze, zo’n leuke kerel naast haar. ‘Wat deed u b-beneden?

‘Ik was muzikant, rockmuzikant,’ antwoordde Frank.

‘Alweer een m-muzikant,’ lachte juffrouw Monroe. ‘Het stikt hier op de arti van de m-muzikanten.’

‘O ja?’ Hij keek naar haar mooie tanden.

‘Ja hoor, kijkt u m-maar om u heen, je struikelt over de m-muzikanten,’ lachte ze. Wat een heerlijke lach, dacht Frank.. ‘Maar er wonen hier ook veel k-kunstschilders,’ stotterde juffrouw Monroe door en terwijl ze de namen noemde, wees ze met haar vingertje langs Pablo Picasso, Vincent van Gogh en Lautrec.

‘Is die man met de pijp Vincent van Gogh?’ vroeg Frank met bewonde­ring in zijn stem. Juffrouw Monroe knikte.

‘Kent u hem?’

‘Persoonlijk niet, maar beneden heerst er een soort cultus rond hem.’

‘Gossie p-pikkie, wat leuk voor hem,’ zei juffrouw Monroe. En ze dacht: wat heeft hij een leuke grote neus.

‘En wie is de man naast Van Gogh?’ En hij dacht: wat een heerlijke lippen.

‘Dat is Sjostakovitsj. Die woont ver b-boven het gewone volk. Ik geloof ergens op de zevende. Hij zit hier vaak te c-componeren. We noemen hem gewoon Sjors. Hij is b-bezig met een Welkomstsymfonie, voor de Dag des Heren.’ Frank trok vragend zijn wenkbrauwen op. ‘God k-komt eerdaags op bezoek.’

‘God komt op bezoek?’ vroeg Frank verbaasd. ‘Maar die is hier toch al?’

‘In Johannesburg. Hij komt hier p-persoonlijk.’

‘Wanneer komt hij?’

‘Als een d-dief in de nacht, zeggen ze. Niemand weet p-precies wanneer.’ Even was het stil. De andere gasten hadden blijkbaar meegeluisterd, want er was niemand aan de bar die het woord voerde. Het leek alsof ze met bewondering naar juffrouw Monroe’s betoog luisterden.

‘Sjors kijkt niet al te vrolijk,’ onderbrak Frank fluisterend de stilte.

‘Hij wordt meestal depressief na een p-paar glaasjes,’ fluisterde juffrouw Monroe terug. Ze boog zich iets naar Frank toe. Even rook Frank haar geur. Christus me ziele, wat een lekker ding, dacht hij weer.

‘Over glaasjes gesproken, mag ik u iets aanbieden?’ vroeg Frank.

‘Nee dank u. Ik sta even d-droog. Ik heb vanmiddag nogal mijn b-best gedaan.’

‘Iets anders dan?’ drong Frank aan. Juffrouw Monroe twijfelde. Ze keek naar het plukje haar onder zijn lip.

‘Doe maar een t-tosti,’ zei ze toen. Op dat moment viel Dimitri Sjostakovitsj van zijn kruk.

 

Ze stonden met z’n allen om Sjostakovitsj heen, de meesters Bastiaan Bach en Frederik Händel, de kunstschilders Van Gogh, Lautrec en Picasso, de actrice Marie Monroe, de rockartiest Frank Zappa, en barkeeper Wig. Uitgeteld lag hij daar. Zijn handen omklemde het aktetasje met de partituur van zijn Welkomstsymfonie. Zijn dikke zwarte bril lag naast hem op de vloer. Hij had zijn ogen gesloten. Een klein sliertje spuug hing aan zijn lippen.

‘Hij stinkt,’ zei juffrouw Monroe. Ze trok een vies gezicht.

‘Ik haal even een natte doek,’ zei Wig.

‘Poddomme, dat krijg je als je zoveel drinkt,’ zei Vincent van Gogh.

‘Hij kan daar niet blijven liggen,’ zei Picasso.

‘Een kopje sterke koffie zal hem goed doen,’ zei Bach.

‘Hij komt alweer bij,’ zei Händel.

‘Waar ben ik?’ zuchtte Sjostakovitsj.

‘In de zevende hemel,’ antwoordde Van Gogh.

‘Wat is er gebeurd?’

‘U ging t-tegen de vlakte,’ zei juffrouw Monroe.

‘U had een black-out,’ zei Lautrec.

‘Ik voel me ziek,’ klaagde Sjostakovitsj.

‘Nogal w-wiedes,’ zei juffrouw Monroe. ‘U bent d-dronken.’

‘Even uw gezicht opfrissen,’ zei Wig. Hij depte met een natte spons Sjostakovitsj’ voorhoofd. Sjostakovitsj kreunde nogmaals. ‘Hier is uw bril,’ zei Wig.

‘Kunt u opstaan?’ vroeg Bach bezorgd.

‘Het gaat alweer,’ zei Sjostakovitsj. Dank u wel. Hij wilde weer op zijn barkruk klimmen.

‘Geen sprake van,’ zei Wig streng en nam hem bij de arm. ‘U gaat eerst rustig in een gemakkelijke stoel zitten. Ik zal een kopje koffie voor u inschenken.’ Moeizaam, ondersteund door de barkeeper, sjokte de componist naar één van de bruine tafeltjes, dicht bij het biljart. ´En u blijft hier rustig zitten,´ waarschuwde Wig.

‘Godverdee,’ mompelde Sjostakovitsj met dubbele tong. ‘Wat een toestand.’ Toen iedereen van de ergste schrik bekomen was, zei juffrouw Monroe:

‘Die arme ziel m-moet naar huis gebracht worden.’

‘Ik help u wel even,’ zei Frank Zappa. Om vijf minuten over zeven verliet Sjostakovitsj, ondersteund door Frank Zappa en Marie Monroe, als een gebroken man café de Nadorst.

 


29 Otis en Brian

Helemaal achteraan, op het hoekje van de eerste etage, op nummer 111, woonde de bruingekleurde zanger Otis Redding, een stille, ietwat schuchtere jongeman van zesentwintig jaar. Zijn verhaal was bij velen bekend. Ooit was hij op weg naar een optreden met zijn vliegtuigje in dichte mist neergestort en in een ijskoud meer terecht gekomen. Hij had direct het leven gelaten en zijn ziel was weer terug naar boven gevlogen. Zonder proces was hij het rijk der hemelen binnengekomen, want als er één bewoner van de eerste etage zijn plaats in het hiernamaals had verdiend dan was het wel Otis Redding. Hij was op het aardse gedoopt, had als kind met goed gevolg de zondagsschool doorlopen en als zoon van een dominee een godsdienstige opvoeding genoten. Tegenover zijn ouders was hij een voorbeeldzoon geweest, gehoorzaam en behulpzaam.

Otis was met zijn zesentwintig jaar één van de jongste bewoners van de kunstenaarsflat. Hij leefde een ietwat teruggetrokken. Tijdens sociale of culturele activiteiten stond hij niet vooraan in de rij. In café de Nadorst zag je hem nauwelijks. Als hij daar wel zat, was dat doorgaans ‘s morgens aan de koffie of warme chocolademelk. Steevast zat hij aan de kop van de leestafel bij de boekenkast. De leestafel was een vaste stek voor de donkere bewoners van de artiflat.

Zo weinig je hem in de Nadorst aantrof zo vaak was hij te vinden in de wasserette van juffrouw Annette. Geruchten deden de ronde dat hij een oogje op haar zou hebben. Maar als dit op waarheid berustte kon hij het wel schudden, want werd juffrouw Annette de laatste tijd niet regelmatig gezien met doctor Anton Bruckner van nummer 601 en drentelde de rode schilder van 704, Vincent van Gogh ook niet om haar heen? Twee hoge heren, zogezegd. Otis maakte geen schijn van kans. Desalniettemin trof je Otis regelmatig met een zakje wasgoed op weg naar de wasserette, al zat er in het zakje veelal niet meer dan een onderslip en een paar sokken.

Bij één persoon op de Arti kwam Otis Redding regelmatig op bezoek. Dat was bij zijn buurman Brian Jones van nummer 104. De twee golden als de jonkies van de arti. Brian Jones telde zevenentwintig jaar, Otis een jaar jonger. Ze kenden elkaar uit tijden van weleer. In het jaar 1967 na de geboorte van onze Heiland hadden zij opgetreden tijdens een festival van populaire muziek. Toevalligerwijs hadden op hetzelfde festival buurvrouw Janis Joplin van 105 en bovenbuurman Jimi Hendrix van 202 eveneens hun kunstjes vertoond.

Over hoe Brian Jones van nummer 104 het Aardse had verlaten gingen de wildste geruchten. Als men hem er op aansprak, haalde hij zijn schouders op. Hij scheen het allemaal niet zo goed meer te weten. Maar de ware toedracht van zijn heengaan was de artiflat wel degelijk binnengedrongen. Twee jaar na het dodelijke vliegtuigongeluk van zijn vriend en buurman Otis, het jaar 1967 na de geboorte van onze Heiland, had Brian Jones, oprichter van de groep de Rolling Stones, als een broekie van zevenentwintig jaar, eigenhandig de brui aan het aardse gegeven. Brian had de weelde van rockartiest niet kunnen verdragen. Spelen in volle zalen voor krijsende fans, op de cover staan van tienerbladen, televisieoptredens en grammofoonplaten maken, geld, de vrouwen, drank en drugs, hij was er allemaal niet tegen opgewassen geweest. Tenslotte had hij de band opgezegd en zijn gitaar aan de kapstok gehangen.

Op een avond had hij zich bedronken en als toetje een flinke hap drugs genomen. Vervolgens had hij een duik in zijn zwembad genomen om nog een baantje te trekken, een baantje dat hem fataal zou worden. Tijdens zijn duik liet een visioen hem zien hoe zijn vrienden van weleer als gerimpelde oude mannen over het podium holden en met schorre doorgerookte stemmen in de microfoon zongen. Mij niet gezien, waren zijn laatste gedachten en zijn longen waren geknapt.

Net als zijn vriend Otis had Brian dus met een nat pak afscheid genomen van de aardkloot, met dit verschil dat het bij hem ging om pure zelfmoord, met andere woorden een doodzonde. Brian werd dan ook tijdens zijn veroordeling in het Dies Irae, het hemelse rechtsgebouw, flink door elkaar gerammeld. Toch was het vonnis als een slag bij heldere hemel bij hem aangekomen, een complete surprise. Niet het hellevuur was zijn lot, maar het purgatorium. Hij had deze wonderbaarlijke uitspraak volgens hem te danken aan psychiatrische onderzoeken welke hij had moeten ondergaan. Op het aardse was hij eveneens meerdere malen vrijgesproken van kwaad of erger. Rechters hadden met Riagg-formulieren gewapperd en gesproken over een angstig, in zich zelf gekeerd persoon met enkele nare ervaringen achter de kiezen.

Otis Redding had verschillende keren achtereen het flatje op nummer 104 van Brian bezocht. Normaliter waren de twee muzikanten geen spraakzame types. Maar omdat ze op het aardse in dezelfde periode aan het popfront hadden gestreden, was er voldoende gespreksvoer. Otis hing aan Brians lippen als deze vertelde hoe populair zijn muziek na zijn hemelvaart was geworden. Na zijn fatale snoekduik in het ijskoude meer waren zijn liedjes Dock of the bay en I’ve got dreams to remember krakers geworden. Het gevolg was dat hij de koning van de soul muziek genoemd.

Nog niet zo lang geleden, toen de twee vrienden elkaar weer hadden opgezocht, was Brian in het gelukkige bezit van een akoestische gitaar geweest, welke hij voor een paar dagen van bovenbuurman Jimi Hendrix had mogen lenen. Otis was voor de gitaar geknield en had spontaan een gebedje gepreveld. Ze hadden gejamd op nummers van weleer zoals Pain in my heart van Otis, en Lady Jane van The Rolling Stones. Otis op gitaar en Brian op mondharmonica. Tot nu toe zou deze middag voor hen de mooiste worden in het hiernamaals.


30 Benefietconcert

LA DIETRICH ORGANISEERT

Otis Redding, de zanger van het hoekappartement op de eerste etage met huisnummer 111, scheen het in alle opzichten naar zijn zin te hebben op de arti. Eén ding beviel hem echter niet en dat was de opdringerigheid van zijn excentrieke buurvrouw van 107, Marlene Dietrich. De oude dame had hem verschillende keren laten blijken dat zij een meer dan gewone belangstelling voor hem had.

´Je bent een lieve jongen,´ had ze hem eens van dichtbij in het oor gefluisterd. ‘Ik zou je beter willen leren kennen.’ Gelukkig was het tot zover bij woorden gebleven en verder dan het schoonhouden van zijn huisje en het schrobben van de galerij was het niet gekomen. Het leeftijdsverschil was ook belachelijk groot. Marlene was eenennegentig, Otis zesentwintig! Haar gezicht zat onder de rimpels en ander ongerief. Hij moest er niet aan denken om met haar iets te ondernemen. Kippenvel kreeg hij er van. Als hij haar aankeek moest hij aan zijn grootmoeder denken. Hij kon wel iets beters krijgen, tenminste dat hoopte hij. Juffrouw Annette, bijvoorbeeld, daar zat hij de laatste tijd vol van. En wat te denken van het Goudvatmeisje dat hem zo vriendelijk hielp bij het zoeken naar om goede aftershave. Wat een leuk meisje!

´Waar zit je met je gedachten liefje?´ Had mevrouw Dietrich hem tijdens de koffie gevraagd. Ze was die ochtend bezig met het poetsen van zijn huisje. Eens in de zoveel weken deed ze dat. Niet dat dit perse nodig was, maar ze vonden het beiden gezellig tot nu toe. En terwijl ze aan het keukentafeltje hadden gezeten had ze hem een tijdlang ongemanierd strak aangekeken. Hij had er de kriebels van gekregen. Een vervelend mens, vond hij haar op dat moment. ‘Waar zit je met je gedachten liefje?’ Had ze voor de tweede keer gevraagd. God wat had ze soms zin om dat jong te knuffelen, om hem even lekker te pakken.

´I’ve got dreams to remember,´ had hij plotseling gezongen. Ze had hem met opgetrokken wenkbrauwen aangekeken, was opgestaan en haar poetswerk hervat. Toen de poetsbeurt er op zat en ze in de spiegel in het halletje haar gehavende gezicht zag, leken tranen in haar ogen te springen. Toen Otis haar uitliet vroeg ze met bibberende stem of hij het prachtige zinnetje nog eens wilde zingen.

Sinds de jampartij bij zijn vriend Brian Jones van nummer 104 had Otis Redding een grote wens, een eigen gitaar. Maar hij wist dat dit voorlopig een droom zou blijven. De bewoners van de eerste etage hadden een uitkering van honderd zilverlingen per maand en een beetje gitaar kostte gauw tweeduizend. Van de honderd zilverlingen legde hij er maandelijks tien opzij. Hij had reeds driehonderd bij elkaar vergaard. Toen Dietrich dit vernomen had, had zij het erg met hem te doen gehad en een plan gesmeed. Zodra ze thuis was, deed ze haar beste kleedje aan, en ging er op uit.

 

Aan de voorzijde van appartement 501 stond een gietijzeren tuinbankje met vrolijk gekleurde zitkussentjes. De hele etage straalde trouwens gezelligheid uit. Marlene Dietrich zou zich hier thuis voelen, zeker weten. Helemaal aan het einde van de galerij zag ze hoe jongeheer Vaslav van 506, gekleed in een gympakje, moeilijke oefeningen aan het uitvoeren was. Ze zwaaide naar hem. Hij zwaaide niet terug. Misschien zag hij haar niet of was hij te geconcentreerd met zijn oefeningen bezig. Plotseling ging hij op zijn handen staan. Ze schrok toen hij een dubbele salto maakte en even dacht ze dat hij over de balustrade zou belanden. Verder keek ze maar niet. Straks zou ze die kant oplopen en bij 504 naar binnen kijken, het appartement dat al geruime tijd leeg stond en waar ze dikwijls van droomde, want stel je toch eens voor… Dietrich op de vijfde!

Na enig aarzelen had ze aangeklopt op 501 bij Elvis de King. Zelfverzekerd wachtte ze af. Er moest iets gedaan worden om een gitaar te scoren, er moest iets georganiseerd worden. Elvis was een bekendheid in Johannesburg en omgeving. Als ze hem zou weten te strikken… De man met de kuif deed open met zijn beursje in de handen. Blijkbaar was hij in de veronderstelling dat zij aan het collecteren was. Hij keek haar vragend aan. Dietrich stond er om bekend om zo af en toe met een collectebus langs te komen of met een of andere intekenlijst. Nog niet zolang geleden had hij zijn handtekening gezet voor eventuele uitbreiding van de kleine appartementjes op de eerste. Ook deed ze haar best voor in nood verkerende purgatijnen. Jazeker, mevrouw Dietrich was ondanks haar hoge leeftijd een actief persoon.Er gingen geruchten dat zij te zijner tijd het voorzitterschap van het dagelijks bestuur van Mendelssohn van nummer 602 zou overnemen.

‘Wat kan ik voor u doen?’ vroeg Elvis vriendelijk terwijl hij nog steeds met geopende beurs in de aanslag stond. Marlene deed haar verhaal over Otis Redding en het gemis van een gitaar.. Misschien wilde meneer Presley meedoen aan een benefietconcert. Ze keek hem tijdens haar betoog haast smekend aan, maar aar gezicht betrok toen ze hem langzaam van nee zag schudden.

‘Kom laten we er even bij gaan zitten’, zei hij toen. Ze namen plaats op het tuinbankje. Daarna vertelde Elvis dat hij voorlopig niet meer zal optreden. Met horten en stoten vertelde hij over zijn laatste optreden in de puberwijk, een onderdeel van het Kinderparadijs in Voorstad Sint-Jacoba. Hoe dit optreden volledig uit de hand was gelopen. De jeugdige concertbezoekers hadden hem tijdens het zingen van enkele gospelsongs uitgefloten en uitgejouwd. Hij vertelde hoe agressief ze gereageerd hadden toen hij commentaar op hun gedrag had gehad. Niet eerder had hij zoiets meegemaakt. De pubers hadden hem dronken geleken. Om erger te voorkomen had hij er de brui aangegeven en het toneel verlaten. Later hoorde hij dat er rotzooi naar het podium was gegooid en vernielingen waren aangericht. ‘De aardigheid is er af’, zuchtte Elvis. Met zijn ellebogen op zijn knieën en het hoofd tussen de handen liet hij Marlene weten: ‘Nee, voorlopig geen optredens meer’. Marlene zuchtte spijtig met hem mee. Het was een bittere tegenvaller. De zanger was een hit in Johannesburg. Hij had flink wat publiek kunnen trekken. Ze luisterde naar het vervolg en vroeg zich ondertussen af wie ze zo al nog meer zou kunnen vragen. ‘Hartstikke dronken waren ze’, mopperde Elvis verder. ‘Onder de twaalf jaar geen alcohol, staat er overal. Laat me niet lachen. Zo vraag je om moeilijkheden. Het wordt tijd dat ze de leeftijdsgrens omhoog schroeven’. Marlene luisterde nauwelijks meer. Ze was gaan staan en vroeg zich af waar Vaslav was gebleven. Was hij door zijn kapriolen over boord gevlogen? Beneden zag ze de juffer van de wasserette lopen, de juffer waar het manvolk van de arti van slag was geraakt. Stik jaloers was ze op haar.

 

Zeker vijftienhonderd burgerzielen waren op het concert afgekomen, uiteraard ook artibewoners. Vrijwel de gehele eerste etage had op de voorste rij gezeten. Maar ook bewoners van hoger gelegen etages hadden hun neus laten zien, waaronder de beeldend kunstenaars Salvador Dali van nummer 404 en Andy Warhol van 207. De negerpianist Scott Joplin van 209 had speciaal voor deze avond een ragtime gecomponeerd onder de titel Guitar tango. Pablo Picasso van de achtste had een reuze decorstuk gemaakt, voorstellende een stilleven van een gitaar. Na afloop werd dit kunstwerk geveild en de tweehonderd zilverlingen opbrengst gingen naar Otis zijn gitaar.

Het was mevrouw Dietrich zelf die als zangeres de opening had verzorgd. Toen ze haar begeleider Kurt Weill van 505 aan de zaal had voorgesteld had er een hartelijk applaus geklonken. De pianist was zeer geliefd. De reden hiervan was dat hij tijdens de Purgatijnse opstand van een aantal jaren geleden twee vluchtelingen in zijn huis verscholen had gehouden. Het was in deze zelfde roerige tijd dat de purgatijnen Wigbert de barkeeper en huismeester Smit bij de artiflat hadden aangeklopt. Honderden purgatijnen waren het pijnbomenbos ingevlucht, waar zij een nederzetting hadden gesticht. Anderen hadden zich verspreid over de grote steden, waarvan Sint-Petrusburg het meeste in trek was.

La Dietrich had met haar hese baritonstem enkele van haar aardse successen gezongen, waaronder Lili Marlene, en La vie en rosé. Sjaak Brel van 301 had een prachtig chanson over het mooie heuvelland gezongen. Veel succes hadden ook de donkere zangeressen Bessie Smith van 407 en Billie Holiday van 203.

Een vervelend incident na haar optreden had plaatsgevonden toen Herr von Karajan van 110 was opgestaan en enthousiast  bravo bravo had geroepen. Niemand van de artibewoners had hem in de Koninkrijkzaal verwacht. Meestal liet Herr von Karajan verstek gaan tijdens bijzondere gebeurtenissen. Mevrouw Dietrich was duidelijk geschokt. Voor een ogenblik had ze hem geringschattend aangekeken. ‘Du Schwein!!’ had ze toen gesist. Voor een moment was het akelig stil geweest. Even leek het er op dat de avond verpest zou worden door politiek gedoe. Maar Herr von Karajan was zo verstandig geweest om niet op de uitval van Marlene Dietrich in te gaan. In plaats daarvan was hij opgestaan, had overdreven met de hakken geklakt en de zaal verlaten.

Na dit korte oponthoud was John Lennon op het toneel verschenen. Hij was de hoofdact van de avond. Vooral het lied Imagine oogstte veel bijval. Veel zielen kenden het lied, het werd dan ook van enthousiast meegezongen. Geheel onverwachts was Elvis de King op het toneel geklommen. Even was het stil in de Koninkrijk Zaal. Was hij het echt? ‘O my God’, had Marlene Dietrich geroepen, ‘O, my God!’ Hoe was dit mogelijk geweest! Een gejuich was losgebarsten. Als een soort Everly Brothers hadden de King en Lennon liedjes gezongen als The times they are a-changin’, Crying in the chapel, en Stairway to heaven. In een mum van tijd had de Koninkrijkszaal op haar kop gestaan. Verschillende, vooral jeugdige toehoorders, hadden staande op hun stoelen meegezongen. ‘We want more’, had een oververhitte Marlene Dietrch geroepen. Haar dag kon niet meer stuk. Een ander hoogtepunt van de avond was de loterij. Er zouden vijf toegangskaarten verloot worden voor de Dag des Heren. De Heiland zelf ontmoeten, wie wilde dit niet?

In lange tijd was het niet zo gezellig in de Koninkrijkszaal geweest. Maar het belangrijkste was dat Otis Redding een cheque kreeg aangeboden om zijn gitaar te kopen. Als dank had hij met betraande ogen en onder luid applaus het aardse lied Amen gezongen. Na afloop had hij zijn bezwete lichaam tegen Marlene aangedrukt en haar beloofd dat hij haar snel zou komen opzoeken.

Tegen middernacht had zich een sliert van artigangers in polonaise over de Boulevard Antonius op weg naar de artiflat begeven. En we gaan nog niet naar huis, nog lange niet nog lange niet… En zulke goeie hebben we nog niet gehad…


31 La Dietrich

EEN ACTRICE IN HET HIERNAMAALS

Mevrouw Dietrich van 107 was in het hiernamaals neergestreken in het jaar 1992 na de geboorte van onze Heiland. Zo op het eerste gezicht leek zij een hooghartige dame, doch als je haar beter leerde kennen kon ze uiterst charmant zijn, en, misschien wel belangrijker, zeer sociaal en behulpzaam! Het eigenaardige van deze hoogbejaarde dame -ze was de negentig reeds gepasseerd- was dat ze zich doorgaans in mannenkleren hulde. Hoge hoeden, lange broeken en driedelige herenkostuums hadden haar voorkeur. Voor een dame in het hiernamaals een absoluut ongebruikelijke outfit. Verwonderlijk was het dan ook niet dat mevrouw Dietrich door verschillende medebewoners met verwondering werd gadegeslagen.

Maar ook gewoon als vrouw wekte ze de aandacht. Op bijzondere dagen – in het hiernamaals barstte het van de feest- en hoogtijdagen – wandelde ze graag in lange rokken met aan één kant een reuze split, zodat een deel van haar kousenband zichtbaar was, terwijl haar gezicht bedekt was met sluiers of gaas. Een paar maanden geleden was ze doodleuk in een doorkijkbloes café de Nadorst binnen komen wandelen. Wigbert de barkeeper en kunstschilder Picasso hadden haar een compliment gegeven. Maar het merendeel van de bezoekers spraken er schande van. Nog erger werd het toen zij die avond, vlak voor sluitingstijd op de bar was gaan staan, sensueel met haar heupen had gewiegd en een opmerkelijk lied had gezongen Ik ben wulpse Lola, het liefje van elke man…

Een zeer merkwaardige tante, karakteriseerde een medebewoner haar eens. En zo was het ook. Want liep ze er de ene dag bij als een hoertje of manwijf, de andere dag kon je haar zien lopen in een bloemetjes jurk met een hoofddoekje om. Je had dan meer de indruk met een schoonmaakster te doen te hebben dan met La Dietrich zoals ze door sommige medebewoners werd genoemd.

Boze tongen beweerden dat mevrouw Dietrich een verschoppeling uit het purgatorium zou zijn geweest, maar zeker weten deed niemand dat. Men hield daarom wijselijk zijn mond. Bovendien had ze zich op de arti een bepaalde positie verworven en ging zij om met de elite van de flat. Men was voorzichtig met de dame van de eerste etage. Een aanvaring met haar kon nadelige gevolgen hebben. Je kon dat navragen aan Herr von Karajan van nummer 110.

In haar hart had Marlene Dietrich het nooit kunnen verkroppen dat de Heiland haar een plaatsje op de eerste had toebedeeld. Ze had zichzelf hoger ingeschat. Was ze op het aardse niet een diva geweest, een topactrice, de heldin van het witte doek? Had ze niet met haar bloedeigen zuster gebroken omdat deze Hitler gezind zou zijn geweest? En had ze haar vaderland Duitsland niet de rug toegekeerd tijdens het naziregime? Maar spoedig had ze het vermoeden dat haar op de artiflat een speciale taak was toebedeeld. Een boodschap van de Heer zelf. Zij had het gevoel dat Hij van haar verlangde dat zij een oogje in het zeil zou houden. Met dit vermoeden deed mevrouw Dietrich zeer haar best. Niets leek haar te veel. Stond zij het ene moment de eerste galerij te boenen, de ramen van haar buurtjes te poetsen, een goed gesprek te hebben met iemand die het in het hiernamaals even niet meer zag zitten, het andere moment was ze een welwillend en hartstochtelijk bedgenoot van bewoners van hoger gelegen etages.

Een feit was dat vrijwel alle bewoners van de eerste sympathie voor haar hadden, met uitzondering de eerder genoemde van Herr von Karajan van 110. Hoe vaak had ze hem niet in het bijzijn van medebewoners voor schut gezet door hem de Hitlergroet te brengen en hem voor SS’er uit te schelden. Maar, ook Otis Redding, de jonge negerzanger van het hoekappartement 111 ging haar min of meer uit de weg, maar dit had een geheel andere reden. Al was hij haar dankbaar voor het regelen van zijn gitaar.

Voor weinigen was het een verrassing dat Marlene werd aangesteld als blokhoofd van de eerste etage. Automatisch zat ze daarmee in het dagelijks bestuur van de flat. Intussen koesterde ze een stille hoop dat de Heiland haar op een dag zou belonen voor haar goede daden en haar één of meer verdiepingen zou promoveren. Ze wist dat er een appartement op de vijfde etage al geruime tijd leeg stond. Stel je toch eens voor dat ze daar zou komen te wonen. Zo af en toe nam ze de lift naar de vijfde en stond door de ramen te turen van 504 en fantaseerde reeds over de inrichting van deze reuze flat.

Maar zo ver was het nog niet. Ze moest eerst nog met zichzelf in het reine komen. Niet voor niets had ze geruime tijd in het purgatorium vertoefd. Een vernederende periode die zij zo snel mogelijk wilde vergeten. Na haar vrijlating had ze kaalgeschoren en in een donkerblauw werkmanpak mensonterend werk moeten doen, eerst als straatveegster bij de gemeentereiniging in Mozestown en later als poetsvrouw in de Dom van Sint-Petrusburg. Maar zij had dit alles als martelares doorstaan. Het was tenslotte Gods wil geweest. Soms vroeg ze zich af waar zij de goedertierenheid aan te danken had en waarom zij niet direct het hellevuur was in geknikkerd. Natuurlijk, zij was gedoopt geweest en dat scheelde een slok op een borrel. Bovendien was haar echte voornaam Maria Magdalena, dezelfde naam als de vriendin van Jezus, dus christelijker kon het niet. Op het aardse was zij zeer vermogend geweest en zover zij zich kon herinneren had menigeen daarvan een graantje mee gepikt. Goede doelen hadden altijd een beroep op haar kunnen doen. Of het nu het kankerfonds was of de plaatselijke brassband, niemand vertrok met lege handen. Dan was daar ook nog haar openlijke antipathie tegen Adolf Hitler en zijn schorem geweest. Stuk voor stuk zaken die toch voor haar pleitten.

Ondanks deze positieve kanten waren er tijdens haar proces ook negatieve naar boven gekomen. Zij was op het aardse behoorlijk te keer gegaan, zeg maar gerust dat ze de beest had uitgehangen. Behalve in films, waar ze vaak als meisje van lichte zeden had opgetreden, had ze zich buiten de sets eveneens als sletje gedragen. Ze was intiem geweest met zowel mannen als vrouwen. Doorgaans had ze een peloton minnaars bij haar in de buurt. Ook was ze een regelmatig bezoekster van lesbische bars en travestieten clubs. Ik vrij met iedereen die ik aantrekkelijk vind, was een bekende uitspraak van haar. Soms leek het dat ze dit in het hiernamaals wilde voortzetten.


32 Herr von Karajan

EEN OVERSPANNEN DIRIGENT

‘Langzaam, langzaam. Er staat immers Largo! Nee, nee, niet versnellen! Vasthouden dit tempo!’ Luid zong hij, onder heftige dirigeerbewegingen, de betreffende passage uit de ouverture Tannhäuser mee. Hij dirigeerde graag werken van Richard Wagner. Hij hield van deze componist. Hij hield van Germaanse verhalen. Als een bezetene stond hij daar in het midden van zijn kamertje in zijn kleine appartement op nummer 110. Zijn witte haren stonden alle kanten uit. Zijn voorhoofd was nat van het zweet. Het orkest volgde hem gedwee. ‘Legato!’ riep hij nu naar de contrabassen. ‘Bitte legato!’ Hij kende dit stuk als geen ander. Elke noot, elke tempo-aanduiding, elk dynamisch teken kende hij uit zijn hoofd. Een partituur had hij niet nodig. Honderden stukken zaten zo opgeslagen in zijn brein. Zeker tweehonderd jaar muziekliteratuur zat er in zijn hoofd. Von Karajan tikte af. ‘Genoeg voor vandaag, heren.’ Met een zakdoekje veegde hij het nat van zijn voorhoofd en stapte van het kistje dat dienstdeed als dirigentenbok. Zijn dagelijkse repetitie zat er op. Zeker een uur had hij met zijn orkest gerepeteerd. Het was goed gegaan. Hij was moe maar tevreden. Tijd voor een wandeling! Hij nam een glas water en hield zijn hoofd onder de kraan. Voor de spiegel in het halletje fatsoeneerde hij zijn haar en inspecteerde zijn tanden. Vervolgens opende hij voorzichtig de voordeur. Schichtig keek hij links en rechts om zich heen, al zou hij willen ontsnappen. Gelukkig, niets en niemand te bekennen. Aan het begin van de galerij stond er een steiger van de schilder die bezig was de flat een fris kleurtje te geven. Hij stak een sigaret op, sloot de voordeur en liep snel over de galerij, onder de steiger door, naar het trappenhuis.

Het moge duidelijk zijn: de vrijwel altijd somber gestemde dirigent Herr von Karajan van nummer 110 voelde zich allerminst op zijn gemak op de artiflat. Zijn vrienden, de heren Richard Strauss en Richard Wagner, beiden woonachtig in de kunstenaarsflat de Toren van Babel in Sint-Petrusburg had hij meerdere malen laten weten dat hij het op de arti wel gezien had en dat hij overplaatsing zou aanvragen. Ze moesten hem maar berichten als er bij hen een appartement leeg kwam te staan. De artiflat was zo langzamerhand een hel voor hem. Soms speelde hij met het idee om de Heiland herziening van zijn oordeel te vragen. Want dit was immers ook niets. Liever de fik er in, dan dagelijks door een stelletje snotapen vernederd te worden. Herr von Karajan, werd hij tegenwoordig genoemd. Enkele schoften schenen er zelfs lol in te hebben om hem met de Hitlergroet te tergen. Hij haatte het zootje hier. Ook had hij spijt dat hij ooit gesolliciteerd had als vaste dirigent bij het Johannes Philharmonic Orchestra. Ze hadden hem daar wegens gebrek aan ervaring afgewezen. Hij, de grote Von Karajan had te weinig ervaring! Het was toch helemaal om je kapot te lachen.

Hier woonde de grote Von Karajan dus, Der Chef zoals hij ooit op de aardkloot genoemd werd. Hier, op de laagste etage van een zogenaamde kunstenaarsflat in het hiernamaals. Dit miezerige plekje had de Heiland hem toebedeeld. Waar had hij deze lage positie aan te danken? Ja, ja, hij had zeker een idee. Zijn laatste sacramenten had hij niet tot zich genomen. Maar hij was godverdomme wel gedoopt geweest en als kind een rooms-katholieke opvoeding genoten. Dit laatste zou best eens een reden geweest kunnen zijn dat hij tot de uitverkorenen was gaan behoren. Of was het misschien zijn naziverleden dat hem op deze lage stek had doen belanden? Nou, in ieder geval bedankt Jezus van Nazareth. Wat was het hem allemaal tegengevallen! Als hij nog sterveling geweest zou zijn, had hij het wel geweten, de gaskraan open en wegwezen!

Maar dit soort zaken stonden hier niet op het programma. Je was hier tot de eeuwigheid gedoemd. In wezen had hij tot de top moeten behoren en zeker een plaats verdiend in een appartement op één van de hoger gelegen verdiepingen. Soms vroeg hij zich af, hoe het zou zijn als de Führer het hier voor het zeggen had gehad. Voor Von Karajan stond het als een paal boven water dat deze eerst het vuilnis er uit geflikkerd zou hebben. Huppikee, zo over de balustrade, of desnoods met een wagon naar het hellevuur, de oven in met het gespuis. En voor de grote Herr von Karajan zou de Führer een plaatsje in de hogere regionen gereserveerd hebben. Of misschien wel in Sint-Petrusburg in de Toren van Babel, in de buurt van zijn vrienden Richard Strauss en Richard Wagner.

Nee, het viel hem bar tegen van God. Had hij misschien niet zo veel op met cultuur? Hij had hier toch een kunstenaarsflat opgericht? Wist hij wel hoeveel Von Karajan aan kunst had gedaan door honderden stukken muziek onder de mensheid te brengen? Kunst verbroedert, dat wist toch de grootste boerenlul. Was hij het niet geweest die de grote Ludwig van Beethoven wonende op de hoogste etage beroemd had gemaakt! Had hij niet met heel zijn ziel en zaligheid de gehele batterij Beethoven symfonieën op de grammofoonplaat vastgelegd. En wat te denken van de zeer moeilijke symfonieën van doctor Anton Bruckner, die hier op 601 zijn plaats had gekregen. Had hij niet de werken van al het muzikaals dat boven hem huisde met zijn Berliner Philharmoniker op het aardrijk beroemd gemaakt? Wat zou er van de muziekstukken van medebewoners als Mozart, Bach, Schubert, Schumann, Mendelssohn, Sjostakovitsj en Mahler terecht zijn gekomen als hij, de grote Von Karajan er zich niet mee had bemoeid? En zo zou Der Chef nog wel even door kunnen gaan.

Maar God had zeker zijn oren dicht gehad. God speelde vast en zeker geen muziekinstrument. Ja, misschien een harpje, maar dat kan m’n zuster ook. De rillingen liepen Karajan nog over het lijf als hij terugdacht aan het benefietconcert van zijn buurman, de zwarte Otis Redding van nummer 112. Hoe hij door de ouwe tang Dietrich van 107 an publiek voor schut was gezet, de landverraadster, de vuile hoer… Gelukkig was het minderwaardig volk geweest, volk van de straat zo gezegd. De kopstukken waren wijselijk thuis gebleven. Hoe had hij ook zo stom kunnen zijn om acte de préséance te geven.

De ongelukkige dirigent had er schoon genoeg van. Hij zou nu eindelijk eens overplaatsing aanvragen naar de Toren van Babel. De formulieren waren reeds in zijn bezit. Vanmiddag zou hij ze invullen en opsturen naar burgemeester mevrouw moeder Teresa. De knoop moest nu eindelijk eens doorgehakt worden. Beneden in de hal kwam hij kliederaar Lautrec tegen. Hij wachtte het korte knikje dat hij als begroeting schonk niet af en liep regelrecht naar de deur die toegang gaf tot het terras aan de achterzijde van de flat. Het heuvelland lag voor hem. Terwijl hij de deur opende, kwam er wild keffend in volle ren een wit hondje op hem afgestoven. ‘Rot op!’ siste hij naar het hondje. Huismeester Smit floot het beestje naar zich toe en riep een excuus naar de overspannen dirigent.


33 In de lift gebraakt

EEN ZIEKE SJOSTAKOVITSJ

Sjors had in de lift gebraakt. Ze waren zojuist de lift binnengestapt, de zieke Dmitri Sjostakovitsj, Marie Monroe en Frank Zappa. Het was half zeven in de avond.

´Ik bied u mijn oprechte verontschuldigingen aan,´ kermde de ongelukkige componist, terwijl hij naar de roze prak op de vloer staarde. Zappa probeerde zijn gezicht af te wenden. Zijn ogen bleven rusten op het witte plooirokje van juffrouw Monroe. Hij fantaseerde over de kleur en stof van haar slipje. Maar ondanks deze lieflijke gedachten moest hij bijna ook braken.

´Ik ga b-bijna over m’n nek, ´zei juffrouw Monroe. Ze trok een vies gezicht. En toen ze zag dat ook zijn aktetasje besmeurd was, stotterde ze tegen de componist: ´U heeft ook over uw t-tas gekotst.´

´Wat een toestand,´ antwoordde deze hoofdschuddend. Dat Sjostakovitsj zich ongemakkelijk voelde was goed te zien. Hij veegde met zijn mouw zijn aktetasje schoon en vervolgens zijn mouw aan zijn broek. De liftdeur klapte dicht. De kleine ruimte was nu geheel gevuld met een zure lucht.

´Waar moet u er uit?´ vroeg Frank met zijn vinger bij de knoppen.

´Op z-zeven,´ antwoordde juffrouw Monroe. Sjostakovitsj knikte. Hij keek Frank een beetje glazig aan. Hij had de man hier niet eerder gezien. ´Ik woon op 701,´ zei hij. Ondanks zijn toestand klonk er in zijn woorden een zekere trots. Vanaf het moment dat de lift zich in beweging zette, werd er niet meer gesproken. Sjostakovitsj staarde naar de vloer en Frank Zappa naar het witte plooirokje. Juffrouw Monroe hield haar ogen gesloten. Op de zevende aangekomen haalden alle drie opgelucht adem. ´We zijn er,´ zuchtte juffrouw Monroe.’ Ze maakte een wegwerp gebaar en gooide de liftdeur met een smak dicht.

´Kom,´ zei Sjostakovitsj, terwijl ze de galerij opliepen, ´dan bied ik u iets te drinken aan.´

´D-die is gek,´ zei juffrouw Monroe tegen Frank Zappa. ´Wij brengen u tot aan de d-deur en dan moet u het zelf verder maar uitzoeken,´ zei ze streng. ´Maar als ik u was zou ik m-maar mooi slapie slapie gaan doen.´ Sjostakovitsj haalde zijn schouders op. ‘Het wordt niks, het wordt niks,’ kermde hij plotseling. ‘Wat wordt er niks?’ wilde juffrouw Monroe weten.

‘Mijn symfonie, mijn Welkomstsymfonie.’

‘U moet ook niet zoveel d-drinken.’

‘ Wie bent U?’ Hij wende zich nu tot Frank.

‘Mijn naam is Zappa, Frank Zappa.’ Ik ben hier nieuw.

‘Welkom aan boord, lieve jongen.’ Hij opende de deur van zijn appartement. ´Nogmaals mijn excuses,´ riep hij het tweetal na toen ze terug naar de lift liepen. De lift liet op zich wachten.Ongeduldig klopte juffrouw Monroe op de deur.

‘God, wat duurt dat lang. Het lijkt wel of ze de b-bijbel aan het lezen zijn’, zei ze. ‘Laten we de trap nemen,´ stelde ze voor. Zonder Zappa’s antwoord af te wachten opende ze de deur naar het trap­penhuis. Ze liepen naar beneden. Frank als eerste, Marie een paar treden boven hem. ´Hier woont de K-king,´ zei Marie Monroe toen ze op de vijfde waren.

´U bedoelt Elvis Presley?´ vroeg Frank verwonderd.

´Ja, op 501. Naast Charlie.´

´Charlie wie?´

´Charlie Chaplin. Een te gekke k-kerel.´ Ze liepen door naar de vierde. ´Goed voor de lijn dat t-trappen lopen,´ zei juffrouw Monroe.

´En welke grootheden wonen er op vier?´

´Op 401 de zwarte t-trompetspeler, Louis Armstrong en naast hem op 402 de nieuweling John Lennon. En op 403…´ Ze aarzelde. ´Ik geloof één of andere k-kunstschilder. En voor de rest weet ik het niet meer. Ik heb vandaag ook al een p-paar n-neutjes op. Normaal kan ik alle n-namen van de etages opdreunen. Ooit heb ik ze in mijn hoofd gestampt, zoals vroeger op school de t-tafels.’ Ze passeerden de derde etage. Frank durfde niets meer te vragen. Het werd hem een beetje te veel. John Lennon, Charlie Chaplin, Elvis… Juffrouw Monroe trippelde door. Bij de eerste verdieping aangekomen zei ze hijgend:

´En hier woont mijn p-persoontje.´ Ze stonden even stil. Hoopvol keek Frank haar aan. Zou ze hem uitnodigen? Zal ik hem vragen voor een kopje koffie, dacht juffrouw Monroe. Ze keek hem glimlachend aan, een beetje verleidelijk zelfs. Frank glimlachte terug. Hij pakte haar hand. Marie Monroe kleurde als een schoolmeisje. ´Kom, laten we nog een afzakkertje b-bij de Nadorst gaan halen,´ zei ze.

´Ja, dat is goed,´ zei Frank niet al te overtuigend. Hij liet haar hand los. Toen ze zich weer in de hal op de begane grond bevonden, stonden Wolf von Goethe van 902 en huismeester Gerrit Smit bij de liftingang. De liftdeur stond open. Lodewijk het witte hondje was de enige aanwezige in de lift. Hij besnuffelde de vloer.

´Wat voor soort mensen hier tegenwoordig komt wonen weet ik niet,´ riep Wolf von Goethe met luide stem. ´Veel soeps kan het niet zijn.´ De huismeester knikte.

´Is er iets heren?´ vroeg juffrouw Monroe.

´Kijkt u maar,´ zei de huismeester. Hij wees in de lift.

´G-gedverdemme!!´ riep ze overdreven. ´Wie flikt nou zoiets?´ Ze deed demonstratief een stap achteruit.

´Als we dat wisten, stonden we hier niet,´ zuchtte de huismeester. Wolf von Goethe keek de twee minachtend aan. Daar staat het soort dat hier de sfeer vergalt, was er in zijn ogen te lezen. Toen wendde hij zich wederom tot de huismeester en commandeerde: ´Ik reken er op dat de lift over een uurtje gereinigd is!´ En zonder verder iemand aan te kijken verdween hij door de hoofdin­gang. De huismeester schudde mistroostig zijn hoofd en slenterde naar het bezemhok.

´Het wordt met de dag gekker,´ mopperde Gerrit Smit, terwijl hij een emmer met water vulde. ´Er wordt je hier geen rust gegund. Zelfs in de avonduren ben je nog bezig. Omdat er zo nodig één of andere gek zijn gal wilde spuwen. En juist in de lift. Waarom niet buiten? Zoiets voel je toch aankomen! Klaar ben je met dat ongespuis!´ De huismeester liep naar de lift en opende de deur. ´Behhh,´ riep hij ergerlijk. ´Wat een stank! Als er een greintje fatsoen in je zit, ruim je dat toch zelf op en laat je dat niet een medebewoner doen.´ Hij mopperde tegen Lodewijk zijn hondje, dat languit op de marmeren ­vloer in de hal lag. Enige tijd staarde Gerrit Smit naar de roze plak in de lift. Toen slaakte hij een diepe zucht en stroop­te zijn mouwen op. Daarna bond hij de dweil onder de bezem en doopte deze in de emmer. Vol afgrijzen deed hij zijn werk. Here-me-ziele, wat had hij de pest aan dit soort klusjes. Het deed hem denken aan de aardkloot, waar hij loodgieter geweest was en bij tijd en wijlen ook van die klote klusjes had moeten opknappen, zoals het schoonmaken van ver­stopte wc’s en het doorsteken van rioolbuizen. Hoe vaak had hij niet tot aan zijn ellebogen in andermans stront zitten te roeren.

Huismeester Smit schrok op uit zijn gepeins door een heftig gebonk van boven. Hij keek omhoog. Het kwam van de vierde of vijfde. ´Buiten gebruik!!!´ riep hij zo luid als hij kon. Lodewijk maakte van schrik een luchtsprong en begon vervolgens als een bezetene zijn baas uit te keffen. ´Houd jij ook je smoel!´ schold de huismeester geïrriteerd.


34 Rimpels en plooien

DIETRICH OP VRIJERSVOETEN 

Marlene Dietrich liep van de ene spiegel naar de andere. Ze struikelde over kleding en schoeisel dat links en rechts ongeordend over de plankenvloer verspreid lag. Broeken, jurken, sjaals, laarzen en schoenen en wat al niet meer. Het was vol in haar kamertje op nummer 107. Nu stond ze voor de grote spiegel in het halletje. Ze draaide en draaide. Ze kon in de hal haar kont nauwelijks keren. Ze had haar lange blauwe jurk met split aan. Haar lievelingsjurk, haar jurk voor speciale gelegenheden. Haar haar zat nog voor geen meter. Het kostte zeker een half uur om het een beetje in fatsoen te krijgen. Ze trok de meest wonderbaarlijke gezichten. ‘Oh my God!’ riep ze uit. ‘ Moet je toch eens zien! Wat een afschuwelijke rimpels!’ Het leek wel met de dag erger te worden. Ze was blij dat ze de afspraak had gemaakt met dermatologie in het Lukas. Morgen dus. Hoeveel tijd had ze nog? Haar schoenen uitschoppend struikelde ze haar woonkamertje in.

D’r haar, jezus, d’r haar. Had ze nu maar iemand die haar helpen kon. Even lekker ontspannend met de ogen dicht, terwijl er iemand op jouw commando je kapsel in orde brengt. Sigaretje in de brand en keuvelen over het nieuws, de laatste films, laatste vriendje, concerten, politiek, het weer… ‘Hoe vind je het zo, Marlene?’… ‘Ik zou het liever wat meer springerig zien.’… ‘Okee, u vraagt, wij draaien…’ Maar nu stond ze er alleen voor. In het hiernamaals had ze geen personeel dat haar huis aan kant hield, haar een kopje thee op bed bracht, haar de ochtendkrant bracht, haar kleedde en haar opmaakte. Nog een uur gelukkig, zag ze op het klokje dat op het ladekastje stond. Waar lagen haar sigaretten? Ze had zin in een peuk, ze moest roken, even diep inhaleren. Ze vulde haar pijpje met een sigaret en bleef voor een moment wezenloos voor zich uit staren. Daarna liet ze zich met een zucht zakken in haar bloemetjesstoel, haar lievelingsstoel, de stoel waar ze doorgaans in zat te mijmeren.

Wat wilde ze toch van die man, waarom maakte ze zich zo druk? Beneden op het aardse zouden ze haar uitgelachen hebben. Kijk eens wat Dietrich aan de haak heeft geslagen, een neger in een trainingsbroek. Ja, ja, een leuk exemplaar, maar totaal ongeschikt voor La Dietrich. Hij zou haar kleinzoon kunnen zijn. Het is om je kapot te lachen. Was de blauwe jurk die ze nu aanhad niet te sjiek voor een afspraakje binnenshuis, bedacht ze zich nu. Zou ze toch niet liever een rokje aandoen, of haar lange slobberbroek. Godverdomme wat een toestand, waarom kon ze niet beslissen? Ze schudde haar hoofd en stak haar verse sigaret in de brand. Ze zuchtte en inhaleerde.

Haar afspraakje met de bruine zanger van 111 op de hoek, de mooie verlegen jongen, zou zo direct aan de deur staan. Otis, heette hij. Kriebels in haar buik en dat op haar leeftijd. Hij zou haar zijn nieuwe gitaar laten zien. Misschien had hij ook wel een liedje voor haar ingestudeerd. Ze zag hem daar voor aan. Maar wat Marlene betrof zou hij zijn gitaar direct bij binnenkomst aan de kapstok mogen hangen. Ze wist intussen wel hoe een gitaar er uitzag. Ze keek naar boven, naar de vide, waar haar bedje klaarstond. Zou het haar lukken hem de trap op te krijgen? Er schoot haar een stoute gedachte door haar hoofd. Zou ze haar slipje onder haar lange blauwe jurk uitlaten? Zou ze dat jongetje eens verrassen? Zulke dingen had ze op het aardse dikwijls gedaan. Gewoon even lekker de ondeugende meid uithangen.

Terwijl ze in haar bloemetjesstoel zat te roken kwamen herinneringen naar boven. Ze zag zichzelf als een mooi jong meisje op de muziekhogeschool. Ze speelde piano en vree met haar leraar. Ze speelde viool en vree met haar lerares. Later op de theaterschool deed ze het met een ieder die lief voor haar was. Slipje aan, slipje uit en soms bleef het slipje uit. Met de blote billen over straat, met de blote billen op toneel. Sjansen, lonken en vrijen werd buiten acteren haar hobby, een levensbehoefte. God nog aan toe wat een tijd, en wat was ze tekeer gegaan.

Plotseling stond ze op, doofde haar sigaret en liep lusteloos naar het keukentje. Op het aanrecht lagen haar make-up spullen. Ze trok grimassen voor het wandspiegeltje en trok aan de plooien in haar wangen. Ze kon wel janken. Moet je toch eens zien. Ze leek wel een oud wijf. Ze moest om haar eigen gedachten lachen. Ze was immers een oud wijf. Een wijf van eenennegentig. En oude wijven hebben wallen, plooien, deuken en overal bruine vlekken, en soms ook nog een luier om. Haar nek was een landkaart. Waar was haar schoonheid gebleven? Ze poederde haar gezicht en tuurde naar de kwabben in haar nek. Daar moet absoluut een sjaal om liefje, gebood ze zichzelf. Hoe kreeg ze in godsnaam die klote rimpels weg, mopperde ze. Poederen heeft geen zin. Ze zou het beter kunnen plamuren.

Nu niet zeiken Marleentje, sprak ze hardop. Morgen ga je met het busje mee, weet je wel? Fijn op reis naar Sint-Petrusburg, naar het Lukas. En trouwens, zou zo’n negerjongetje het wel in de gaten hebben dat ze een hier en daar plooitje had? In ieder geval niet te veel lichten aan, waarschuwde ze zich zelf. O god, die haartjes! Ze krabbelde aan haar kin. Waar is mijn pincet? Hoeveel tijd heb ik nog?


35 I’ve got dreams

Klokslag zeven uur die avond klopte Otis Redding van nummer 111 bij Marlene Dietrich op de deur van nummer 107. Hij stond er niet van harte. Hij stond daar zelfs met knikkende knieën. Maar goed, hij moest doorzetten. Hij had het haar beloofd. Zij was tenslotte de organisator geweest van het benefietconcert. Aan haar had hij zijn gitaar te danken. Hij hoopte dat het allemaal mee zou vallen en dat zijn bezoek niet te lang zou duren. Hij had namelijk het idee dat mevrouw Dietrich iets van hem wilde, iets intiems, iets waaraan hij eigenlijk niet wilde denken. Toen de deur geopend werd keek hij op zijn horloge in plaats van naar zijn buurvrouw. Zijn gitaar rustte op zijn schouder, gelijk een jager zijn geweer vasthoudt.

‘Je bent mooi op tijd, liefje.’ Ze was tevoorschijn gekomen in een lange blauwe jurk. Om haar nek droeg ze een zijden sjaal. Haar ogen waren pikzwart geverfd. Otis schrok er van. Zij leek nog ouder dan zijn grootmama. ‘ Dag mevrouw… eh, dag Marlene.’

‘Punctueel ben jij, punctueel,’ zei Marlene spottend terwijl ze op haar horloge klopte en hem daarna van top tot teen opnam. De jonge neger die voor haar stond was gekleed in een vuurrood trainingspak. Zijn blote voeten staken in badstoffen slippers. Daar doe ik nu zo mijn best voor, dacht Marlene. ‘Tijd is tijd,’ lachte Otis verlegen.

‘Kom binnen liefje, fijn dat je er bent.’

‘Ik vind het ook wel leuk,’ antwoordde Otis zonder veel overtuiging. Hij liep langs zijn buurvrouw de woning binnen. Ondanks dat hij voor het eerst in het huisje aanwezig was, keek hij niet op of om. Hij kende de ruimtes. De indeling van de appartementjes op de eerste was overal gelijk: piepklein halletje, woonkamer met open trap naar vide, open keukentje, douche en toilet. ‘Dit is hem dan,’ zei Otis. Hij legde zijn gitaar voorzichtig, al zou het om een zeer breekbaar exemplaar gaan, neer op het aanrecht.

‘Wat een mooie,’ riep Marlene overdreven enthousiast. Ze klapte in haar handen. Vervolgens gleed haar hand over de hals van het instrument. Ze tokkelde de snaren. ‘ Heel mooi,’ herhaalde ze. Otis zag bruine vlekken op haar gerimpelde handen. Ze moest wel verrekte oud zijn. ‘Speel eens wat, liefje,’ vroeg Marlene. Maar ze had al direct spijt van haar vraag. Ze had het instrument nu wel gezien. Ze wilde actie. Ze had haar zinnen gezet op dit jongetje. Nu wilde zo snel mogelijk resultaat. Ze stak een sigaret op. Haar handen beefden.

‘Wilt u iets horen?’ vroeg Otis, terwijl hij het instrument liefdevol in zijn handen nam. ‘Misschien iets voor de Messias. Weet u, ik ben een lied aan het componeren voor de Dag des Heren,’ vertelde hij plotseling heel enthousiast. ‘Ik zal u alvast een paar zinnetjes voorzingen. Het is nog niet af. Ik weet ook niet of het wel op tijd klaarkomt. Want wie weet komt Hij spoedig.’ Voor het eerst keek hij zijn weldoenster recht in de ogen.

‘Als een dief in de nacht,’ zei Marlene een beetje plechtig.

‘Ja, als een dief in de nacht,’ bevestigde Otis. En hij sloeg willekeurig een paar akkoorden aan. Toen begon hij voorzichtig te zingen:

My sweet Lord, thank you for coming.

My sweet Lord, I wish you good times in our city…

Dit is het begin,’ zei Otis verlegen. ‘Nog maar het begin.’

‘Dat klinkt al heel aardig, liefje,’ zei Marlene. Otis zocht naar het vervolg van zijn lied. Hij murmelde zachtjes een onverstaanbare tekst en probeerde een aantal akkoorden. Hij vond trouwens dat zijn buurvrouw hem vervelend zat te observeren. ‘Ga maar door, ik luister,’ zei Marlene. Uit een aanrechtkastje haalde ze twee glazen tevoorschijn. Otis gehoorzaamde en ging door. ‘Dat wordt vast en zeker een mooi lied, beste vriend,’ zei Marlene. Terwijl ze hem nog steeds aan zat te gapen, klokte ze twee glazen champagne vol. ‘Doe mij een plezier,’ vervolgde ze, ‘zing nog eens een stukje van je droom. Je weet wel.’ Gehoorzaam stopte Otis met zijn lied in wording en zong zijn lied I’ve got dreams to remember. Hij zong dit met zoveel overgave dat het leek alsof mevrouw Dietrich er geëmotioneerd van werd. Ze neuriede het lied voorzichtig mee. Ze had het hem nu al een aantal keren horen zingen en eerlijk is eerlijk, ze vond het een prachtig lied. Nog mooier vond ze hoe hij daar tegen het aanrecht stond aangeleund. Ze vond hem een heel aantrekkelijke jongen. Jammer dat hij geen sjoege had van hoe hij zich moest kleden. Want god-nog-aan-toe, wat een outfit! Toen Otis zijn lied had gezongen klapte Marlene in haar handen. ‘Bravo liefje, bravo!’ Vervolgens reikte zij hem een glas aan. Laten we toasten op onze vriendschap. Otis legde zijn gitaar op het aanrecht en nam het glas aan.

‘Mmmm,’ zei Otis. Hij nam een veel te grote slok van zijn champagne.

‘Fijn dat je er bent, liefje,’ zanikte Marlene door. Ze stond nu pal voor de jonge verlegen zanger. Otis knikte en boog zijn hoofd. Wat moet dat mens van mij, dacht hij. Ik wil dit helemaal niet. ‘Zo, en dan gaan we nu iets anders doen,’ onderbrak Marlene zijn gedachten. Otis trok vragend zijn wenkbrauwen op. ‘Laten we naar boven gaan om nog wat te zingen,’ stelde Marlene voor. Ze knikte naar de trap en legde een hand op zijn heup welke zij vervolgens begon te strelen. Otis schrok en ontstak in innerlijke woede. Onder de liefkozing van zijn bejaarde buurvrouw verkrampte hij en probeerde haar van zich af te houden. Wat dacht dat mens wel van hem. Waar haalde ze het lef vandaan. Je kon wel zien dat het niet veel soeps was, een mens van de straat, een ordinair wezen. De roddels op de arti waren dus terecht. Zijn buurvrouw was een sloerie! Maar wat moest hij nu met haar? Als hij hier zo bleef staan, zou ze vast en zeker tegen hem aan gaan staan leunen. Plotseling moest hij denken aan juffrouw Annette. Duizend keer liever had hij haar. De mooie vrouw zonder spoortje make-up, zonder rimpels en bruine vlekken. Mooi van zichzelf. De goedlachse vrouw met haar roodachtige haren. Haar grijsgroene ogen en roze lippen. Haar zachte stem en haar bijna atletische figuur. Plotseling besefte hij dat hij van deze vrouw hield. Waar was zij nu, kon zij hem niet helpen en hem ontzetten van deze feeks? Terwijl Marlene hem steviger vasthield, dacht hij aan haar. Als hij nu los kon komen zou hij naar haar toe rennen en haar zijn liefde verklaren. Hij zou op de Dag des Heren aan de Heiland vragen of hij zijn zegeningen over hen zou willen geven. Ja dat zou hij doen. Kaartjes voor de Grote dag had hij reeds op zak. Nu alleen nog de audiëntie.

‘Ik heb dit liever niet.’ Otis schrok van zijn eigen strenge stem. Ze liet hem direct los.

‘Maar je vindt me toch wel aardig?’ vroeg ze.

‘Natuurlijk vind ik u aardig,’ antwoordde Otis opgelucht. ‘Wat u allemaal voor mij gedaan hebt.’ Hij zuchtte, keek naar zijn gitaar en tokkelde luk raak enkele snaren.

‘Ja, dat weten we nu wel,’ zei ze ongeduldig. ‘Maar ik bedoel, vind je me als vrouw ook aardig?’ Otis trok niet begrijpend zijn wenkbrauwen op.

‘Als vrouw?’

‘Ja, als vrouw,’ antwoordde Marlene kribbig. ‘Mijn god wat duurt dit toch allemaal lang,’ mompelde ze, zonder dat Otis het verstond omdat zij naar de woonkamer liep en terugkwam met een sigaret. Ze ging vervolgens voor hem staan en blies de rook recht in zijn gezicht. Ze schraapte haar keel en zei gedecideerd: ‘Ja, als vrouw. Hoe vind je mij als vrouw, is dat zo’n stomme vraag? En hou nu eens eindelijk op met dat u. Ik ben jij, weet je wel.’ Het leek warempel alsof ze kwaad was.

‘Ik bedoel, ik vind je aardig,’ hakkelde Otis. ‘Je hebt me tenslotte een gitaar bezorgd.’

‘Godverdomme, godverdomme,’ onderbrak Marlene hem. ‘Je begrijpt er geen zak van. Laten we er over op houden, dit heeft geen zin. Het spijt me, lieve jongen. Pak je gitaar en sodemieter op. Ik heb er geen zin meer in.’ Toen ze de deur dicht had dichtgeslagen bleef Marlene voor een moment onthutst in haar halletje staan. Zij zag zichzelf in de grote spiegel en schrok van haar beeld. Daar stond zij, als aan de grond genageld. Een oud wijf die zo nodig een jongeling aan de haak had willen slaan. Tranen vermengd met zwarte oogmake-up biggelden over haar wangen. Wezenloos schuifelde ze naar haar bloemetjesstoel in de woonkamer. Gek genoeg had ze niet eens trek in een sigaret of glas champagne. Zo bleef ze nog geruime tijd zitten, starend voor zich uit, starend in het niets. Plotseling stond ze op, rechtte haar rug, vulde haar sigarettenpijpje en schonk zich met bevende handen een glas champagne in.


36 Monroe & Zappa

EEN AVOND IN DE NADORST

‘En?’ vroeg Wig.

‘Als het goed is ligt-ie onder de w-wol, antwoordde juffrouw Monroe.

‘Hij kan niet zo goed tegen zoveel biertjes,’ zei Wig. Hij schudde met zijn hoofd. Juffrouw Monroe hees zich op de kruk naast Vincent van Gogh. Daarna klapte ze een paar keer met haar vlakke hand op het rode leer van de lege barkruk naast haar en gaf Frank Zappa een knikje om daar te gaan zitten.

‘K-kom lekker bij me zitten,’ fluisterde ze.

‘Wat u wenst, mooie vrouw,’ fluisterde hij terug. Een warm gevoel bekroop hem, of liever, een geil gevoel. Toen hij op zijn kruk klom streelde hij de zijkant van haar borst. Ze beantwoordde zijn aanraking met een knipoog. Picasso, die even verderop zat, stak zijn duim omhoog naar Frank. ‘Hoog b-bezoek vandaag,’ zei juffrouw Monroe tegen Wig. Deze knikte. Ze keken richting biljart. Aan het tafeltje van meneer J.S. en Frederik Händel had de oude heer Wolf von Goethe van nummer 902 plaatsgenomen. Gedrieën volgden ze de bil­jartver­richtingen van Amadeo van 904. De ballenjongen, een bijnaam die hij te danken had aan zijn liefde voor het biljartspel en het kegelen, moet ooit een belangrijk persoon geweest zijn. Je hebt niet zomaar een penthouse op de artiflat verdiend. Daar hoort een kaartje aan te hangen. Het gebeurde niet veel, maar het merendeel van de bovenste etage, de crème de la crème van de arti zat op dit moment in de Nadorst. Alleen meneer Ludwig ontbrak, maar die zag je nooit in het café, die zocht meestal zijn heil in de vrije natuur, in het wijde heuvelland achter de flat. Van Gogh zat met gebogen hoofd in zijn glas te turen. Het was zijn zesde glas. Behalve het kreukeltje in zijn ene oor, dat was wit gebleven, had hij een kleur tot diep in zijn nek.

‘Hij heeft in d-de lift gekotst, zei juffrouw Monroe, terwijl ze een sigaret opstak. Wig bestudeerde haar borsten.

‘Wie heeft er in de lift gekotst?’ wilde Picasso weten.

‘Sjors,’ antwoordde juffrouw Monroe.

Picasso schoot in de lach. ‘Dat zal Smit leuk vinden,’ zei hij.

‘Volgens mij is de heer Sjostakovitsj de laatste tijd een beetje in de war,’ zei Van Gogh met dubbele tong, nadat hij zich moeizaam had opgericht.

‘Wat heet een b-beetje,’ antwoordde juffrouw Monroe. Ze keek in de wateri­ge ogen van haar buurman. Die heeft hem ook al flink zitten, dacht ze bij zich zelf. Frank zweeg. Hij staarde naar de knieën van zijn buurvrouw.

‘Droom je?’ vroeg juffrouw Monroe plotseling.

‘Nee, nee, nee,’ lachte hij. Hij aaide over haar rug.

‘Waar denk je aan, stoute jongen?’

‘Aan jou,’ antwoordde Frank, terwijl hij een hand op haar dijbeen legde.

‘Geef de heren nog wat van mij,’ zei juffrouw Monroe. Ze maakte met haar wijsvinger een korte beweging langs haar buren, de heren Vincent van Gogh, zijn vriend Lautrec, Picasso en haar kersverse vriend Frank Zappa.

Half tien. Frank Zappa leunde met zijn rechterarm op de schou­der van Marie Monroe. Met zijn linkerhand dronk hij van zijn bier, hetgeen hem allang niet meer smaakte. Drie glazen stonden er voor hem. Eén verse met nog wat schuim en twee glazen zo goed als dood. Hij was moe van het gehang aan de bar. Hoeveel had hij er al op? Hij had geen idee. Maar hij mocht niet dronken worden. Hij had zin in de nacht. Zin in een bed. Zin in Marie. Hij wilde haar naar huis brengen, door haar uitgenodigd worden. Hij wilde haar rode mond kussen, haar borsten en billen strelen. Al geruime tijd zat hij met een erectie. Hij moest hoe dan ook fit blijven. Hij moest met een heldere kop genie­ten van de dingen die zouden gaan komen. Waarom stapten ze niet op? Er viel toch niets meer te bele­ven. Hij keek naar zijn buurvrouw. Ze dronk kleine glaasjes jenever. Het verwonderde hem dat ze nog zo helder uit haar ogen keek. Aan niets was te merken dat ze er al een flink aantal achter haar kiezen had. Waarom fluisterde ze niet dat ze moe was en dat ze liever naar huis ging. Waarom vroeg ze hem niet om bij haar thuis nog een afzakkertje te nemen? Het was toch aan alles te merken dat zij hem wel zag zitten?

Marie Monroe was in gesprek met Wig. Ze hadden het over de komst van de Messias. Eerdaags zou hij Johannesburg aan doen. Wanneer wist niemand. Hij zou komen als een dief in de nacht. Frank vond het best. Hij luisterde maar half. Soms streelde juffrouw Monroe Zappa’s hand en soms schonk ze hem een liefdevolle glimlach. Gek, dacht Zappa, ik heb het idee dat ik hier al eeuwen woon, het zijn er slechts een paar uur. Vincent van Gogh zat te knikkebollen. Voor hem stonden twee volle glazen rode wijn, zijn zesde en zevende glas. Soms raakte zijn voorhoofd de rand van de bar, zodat hij op schrok en verward om zich heen keek. Telkens als hij wakker schrok keek hij op zijn horloge, schudde zijn hoofd en mompelde onverstaan­baarhe­den. Daarna knikkebolde hij wederom in slaap. Om even over half tien kwam mevrouw Alma Mahler van 305 de Nadorst binnen. Een ogenblikje, al zou ze twijfelen om verder te komen, keek ze in het rond. De hoge heren aan het tafeltje bij het biljart staakten ogenblikkelijk hun gesprek. Want kijk nu eens, stond daar even een mooie vrouw!

‘Zo zo,’ fluisterde Amadeo Mozart. Hij klakte met zijn tong.

‘Zeg dat wel,’ zei Händel en maakte een fluitend geluid tussen zijn tanden.

‘Een vrouw van stand,’ zei Goethe. Dat zie je zo. Kijk alleen maar naar haar kleding. J.S. knikte instemmend. Hij scheen het met zijn vrienden eens te zijn. Als een pijl uit de boog schoot Picasso op Alma Mahler toe. Hij gaf haar een handkus en hielp haar uit haar bontjasje.

‘Het begint met de jas en eindigt met de broek,’ liet Mozart zich ontvallen. Händel schoot in de lach.

‘Foei,’ zei J.S. Picasso nam haar bij de arm en loodste haar naar een tafeltje in de uiterste hoek van het café. Daarna wenkte hij Wig.

‘Kijk hem nou,’ zei Wolf von Goethe spottend. ‘Ik begrijp niet wat die vrouw in zo’n kerel ziet.’

‘De eeuwige versierder’, fluisterde juffrouw Monroe in Zappa’s oor.

‘Pas maar op dat ik jou niet versier.’

‘Volgens mij heb je dat al gedaan.’ Ze hield hem haar pakje sigaretten voor. Ze rookten en zwegen. Ze keken hoe Wig een brandende kaars op een schoteltje vast probeerde te krijgen. ‘Je hebt me nog niet verteld w-waar je woont.’

‘Raad eens?’ En hij dacht, die is echt tipsy. Want hij had haar vanmiddag nog verteld dat hij op nummer 101 was komen wonen, pal naast haar.

‘Ik schat je op de d-derde of vierde,’ antwoordde juffrouw Monroe.

‘Toe maar.’

‘Zit ik er ver n-naast?’

‘Ja, want ik ben je buurman. Maar volgens mij wist je dat allang.’


37 Dronken Miles Davis

GEDONDER IN DE GLAZEN

Kwart voor tien. Net toen Marie Monroe en Frank Zappa aanstalten maakten om op te stappen en Wig verzocht hadden de rekening op te maken, werd de deur van de Nadorst ruw open gegooid en trad Miles Davis van nummer 403 het café binnen. ‘Goedenavond allemaal,’ brulde hij, en waggelde vervolgens naar de hoek van de bar, waar hij plaatsnam tegenover de anderen.

‘Stront aan de knikker’, fluisterde Wig bezorgd.

‘Die is straalb-bezopen, fluisterde Marie naar Wig. Ze stootte Frank aan. ‘Miles Davis de t-toeteraar,’ fluisterde ze.

‘De jazztrompettist?’ Met opgetrokken wenkbrauwen keek Frank naar de dronken man tegenover hem. Voor een moment was het stil in het café. Slechts het geluid van Mozarts biljartbal­len was hoorbaar. De halfslapende Vincent van Gogh richtte zich overeind. Hij keek even om zich heen, nam zijn tabakspullen voor zich, maakte een wegwerpgebaar naar de wijn die voor hem stond en bestelde een kopje koffie.

‘Kijk, dat bedoel ik nou met de omgeving verzieken’, zei Wolf von Goethe tegen Bastiaan Bach en Frederik Händel. Hij knikte richting Miles Davis.

‘Ssst, fluisterde Händel, voor je het weet heb je ruzie.’ Bach schudde meewarig zijn hoofd.

‘Het is nog een neger ook,’ mopperde Goethe terwijl hij een slokje van zijn drankje nam.

‘Ssst,’ zei Händel weer. ‘Niet zo luid, straks is het hommeles!’ Doch Miles Davis scheen hen niet te horen. Hij had zijn hoofd op zijn armen gelegd en was blijkbaar direct in slaap gevallen. De vier tegenover hem staarden naar zijn kalende kruin.

‘Dat is Miles Davis,’ zei Zappa. Er klonk bewondering in zijn stem.

‘Nou en?’ zei juffrouw Monroe schouderophalend. ‘Wat is daar zo b-bijzonders aan?’

‘Dat is een hele grote uit de jazz.’

‘Ken je hem dan?’ Ze was inmiddels weer op haar kruk gaan zitten. Frank stond naast haar. Hij had haar tasje in zijn handen.

‘Een fantastisch musicus,’ antwoordde Frank. ‘Die man maakte te gekke muziek.’ Met één bil zocht hij de zitting van zijn kruk weer op.

‘Nooit van gehoord,’ murmelde Van Gogh. Hij stak een verse pijp op.

‘Hij woont hier nog niet zo lang,’ zei Wig. ‘Volgens mij heeft ie aanpassingsproblemen. Verleden week rond deze tijd was hij hier ook. Toen had hij hem ook behoorlijk zitten. Dat heerschap heeft een vervelende dronk.’

‘Op welk etage woont hij?’ vroeg Frank. Hij hield zijn ogen strak gericht op de jazzmusicus.

‘Op de d-derde,’ antwoordde zijn buurvrouw.

Pa-pa-ta-ra-ta-poe-heee, zong Miles plotseling. Zijn hoofd rustte nog steeds op zijn armen, zodat zijn gezang in zijn kleren smoorde. De vier tegenover hem schoten in de lach. ‘Die slaapt helemaal niet,’ fluisterde juffrouw Monroe. ‘Die zit de zaak te b-besodemieteren. Ta-ta-ta-ra-ta-poe-heee, vervolgde Miles Davis zijn improvisatie. Hij zong nu een stuk luider. De gasten aan het tafel­tje bij het biljart keken verwonderd op. Ta-ta-ta-ra-ta-poe-hee….

‘Kunst van deze eeuw,’ spotte de schrijver Wolf von Goethe. Hij stak een sigaret op. ‘Sodeju, wat een idioot.’

‘Oerwoudgebrabbel,’ lachte Händel.

‘Kindertaal,’ voegde Bach er aan toe.

‘Negertaal,’ zal je bedoelen, zei Goethe.

‘Die man is dronken,’ zei Mozart, terwijl hij zijn keu in een lederen foedraal opborg. ‘En dronken mensen worden kinderen, weten jullie nog wel?’ lachte hij. Goethe haalde zijn schouders op. Hij had Mozart niet zo hoog zitten. Maar dat zei hij liever niet hardop. Het was tenslotte zijn buurman. Amadeo Mozart met zijn altijd kinderlijk gewauwel, zijn flauwe grapjes en zijn eeuwig gepiel met ballen.

‘Het is trouwens allemaal scheisse wat daar zit,’ zei de schrijver. Hij knikte naar de bar. ‘Kijk maar eens wat daar voor tuig zit.’ Bach en Händel knikten instemmend. Als Goethe zoiets zei, dan zou het wel zo wezen, schenen zij te denken. ‘Neem alleen dat vrouwtje,’ vervolgde Goethe zijn betoog. ‘Dat delletje, dat is volgens mij een regelrechte hoer.’

‘Foei,’ schrok Bach.

‘Hoeren moeten er ook zijn,’ glimlachte Amadeo.

‘Maar niet hier! Niet in het hiernamaals!’ riep Goethe plotseling luid.

‘Rustig maar,’ waarschuwde Händel.

‘En dan die kunstenmaker op de hoek’, vervolgde Goethe. Van de opwinding was hij langzaam rood aan het worden. Hij wees naar het tafeltje van Picasso en Alma Mahler. ‘Picasso heet hij, meen ik. Hoe heeft Godlief hem in godsnaam hier heen kunnen halen.’

‘Meneer Picasso is mijn benedenbuur,’ zei Bach. ‘Hij zal best wat in zijn mars gehad hebben. Anders was hij niet zo hoog geplaatst.’

‘Ja ja, ik weet het,’ zei Goethe nu op minder luide toon. ‘Het zal wel. Meneer de kliederaar woont op de achtste. Meneer woont zelfs hoger dan u,’ zei hij tegen Frederik Händel.

‘Dat is van hoger hand,’ zuchtte Händel. ‘Daar moet je in berusten.’

‘Heeft u wel eens een prentje van hem gezien?’ zeurde Goethe door. De heren rond hem schudden allen van nee. Händel beet het puntje van een sigaar af en stak hem in de brand. De rookwolken wuifde hij wild weg. ‘Dan heeft u niets gemist. Allemaal troep!’ riep Goethe nu weer met luide stem. ‘Niets anders dan verminkte gezichten, apenportretten, stukjes boomschors waar blijkbaar iets in te zien valt. En noem maar op. Kijkt u maar in de bibliotheek. Daar hebben ze zelfs een boek over hem! En dan heb ik het nog niet eens over zijn pornografische prenten. Als u begrijpt wat ik bedoel.’ De drie knikten. Ze wisten waar hij op doelde. Er gingen geruch­ten dat hij de moeder van God samen met de Heilige Geest in hun nakie tegen de artiflat had willen schilderen.

Ta-ta-ti-ti-ta-ra-ta-ti-toeee, zong Miles Davis weer een graadje luider. Ondertussen roffelde hij wild met zijn vingers op de bar. Plotse­ling hief hij zijn hoofd op en riep op luide toon: ‘En waar hebben wij het zoal over?’ Met lodderige ogen keek hij naar het gezelschap tegenover hem. ‘Nou?’ vervolgde hij, toen hij geen antwoord kreeg. Hij klonk behoorlijk agressief.

‘Een koffie voor meneer,’ zei Wig. Demonstratief zette hij een kopje koffie voor hem neer.

‘Ahaa,’ lalde Miles Davis. ‘Een rondje van de zaak!’

‘Zo is het,’ zei Wig. ‘En drink nu maar lekker op.’

‘Proost,’ zei Miles Davis. Hij slurpte de koffie naar binnen. Plotseling wendde hij zich tot juffrouw Monroe en riep: ‘Zeg moppie, doe je het nog wel eens?’ Juffrouw Monroe keek snel een andere kant uit. Frank gaf haar een licht kneepje in haar boven­been. ‘Je hebt trouwens een paar lekkere bobbels in je bloes,’ vervolgde de dronken trompettist. Mejuffrouw Monroe Monroe, die heeft ze niet zo maar zo… improviseerde hij vervolgens.

‘Niks van aantrekken,’ fluisterde Frank en hij sloeg een arm om haar heen. Wig schoot haar ook te hulp. Op strenge toon beval hij:

‘Hoogste tijd voor u!’

‘Zooo, ik word dus verzocht om op te stappen,’ zei Miles. ‘Mooie boel is dat. En mag ik misschien weten waarom?’

‘U heeft al genoeg gedronken,’ antwoordde Wig. ‘En bovendien bele­digt u mijn klanten.’

‘Ach… Ik beledig uw klanten. Neemt u mij niet kwalijk. Ik zal het proberen goed te maken.’ Hij waggelde naar de vier aan de andere zijde van de bar.

Ta-ta-ti-ti-ta-ra-ta-ti-toeee… Toen hij achter juffrouw Monroe stond tikte hij op haar schouder en zei: ‘Schone dame, lekker ding, ik bied u mijn oprechte excuses aan.’ Juffrouw Monroe draaide zich om en keek hem minachtend aan. Miles nam haar hand en hield deze galant tegen zijn mond. ‘Het zal erewoord nooit meer gebeuren,’ vervolgde hij.

‘U bent d-dronken,’ zei ze. ‘En ik houd niet van d-dronken mensen.’

‘Een dronken man is een engel in bed, wist u dat?’ lachte Miles Davis. Vervolgens draaide hij zich om en liep tot ieders zijn opluch­ting naar de uitgang. Onderwijl zong hij op de wijze van een oud jazzliedje: Kom in de tent, kom in de tent, daar kun je neuken voor een cent…

 


38 De zesde etage

VON BINGEN  SCHUMANN  BRUCKNER  MENDELSSOHN  GAUDI

Een eerste aanblik op de galerij van de zesde verdieping van de artiflat maakte je niet bepaald vrolijk. De soberheid sloeg je in de hal reeds tegemoet. Een doods rotanclubje met op het ronde matglazen tafeltje een bosje plastic viooltjes en een grote ronde rood-witte asbak, met daarin enkele sigarenstompjes eens toebehorende aan de heer Robert Schumann van nummer 603, waren de enige attributen welke de entree zou moeten opbeuren en een idee van gezelligheid doen uitstralen. Maar niets van dit alles. Zelfs geen kleed op het spiegelgladde linoleum. Geen schilderijtje aan de wand, geen stukje beeldhouwwerk, zelfs geen aardige welkomstspreuk sierden het grijs grauwe betonnen geheel van de ruime hal van deze zesde etage. Voeg daarbij ook nog toe de onvriendelijke lichtbakjes aan het plafond, waarvan er een aantal hinderlijk knipperden en de soberheid was compleet. Nee, vergeleken met de meeste entrees was dit alles armoe troef. Heerste er op de zesde misschien ruzie, of was het de mannengemeenschap die hier woonde?

Inderdaad, het ging hier op de zesde om een grijze mannengemeenschap. Al woonde aan het einde van de galerij, op nummer 606, een vrouw, een geheimzinnige vrouw, de non Von Bingen, in de volksmond Frau von Bingen. De non leek met niemand iets te doen te willen hebben. Haar luiken waren meestal gesloten. Je zag haar enkel als ze zich in snelle tred naar een godsdienstoefening begaf naar één van de kerken die de stad rijk was. Uit niets viel op te maken dat hier een aantal kunstenaars van de bovenste plank huisden.. Inderdaad, huisden, waarmee eigenlijk alles was gezegd. Want met uitzondering van de musici, de heren Mendelssohn van 602 en de eerder genoemde Robert Schumann was er op de zesde nauwelijks sprake van sociaal contact.

Het was vroeg in de morgen. Op de galerij van de zojuist besproken zesde etage heerste een absolute stilte. De dertig meter lange galerij lag er mistroostig bij. Hier en daar stond er wat schoeisel en een zakje vuil op de matjes voor de deuren. Doch binnen de appartementen heerste een ongewoon levendige drukte. De bewoners waren opvallend vroeg opgestaan en leken voorbereidingen te treffen. Er werd gebadderd en gespetterd, strijkplanken stonden uitgeklapt, garderobekasten geïnspecteerd, rugzakjes gevuld, en geldkistjes geopend. De reden voor deze ongewone drukte binnenshuis, was het jaarlijkse uitstapje dat de zesde etage deze dag ten deel viel.

Om vijf minuten voor zeven opende zich voorzichtig, al zou er op dit vroege uur niet gestoord mogen worden, de eerste voordeur. Het was de heer doctor Anton Bruckner van nummer 601. Voordat hij zijn voordeur op dezelfde voorzichtige manier achter zich sloot, betastte en beklopte hij zijn grijze kostuum voor een laatste inspectie. De aanblik op deze kale tweeënzeventigjarige organist was op zijn zachtst gezegd grappig te noemen. Behalve dat de pijpen van zijn pantalon veel te kort waren (een gewoonte die de vrome man had overgehouden aan het bespelen van de voetpedalen van de kerkorgels op het aardse) maar ook het koddige rugzakje dat hij met veel moeite op zijn ietwat kromme rug probeerde te krijgen, maakte het figuur Bruckner enigszins lachwekkend. Op het moment dat de heer Bruckner zich naar de lift zou begaf opende zich de deur van zijn buurman Mendelssohn. De twee muzikanten begroetten elkaar met een weinig enthousiast knikje. ‘Het weer is in ieder geval goed,’ mompelde de heer Bruckner als ochtendgroet. Uit beleefdheid wachtte hij op zijn buurman, zodat zij getweeën de lift zouden kunnen nemen. Mendelssohn knikte. Het weer is hier altijd goed, zou hij bijna gezegd hebben, maar hij zweeg. Zoals gezegd knikte hij slechts.

Op hetzelfde moment dat de heren Mendelssohn en Bruckner zwijgend naar beneden zoefden, openden zich kort na elkaar twee andere voordeuren. Op nummer 603 verscheen het slaperige hoofd van de heer Robert Schumann. Merkwaardig genoeg gaf hij in geen enkel opzicht het idee aan de start te staan van een feestelijk uitstapje. Zijn ongeschoren hoofd en ongekamde halflange lokken alsmede een kreukelig plastic tasje waar hij zojuist twee dubbele boterhammen met pindakaas had in gepropt gaven weinig blijk van enthousiasme. Vrijwel tegelijkertijd opende zich huisdeur 605 van architect de heer Antoni Gaudi. Beide kunstenaars wandelden naar de lift. Terwijl de heer Gaudi op de knop drukte om de lift naar boven te halen, stak de heer Robert Schumann een sigaar aan. Een moment later stapten zij in de lift. De twee stonden zwijgend tegenover elkaar. De rookontwikkeling welke de sigaar van Schumann veroorzaakte deed de ogen en keel van Antoni Gaudi hinderlijk prikkelen. Een beetje overdreven kuchte de bouwmeester twee maal en zei toen: ‘U mag hier niet roken, meneer Schumann.’ Gaudi knikte naar het verboden-te- rokenstickertje boven de spiegel. Maar hij had al direct weer spijt van zijn opmerking. Schumann scheen na te denken. Hij klopte demonstratief de as van zijn sigaar op de vloerbedekking en vroeg toen:

‘Heb ik misschien wat van je aan?’ Hij keek zijn mede lifter recht in het gelaat. Gaudi schrok van de onbehouwen toon van Schumann. Hij liet zijn hoofd zakken en keek naar zijn schoenen. Hij had de opmerking niet moeten maken, verweet hij zichzelf. Een blinde kon zien dat Robert de weg vandaag weer kwijt was. Uit de mondhoeken van Schumann druppelde een sliertje kwijl. Als een bezetene, al zou hij zijn buurman extra willen treiteren, trok hij aan zijn sigaar. Intussen bleef zijn blik genadeloos op zijn medepassagier gericht. ‘Heb ik wat van je aan?’ vroeg Schumann voor de tweede keer.

‘Nee nee nee, het is al goed,’ antwoordde de bouwmeester gehaast. ‘Rookt u rustig door. We hebben een mooie dag vindt u niet?’ Zonder antwoord te geven veegde Schumann met de onderkant van zijn mouw de nattigheid van zijn kin. De lift stopte op de begane grond, maar steeg ogenblikkelijk weer naar boven om de kunstschilder Jan Vermeer van 604 op te halen. De deur van 606 bleef gesloten.


39 Het uitstapje

Klokslag half acht die morgen klapte dienstmaagd juffrouw Annette in haar handen. Ze gaf daarmee het sein van vertrek. Ze had er zin in, dat was aan alles te zien. Als juffrouw Annette iets organiseerde straalde ze van top tot teen. Jammer voor haar dat het kluitje mannen, hangende voor de ingang van de artiflat, daar op het eerste gezicht anders over dacht. Het leek er niet op dat ze ergens actief voor waren te krijgen. Maar juffrouw Annette kennende, zou zich daar niets van aantrekken. Integendeel, ze zou alles op alles zetten om de bewoners van de zesde etage een onvergetelijke dag te bezorgen.

Al was ze weinig in haar sas met haar huisvesting, het mini-appartementje op de begane grond, met slechts een bed, een tafeltje, een stoel en een wasbak, juffrouw Annette had het naar haar zin op de arti. Mopperen mocht ze geenszins. Want haar onderkomen was niet te vergelijken met het tentje in het purgatorium en de slaapzaal in het bruine gebouw in Sint-Petrusburg. Wat dat aanging moest ze dankbaar zijn. En dat gold eveneens voor haar baantje als beheerster van de wasserette. Daar genoot ze dagelijks van. Een bofkont, dat was ze! Verder beleefde zij veel genoegen aan het feit dat men een beroep op haar deed om zo af en toe eens met een clubje bewoners iets te ondernemen, een uitstapje of iets dergelijks, zoals vandaag.

Nadat juffrouw Annette voor de tweede keer in haar handen had geklapt, zette het troosteloze sextet van de zesde zich moeizaam in beweging en volgde de lange rok van hun reisleidster. Rondom de artiflat was het op dit vroege tijdstip stil. Eenieder scheen nog in diepe rust. Opmerkelijk was dat er geen enkele medebewoner de moeite had genomen het gezelschap uit te zwaaien. Zelfs huismeester Gerrit Smit was in geen velden of wegen te bekennen. Maar goed, zo populair waren ze nu ook weer niet, de heren van de zesde. Nee, echt van harte ging het allemaal niet op deze vroege morgen. Het enige vrolijke van dit moment leek het geklikklak van juffrouw Annettes hakschoentjes. ‘Kom heren,’ piepte haar hoge stemmetje. ‘Een beetje tempo graag!’

‘Waar gaan we heen?’ vroeg organist doctor Anton Bruckner van nummer 601 op een toon alsof hij nu al direct de terugweg zou willen aanvaarden.

‘Surprise, surprise,’ kirde juffrouw Annette. ‘Kinderen die vragen worden overgeslagen,’ vervolgde ze met een plagerig stemmetje. Ze verschoot direct van kleur, want ze had meneer Bruckner bijna bij zijn voornaam genoemd. Ze gaf hem een knipoog. En nu was het Bruckner die kleurde.

‘Jonge, jonge, wat maakt u me nieuwsgierig, maar niet heus,’ mompelde hij onhoorbaar voor de anderen en trok een ondeugend gezicht. En alsof hij de reisleidster wilde plagen bleef hij even staan om zijn veters te strikken. Juffrouw Annette wierp hem een veel betekende blik toe. Bruckner op zijn beurt knikte terug. Hij had het begrepen. Om het gezelschap wat op te beuren hief Juffrouw Annette op het Slangenpad, voordat het gezelschap het tunneltje binnenliep een vrolijk lied aan: En dat we toffe jongens zijn dat willen we weten, zong ze, en riep daarna uitbundig: ‘Allemaaaal!!!’ Doch niemand antwoordde. Maar ook niemand durfde commentaar te hebben op het gezang van hun charmante reisleidster. In het tunneltje galmde het weliswaar heerlijk, maar van zuiverheid in haar zangkunst was geen sprake. En dat we toffe jongens zijn dat willen we weten, zong ze weer. Toen het gezelschap op weg was naar de opening van de slang, was de heer Robert Schumann van 603 naast juffrouw Annette komen lopen.

‘Mag ik u iets vragen?’ vroeg Schumann met dubbele tong. Juffrouw Annette schrok van zijn haast onverstaanbare woorden. Het zal toch niet waar zijn, schoot er door haar heen. Maar in één oogopslag zag ze dat de heer Schumann zich in zijn moeilijke periode bevond. God-nog-aan-toe moest dat nu juist vandaag. Een aantal weken geleden had ze de hem begeleid naar het Gitaarconcert in de Koninkrijkzaal, het concert ten bate van een nieuwe gitaar voor de sympathieke negerzanger Otis Redding van 112. Ze was geschrokken van de sterke urinegeur die Schumann met zich mee had gedragen. Twee keer had ze tijdens het concert met hem het toilet bezocht om hem te verschonen.

‘Zegt u het eens,’ antwoordde ze quasi opgewekt. Tegelijkertijd versnelde ze het wandeltempo.

‘Wie heeft u in godsnaam zangles gegeven.’ Juffrouw Annette antwoordde niet, maar trippelde onverstoorbaar door. Even leek Schumann te bedaren, hij murmelde wat in zich zelf. Het voortsjokken van zijn voetstappen was het enige geluid dat op dat moment hoorbaar was. Plotsklaps riep Schumann: ‘Kleven!’ Een beetje verschrikt keek een ieder naar de spreker. ‘Kleven,’ riep deze weer.

‘Kom Robbie, geef tante Annette maar een handje.’ Juffrouw Annette greep zijn hand, een natte bezwete hand.

‘Kleven,’ mompelde Schumann.

‘Ja, ja kleven,’ stelde juffrouw Annette hem gerust. Ze kneep hem liefdevol in zijn hand. Wederom versnelde ze haar pas en trok Schumann met zich mee. Ze keek haar buurman bezorgd aan. Ze had met hem te doen.

‘Ik heb met u te doen,’ kletste Schumann, waarna hij met onzekere stem een weemoedig lied begon te zingen: Ich hab im Traum geweinet.

‘Wat een droevig liedje zingt u daar’, zei juffrouw Annette een beetje spottend.

‘Dat is geen liedje,’ verbeterde Schumann haar. ‘Dat is een lied, een vers, als u begrijpt wat ik bedoel. Een vers uit mijn Dichterliebe, opus achtenveertig om precies te zijn.’ Hij herhaalde zeer overdreven de eerste zin van het lied. Hoewel hij het zelf gecomponeerd had, waren de andere regels van het lied hem schijnbaar ontschoten. Ich hab im Traum geweinet, zong hij weer. Dikke tranen biggelden nu over zijn wangen. Zijn voorhoofd was nat van het zweet en uit zijn mondhoeken druppelden sliertjes kwijl. Juffrouw Annette keek bezorgd. Zij liet zijn hand los en rommelde in haar tasje op zoek naar een zakdoek. Het groepje hield halt. Doctor Bruckner liet zich zakken op het gras en haalde een boterham uit zijn rugzakje. Ondertussen gluurde hij naar juffrouw Annette. Jan Vermeer van 604 schopte onritmisch tegen een paaltje waarop te lezen stond: Verboden zich op het gras te begeven. Zijn buurtjes, de componist Bartok en bouwmeester Gaudi waagden zich aan het spelletje Ik zie ik zie wat jij niet ziet. ‘Kent u mijn pianokwintet in Es?’ brabbelde Schumann. Hij scheen geheel van de kaart.

‘Rustig maar,’ troostte juffrouw Annette. Ze veegde zijn gelaat schoon. Felix Mendelssohn was intussen bij hen komen staan.

‘Maar u kent toch zeker wel mijn beroemde pianoconcert in a mineur?’ Juffrouw Annette zuchtte en keek hulpeloos naar de heer Mendelssohn.

‘Vanzelfsprekend kennen we jouw pianoconcert in a mineur,’ stelde Mendelssohn hem gerust. ‘Wie kent dit niet? Het concert is stellig een hoogtepunt in de pianoliteratuur.’ Schumann glimlachte flauw. Zijn gezicht klaarde op na deze lovende woorden. Ook herkende hij de stem van zijn kameraad.

‘Ha, die Felix,’ groette hij zijn maatje.

‘Ha, die Robbie,’ antwoordde Mendelssohn. ‘Hoe is-ie?’

‘Goed, goed, goed,’ antwoordde Schumann. Alleen zingt de juffrouw verre van zuiver. Dat heb je zeker wel gehoord, hè Felix? En zonder zijn antwoord af te wachten vervolgde hij: ‘En weet je, zij kent mijn Dichterliebe ook niet. Vind je dat niet treurig?’

‘Diep treurig,’ antwoordde Mendelssohn. Hij gaf juffrouw Annette een knipoog.

‘Zullen we weer?’ riep juffrouw Annette. Ze was duidelijk in haar sas nu de Mendelssohn zich over Schumann ontfermde. De stoet zette zich weer in beweging op weg naar de slang, die hen naar Voorstad Sint-Jacoba zou brengen. Daar zouden het zestal een dagje vertoeven. Dat was het doel van de reis. Vooraan, in haar eentje liep juffrouw Annette. Achter haar wandelden Felix Mendelssohn en Robert Schumann. Ze liepen hand in hand, terwijl Felix een zojuist bedacht liedje zong:

Hé, hé Robbie, Robbie hoe is het nou

Je ogen staan zo somber

En Robbie dat is niks voor jou…


40 De bloemenstad

ONDERWEG NAAR HET PRETPARK

Voorstad Sint-Jacoba was een groene stad gelegen tussen Sint-Petrusburg en Johannesburg. De stad lag in een dal en was omgeven door heuvels, weiden en uitgestrekte bloemenvelden. Zo ver het oog reikte zag men fris groen afgewisseld met kleuren. Het mag geen wonder heten dat de stad in de volksmond Bloemenstad werd genoemd. Voorstad Sint-Jacoba, de Bloemenstad werd bestuurd door de zestienjarige Anne Frank. Deze jonge burgemeester zorgde met hart en ziel voor de bewoners. Zij had oog en oor voor de jeugd en was mild voor purgatijnen. De bewoners van Sint-Jacoba hielden veel van hun Anne en deden er alles aan om de aantrekkingskracht van de Bloemenstad in de gehele zevende hemel te behouden. Zo hielden zij hun stad proper, verzorgden met veel liefde de honderden bloemperken en waren uiterst aardig en behulpzaam voor de vele toeristen die de stad dagelijks aandeden.

De Bloemenstad was een jonge stad, een stad met honderdduizenden jonge zielen. In het centrum stond fier op een heuvel de beroemde Here Jezus Christus Kathedraal, waar iedere dag de bekende dominee Martin Luther King zijn voordrachten hield. De kathedraal, waarvan de torens in de wijde omtrek te zien waren, was een pelgrimsoord voor zielen uit de gehele zevende hemel. Vooral met hoogtijdagen, zoals de aankomende Mariafeesten moest men ruim van te voren een plaatsje reserveren om een dienst bij te wonen. Beneden, rond de heuvel met op de top de immense kathedraal, bevonden zich de kleurrijke woontorens van het Kinderparadijs. Deze blokkendozen, zoals de jeugdige bewoners de woontorens noemden hadden verschillende kleuren en bloemennamen. Zo woonde je in De roos, of De tulp, De passiebloem en zo verder. Tussen de woontorens bevond zich laagbouw, in de vorm van witte bungalows, waarin voornamelijk kleingoed huisde, kinderen van onder de tien met hun begeleiders. Minikindertjes nog, kindertjes gekleed in witte overallpakjes met korte broek, spelend op knalrode automobielachtige karretjes. De machtige kathedraal en de kleurrijke blokkendozen van het Kinderparadijs ten spijt, het centrum was niet in de eerste plaats de toeristentrekpleister van de stad. Erger nog, het was er doorgaans hoogst ongezellig. Buiten de diensten van Dominee Martin Luther King om, was er nauwelijks sprake van enig volk in het centrum. Of men moest denken aan het kleingoed dat de diverse speelterreintjes bevolkte. Winkelcentra en amusement bevond zich aan de rand van de stad, evenals de vele pretparken. Deze pretparken waren het visitekaartje van Voorstad Sint-Jacoba, met het Worldpark als absolute topper.

Het was nog vroeg in de morgen toen vijf mannen en een vrouw de slang hadden verlaten en zojuist tevoorschijn waren gekomen uit het Centraalstation van Voorstad Sint-Jacoba. De lucht was blauw, de zon scheen zacht en er woei een aangenaam briesje. Alles leek er op dat het een mooie dag zou worden. De zes zielen, bewoners van de artiflat uit Johannesburg voegden zich tussen de tientallen groepjes reisgenoten op weg naar één van de pretparken. Zoals vrijwel een ieder lieten zij het centrum voor wat het was en volgden de wegwijzers naar het populaire Worldpark. Voorop, met een rugzakje op haar borst, liep juffrouw Annette, vandaag in haar rol als activiteitenbegeleidster van het mannengroepje achter haar. Pal daarachter volgden hand in hand de componisten Felix Mendelssohn en de in de war zijnde Robert Schumann. Robbie hoe is het nou? zong Felix alsmaar. Hij leek het tegen zijn vriend naast hem te hebben. Deze probeerde hem zingend te volgen. Dit lukte echter maar matig. Wel stootte hij tijdens het gezang van zijn buurman herhaaldelijk de kreet Kleven!! uit. Achter de heren Mendelssohn en Schumann liep doctor Anton Bruckner. Deze leek de gehele voettocht zijn blik te hebben gericht op het achterwerk van juffrouw Annette. Hij had al geprobeerd de twee heren voor hem in te halen om dichter bij de aantrekkelijke reisleidster te komen, doch Schumann had hem telkens met de luide kreet Kleven te kennen gegeven dat hij op zijn plaats moest blijven lopen, en gezien de gemoedstoestand van de overspannen ziel gaf hij daar gehoor aan.

Veel vaart zat er overigens nog niet in. Steeds moest juffrouw Annette halt houden om niet te veel voorop te geraken. Achterin liepen bouwmeester Gaudi en de schilder Jan Vermeer. Maar eigenlijk was het meer slenteren dat ze deden. Het leek alsof zij niet bij de groep wilden horen. Als kleine kinderen leverden ze lacherig overal commentaar op. Jan Vermeer was een kei in het maken van scheetgeluiden, geluiden die hij uit zijn oksels perste. Ook imiteerde het duo het kromme loopje van hun voorbuurman doctor Anton Bruckner. Dan weer liepen ze in dezelfde snelle draf als juffrouw Annette. Ze lieten herhaaldelijk spottend het woordje Kleven vallen en bromden zo vals mogelijk het liedje Robbie hoe is het nou. Soms hielden ze plotseling halt en bestudeerden overdreven één van de wegwijzers of maakten aanstalten op een bankje te gaan zitten om hun lunchpakketje aan te breken. In ieder geval moest juffrouw Annette het duo herhaaldelijk bij de groep betrekken.

Het was vooral Antoni Gaudi die aanleiding gaf tot het balorige gedrag van de twee. De reden was dat hij de pest had aan Voorstad Sint-Jacob, de Bloemenstad. Vooral de woontorens van het Kinderparadijs in het centrum ergerde hem. Een aantal jaren geleden had hij meegedongen naar een plan voor nieuwe huisvesting van het Kinderparadijs. De bouwmeester had zich genaaid gevoeld toen zijn ontwerp zonder enig commentaar was afgekeurd. Nu stonden daar foeilelijke blokkendozen in de meest felle kleuren. Kleuren die hem pijn in de ogen deden. Afschuwelijk had hij het gevonden wat ze daar hadden neergekwakt. Zelf had hij een ontwerp ingezonden in de stijl van de Here Jezus Christus Kathedraal die zich op een steenworp afstand van het kindergebeuren bevond. Gebouwen in sprookjesachtige sfeer. Gebouwen met torentjes, veranda’s, nisjes, kapelletjes enzovoorts. Nee, in z’n eentje zou Gaudi nooit de Bloemenstad bezoeken. Als troostprijs mocht hij een Arcade ontwerpen voor de nieuwe winkelgalerij aan het Plein voor de Hemelse Vrede.

Toen de groep onder leiding van juffrouw Annette voor de zoveelste keer halt hield om de treuzelaars bij haar te laten aansluiten, nam Anton Bruckner zijn kans waar en glipte langs Mendelssohn en Schumann, om zich bij de vrouw te voegen die hij zo graag zag…

 

 

 


41 Verliefde Anton Bruckner

Twee keer eerder hadden ze elkaar ontmoet, de twee en zeventig jarige organist-componist doctor Anton Bruckner van nummer 601 en juffrouw Annette van de begane grond. De eerste keer had hij tegenover haar in de lift gestaan. Ze hadden geen woord met elkaar gewisseld. Een kort knikje, meer niet. Verder hadden ze naar elkaars schoenen gekeken. O, ja, blote benen, dat herinnerde Anton zich nog. Wat een vrouw, wat een heerlijke vrouw! Zelfs haar geur had hij onthouden. Een kwartier later had hij nog eens de lift genomen en getracht haar wederom op te snuiven.

De tweede keer dat hij haar ontmoette was een maand geleden. Of was het een week geleden? Tijd in het hiernamaals was tijdloos. Anton Bruckner herinnerde zich deze tweede keer nog goed. Hij was met zijn mandje wasgoed onderweg naar de wasserette toen hij haar in beeld kreeg. Natuurlijk kende hij haar nog van de lift. Ze zat in zijn geheugen gegrift. Hij had haar nadien nog wel eens aangetroffen. Ze hadden elkaar dan met een knikje of glimlach begroet. Maar tot een woordje was het nog niet gekomen. En dan had je natuurlijk de nodige roddels die door de artiflat gingen. Want waar kwam deze vrouw zo plotsklaps vandaan? Een purgatijnse, dat zag je zo. In ieder geval geen kunstenaar. Bovendien had ze slechts een plaatsje op de begane grond.

Toen hij de bewuste dag het grindpaadje naar de achterzijde van de Artflat had genomen, op weg naar de wasserette zag hij haar beter dan ooit. Ze stond op een trapje, bezig de ramen van de wasserette te poetsen. Als hij diep in zijn geheugen groef hoorde hij nog de onvaste tonen van het lied dat ze tijdens deze werkzaamheden had gezongen. Een voor hem onbekend lied. Hij had halt gehouden en haar op enige afstand, schuil tussen het clubje olijfbomen gadegeslagen, of liever gezegd bespied.

Begerig had hij tijdens het raamlappen naar haar blote benen gekeken en naar haar zwaaibewegingen. Hij wilde doorlopen. Maar het leek of zijn lichaam tegenstribbelde. Hoelang had hij daar gestaan? In ieder geval was hij danig geschrokken toen het gezang en gespetter was opgehouden en ze zich plotseling naar hem toegewend had. ‘Kunnen we het een beetje zien?’ had ze hem spottend gevraagd, terwijl ze haar zeem uit had geknepen. Schoorvoetend was hij naar haar toegelopen en had zich met een rood hoofd geëxcuseerd met de mededeling dat hij in tijden niet zo’n mooie vrouw had aanschouwd en daarom even was blijven staan. Hij hoopte dat zij dit niet erg had gevonden. De woorden waren er uit voordat hij er erg in had. Dit was beslist niet zijn stijl. En nu nog steeds begreep hij niet waar hij het lef en de brutaliteit vandaan gehaald had om de juffrouw op deze manier te begluren en aan te spreken. Even later hadden ze voor elkaar gestaan, juffrouw Annette met een emmertje sop en doctor Bruckner met een rieten mandje wasgoed. En voor de tweede maal had hij zich verontschuldigd. Gelukkig had ze kunnen lachen. ‘Wat je ziet heb je nog niet.’ had ze nog gezegd. Pas ’s avonds onder de wol had doctor Bruckner het zinnetje begrepen. Ze waren gezellig aan de praat geraakt. Het emmertje en rieten mandje had tussen hen in gestaan. Hij had haar uitgenodigd om straks na de was iets te drinken op het terras van Wigbert. Het was tenslotte mooi weer. Met een hartelijke glimlach had zij zijn uitnodiging aanvaard. Ze zou zich intussen wat opknappen. En zo geschiedde het.

Een uurtje later hadden ze op het achterterras van de Nadorst gezeten. Wig, de barkeeper, had een kleine sorbet voor juffrouw Annette neergezet, waaruit ze vervolgens driftig was gaan lepelen. Doctor Bruckner had koffie besteld. Zo nu en dan had juffrouw Annette de kale componist glimlachend aangekeken. Er waren op dat moment weinig woorden. Van achter de bomen klonk het geluid van ketsende ballen van de kegelbaan waar zoals vrijwel iedere middag de heren Amadeo van 904 en Vaslav van 506 een balletje kegelden. Verder was het rustig in de omgeving van de arti.

Bruckner had het idee dat de vrouw tegenover hem zich niet geheel op haar gemak had gevoeld. Maar ook hij had zich opgelaten gevoeld. In wezen was hij geen veroveraar als het om meisjes ging. Op het aardse was het vinden van een liefje hem nimmer gelukt. Zijn leven lang had hij met zijn zus samengewoond. Hij had er alles aan gedaan om aan de vrouw te geraken. Maar dit was niet hem gegund. Hij had zelfs muziekonderricht aan een huishoudschool gegeven. Maar daar hadden de meisjes hem eerder uitgelachen dan met hem geflirt. Hij was ook nog eens verschillende malen door het schoolbestuur op het matje geroepen vanwege zijn meer dan gewone belangstelling voor zijn vrouwelijke leerlingen.

Plotseling had Anton Bruckner beseft dat hij zijn zinnen op de vrouw tegenover hem had gezet. Ze was mooi, vond hij, al had hij haar tijdens het raamlappen mooier, misschien begeerlijker gevonden. Het had hem gespeten dat ze een pantalon had gedragen in plaats van de rok, zoals op het trappetje. Hij had haar tijdens het oplepelen van de sorbet geobserveerd. Als hij het goed had gezien waren haar ogen verschillend van kleur, de één grijs, de ander groen. Ze loenste ietwat, hetgeen absoluut niet in haar nadeel was. Integendeel zelfs. Ze had een klein wipneusje en een kleine mond. Haar tanden waren onregelmatig. Twee grote voortanden stonden iets over elkaar heen. Licht rood of rozig waren haar korte haren. Haar gelaat en hals waren blank, haar gestalte slank. Hij voelde zich ontzettend tot haar aangetrokken. Maar kon dat wel? Hij wist immers niets van deze vrouw. Hij wist niets van haar geloof, haar kerkelijke gezindheid. Hij wist niets van haar verdere achtergrond. Het enige dat hij met zekerheid kon vaststellen was dat zij een purgatijnse was. Was het dan louter lichamelijke aantrekkingskracht dat hij voor deze vrouw voelde? Hij kon dit nauwelijks geloven. Doctor Bruckner had gehuiverd. Hij had het gevoel dat hij direct wilde opstappen. Wat deed hij daar? Wat deed doctor Anton Bruckner in gezelschap van een purgatijnse, een asielzoekster? Stel je toch eens voor dat een collega of kennis hem met de juffer had zien zitten.

‘Mmmm, dat was lekker,’ had juffrouw Annette gezegd terwijl ze het lege sorbetglas naar het midden van het tafeltje had geschoven. Bruckner had zijn koffie koud laten worden. Het koekje had hij onaangeroerd gelaten. Hij had de gehele tijd naar de ijs etende jonge vrouw gekeken. ‘Ik heb in tijden niet zo’n lekkere traktatie gehad,’ had ze hem met een glimlach doen geloven. Met een papieren zakdoekje had ze haar mondhoeken schoongeveegd. Bruckner had geknikt. Hij had gezocht naar een opening tot een gesprek. Voor een moment was het stil geweest. Vanuit het café had geroezemoes en muziek geklonken. Wigs lach had af en toe door de openslaande deuren gebulderd. ‘U woont op de zesde?’ had juffrouw Annette gevraagd om de stilte te doen verbreken. Een beslist overbodige vraag daar zij voor zichzelf de hele artiflat in kaart had gebracht en in haar hoofd had opgeslagen. Alle bewoners wist ze blindelings op hun juiste plek te noemen.

‘Zeshonderd één,’ had Bruckner niet zonder trots geantwoord. En hij had gedacht: hoe krijg ik dat prachtige schepseltje voor een kopje thee op in mijn flat.

‘Dan heeft u het goed voor elkaar,’ had Annette met een zekere bewondering gezegd.

‘De Heer is mijn herder,’ had Bruckner geglimlacht. Halleluja, zou ze haast gezegd hebben. Maar ze had zich met een ondeugend lachje tijdig in weten te houden. De man tegenover haar was vast en zeker een zeer vrome man. ‘En u?’ had hij gevraagd. ‘Bent u hier gelukkig?’

‘Ik mag niet klagen,’ had juffrouw Annette gezucht. Zij had haar ogen neergeslagen alsof ze zich schaamde. ‘Ach, ik red het wel,’ had ze er snel aan toegevoegd. Toen zij hem weer aangekeken had, waren haar ogen vochtig. ‘Ik moet het er maar mee doen.’ En toen was ze zachtjes gaan huilen. Vervelend had ze het gevonden om juist op dat moment te gaan grienen en aan treurige dingen te denken. Aan haar schamele hokje bijvoorbeeld, waarin slechts een tafeltje, stoel en bed stond. En aan haar dochtertje Pientje, dat haar dagelijks steeds helderder voor de geest verscheen. Haar meisje dat ze verschrikkelijk miste. Gelukkig was ze nu in het bezit van een portretje van haar. Een portretje dat nu als enige versiering boven haar tafeltje hing. Een tekening van meneer Lautrec gemaakt op het grasveldje achter de molen in Sint-Petrusburg. Ze had ook moeten denken aan haar eenzaamheid en aan de lange avonden. Nee, ze was geen kroegtype. In café de Nadorst zou je haar niet aantreffen.

Juffrouw Annette miste een arm om haar heen. Ze miste een maatje. Natuurlijk voelde ze de belangstelling van verschillende manspersonen. Maar dat was het juist. Ze wist zich daar geen raad mee. Wat moest ze bijvoorbeeld met de tweeënzeventig jaar oude kale man die nu voor haar zat. Ze vond hem aardig. Ze luisterde graag naar hem. Hij was duidelijk een intellectueel, en daar kon ze nog veel van leren. Maar een arm van hem om haar heen. Nee daar zat ze niet op te wachten. Dan liever de belangstelling van de donkere meneer Otis Redding van nummer 111, de man die vrijwel iedere dag met een zakje vuilwas haar wasserette binnentrad en waar ze soms zo heerlijk mee kon keuvelen. Niet dat hij veel zei, maar zijn blik was veel betekenend. Leuk vond ze hem, of misschien wel meer dan leuk. Meestal had hij zijn gitaar mee. Dan klom hij op één van de wasautomaten en zong haar toe. Dat waren de mooiste momenten van de dag. En hoe zat het met de rode schilder van 704 meneer Van Gogh. Vond ze hem ook niet sympathiek? Anton was van haar tranen geschrokken. Hij wist zich in dit soort situaties nauwelijks een houding te geven. ‘Wilt u er over praten?’ had hij toen op vaderlijke toon gevraagd. Juffrouw Annette had voorzichtig van nee geschud.


42 Het worldpark

De Vier Jaargetijden was het absolute pronkstuk van het Worldpark. De vier immense koepelgebouwen, De lente, De zomer, De herfst en De winter, wie was er niet geweest. Ooit werd dit hemelse project geopend door de apostel Jacobus, de broer van de Heiland zelf. Naar hartenlust konden zielen uit de zevende hemel genieten door in de gebouwen de aardse lente, zomer, herfst en winter nog eens te ervaren. Immers, in de zevende hemel kende men geen jaargetijden en moest men het doen met de eeuwig liefelijk schijnende zon en het zachte briesje. Prachtig weer, zou men op het aardse gezegd hebben, maar in hun hart verlangden vele uitverkorenen naar een drupje regen, een vlokje sneeuw of een korreltje hagel en droomde men zelfs van een flinke bui of een gierende wind, of desnoods een orkaan. Dit alles werd dus mogelijk gemaakt in de Vier Jaargetijden in het Worldpark te Voorstad Sint-Jacoba.

Vanzelfsprekend bezochten ook de artigangers de Vier Jaargetijden. Twee gebouwen, twee jaargetijden mochten van juffrouw Annette bezocht worden. Na een stemming werden De herfst en De winter uitgekozen. Als kleine kinderen renden de vijf zielen door de poorten van het gebouw De herfst binnen. Allereerst was daar de regen, de hozende regen, de heerlijke regen. Wat hadden ze een schik, hun dag leek niet al niet meer stuk te kunnen. Hoelang hadden ze al geen regendruppels op hun bast gevoeld. In een mum van tijd was het gezelschap drijfnat geworden. Een ieder liet zich gaan en stond te springen in de nattigheid. Een glimmende juffrouw Annette stond haar kroost gade te slaan en lachend toe te zwaaien. Doctor Anton Bruckner had bij de ingang een heuse paraplu voor haar gekocht. Ja, de Annette had met het uitstapje gescoord. Ook de heren Gaudi en Vermeer, die zich in het begin afzijdig hadden gehouden, leken het naar hun zin te hebben. Hun grijze kostuums hingen binnen de kortste tijd als dweilen om hun lichaam. ‘Nat, nat,’ riep een uitgelaten Robert Schumann en hij lachte zijn gele tanden bloot.

Na de regen van De herfst begaf de groep zich naar het volgende gebouw, De winter. Dikke sneeuwpret was het gevolg. Met haar paraplu als schild werd juffrouw Annette door haar onderdanen bekogeld. Doctor Anton Bruckner, die zich afzijdig hield van het sneeuwballenfestijn, stond als een beschermheer naast haar. Zijn kale schedel was al een aantal keren onder vuur genomen. Rollebollend in de sneeuw lagen Felix Mendelssohn en Robert Schumann elkaar in te peperen. ‘Help, help,’ gilde Felix overdreven liggend op de grond. Schumann zat boven op hem en probeerde handen vol sneeuw in zijn nek te proppen. Jan Vermeer was intussen op aanwijzingen van bouwmeester Gaudi een reuze sneeuwpop aan het maken.

Na de Vier Jaargetijden verhuisde het gezelschap naar het kermisterrein. Maar eerst werd er gezocht naar een stukje gras in de zon voor het drogen van de kleding en het nuttigen van de lunchpakketjes. Uitgelaten renden de heren even later naar het kermisterrein. Een kakofonie van harde psalmmuziek en gregoriaanse melodieën klonk hen tegemoet. Nu was het juffrouw Annette die achteraan hobbelde. Zij kon het tempo van de enthousiastelingen nauwelijks bijhouden. Felix Mendelssohn met zijn achtendertig jaar, de jongste van de groep, snelde met zijn vriend Robert Schumann aan zijn hand als eerste door de toegangspoort. Ze stevende direct op de botsautootjes af. Een moment later stond eenieder hijgend achter het hekwerk van de botsautootjes. Robert leek door het dolle heen. Hij stond te wippen op zijn benen. Aan zijn kin hing een sliertje nattigheid. ‘Sturen,’ riep hij. ’Ik wil sturen!’

‘Jij mag sturen, Robbie,’ zei zijn vriend Felix. Juffrouw Annette keek bezorgd naar de wippende Robert Schumann. Met een wit zakdoek papiertje veegde ze zijn kin droog.

‘Voorzichtig met hem,’ fluisterde ze Felix in zijn oor. Maar het was al te laat. Als een wildeman stormde de overspannen musicus plotseling de baan op.

‘Sturen, ik mag sturen,’ riep hij.

‘Hé, klootzak,’ galmde een stem door de luidsprekers.

‘Stop, stop!’ gilde juffrouw Annette. Ze rende eveneens de baan op. Links en rechts schoten autootjes langs haar heen.

‘Ik mag sturen,’ riep Schumann. Op dat moment werd hij aangereden door een autootje met opgeschoten jeugd.

‘Zet dat ding af,’ gilde juffrouw Annette.

‘Van die baan af!’ blafte de stem door de luidsprekers. ‘Ga van die baan af, idioten!’ En daar lagen ze dan, op de metalen platen van de botsautootjes, juffrouw Annette en de componist Robert Schumann. ‘Au au au,’ huilde Schumann. Hij greep naar zijn hoofd. Een luide toeter klonk en de autootjes werden stopgezet.

‘Heeft u zich bezeerd?’ vroeg juffrouw Annette, terwijl ze Schumann omhoog hees.

‘Au au au,’ kermde hij weer. Een flinke buil op zijn hoofd was het gevolg. Felix Mendelssohn gaf er een aai over en zei dat het zo overging. Nadat een ieder van de schrik bekomen was, slenterde de groep artigangers een beetje wezenloos over het kermisterrein. Robert Schumann liep arm in arm, te midden van juffrouw Annette en zijn vriend Mendelssohn. Als troost trakteerde juffrouw Annette haar groep op lekkernijen uit de snoepkraam. Even later liepen de heren te happen in een suikerspin.

Na lang zeuren had juffrouw Annette toegegeven. Ze zou met doctor Anton Bruckner een ritje maken in de rups. Felix Mendelssohn zou de rest van de groep in de gaten houden. Hij stond reeds hand in hand met Robert Schumann. De arme kerel was al verschillende keren ineen gekrompen bij het geluid van de sirene. ‘Lelijk,’ had hij geschreeuwd. Herhaaldelijk greep hij naar de buil op zijn hoofd. Felix had hem extra stevig vast. Hij had juffrouw Annette beloofd hem niet los te laten tijdens haar rit met Bruckner in de rups. Zo stond het groepje kunstenaars keurig in rij achter het hek te wachten op de dingen die zouden komen.

Dit was zijn kans, had Anton Bruckner gedacht. Eindelijk zou hij een moment met de mooie juffrouw Annette alleen zijn. Een lang gekoesterde wens zou uitkomen, en hoe! Hij zou zelfs even in het pikke donker naast haar mogen zitten. Hij zou haar nu eindelijk durven uitnodigen om een avondje bij hem langs te komen op nummer 601. Ja, dat zou hij doen. Even later zat hij naast haar in één van de karretjes van de rups. Vreemd voor een man van tweeënzeventig, maar hij had vlinders in zijn buik. Juffrouw Annette zwaaide alvast naar haar kroost aan de kant. Langzaam zette de rups zich daarna in beweging. Door de zwaartekracht werd juffrouw Annette geheel tegen doctor Bruckner aangedrukt. Deze legde ogenblikkelijk zijn arm over haar schouder. Hij beroerde met zijn vingertoppen de bovenkant van haar borst. Juffrouw Annette probeerde op te schuiven, maar werd bij iedere bocht steviger tegen haar buurman aangedrukt. Bovendien begon de rups meer vaart te maken. De sirene klonk. De groep aan de kant was door de vaart nu nauwelijks meer te zien. Juffrouw Annette werd alsmaar steviger tegen Bruckner aangeduwd. Ze wilde dit niet. Ze voelde zich hoogst ongemakkelijk. De overkapping begon nu langzaam over hen heen te vallen. En weer die akelige sirene. Net toen de overkapping geheel over hen heen sloot zag ze in een flits haar kroost zwaaien. Terug zwaaien kon niet meer. Nu was het geheel donker en zat ze met Bruckner opgesloten. Ze rook een hinderlijke lichaamsgeur. De karretjes gierden in het rond. Juffrouw Annette gilde het uit. Bruckner maakte kreunende geluiden. ‘Ik houd u wel vast,’ riep hij. Maar dat was het nu juist. Ze vond dit niet fijn, maar ze had geen keus. Ze zat tegen haar buurman aangeplakt. Ze hoopte dat het snel voorbij zou gaan. Maar de sirene bleef maar loeien. Er scheen nog geen straaltje licht in het wagentje. ‘Ik wil u iets vragen,’ riep Bruckner dicht bij haar gezicht. Zo dichtbij, dat hij voor een moment haar wang raakte. Juffrouw Annette verstond haar buurman niet. Wel schrok ze van zijn ongewenste aanraking. Gelukkig minderde de rups vaart en verdween het doek boven hun hoofd. ‘Ik wil u iets vragen,’ riep Bruckner weer.

‘Wat wilde u vragen,’ vroeg juffrouw Annette met bevende stem. De rups was nu aan het uitrijden. ‘Ik vind alles goed, als ik hier maar uit kan,’ jammerde ze. Bruckner nam haar hand toen ze uit het wagentje stapte.

‘Ik wilde u graag uitnodigen om eens bij mij op 601 een kopje thee te komen drinken,’ hakkelde hij. Voor een ogenblik keek juffrouw Annette hem onderzoekend aan. Toen liep ze in snelle draf naar de rest van de groep.

‘Dat is goed,’ zei ze gehaast. ‘Ik zal bij u langskomen.’

‘Dank u wel, lieve juffrouw,’ antwoordde een opgeluchte doctor Anton Bruckner en hij veegde het zweet van zijn voorhoofd.


43 Huisnummer 606

Aan het einde van de galerij van de zesde verdieping op nummer 606 woonde Frau von Bingen. De Non – want zo werd ze doorgaans door het artipubliek genoemd – was de eerste bewoner van de flat. Toen jaren geleden de kunstenaarsflat in de steigers had gestaan was haar een penthouse aangeboden, maar daar had ze geen oren naar gehad. Het was haar te hoog en ook veel te groot. Uiteindelijk had ze haar intrek in 606 genomen, waar ze sindsdien teruggetrokken leefde en nauwelijks deelnam aan het sociale gebeuren. Sterker nog, de luiken voor haar ramen waren meestal gesloten.

Frau von Bingen was 81 jaar. Zij was het hiernamaals binnengekomen in het jaar1098 na de geboorte van onze Heiland. Vaak dacht ze terug aan tijden van weleer toen ze met haar vrienden in een kunstenaarskolonie woonde in het hartje van Johannesburg, toen nog een kleine nederzetting. Kleine huisjes met voor en achtertuin en vuurrode daken. Eigenlijk waren het hofjes, hofjes waar rust en schoonheid heerste. In het hart van de kolonie, omgeven door gazons en bloemtapijten, stonden een werkplaats, concertzaal en een atelier. Het geheel had iets weg van een commune. Er werd veel georganiseerd, met name concerten, exposities en Bijbelstudies. En dan waren er nog de wandeltochten en excursies. Frau von Bingen had erg heimwee naar die tijd en dacht terug aan haar vrienden die weggetrokken waren, weg uit Johannesburg. De lieflijke huisjes van de kolonie waren met de grond gelijk gemaakt om plaats te maken voor blokkendozen. Voor de kunstenaars zou nieuwe huisvesting komen in de vorm van een reuze flat aan de rand van de stad. En zo geschiedde het. Er verrees een artiestenflat, de artiflat. Zoals gezegd hadden de meeste kunstenaars na de sloop van hun onderkomens hun biezen gepakt en de stad de rug toegekeerd om hun heil te zoeken elders in de zevende hemel.

Frau von Bingen was niet direct het type dat met vijf grijze heren een dagje pretpark zou doen. Op de dag van het uitstapje bleef haar voordeur dan ook gesloten. Frau von Bingen had niets met uitstapjes. Het dagje zou volgens haar wel uitdraaien op een bezoek aan een attractiepark of kermis. De juffer van de wasserette die het uitje zou leiden was bij haar op huisbezoek geweest om haar over te halen mee te gaan. Ze herinnerde zich haar kleding, een dun gebloemd kleedje met daaronder blote benen. Het was haar soort niet. Ook haar babbel beviel haar niet. Het zou haar niets verwonderen als het om een purgatijnse ging. Ze had ervaring met dit soort volk. Kort na haar intrede in het hiernamaals had ze als godsdienstlerares in kerktenten in het purgatorium gewerkt. Nee, voor Frau von Bingen geen werelds gedoe. Dus moest ze er niet aan denken een hele dag rond te sjokken met dat zedeloze vrouwke en vijf grijze heren.

Zij had de dag van het uitstapje haar zinnen op iets anders gezet en had afgesproken met mevrouw Jackson van 205, de vrouw die zich als zangeres soms liet horen tijdens speciale diensten in de Sint-Jan Kathedraal. Ze hadden die dag vrij toegang tot de kerk. Mevrouw Jackson had een pasje. Behalve dat ze soms optrad als zangeres van moderne kerkliederen werkte ze er als vrijwilligster. Haar taak was een oogje in het zeil houden. Dit had alles te maken met het geboefte van tegenwoordig. Vooral de laatste tijd werd er regelmatig iets uit de kerk ontvreemd. Ze mocht het niet hardop zeggen maar het merendeel van de purgatijnen had ze niet hoog zitten. Een normale burgerziel zou het niet in zijn hoofd halen om relikwieën uit de kerk te ontvreemden. Het was natuurlijk van de gekke dat je de kerk niet normaal kon bezoeken, had ze Jackson horen zeggen. Op doordeweekse dagen waren de deuren soms gesloten. Er waren zelfs dagdelen dat je een kaartje moest kopen. Ze moest hier niet te lang over nadenken, anders zou ze er krank van worden. Om ook in het bezit te komen van een kerkpasje had ze zich net als mevrouw Jackson opgegeven als vrijwilligster. Ze wilde hoe dan ook regelmatig de kathedraal bezoeken.

Het moge duidelijk zijn. Frau von Bingen was een zeer godslievend persoon. Wanneer maar mogelijk liep zij de lange Boulevard Antonius af om een gebedje te doen of een dienst bij te wonen in de Sint-Jan Kathedraal. Maar onderweg op de hoek van de Kapellerlaan richting Kleine Ring en de sportwijk, had je ook nog het Antonius Kapel, al had ze vernomen dat het pittoreske Kapelletje er ook aan moest geloven en een andere bestemming zou krijgen. Vaak liep zij op met mevrouw Jackson, een zwaarlijvige vrouw waar ze zo af en toe mee omging. Zij waren de enige dames van de arti die nog aan godsdienstoefeningen deelnamen. In hun voetsporen wandelden soms de heren J.S. van 901 en Bruckner van 601 richting Sint-Jan. Maar dan had je het ook wel gehad. Het was de laatste jaren droevig gesteld met het kerkgebeuren in Johannesburg. Het gros van de kunstenaars zat liever in de kroeg. Wat dat aan ging was het een rare tijd.

Wat had ze soms heimwee naar de Gregoriaanse gezangen waarmee ze groot was gebracht en dat nog volop gezongen werd bij haar intrede in het hiernamaals. Als er nu in de kathedraal gemusiceerd werd waren het meestal wilde toccata’s van de heer J.S of nog erger het trompetspel van de donkergekleurde meneer Armstrong van 401.


44 Freddie Queen

Freddie Queen, de jongen van nummer 108 had het misselijke gevoel dat hij in de verkeerde hemel terecht was gekomen. Hij was immers niet met de leer van de Bijbel opgevoed, maar met de Avesta, de heilige geschriften van de goede god Zarathoestra. Hij had geen idee wat hij hier in het hiernamaals te zoeken had. Had meneer Zarathoestra zelf geen hemel? Freddie meende zich toch te herinneren dat in de leer van Zarathoestra toch ook iets van een Beloofde Land was beloofd. Ook leken ze hem gepest te hebben om hem zo’n klein woninkje toe te wijzen. Een hokje waarin hij nauwelijks zijn kont kon keren.

Freddie was een nieuweling op de arti, net als Miles Davis, de jazztrompettist die zijn huisje had op nummer 403. Beiden hadden in het jaar 1991 na de geboorte van de Heiland het aardrijk verlaten en beiden leken verre van gelukkig op de arti. Zij kenden elkaar van de grammofoonplaat en de compact disc. Een voordeel voor Miles was dat hij met een groter aantal vierkantenmeters wat ruimer behuisd was.

Veel was Freddie Queen niet thuis. Het benauwde hem op de flat. Een uitzondering was café de Nadorst, daar had hij het wel naar zijn zin. Met Wigbert, de barman kon hij het aardig vinden. Wat heette aardig, hij was soms helemaal gek van hem, gek van de kale barkeeper met zijn oorringetje, gulle lach en schuine moppen. Een regelrechte homo. Een kerel naar zijn hart. Echt een geile beer. Vreemd vond hij het wel dat de barman ook met meiden flirtte. Want zat hij laatst niet in het bijzijn van Freddie brutaal naar de tieten van Marie Monroe te kijken terwijl hij met hem zat te flirten en zelfs tongende bewegingen naar hem had gemaakt? Gekke vent, die Wig! Toch Wigbert had binnen de kortste keren zijn hart veroverd. Stapel gek was Freddie inmiddels op de barkeeper van de Nadorst. Ook stond hij op goede voet met zijn buurvrouw van 107, mevrouw Dietrich. Vanwege hun vaak opvallende outfit werd hij wel spottend het broertje van haar genoemd. Een vrouw uit duizenden, vond Freddie. Een vrouw met wie hij ook wel optrok en bij wie hij zelfs over de vloer kwam. Een vrouw die hem begreep. Een vrouw met wie hij gemakkelijk kon praten. Een vrouw die op dezelfde golflengte zat, om het zo maar te noemen.

Maar dat was het dan ook wel zo’n beetje. Verder verveelde hij zich rot. Hij kende zo langzamerhand de kunstenaarskliek op de arti wel. Hij nam daarom bijna dagelijks de benen naar het centrum van Johannesburg op zoek naar vriendjes. En als hij vroeg was opgestaan nam hij de slang naar Voorstad Sint-Jacoba. In deze stad stikte het van de jonge mooie mensen. Maar ook was hij te vinden in de homobuurten van hoofdstad Sint-Petrusburg. Het reizen deed Freddie goed. De hele dag op dezelfde plaats bivakkeren was niks voor hem. Hij hield er van te observeren. In zijn hart hoopte hij vurig op contacten. De kunst was om zielen die hem op het eerste gezicht aantrokken in zijn geheugen op te slaan. Deze foto’s, zoals hij de beelden noemde, probeerde hij dan ’s avonds in zijn hemelbed te bekijken om er vervolgens op los te fantaseren. Seks was zijn hobby.

Vooral de laatste tijd bezocht hij vrijwel dagelijks de buitenwijken van Johannesburg. Daar kon hij urenlang rond slenteren. Heerlijk! En daarbij kwam, dat het in de zevende altijd mooi weer was. Dus dwaalde hij in het zonnetje langs bouwterreinen waar nieuwe woningen en flats uit de grond verrezen. In de buurt van bouwputten, hijskranen en bouwketen stond hij met zijn grote bruine ogen het werkvolk gade te slaan. Stoere, gespierde, gehelmde bouwvakkers, daar was hij naar op zoek, daar hield hij van, die moest hij hebben. Weliswaar waren deze lieden allen tewerkgestelde purgatijnen, maar dat deerde hem geen fuk. Integendeel, het wond hem juist op. Doch meestal keerde hij alleen en met een leeg gevoel terug naar het articomplex aan de rand van Johannesburg.

Op het aardse had Freddie Queen bekend gestaan als seksmaniak. Maar daar was alles vanzelf gegaan. Daar hoefde hij zich niet lam te zoeken naar bedgenoten. Die waren gewoon op zijn pad gekomen. Jarenlang had hij homocafés en travestietententen bezocht en zijn bed gedeeld met tientallen jongens en mannen. In zijn sjieke appartement was het vaak een jolige boel geweest. De party’s die hij had gegeven waren meestal op regelrechte orgieën uitgelopen. Hij had gesmeten met geld. Hij had getrakteerd op de duurste champagne en de zuiverste cocaïne. En wilde men een seksje plegen dan was dit evenmin een probleem. In zijn vier met marmer opgetrokken badkamers en toiletten waren gewillige meisjes en jongens ingehuurd om zijn gasten te plezieren. Een snelle wip, een snuifje of een spuitje, je had het voor het uitkiezen.

Tijdens optredens met zijn muziekgroep Queen was hij vaak uitgedost in de meest merkwaardige kleding. Liep hij het ene moment in een strak leren broek, het andere moment was hij gehuld in bont en fluweel. En een volgende keer vertoonde hij zich met zwart gelakte nagels, balletschoentjes en nauwsluitend maillot. Niets was hem te gek, hij schreeuwde om aandacht. Een regelrechte flikker noemde men de zanger van Bohemian rhapsody, het meest beroemde lied op de aardkloot. Zwaaiende met een microfoonstandaard rende hij op het toneel van de ene hoek naar de andere. Zijn sopraanstem galmde door concertzalen en stadions.

Zoals Elvis Presley van nummertje 501 The King werd genoemd en Johann Junior van nummertje 201 de koning van de lichte muziek, was Freddie van nummer 108 de absolute Queen van de popmuziek geweest. Maar hier in de zevende hemel was hij als een pudding in elkaar gezakt. Er was weinig overgebleven van de eens zo vitale Freddie.


45 Het verhaal van Wigbert

‘Alles goed in de broek, Freddie?’ Direct nadat hij dit zinnetje had uitgesproken had hij spijt gehad. Hij had gezien hoe hij met zijn woorden Freddie Queen in de war had gebracht. Hij had hem misschien zelfs wel gekrenkt. Het gevolg van zijn ondoordachte woorden was dat Freddie overhaast zijn drankje had geledigd en met een rood hoofd en zonder een groet de Nadorst had verlaten. Godverdomme, godverdomme, had Wig gevloekt. Hoe had hij het in zijn hoofd gehaald om zoiets te zeggen. In wezen was het een onschuldig zinnetje geweest. Een zinnetje bestemd voor jongens onder elkaar. Natuurlijk, hij had allang het idee gehad dat Freddie en hij uit het zelfde hout waren gesneden en dan zeg je wel eens zoiets. Maar achteraf had het niet mogen gebeuren. Hij had hij er spijt van. Maar terugdraaien kon nu eenmaal niet meer. Het gebeurde wel vaker dat hij er onaangename dingen uitflapte. Hij kende zichzelf. Beneden op het aardse was hij een regelrechte drabber geweest. Hij had daar hij veel mensen verdriet gedaan.

Wiggie was een kind geweest uit een gezin van tien kinderen. Thuis was hij nauwelijks te houden. Op school kwam hij zelden. Zijn vader, een visser, die vaak van huis was, zat hem dikwijls achterna met een stuk hout met een spijker daarin. Ik sla je verrot en breek je poten, schreeuwde zijn ouwe heer dikwijls als hij weer eens iets uitgespookt had. Maar van echt slaan was het nooit gekomen. Schrijven en lezen leerde hij niet. Hij kon het eenvoudig niet. Maar sleutelen aan brommers en auto’s en rollebollen met meiden deed hij als de beste. Wiggie was tien toen hij al rookte en biertjes dronk.

Vanwege de leerplicht stond hij ingeschreven op een school voor moeilijk opvoedbare kinderen. Maar op deze school leerde hij alleen maar rottigheid volgens zijn ouders. Hij verhuisde van de ene school naar de andere en kwam tenslotte op een school voor bijzonder lager onderwijs. Een debielenschool, zoals Wiggie het zelf noemde. In plaats van lessen te volgen trof je hem aan op de roltrappen van een nieuw warenhuis in het centrum van de grote stad. Op de speelgoedafdeling stal hij klappertjes voor zijn schietgeweer. Vanaf zijn twaalfde hoefde hij geen onderwijs meer te volgen. Hij kreeg een baantje in de keuken van een patatzaak. Nog geen jaar later werd hij wegens joyriding door de politie thuisgebracht. Zijn moeder huilde van schaamte. Het was toch niet niks, de politie aan de deur. En wat moesten de buren daar wel niet van denken. Zijn vader zocht intussen naar het stuk hout met de spijker. Daarna ging alles nog sneller bergafwaarts. Wiggie vergreep zich aan de kas van de patatbaas en weer kwam de politie aan de deur. In een leegstaand schoolgebouw fabriceerde hij een slaaphoekje, sleepte er een matras naar toe en neukte iedere middag het debiele meisje van de overkant.

Een lichtpuntje in ontwikkeling en opvoeding van Wiggie leek zijn fascinatie voor de catechisatie lessen. De wekelijkse lessen op de dinsdagavond waren voor het hele gezin een rustpuntje in de chaos. Even geen zorgen over Wiggie die nu een paar uur in goede handen was. Reeds twee uur voor aanvang zat hij keurig gekapt en gewassen aan de tafel in de huiskamer met zijn Bijbeltje voor zich in afwachting op de klok van half zes. Daarna stond hij op, nam eerbiedig zijn Bijbeltje van tafel en sprong bij vader achterop de fiets die hem naar het Rehoboth-gebouwtje bracht dichtbij de kerk aan de andere kant van de stad. De officiële catechisatie les begon om zeven uur. Omdat Wiggie nauwelijks kon lezen en ook slecht kon onthouden ontving hij een uur privéles van jeugdouderling meneer Thiemese. Want ook Wiggie zou een kind van onze Lieve Heer moeten kunnen worden was het oordeel van de ouderling.

De Bijbelmeneer had meestal lekkers mee en ze zaten op de grote bruine ribfluwelen bank, die eigenlijk bestemd was voor de jeugdsoos van zaterdagavond. Ze dronken blikjes frisdrank, aten chips en koekjes en praatten over koetjes en kalfjes. Totdat meneer Thiemese op een zekere dinsdagavond zijn hand op de gulp van Wiggie’s korte corduroy broek legde en hem vroeg of hij al een grote piemel had en of hij hem dan ook even mocht zien. Wiggie had het best geil gevonden en ging graag op de avances van de jeugdouderling in. Hij liet meneer Thiemese zijn gang gaan als deze zijn korte broek omlaag schoof. Hij was trots als zijn Bijbelvriend hem vertelde hoe mooi en hoe groot hij zijn piemel wel niet vond. En ook pakte meneer Thiemese Wiggies hand en duwde hem naar binnen in zijn geopende gulp. En zo geschiedde het dat ze voortaan iedere dinsdagavond vlak voor de catechisatie les het zaad uit hun piemel trokken. Toen het godsdienstseizoen afgelopen was en meneer Thiemese opgesloten in het gevang zat was er met Wiggie nog minder te beginnen dan voorheen. Hij vergooide zijn jonge leven met seks, drugs en drank. Toen hij een hanenkam liet groeien, zijn lichaam met tatoeages liet versieren en in zijn tepels ringetjes liet schieten noemde zijn vader hem een kind van de duivel. Op zijn achttiende verdween hij uit het zicht van zijn ouders.

Vijf jaar later, kort voor zijn vierentwintigste, stond Wiggie breed en bruinverbrand, zijn haar keurig in een scheiding, weer op de stoep van zijn ouderlijk huis. Hij droeg een uniform van het Leger des heils en had verkering met Herbert Jan, een onderwijzer. Zijn ouders en de gehele buurt waren met stomheid geslagen en men dacht aanvankelijk aan een grap of een carnavalsstunt. Maar niets daar van. Wiggie was bekeerd en hij had God en zijn vriend Herbert oneindig lief. Op kerstavond werden de twee geliefden tijdens het zingen onder een grote kerstboom op het plein in het centrum van de grote stad, vlak voor het warenhuis waar Wiggie jaren geleden op de roltrap had gespeeld en klappertjes had gestolen, aangevallen door gemene jongens met knuppels die niet gediend waren van homoseksuelen, heilsoldaten en uniformen. Herbert Jan was weten te ontkomen, maar Wig lag die kerstnacht met een kapotgeslagen schedel in het hospitaal. De volgende dag had hij de geest gegeven en was verhuisd naar het purgatorium. Maar ook in het hiernamaals had Wiggie zijn kont geroerd en tijdens de inmiddels beruchte purgatijnse opstand was hij één van de duizenden geweest die had weten te ontsnappen.

In het hiernamaals werkt Wigbert als barkeeper in het huiscafé van de artiflat. Hij woont op de begane grond in een piepklein kamertje met als enige meubilering een stapelbed en twee nachtkastjes. Hij woont er samen met huismeester Gerrit Smit, eveneens purgatijn. Het is behelpen, maar alles was beter dan dat verdomde tentenkamp. Bovendien heeft hij geluk dat Johannesburg bestuurd wordt door burgemeester mevrouw moeder Teresa die oogluikend illegalen tot de stad toelaat.

Op het moment dat Wig dit alles overdacht kreeg hij van Pablo Picasso van nummer 801 de opdracht een rondje uit te delen. Tegelijkertijd zag hij tot zijn grote vreugde dat Freddie Queen na een lange afwezigheid het café was binnengestapt.


46 Het hemelbed

Als je bij Freddie Queen op nummer 108 zijn miniappartementje zou binnenstappen, zou je mond openvallen van verbazing. Allereerst was daar de entree, een piepklein halletje behangen met spiegels tot aan het plafond. Vervolgens trad je doormiddel van een opstapje de woonkamer binnen… maar niet heus! Je stapte namelijk direct in Freddie’s bed. Jazeker! Freddie had zijn woonkamer omgebouwd tot hemelbed. Van wand tot wand van halletje tot keuken lagen matrassen, dekbedden en tientallen kussens. De woonkamer was Freddie zijn speelplaats, zijn walhalla. Klein, maar hij had er het beste van gemaakt. Hij was de enige op de arti die zijn living omgetoverd had tot slaapvertrek. Er waren wel momenten, vooral als hij zich goed voelde, dat Freddie zich als een klein kind gedroeg en over zijn bed rende, luchtsprongen maakte, handstanden en koprollen.

Nu was het vroeg in de avond. Het was even na acht uur. Lusteloos lag hij in een berg kussens in een hoek van zijn hemelbed. Freddie was somber gestemd. Wezenloos lag hij naar het plafond te staren. Zijn gedachten waren bij Wig, de barkeeper van café de Nadorst. De man op wie hij verliefd was. De man naar wie hij lichamelijk snakte. De man die zo sterk geleek op Winnie, één van zijn relaties op het aardse, toevalligerwijs eveneens barkeeper van beroep. Zou hij straks de Nadorst even binnen wippen? Misschien zou hij opknappen en het lusteloze gevoel verdwijnen.

Soms in één van zijn geile buien probeerde Freddie zijn oude vriend Winnie met zijn grote grijnzende kale kop voor de geest te halen. Zo sterk was de gelijkenis dat hij de barkeeper van de Nadorst al verschillende keren met Winnie had aangesproken. Geruime tijd geleden − hij woonde nog maar kort op de arti − toen hij als enige bezoeker aan de bar van de Nadorst stond, had Wig hem plotseling gevraagd: Alles goed in de broek, Freddie? Hij herinnerde zich hoe rood hij was aangelopen en hoe snel hij zijn glas leeg had gedronken om vervolgens het café in allerijl te verlaten. Was de uitlating van Wigbert een grap geweest, had hij zich afgevraagd, had hij hem voor de gek gehouden, of was het een regelrechte uitnodiging? In zijn flatje aangekomen had hij zich wel voor zijn kop kunnen stampen. Waarom was hij niet gebleven? Waarom was hij niet op zijn vraag ingegaan? Zo verlegen was hij nu ook weer niet. Hoeveel van dat soort gelijke opmerkingen had hij in de aardse homobars niet gehoord? Eigenlijk had hij Wig direct na zijn wonderbaarlijke opmerking mee moeten sleuren naar zijn hemelbed en hij zou hem toegeschreeuwd hebben: Ja alles is goed in mijn broek en in de jouwe!!? Ze zouden gerollebold hebben, gestoeid, en gevreeën. Ze zouden ongegeneerde seks gehad hebben. Maar dat was allemaal achteraf gelul geweest. Zeker een paar weken na Wigs’ opmerking had hij de Nadorst gemeden. In plaats daarvan was hij heviger dan ooit op zoek gegaan naar minnaars van de straat. Maar in vijfennegentig van de honderd gevallen keerde hij doodmoe en in zijn uppie huiswaarts. Moederziel alleen trok hij zich avond en avond terug in zijn tot hemelbed omgetoverde kamertje.

Maar vandaag had hij een sterke drang om weer eens een bezoek aan het café. Hij had zin om zich te bezatten en voelde zoals gezegd een ongelooflijke heimwee naar Wig. Hij wilde hem zien. Hij zou er dan van alles aan doen om in de gunst van de barkeeper te komen. Hij wilde zijn blote bast voelen. Ja, hij zou hem verleiden. Hij zou er voor zorgen dat Wigbert zich aan hem vergreep. Hij zou tot sluitingstijd blijven zitten en hem mee lokken naar 108. Zou hij zijn buurvrouw Marlene Dietrich vragen om met hem mee te gaan? Bedacht hij zich nu. Hij was dan in ieder geval verzekerd van een gesprekspartner en drinkmaatje. Net als hij dronk zij enkel champagne. Bovendien had ze hem kortgeleden aangespoord om vooral niet thuis te blijven zitten kniezen. Ja, dat zou hij doen. Hij zou zijn buurvrouw vragen mee te gaan. Freddie sprong op uit zijn ruststand en nam het trapje naar de vide. Ondertussen hief hij met onvervalste kopstem een lied aan. Boven rommelde hij in zijn kledingrek op zoek naar een geschikt uitgaanstenue.

Op een dag -hoelang alweer geleden-  was buurvrouw Marlene Dietrich bij hem aan de deur gekomen. Zij had zich zorgen gemaakt over zijn gedrag van de laatste tijd en zijn afwezigheid op de arti. Ze was daarom poolshoogte komen nemen. Zij was tenslotte blokhoofd van de eerste, en voelde zich verantwoordelijk voor de bewoners van haar galerij. Was er iets waar zij hem mee kon helpen? Even later hadden zij in de kussenberg van zijn hemelbed gelegen. Hij had haar verteld over zijn innerlijke drama’s, zijn drang naar vriendschap, zijn heimwee naar de jongens van de band en naar zijn fans op het aardse. Hij had haar verteld over Winnie en zijn andere vrienden. Over zijn gevoelens voor Wig had hij gezwegen. Het had niet lang geduurd en hij had als een kleine jongen op haar borst liggen snikken. Toen hij na wat borrels tot rust was gekomen kwamen de verhalen. Het bleek dat hun aardse leven veel gelijkenissen kende. Als kind hadden beiden muzieklessen gehad, Marlene viool, Freddie piano. Zij waren zelfs een beetje klassiek geschoold geweest. Als jonge mensen hadden ze beiden de kant van hun eigen geslacht gekozen, al was Marlene van beide kanten. Zo was Freddie een vaste klant in homobars, Marlene was een regelmatig bezoekster van lesbische bars. Beiden hadden  travestietenclubs bezocht. Freddie had de pers regelmatig bestookt met het zinnetje: Ik ben een door en door seksueel persoon. Marlene verklaarde meerdere malen tijdens interviews: Ik vrij met iedereen die ik aantrekkelijk vind.

Beiden waren welgesteld geweest. Beiden hadden gul aan goede doelen gegeven. Beiden waren ook in het bezit geweest van waardevolle kunstwerken. Zo hadden er aan de wanden in het huis van Freddie Franse impressionisten gehangen. Marlene was in het bezit geweest van schilderijen van zowel Cezanne als Delacroix. Werd Marlene soms schertsend de best geklede man van Hollywood genoemd, Freddie had zich vermaakt in ballet pakjes, gelakte nagels en zware make-up. De twee hadden natuurlijk ook tegenstrijdigheden gekend. Freddie was een regelmatig gebruiker van cocaïne, Marlene verafschuwde alles wat met drugs te maken had. Zij gebruikte liever een aspirientje. Freddie had zich als sterveling de laatste jaren nauwelijks in het openbaar laten zien. Maar liefst vijf jaar had hij verzwegen dat hij besmet was met de ziekte der ziektes. Marlene, die twee maal zo oud als Freddie was geworden, had zich de laatste jaren evenmin veel laten zien. Eén van haar laatste interviews had zij gegeven naar aanleiding van de hereniging van haar vaderland Duitsland. Zij vertelde hoe groot haar geluk geweest was. Jaren eerder had zij het Duitse volk tegen zich gekeerd gekregen door haar woorden: Ik was een Duitse, maar ik weigerde mezelf een supporter te noemen van een land waarin dergelijke gruweldaden werden bedreven. De tranen die ik vergoten heb over Duitsland zijn gedroogd. Ik heb mijn gezicht gewassen… Tot diep in de nacht waren de twee in het hemelbed gebleven. Met betraande of gesloten ogen hadden zij hun verhalen gedaan. Ze hadden gelachen, gehuild en elkaar gekust. Maar ook hadden ze minutenlang zwijgend hand in hand gelegen. En waren tenslotte als broer en zus in slaap gesukkeld.

Om half negen die avond belde Freddie aan bij zijn buurvrouw op 107. Marlene verscheen in de deuropening met in de ene hand een glas en in de andere een pijpje met sigaret. Ze keek Freddie onderzoekend aan, nam een trekje van haar sigaret, schraapte haar keel en zei: ‘Wat een verrassing, het ene stuk is nog de deur nog niet uit of het andere stuk meldt zich. Kom binnen, lekker ding.’ Ze leek Freddie dronken. Maar hij aanvaardde haar uitnodiging en trad voor Marlene langs haar woninkje binnen. ‘Vertel het eens, liefje,’ zei ze toen ze even later tegenover elkaar zaten en inmiddels het glas hadden geheven.

‘Ik wilde je vragen of je zin had om vanavond mee te gaan naar de Nadorst,’ antwoordde Freddie. Hij voelde zich een kind dat zijn moeder vraagt om met hem naar de film te gaan. Marlene scheen na te denken. Ze nam haar buurman even van top tot teen op. God, wat een verschil met de bruine jongen van zo net, dacht ze. Jammer dat ze niks aan hem had. De homoseksualiteit droop van de jongen af. Een leuke vent, dat zeker, maar verder kon ze het wel schudden. Ze moest toch maar weer eens een mannetje van haar leeftijd polsen om iets met haar te ondernemen. Pablo van 801, bijvoorbeeld. Daar had ze vaker meegedaan. O my God, wat miste ze op dit moment een kerel.

‘Dat is goed liefje, maar geef me nog een ogenblikje,’ antwoordde ze. ‘Ik moet me even omkleden, oké? Ga jij alvast maar, hou een plaatsje vrij. Bestel maar wat lekkers voor me. Je weet wat ik drink hè?’ Ze stond op en gooide in één teug haar glas achterover. Freddie wist niets anders te doen dan ook op te staan en eveneens zijn glas te ledigen. Je redt het verder wel, hè?’ zei Marlene en knikte naar de voordeur.

‘Ja, ja,’ antwoordde Freddie een beetje geïrriteerd. ‘Ik red het verder wel, tot straks.’

‘Tot zo, liefje.’


47 Het koffertje van Anton

JUFFROUW ANNETTE EN DOCTOR ANTON BRUCKNER

‘Daar ben ik dan,’ groette juffrouw Annette toen ze die avond klokslag acht in de deuropening van appartement nummer 601 stond. Het was een week na het uitstapje met de bewoners van de zesde etage naar Worldpark in Voorstad Sint-Jacoba, de Bloemenstad. Een allesbehalve gemakkelijk reisje, daar Robert Schumann van 603 die dag zo erg in de war was geweest, en ook nog eens een ongeluk met de botsautootjes had gehad. Ook had ze nog menigmaal de rondrit in de rups voorbij zien gaan met de man die nu voor haar stond. Ze herinnerde zich zijn opdringerigheid. Zijn lichaam tegen het hare. Zijn arm om haar schouder. Zijn onaangename lichaamsgeur. Zijn gezicht bij het hare… Waarom had ze dan toch met hem afgesproken? Doctor Anton Bruckner maakte een hoffelijke buiging naar zijn gast in de deuropening. ‘Welkom,’ zei hij. Met een sierlijke armzwaai nodigde hij Annette uit om binnen te treden. Hij keek naar haar benen. Aan de wand van de ruime hal hing een groot donker schilderij met het hoofd van een weinig vrolijk kijkende man met zwarte baret.

‘Uw vader?’ vroeg juffrouw Annette.

‘Richard Wagner,’ antwoordde Bruckner.

‘O die, zei Annette.’ Maar ze had geen flauw benul wie hij was.

‘De meester aller meesters. Hij woont in Sint-Petrusburg, ergens hoog in de Toren van Babel.’ Bruckner ging haar voor naar de woonkamer. Een donkere grote kamer waar Annette op het eerste gezicht weinig kon onderscheiden. Een lucht van dikke gordijnen, tapijten, stof en sigarenrook trad haar tegemoet. Zo erg, dat dit alles op haar keel sloeg en ze voor een ogenblik naar adem moest happen. In het midden van het vertrek stond een grote ruwe rechthoekige donkerbruine houten tafel met aan weerskanten zes stoelen met hoge ruggen en houtsnijwerk. Aan de wand hingen schilderijen met bedroefde hoofden, waaronder nog een keer de meneer van uit de hal. Verder Mariabeelden en verschillende versies van Jezus aan het kruis. Echt gezellig kon ze het niet vinden. Haar gastheer nodigde haar uit te gaan zitten aan de grote tafel. Op de tafel rustte een indrukwekkende grote lederen Bijbel met gouden scharnieren, met daarop een asbak vol sigarenpeuken. Doctor Bruckner ontstak een paar kaarsen die het geheel spookachtig maakte. Daarna nam hij plaats tegenover haar. ‘Fijn dat u er bent,’ zei hij zacht. Annette knikte.

‘Ik vind het ook wel leuk,’ antwoordde ze. Nieuwsgierig keek ze om zich heen. De benauwde lucht deed haar denken aan een bejaardentehuis.

‘U belieft misschien een kopje thee?’ Bruckner was er bij gaan staan. Juffrouw Annette keek in zijn ronde gezicht met kale schedel. Naar zijn grijze kostuum met duidelijke vlekken in het kruis. Zij deed hem denken aan vroeger op het aardse. Zij deed hem denken aan dingen waar ze liever niet meer aan dacht.

‘Ja, alstublieft, lekker een kopje thee.’

‘Komt er aan,’ zei Bruckner vrolijk. In de keuken hief de componist luid een lied aan. Juffrouw Annette kon niet volgen of het inderdaad om een lied ging of dat het zomaar een improvisatie betrof. In ieder geval zong hij vanuit zijn tenen. Hij geneerde zich geenszins. Integendeel, hij zong alsof de hele artiflat hiervan getuige moest zijn. Toen hij even later al zingend met een dienblad weer tevoorschijn kwam, zei hij: ‘Herkent u het?’ Juffrouw Annette haalde haar schouders op en schudde van nee.

‘Ik dacht dat u zo maar iets zong.’

‘Zomaar iets zong, zomaar iets zong,’ antwoordde Bruckner plagerig. ‘Dat was het beginthema uit mijn vierde symfonie, de romantische. De beroemde hoornsolo, weet u wel. Ik zong dit speciaal voor u. Hoe vindt u dat!’ Hij zette het dienblad midden op tafel en bediende Annette met haar thee. Daarna nam hij weer plaats tegenover haar en bleef haar geruime tijd strak zitten aankijken. Een beetje eng, vond juffrouw Annette. Ze wist zich maar moeilijk een houding te geven. Binnen een mum van tijd zat ze met een vuurrood hoofd. Met terneergeslagen ogen roerde zij in haar thee. Kon ze niet beter opstaan, hem bedanken voor de thee en vertellen dat ze niet gediend was van zijn brutale blik? Bruckner stak een sigaar op. Tegelijkertijd wuifde hij de rook rond zijn hoofd alle kanten uit.

‘Ik weet niet veel van symfonieën,’ zei ze tenslotte. Ze had het benauwd. Ze wilde hier zo snel mogelijk weg. Ze had het idee dat de man iets van haar wilde. Iets waar ze helemaal geen zin in had. Zij voelde zijn ogen al geruime tijd op haar lichaam.

‘Lieve kind,’ antwoordde doctor Anton Bruckner, geneer je niet. Zelfs hier op de arti zijn er zielen die zich alleen maar met de vijfde symfonie van Beethoven bezig houden. Nou, die kennen we zo langzamerhand wel, vind je niet? Maar er zijn meer hondjes die Lodewijk heten…’ Bruckner haperde en onderbrak zijn eigen betoog. ‘Ach, wat klets ik toch. Wij zijn hier immers niet om over muziek te praten. Kijk eens wat een schoonheid hier tegenover mij zit.’ Hij keek naar haar borsten. ‘Ik dank God, dat u mijn nederige woning bent binnen getreden, lieve juffrouw.’

Terwijl hij dit zei, dacht hij aan het koffertje in de gangkast. Het koffertje dat hij nu toch eens eindelijk wilde openen. Hij zou de juffrouw tegenover hem naar zijn wensen en verlangens willen aankleden. Ja, dat wilde hij. Dat wilde hij al zo lang en nu had hij dus zijn kans en die wilde hij niet voorbij laten gaan. Zou hij de mooie juffrouw zo ver krijgen om enkele van zijn favoriete kledingstukken aan te trekken en speciaal voor hem te dragen?

‘De vijfde symfonie van Beethoven, die ken ik wel,’ zei juffrouw Annette een beetje opgelucht. ‘Die hebben we ooit op school behandeld. Mooi, heel mooi vond ik dat.’ Natuurlijk, dacht Bruckner, het lieve kind heeft op school gezeten. Wat zou hij haar als meisje graag gekend willen hebben. In gedachten zag hij haar in schooluniform, een pakje met rokje en kniekousjes. Oh heerlijkheid der heerlijkheden!

‘U heeft op school gezeten?’ vroeg Bruckner verstrooid. Maar hij kon zich gelijk wel voor het hoofd slaan om zoiets doms te vragen. Juffrouw Annette keek hem niet begrijpend aan. ‘Wat een stomme vraag,’ verbeterde de musicus zich snel. ‘Natuurlijk heeft u op school gezeten. Wie heeft er nu niet op school gezeten, ha ha ha ha ha…’ Tijdens zijn lachsalvo stond hij op en liep met vastberaden tred naar de hal om terug te keren met een klein bruin lederen koffertje dat hij demonstratief voor juffrouw Annette op de tafel zette. De zware Bijbel schoof hij terzijde. ‘Misschien wilt u mij een plezier doen, lieve juffrouw,’ zei Bruckner, terwijl hij het koffertje opende. ‘Zou u zo vriendelijk willen zijn om eens te kijken of er iets van uw gading tussen zit?’ Vervolgens spreidde hij verschillende kledingstukken voorzichtig, al zouden deze breekbaar zijn, uit over de grote tafel en vouwde deze zorgvuldig in vorm. Even later lagen er jurkjes, rokjes, hemdjes, slipjes, sokjes en wat al niet meer. Juffrouw Annette keek haar ogen uit. Wat gebeurde hier. Was die man wel goed bij zijn hoofd? Bruckner stond met de handen in de zij als een koopman achter zijn kraam. Zijn wangen hadden inmiddels wat kleur gekregen.

Het gebeurde wel meer dat hij zijn koffertje tevoorschijn haalde en de jurkjes, rokjes en broekjes voor hem uitspreidde. Puur voor zijn plezier, puur voor de opwinding. Geblokte rokjes en matrozen jurkjes. Hij streek erover en lispelde lieve woordjes. Hij kon zijn fantasie zo manoeuvreren dat hij meende dat de jurkjes tot leven kwamen en er meisjes in zag. Meisjes van vlees en bloed met kniekousjes en strikjes in het haar. Hij gaf ze zelfs namen en was lief voor hen. Hij speelde zijn spel, waarna hij zijn meisjes tenslotte besproeide…

Juffrouw Annette keek van de meisjeskleding op tafel naar het verhitte gezicht van Anton Bruckner en weer terug. ‘Ik zou het zeer op prijs stellen indien u een jurkje zou willen uitkiezen en dat voor mij zou willen aantrekken. Ik zal u hiervoor uiteraard rijkelijk belonen.’

‘Moet dat nu echt,’ vroeg Annette gepikeerd. ‘Maar daar zijn de jurkjes veel te kinderachtig voor. Daar voel ik me absoluut niet in thuis.’ Terwijl ze dit zei, keek ze naar de deur. Ze was bang voor de man die daar achter de tafel jurkjes en rokjes glad stond te strijken en haar daarbij glazig aan zat te kijken. Hij zou haar rijkelijk belonen, wat bedoelde hij daar mee? Wilde hij haar kopen. Wilde hij echt betalen voor haar? ‘Ik moet daar over nadenken, meneer Bruckner,’ vervolgde ze, terwijl ze opstond. Misschien een andere keer.

‘Meneer, meneer, niks geen meneer, noemt u me alstublieft Anton.’ Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd.

‘Ik moet nu echt gaan,’ zei juffrouw Annette gehaast. Ze maakte aanstalten om naar de deur te lopen.

‘Waarom zo snel,’ antwoordde Anton Bruckner. ‘U bent hier nog maar net.’ Hij liep naar haar toe en nam haar bij de arm. ‘U bent toch niet boos? Ik bedoel het is maar een spel.’ Plotseling voelde juffrouw Annette medelijden met haar gastheer. Ze keek in zijn rode bezwete gelaat. Van binnen moest ze ook lachen omdat hij daar stond met een onderbroekje in zijn hand waarmee hij herhaaldelijk het zweet van zijn voorhoofd veegde. Waarom misgunde zij hem zo’n onschuldig pretje, bedacht ze zich. Zou ze toch nog even blijven en één van de jurkjes voor hem aantrekken? Hoe lang was het alweer geleden dat ze een man als Bruckner buiten zinnen had gekregen? ‘Weet u wat,’ zei Bruckner plotseling heel gedecideerd. Ik nodig u uit om morgenmiddag de opening van de Mariafeesten in Mozestown bij te wonen. Ik heb nog een extra kaartje. Ik smeek het u. Gaat u alstublieft met mij mee.’ Bruckner keek haar hoopvol aan. Het zweet gutste nu van zijn gelaat. Van het onderbroekje had hij een propje gemaakt dat hij nu knedend van de ene hand naar de andere liet gaan. ‘Ik kan u verzekeren dat wij een ereplaatsje hebben.’ Juffrouw Annette leek te twijfelen. Vol medelijden keek ze naar de grote kleine man van de zesde etage. Hij stond als een verlegen schooljongen voor haar. Wat zou ze doen? Ze was morgen vrij, de wasserette zou op de eerste dag van de Mariafeesten gesloten zijn. Dus enig vertier kon geen kwaad. Maar moest dat met deze merkwaardige man? Voor een moment schoot haar het figuur van de donkere man van nummer 111 haar voor de geest, Otis Redding. Wat zou ze graag met hem iets ondernemen. Of met de sympathieke roodharige schilder meneer Van Gogh van 704, die haar hier naar de arti had gebracht. Ze vond hem een aardige man. Iemand waar ze het absoluut goed mee zou kunnen vinden.

Natuurlijk, zij had het vernomen. Het beloofde wat. Een ieder sprak er over. Het openingsconcert in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Er zouden ook artibewoners optreden. Ze had het gelezen. Meester Bach van 901, Franz Schubert van 804 met de zangeres Maria Callas van 302. En ook zouden de Dames van de Derde optreden. Wat leek het haar leuk om dit koortje eens te horen. Er gingen zelfs geruchten dat de heilige maagd aanwezig zou zijn. Wie zou dit niet mee willen maken? En daar zou juffrouw Annette, een purgatijn, getuige van kunnen zijn? Moest ze deze kans voorbij laten gaan? Ze keek in het vragende gezicht van Bruckner. De man moest wel in een hoog aanzien staan dat hij in bezit was van twee toegangsbewijzen. Voor gewone zielen waren de toegangskaarten onbetaalbaar. Louter hooggeplaatste zielen zouden de kathedraal in Voorstad Sint-Jacoba bevolken.

‘Goed,’ zei juffrouw Annette tenslotte. ‘Komt u mij morgenmiddag in de wasserette ophalen.’ Toen ze even later het trappenhuis naar beneden liep ontdekte juffrouw Annette in haar jaszak een enveloppe. Met vriendelijke groet, Anton, stond er in keurig recht handschrift. Even later op haar kamertje trof ze maar liefst vijf briefjes van honderd zilverlingen in de enveloppe. Een tijdlang bleef ze naar het geld staren. Toen fluisterde ze: ‘Een horloge, eindelijk een horloge.’


48 Hunkering

Men sprak er liever niet hardop over, maar wat was men nieuwsgierig naar de afkomst van de sympathieke beheerster van de wasserette en sinds kort ook actief als activiteitenbegeleidster. Wat was de achtergrond van juffrouw Annette, door sommige bewoners spottend als dienstmaagd betiteld. Haast onderdanig gedroeg zij zich tegenover de artibevolking. Waarom was zo’n zachtaardige vrouw niet direct in het hiernamaals gekomen. Waarom eerst in het purgatorium? Er moest iets met haar verleden aan de hand geweest zijn. God was toch absoluut goedertierenheid, dat was algemeen bekend.

Men kende intussen het verhaal over haar intrede op de arti. Hoe de kunstschilders Van Gogh van 704 en Lautrec van 211 haar naar Johannesburg hadden gebracht. Aan een ieder die het horen wilde hadden zij in geuren en kleuren verteld over de bevrijding van juffrouw Annette. Hoe ze haar, gehuld in een blauw werkmanspak met haar bezemkarretje op een stoeprand, huilend aangetroffen hadden in het centrum van de hoofdstad, nabij de rode molen. Vanwege het petje dat ze had gedragen, hadden de twee kunstenaars aanvankelijk gedacht dat het om een manspersoon ging. Ze vertelden hoe de onbekende vrouw snikkend haar verhaal had gedaan over haar dochtertje Pientje en over haar afschuwelijke onderkomen in een troosteloos gebouw. Was dit nu het hiernamaals? had ze met betraande ogen aan de twee kunstenaars gevraagd. Ze hadden zeer met haar te doen gehad, vooral toen de jufrouw met horten en stoten vertelde over de omstandigheden van haar werk en het wonen in het bruine gebouw aan de rand van Sint-Petrusburg.

Het enige waar juffrouw Annette op dit moment op de arti mee tobde was haar kleine behuizing. Een paar metertjes links en een paar metertjes rechts. Eigenlijk had het optrekje niets met een woning te doen. Van huiselijkheid was geen sprake. De meubilering bestond slechts uit een bed, een tafel en twee stoelen. Als enige versieringen waren daar het portret van haar Pientje aan de wand en een groenboeketje op tafel bijeen geplukt tijdens één van haar avondwandelingen in het veld achter de arti of geplukt uit het bruidsboeket, het bloemenperk voor de flat.

Toch was juffrouw Annette iedere dag blij met de dageraad. Zodra de zon zich liet zien verhuisde ze naar de wasserette, wandelde ze naar haar domein. Daar had ze de ruimte, daar kon ze zich fatsoenlijk bewegen, daar voelde zij zich thuis. Wat was ze blij met haar bedrijfje. Een geschenk uit de hemel, had meneer Van Gogh eens schertsend gezegd. Behalve klanten, kwamen er de laatste tijd ook wel zielen die gezellig kwamen buurten. Bewoners die voor een babbeltje kwamen en een kopje thee meedronken. Wat voelde zij zich groots als men haar aansprak met mevrouw Annette.

Steeds vaker kwam ook Otis Redding van nummer 111 naar de wasserette. Een enkele keer met een zakje wasgoed, maar meestal gewoon voor de gezelligheid. Je kon er de klok op gelijk zetten. Rond half elf hoorde juffrouw Annette zijn slepende voetstappen. Inmiddels herkende zij zijn tred en het kleppende geluid van zijn slippers. Aan alles was te merken dat zij verheugd was hem te horen aankomen. Zo keek ze meestal vanaf tien uur regelmatig op de klok en bekeek ze zich herhaaldelijk in het spiegeltje. Hij zou zo direct weer voor haar staan, de verlegen donkere man in zijn glimmende korte blauwe sportbroekje en zijn rode poloshirt. De man met de gitzwarte ogen en bruin gespierde benen. Praten deden ze weinig, kijken naar elkaar des te meer. Het was aan alles te merken dat de twee elkaar graag zagen.

Juffrouw Annette herinnerde zich nog de eerste keer dat Otis, in plaats van een zakje wasgoed zijn gitaar had meegenomen. Met gebogen hoofd, zonder dat hij haar had aangekeken, had hij, haast met gebroken stem een liefdeslied gezongen. Zijn zang en gitaarspel hadden haar hart doen smelten. Het was een ochtend geweest om nooit te vergeten en zij had hem aangemoedigd om zijn gitaar vaker mee te nemen. En zo gebeurde het. Vrijwel iedere morgen rond de klok van elf zong Otis Redding juffrouw Annette toe in haar wasserette. Van een afspraakje was het echter nog niet gekomen. Zij had trouwens het idee dat hij daar te verlegen voor was. Dus als er iets ondernomen moest worden zou zij het initiatief moeten nemen.

In de vroege avond, na het sluiten van de wasserette maakte juffrouw Annette meestal een wandeling door het heuvelland, de velden achter de arti. Hoe vaak droomde zij niet dat ze dit ooit zou doen met de man die alsmaar in haar gedachten zat. Samen met Otis haar bovenbuurman van 111. Ze had zich vaak voorbereid om hem eens te vragen haar te vergezellen. Maar telkens was daar het uitstel. Ze had er eenvoudig het lef niet voor.

Verliefd, ja zeker. Maar er haperde iets. Want waar was het warme gevoel dat bij de liefde hoort. Waar waren de vlinders, de rode wangen en de slapeloosheid? Niets van dit alles. Ze vond de zanger leuk. Maar andere gevoelens ontbraken. Als ze hem zag, als ze naar zijn gezang luisterde waren er gevoelens in haar hoofd en niet in haar buik. Bezat ze dan geen lichamelijke liefde voor deze man, vroeg ze zich dan af. Waar was de hunkering naar lichamelijk contact? Soms schrok ze bij de gedachte dat ze de liefde had afgeleerd. Dat haar lichaam was uitgeblust. Bij deze afschuwelijke vermoedens huiverde ze. Want wat zou ze moeten als Otis haar wilde beminnen?


49 Extravagant

‘Wat komt daar nou aanzeilen,’ fluisterde Wolf von Goethe van nummer 902 toen Freddie Queen van 108 die avond rond de klok van acht de Nadorst binnen kwam wandelen. ‘Het wordt met de dag gekker,’ vervolgde de spreker. ‘De ene idioot is nog maar net weg en de andere doet zijn intrede.’ Met die ene idioot, doelde de spreker op Miles Davis van nummer 403 die zo juist in beschonken toestand het café had verlaten. De vier hoge heren, J.S. van 901, Amadeo Mozart van 904, Frederik Händel van 703 en Wolf von Goethe, gezeten aan het tafeltje bij het biljart schoten in de lach. Ze lachten om de zojuist binnengekomen Freddie Queen. Hij had zijn lippen geverfd en zijn ogen gezwart. Onder een dikke bruine bontjas staken zijn benen in donkere pantykousen. Aan zijn voeten droeg hij halfhoge laarsjes.

‘Het lijkt warempel wel een meidenkind’, merkte Amadeo op. Gevolg gegrinnik. De vier zielen aan de bar, Marie Monroe van 102, Frank Zappa van 101, Vincent van Gogh van 704 en de heer Lautrec van 210, staakten hun gesprekken. Ze keken nieuwsgierig naar Freddie die een beetje hulpeloos bij de ingang bleef staan. De twee aan het tafeltje in het uiterste hoekje, Pablo Picasso van 801 en Alma Mahler van 305, schenen zich niet te bekommeren om de binnenkomst van Freddie. Met de handen in elkaar gestrengeld probeerden de twee elkaar te veroveren. Zo af en toe nipte Pablo van zijn cognacje en zoog Alma van haar sjuderans.

‘Je maakt hier nog eens wat mee,’ zei Frederik Händel. Hij zette zijn stoel recht om de nieuwe gast beter te kunnen aanschouwen.

‘Het lijkt hier wel een modeshow,’ grapte Mozart. Hij lachte luid om zijn eigen opmerking. De andere drie aan zijn tafeltje lachten uit beleefdheid mee.

‘D-dat is Freddie, fluisterde Marie Monroe naar haar buurman.

‘Vertel mij wat,’ antwoordde Frank.

‘Ken je die dan ook? vroeg Marie verwonderd.

‘Kom verder, Freddie,’ riep Wigbert joviaal naar de man die nog steeds bij de entree stond. ‘Welkom in deze nederige herberg.’ Zonder zijn jas uit te trekken stiefelde Freddie naar de bar. Hij nam plaats op de kruk waar een paar minuten geleden Miles Davis had gezeten. ‘Champagne?’ vroeg Wig aan zijn nieuwe gast. Hij gaf hem een veelbetekende knipoog.

‘Twee graag,’ bestelde Freddie. Hij had een kleur van Wig zijn knipoog gekregen en ook vanwege zijn merkwaardige bestelling.

‘Twee? Toch geen problemen, lieverd?’ vroeg Wig die nu met zijn ellebogen op de bar leunend voor hem ging hangen. Freddie ontweek de blik van de kale barman. Geef nou maar wat te drinken, dacht hij en zit me niet zo aan te gapen.

Om kwart over acht verscheen mevrouw Marlene Dietrich van nummer 107 in de deuropening van de Nadorst. Ze bleef even staan en keek in het rond. In het café werd het voor de tweede keer die avond stil. Alleen Wigs stereo klonk in de verte. In verband met de aanwezigheid van de hoge gasten had Wig de radio op de Klassieke Fruitmand gezet. Alle ogen waren gericht op de oude dame. Een ieder vergaapte zich aan haar opvallende outfit, aan haar lange rok met split, aan haar overhemd met colbertjasje, aan haar hoge hoed, het netje over haar gezicht en haar vuurrode lippen. Nog een ogenblik stond ze daar tentoongesteld, toen nam ze haar hoed af en liep resoluut naar het tafeltje van Pablo Picasso van 801 en Alma Mahler van 305. Met de handen in de zij bleef ze het stel voor een moment gadeslaan. Toen zei ze op een gemaakt vriendelijke toon:

‘Zo, Pablo, een nieuwe aanwinst, hapt ze al toe?’ Ze keek bij haar woorden de vrouw tegenover hem minachtend aan. Het overkwam hem niet vaak. Maar nu zat de schilder met een mond vol tanden. Het was aan alles te zien dat hij pissig was over haar opmerking.

‘Dag mevrouw Dietrich,’ zei hij toen kalm. ‘Kom er bijzitten.’ Hij schoof een stoel in haar richting.

‘Mag ik voor de eer bedanken,’ antwoordde Marlene met dubbele tong. Zij maakte een kleine buiging. Ze was duidelijk aangeschoten. ‘Ik kom je enkel een goedenavond wensen.’ Vervolgens draaide zij zich om en liep richting bar. Marlene leek duidelijk in haar wiek geschoten. Na haar mislukte date van die middag met de bruine zanger Otis Redding van nummer 112 had ze haar zinnen gezet op een man van haar eigen leeftijd. Al zou dat niet meevallen. Zij was met haar eenennegentig jaar één van de oudste bewoners van de artiflat. Mannen die in aanmerking kwamen waren leeftijdgenoten de heer Dali van 404 met zijn zesentachtig jaar en de tweeënnegentig jarige Pablo Picasso, met wie ze wel eerder had gerollebold. Hij stond hoog op haar lijstje. Ze leek daarom lichtelijk teleurgesteld dat hij op dit moment aanpapte met Alma Malher. Moest ze toch maar weer eens haar vleugels naar een vrouw uitslaan? Mmmm…

‘Zo dronken als een tor,’ fluisterde diezelfde Picasso naar zijn tafeldame.

‘Veel geluk met jullie samenzijn,’ riep Marlene het stel nog toe. Bij het tafeltje van de vier hoge heren bleef de oude dame voor een moment staan. Bach schoot blijkbaar ongewild in de lach. ‘Neemt u mijn niet kwalijk,’ verontschuldigde hij zich met een rood hoofd. ‘Moeilijkheden, meneer J.S.?’ vroeg Marlene.

‘In het geheel niet,’ antwoordde de verbouwereerde kerkmusicus. ‘Nogmaals mijn excuses.’ De zielen rond zijn tafeltje grinnikten binnensmonds. Marlene nam ze stuk voor stuk vluchtig op.

‘Die heeft em zitten,’ fluisterde Händel naar zijn buurman Amadeo.

‘Als een kanon zo dronken,’ fluisterde deze terug.

‘Een prettige voortzetting heren,’ zei Marlene en waggelde richting bar. De vier heren barstten in lachen uit.

Freddie Queen had haar al een paar keer gewenkt. Hij maakte aanmoedigende drinkbewegingen en wees naar het volle glas dat naast het zijne stond. ‘Gaat u maar gauw zitten,’ verwelkomde Wig haar. ‘Wilt u misschien eerst een kopje koffie?’ Marlene keek de barkeeper een beetje neerbuigend aan, zette haar hoed op de bar, stroopte haar handschoentjes uit en zei:  ‘Het is bijna half negen liefje, de koffietijd zit er op. Bovendien heeft mijn vriendje al iets lekkers voor mij laten neerzetten.’ Ze hees zich vervolgens moeizaam op de barkruk naast Freddie Queen. Voorlopig negeerde zij haar buurman. Enkel een knikje, meer niet. Ze had meer belangstelling voor het stelletje aan de overkant van de bar, Marie Monroe en Frank Zappa.

‘U bent hier nieuw?’ riep ze naar Frank Zappa.

‘Gister gestorven,’ lachte deze. ‘Ik ben nog warm.’

‘Zeg m-maar heet,’ flapte Marie er uit terwijl ze hem in zijn bovenbeen kneep. Daarna proestte ze het uit.

‘Stoute meid,’ riep Marlene en ze dacht die heeft het getroffen met die snor.


50 Goede voornemens van Vincent

Half negen. Met een half oor luisterde Vincent van Gogh naar de giechelende gesprekken naast hem. Aan het andere oor had hij jeuk. Het oor irriteerde hem. Het leek alsof hij er de laatste tijd meer last van had. Zusje had hem al eens voorgesteld om er iets aan te laten doen. Er reed per slot niet voor niets iedere maand een busje naar het Sint-Lukas. Hij kon dan eindelijk ook eens iets aan die bek vol bruine tanden laten doen, al zag hij daar godsgruwelijk tegenop. Op het mededelingenbord in de hal stond dat het busje morgenvroeg de artiflat zou aandoen.

Toen Vincent van Gogh in het jaar 1890 na de geboorte van onze Heiland het hiernamaals was binnen geloodst had hij net als iedere nieuweling een bezoek gebracht aan het Sint-Lukashospitaal. Daar hadden ze zijn longen schoongeveegd. Hij hoorde een broeder nog lachend aan hem vragen: zullen we u ook een oor aannaaien. Maar Vincent had zijn halve oortje best sexy gevonden. Dus hij had hiervoor bedankt. Aan zijn lijf geen polonaise. Maar de laatste tijd begon zijn oortje hem toch flink te irriteren.

De blonde stoot naast hem, juffrouw Monroe, aan wie hij zich vanmiddag verlekkerd had, was al ver heen. Hij had ze niet geteld maar ze had toch zeker een flink aantal borreltjes op. Zeker al een uur zat ze te flikflooien met de nieuweling met de snor die vanmiddag de Nadorst was binnen komen wandelen. Hij vond het wel leuk zo’n verliefd stel bij hem in de buurt. Zelf was hij ook verliefd. Verliefd op Zusje, zoals hij haar gewoonlijk noemde, het zangeresje en enthousiast lid van het koortje de Dames van de Derde. Eigenlijk heette zij Laverne.

Vincent liet zich van de kruk glijden en liep naar het toilet. Hij moest zijn hoofd een beetje helder zien te krijgen na al die glazen wijn. Hij had er goddomme wel vijf op, of waren het er nog meer? Hij had het niet bijgehouden. Zusje hield er niet van dat hij zoveel dronk. Drank geeft alleen maar ellende had zij hem dikwijls gezegd. En zij kon het weten, want zij kwam uit een milieu waar kwistig met alcohol was omgegaan. In de spiegel keek hij naar zijn rooie kop. Met beide handen gooide hij water in het gezicht. Hij vroeg zich af waarom hij hier de hele middag had zitten drinken en onbenullig zitten ouwehoeren. Waarom was hij niet het veld ingegaan om een nieuw werk op te zetten. Waarom was hij niet met Zusje naar de Bloemenstad gegaan? Waarom gunde hij zijn vriendin niet een pleziertje. Hoe vaak had ze hem de laatste tijd niet gevraagd om weer eens de slang te nemen naar Voorstad Sint-Jacoba? Hoe gelukkig had ze niet gekeken toen ze laatst het Wordpark hadden bezocht. Hij herinnerde zich haar lachende gelaat tijdens een rondje in de zweef en het intieme moment in de rups waar hij haar even flink tegen zich had aangedrukt. Hoe gulzig had ze niet in de suikerspin gehapt! Maar Vincent van Gogh moest zo nodig de godganse middag zitten pimpelen in de Nadorst. Bah, hij walgde van zichzelf.

Hij ontblootte zijn tanden en vond eigenlijk dat Zusje wel gelijk had. Een zootje ongeregeld. En had ze ook niet een keer gezegd dat hij uit zijn straatje riekte? Nee, hij moest hier echt iets aan laten doen. Hij was verliefd. Hij wilde haar voor geen goud kwijt. Hij krabde aan zijn halve oor en bedacht zich plotseling dat hij Zusje zou verrassen door morgen in het busje te stappen.

Hij moest er trouwens ook goed uitzien op de Dag des Heren. Stel je voor dat de Heiland hem persoonlijk wilde begroeten. Vincent van Gogh was tenslotte de zoon van een predikant geweest. Het schaamrood steeg hem naar de kaken als hij terugdacht aan een paar dagen geleden toen hij met Lautrec aan de bar van de Nadorst gekkigheid had gemaakt over Johannes 2 waar Jezus water in wijn laat veranderen. Ze hadden de Heer keihard uitgelachen. Op het aardse had hij de kerk eveneens verwaarloosd. Daar dacht hij zo nu en dan nog aan terug. Hij had nog maar net het ouderlijk huis verlaten of hij had de kerk de rug toegekeerd. Het kon niet anders of hij had de schepper veel verdriet gedaan. Ook in het hiernamaals was hij op dezelfde voet doorgegaan. In Johannesburg had hij slechts één keer de kerk bezocht. Dit was alweer een paar jaar geleden toen J.S. van 901 zijn dertigste lustrum in het hiernamaals had gevierd en voor de stad en vrienden van de arti in de Sint-Jan Kathedraal een orgelconcert had gegeven. Van de orgelmuziek had hij niet zo genoten, daarentegen was hij onder de indruk geweest van Louis Armstrong van 401 die naast het orgel trompet had gespeeld. Vincent had niet veel verstand van muziek, maar dat trompetspel van zwarte Louis zou hij nooit meer vergeten.

Heel in de verte, achter de muurtjes van de toiletten hoorde hij de Dames van de Derde. Het koortje oefende in het pianokamertje. Ze hadden een extra repetitie voor de Dag des Heren. Ook Zusje was van de partij. Hij had dan wel niet zo veel verstand van muziek, maar hoorde wel dat ze een mooie stem had. Hoe vaak had hij al genoten van haar zang tijdens de afwas in de keuken en ’s morgens vroeg tijdens het baden. Zusje zong bijkans de gehele dag. Hij had wel eens schertsend tegen haar gezegd dat ze met haar gezang een geschenk uit de hemel was. Een warm gevoel bekroop hem als hij nu zijn meisje voor de geest haalde. Hij droogde zijn gezicht met een aantal servetten en wierp nog een blik in de spiegel. Ja hij zou Zusje verrassen. Hij zou morgen het busje nemen. Hij zou zijn oor laten repareren en zijn bek laten reinigen en het desnoods laten vervangen door een nieuw gebit.

Het zou nog zeker een half uur duren voordat hij zijn geliefde zou zien. Hij had weinig zin om nog een half uur aan de bar te hangen naast zijn vriend Lautrec en het verliefde stelletje. Hij beliefde geen wijn of koffie meer en slap uit zijn nek lullen had hij al de hele dag gedaan. Zou hij nog even naar zijn flat gaan? Als hij morgen weg wilde moest hij nog zijn tasje inpakken. Het kon best zijn dat hij een nachtje in het hospitaal zou moeten blijven. Vincent twijfelde.

Voorzichtig opende hij de deur die toegang gaf naar de lange gang met de deuren naar het winkeltje van de huismeester, de hal en het pianokamertje. Het gezang werd nu plotseling luider. Het was donker in de gang. Vincent zocht naar een lichtknopje. De streep onder de deur van het pianokamertje gaf enigszins licht. Hij sloop naar de deur. Kakelende stemmen, gelach en dan weer gezang. De deur was dicht. Het gezang was nu plotseling heel dichtbij. Wat klonk het allemaal verrekte mooi. Heel voorzichtig opende hij de deur op een kier.

Daar stonden ze in rij, de Dames van de Derde. Vincent huiverde. Zeven mooie vrouwen. En wat zongen ze mooi. Hij had hij een prachtig zicht op ze. Hij had moeite om zich te beheersen. Het liefst had hij op dat moment de deur opengegooid en hen toegejuicht. O heerlijke wezens! Kijk hoe mooi zijn vriendin daar ook stond. Stuk voor stuk nam hij de zeven vrouwen op. Hij keek naar hun benen en borsten. Hij keek naar de gezichten en luisterde naar hun gezang. Hij raakte verhit en voelde een hevig verlangen. Hij merkte dat hij zweette. Maar hij kon zich hier toch niet aan hen verlustigen. Grote god, wat was hij aan het doen. Heer vergeef het mij, lispelde hij. Voorzichtig liet hij zich op zijn knieën vallen en knoopte zijn broek los. Hij voelde een ontzettende drang om iets te ondernemen. Kijk toch eens hoe mooi ze zijn, fluisterde hij. En voor de tweede keer die dag bevredigde Vincent van Gogh zich voor de deur van het pianokamertje.


51 Nannie en Fannie

Terwijl het in de Nadorst alsmaar drukker werd maar de stemming jammer genoeg te wensen overliet, werd er in het pianokamertje aan de achterzijde van het winkeltje van huismeester Smit druk gerepeteerd door het vrouwenkoortje de Dames van de Derde. Zeven bewoonsters van de derde etage. De klassieke zangeres Maria Callas van nummer 302, de actrice Lucy Ball van 304, componiste en dirigent Alma Mahler van 305, pianiste Nannie Mozart van 306, componiste Fannie Mendelssohn van 307, beeldhouwster Camille Claudelle van 308 en zangeres Laverne Andrew van 309, de vriendin van de schilder Van Gogh van nummer 704, die haar gewoonlijk Zusje noemde.

Was ist Silvia saget an, werd er nu onder handen genomen, een liefdeslied van Franz Schubert, speciaal voor de Dames van de Derde gearrangeerd voor tweestemmig vrouwenkoor. Maar ook gezang 117 Hoe zal ik u ontvangen werd gerepeteerd. Het prachtige gezang dat door de componist Igor Stravinsky van 802 speciaal was gearrangeerd voor de Dag des Heren.

Maria Callas, de vaste vriendin van Franz Schubert van 805 had verreweg de mooiste stem van het zevental. Maria zong de solopartijen, nam het voortouw bij het instuderen van nieuw repertoire en leidde het inzingen en de stemoefeningen. Zij werd beschouwd als de leidster van de zanggroep. Met uitzondering van mevrouw Alma Mahler. Deze ergerde zich aan de autoriteit van Maria Callas.

Alma vond dat zij, gezien haar muzikale verleden als componiste, dirigente en ex-echtgenote van één van de grootste componisten op het aardse, best wat meer zeggenschap over het koortje mocht hebben. Ook pleitte Alma voor uitbreiding van het koortje met dames van andere etages. Uitbreiding zou het koortje meer power geven. Ze had dit al verschillende keren onder de aandacht gebracht. Zo hadden de buurtjes Billie Holiday, Edith Piaff, en Mahalia Jackson van respectievelijk de nummers 203, 204 en 205, al verschillende malen laten weten ook bij de Dames van Derde te willen toetreden. En van hogere etages kwamen er eveneens geluiden van dames die mee zouden willen zingen: Mevrouw George Sand van nummer 406 en ook de naar het scheen zeer muzikale Klaartje Wieck van 507. Maar Callas wilde hier voorlopig niets van weten.

Wij dragen niet voor niets de naam de Dames van de Derde, was haar antwoord als Alma daar naar vroeg. De intimiteit van het koortje mocht niet in het geding komen. Alma zei het niet vaak hardop, maar ze vond Maria Callas soms een vervelende en arrogante vrouw. Maria scheen er zelf niet mee te zitten. Natuurlijk voelde ze onvrede bij Alma. Maar ze liet zich niet intimideren.

Vooral de laatste tijd was Maria Callas in goede doen nu ze had besloten, indien zij hiervoor van hoger hand toestemming zou krijgen, haar intrek te nemen bij haar geliefde Franz Schubert. Wat wooncomfort zou dit een hele vooruitgang zijn. Immers van de derde naar de achtste was een hele sprong. Maar gezien haar stand hoorde ze ook zeker thuis in de hogere regionen. Op het aardse had ze in de meest luxueuze omgevingen vertoefd en samengeleefd met de allerrijksten. Haar vriend Franz had haar beloofd dat mocht de verhuizing doorgaan, zij de muziekkamer tot haar beschikking zou krijgen, inclusief piano. Wie weet zouden de Dames van de Derde wel hun repetities in zijn appartement kunnen houden. Dat zou een geweldige vooruitgang zijn in vergelijking met het benauwde pianokamertje op de begane grond. Bovendien was Franz een uitstekend pianist en zou het koortje kunnen begeleiden.

Vijf minuten over half negen. Buiten schemerde het. Op het moment dat Vincent van Gogh met een verhit gezicht zijn broek dicht knoopte en aanstalten maakte om zich naar zijn appartement te begeven om voorbereidingen te treffen voor de busreis van morgen naar het Sint-Lukas, probeerde de sopraanzangeres Maria Callas voor de zoveelste keer aan Lucy Ball uit te leggen dat ze tijdens het zingen niet van die kinderlijke bewegingen moest maken en dat ze ook de snappende vingers achterwege moest laten.

‘Dit is een serieuze kwestie, Lucy,’ liet Maria Callas haar telkens weer weten. ‘Dit is geen amusement, lieve meid.’ Ook liet de adem- en zangtechniek bij Lucy te wensen over. Lange noten moest ze proberen vast te houden in het middenrif. ‘Adem eens diep in, lieve Lucy,’ vroeg Maria vriendelijk. En terwijl Lucy grinnikend gehoorzaamde plantte de leidster haar handen in haar de zij om te voelen of de adem inderdaad vastgehouden werd. ‘Houd vast, lieve meid,’ vervolgde Maria. De overige dames luisterden aandachtig. Zij hadden respect en bewondering voor de donkerharige sopraan. Alma Mahler vond de aanwijzingen overdreven. Bovendien vond ze dat Lucy Ball in het geheel niet bij het koortje paste. Ze had een hese stem, bewoog zich kinderachtig en kon amper van blad zingen. Alma begreep niet wat ze in het koortje te zoeken had.

Twee koorleden die wel aandachtig luisterden naar de opmerkingen en aanwijzingen van hun leidster waren Nannie Mozart en Fannie Mendelssohn. Deze twee dames waren tijdens de repetities en uitvoeringen zeer betrokken en vormden de ruggengraat van het koortje.

Nannie en Fannie waren op de derde etage elkaars directe buurtjes. Bovendien waren zij hartsvriendinnen. Zij stonden met optredens en repetities steevast naast elkaar en zo nu en dan, zonder dat zij er erg in hadden, hand in hand. Commentaar kregen zij hier niet of nauwelijks op. Een ieder wist dat de twee bij elkaar hoorden. Een ieder wist dat zij een zelfde geheim met zich meedroegen. Het geheim van hun broeders.

De broers van de zussen dus. Ze woonden ver boven de derde. Felix, de broer van Fannie op nummer 602, en Amadeo, ook wel door zijn zusje Wolfje genoemd, op 904. Hoge pieten dus. Alsof zij vreemden waren, zo gedroegen de superbroers zich tegenover hun zussen. Het leek alsof zij op hun zussen neerkeken. Als ze elkaar tegenkwamen kon er niet meer af dan een kort knikje. Gelukkig hadden de meisjes steun aan elkaar. Vrijwel iedere avond ontmoetten Fannie en Nannie elkaar. De ene keer bij Nannie thuis, de andere keer bij Fannie. Ze spraken soms tot diep in de nacht over hun verleden, over muziek, over kunst en over hun broers. Soms werd het zo laat dat ze bij elkaar bleven slapen en in bed verder praatten. Dan kropen ze tegen elkaar aan, hielden elkaar vast en soms was daar de lichamelijke liefde met zoekende handen en hartstochtelijke kussen totdat ze uiteindelijk tevreden in slaap vielen.

Vaak trof je de twee in het centrum van Johannesburg waar zij hun vaste winkeltjes hadden. Ook maakten ze wel eens een dagtripje naar de Bloemenstad, waar zij in één van de pretparken hun vertier zochten. Musiceren deden ze eveneens samen. Zo af en toe huurden zij het pianokamertje af. Kortom, de twee waren onafscheidelijk. Slechts één geheim kende hun relatie, en wel een heel bizar geheim, het geheim van Fannie. Zij was namelijk hopeloos verliefd op de broer van Nannie. Als Nannie weer eens vertederend over hem sprak, soms met tranen in haar ogen, hing zij aan haar lippen.

Het moge duidelijk zijn, het verlangen van de zussen was groot naar een normaal contact met hun broers. Nannie had wel eens de stoute schoenen aangetrokken en bij huisnummer 904 aangeklopt. Haar broer Amadeo had haar met grote ogen aangekeken en gevraagd wat zij beliefde. Ik ben je zus, had zij gezegd, zie je dat niet? Natuurlijk, had hij schaterlachend geantwoord. Hier in het hiernamaals is iedereen broeder en zuster. Wilt u niet even verder komen voor een kopje thee? Daarna had ze hem door haar tranen heen met overslaande stem voor de tweede keer toegeschreeuwd: Wolfje, ik ben Nannie, je zusje! Daarna was ze snikkend en overstuur terug naar het trappenhuis gehold en in de armen van Fannie uitgehuild. Was haar broer nu echt vergeten hoe zij ooit samen achter de pianoforte hadden gezeten. Was hij vergeten hoe zij met vader van stad naar stad waren getrokken om concerten te geven? Was hij het allemaal kwijt dat zij als kinderen elkaar achterna hadden gezeten en tikkertje hadden gespeeld rond de grote tafel in de mooie kamer van moeder? Hadden zij elkaar niet getroost als vader boos was geweest wanneer zij niet voldoende gestudeerd hadden? Wist hij niet meer hoe ze met Nannie haar poppen over het klavier hadden gedanst en daar liedjes bij hadden verzonnen? Was hij zijn zusje dan helemaal vergeten?

Met Fannie was het niet anders. Ook zij herinnerde zich de dierbare momenten die zij met haar broer Felix van 602 had doorgebracht. En ook zij kon onmogelijk contact met hem krijgen. Hoe was het toch mogelijk geweest dat hij haar zonder een blik te gunnen voorbij was gelopen toen zij elkaar nog niet zo lang geleden tegen waren gekomen op weg naar de wasserette? Hoe kon hij vergeten zijn dat ze als kind iedere dag samen gespeeld hadden in de grote tuin achter het huis. Hoe ze achter het klavier muziek hadden bedacht bij de Midzomernachtdroom, het verhaal van meneer Shakespeare? Wist hij nog wel hoe ze samen languit op de vloer in de huiskamer hadden gelegen en onder toezicht van mama de mooiste tekeningen hadden gemaakt? Was hij vergeten hoe zij hem getroost had als hij weer eens huilend thuis was gekomen nadat hij door straatjongens was bespuwd en voor vuile jood was uitgescholden? Wist hij dan niets meer van hun vriendschap?

En zo speelde zich iedere dag een klein drama af op de derde etage van de artiflat in Johannesburg.


52 Maandelijks ongemak

Om half twaalf die avond verliet Wolf von Goethe de Nadorst. ­Hij was blij dat hij weer buiten stond. De hele avond in een kroeg rondhangen was niets voor hem. Hij keek op zijn horloge. Twee uur had hij er doorgebracht. Zonde van de tijd! Natuur­lijk, hij was in goed gezel­schap geweest. De heren Bach en Händel waren uitstekende gesprekspartners en geen kleine jongens, evenmin als Amadeo Mozart, al kwam deze wat kinderlijk over. Maar wat had er ook een schorriemorrie gezeten. Sodeju, wat hij zich geërgerd aan figuren als het blonde delletje van de eerste etage. Hij wist zo één-twee-drie niet eens haar naam… ach ja, Monroe, Marie Monroe. Een onmogelijke naam. Hij kreeg het haast niet uit zijn strot. En dan dat heerschap met snor en sikje dat naast haar had gezeten en zo nodig in het bijzijn van een ieder constant met zijn fikken aan haar moest zitten. Had Wigbert de barkeeper daar niet iets van kunnen zeggen? Wat een onfatsoenlijke hufter had hij hem gevonden. Maar beste Wolf, sprak hij zichzelf nu toe, je bent toch niet jaloers op dat kereltje? Een paar uur eerder had hij de man al bij de lift gezien. Dat was op het moment dat hij Gerrit Smit de huismeester opdracht had gegeven de lift te reinigen omdat ander schorem er in gebraakt had. Wat had hij zich vanavond ook geërgerd aan madame Dietrich, die dronken het café was binnengestapt en zich zo nodig moest laten gelden door haar ordinaire bek open te trekken en allerlei onzin uit te kramen. En dan ook nog dat geile homokereltje, dat achteraf een vriendje van haar bleek te zijn. Nee, wat dat aanging had hij vanavond niet veel plezier gehad aan zijn bezoek aan de Nadorst.

Gulzig zoog hij nu de avond­lucht in zijn longen. Daar knapt een mens van op, mompelde hij terwijl hij een sigaret opstak. Het was een prachtige avond. Hij keek naar boven, naar de inktzwarte lucht met zijn ontelbare sterren. Eén van deze sterren was het aardrijk, stelde hij vast. Hij maakte van zijn hand een kijker en tuurde naar de zwarte oneindigheid. Hoe had de schepper dit alles toch geflikt! Hij schudde zijn hoofd en bleef voor een moment onbewogen staan. Eigenlijk had hij nog geen zin om naar huis te gaan. Waarom nog niet even een blokje om? Hij voegde de daad bij het woord en stak het pleintje over en volgde het grind­pad dat zich slingerend richting het bruidsboeket bewoog. Achter hem lag nu de artiflat. Goethe bleef even staan. In vrijwel alle tweeënzeventig appartementen brandden nog licht. Ze doen maar, mompelde hij. Met de handen diep in de zakken slenterde hij vervolgens naar de Boulevard Antonius richting centrum.

Gezien het late tijdstip was het opvallend druk. Groepjes kwebbelende burgerzielen kwamen hem voorbij en liepen hem tegemoet. Zo te horen werd er flink gediscussieerd. Ach ja, voldoende stof om over te praten, sprak Wolf in zichzelf. Morgen zouden de Mariafeesten plaatsvinden. En dan had je natuurlijk ook nog de geruchten rondom de Dag des Heren. Geruchten die op dit moment zo hevig waren dat men er bijna van uitging dat de Heiland ieder moment zou kunnen verschijnen. Wolf vond het allemaal wel goed. Als ze hem maar met rust lieten. Weinig kans trouwens dat je hem morgenmiddag bij het concert in de Onze-Lieve-Vrouwekerk zou aantreffen. Zijn toegangsbewijs had hij aan doctor Anton Brucker van 601 gegeven, een man die zweerde bij Maria, God en orgelklanken. Wolf von Goethe ging liever iets anders doen, de slang nemen naar Sint-Petrusburg bijvoorbeeld. Zich laten opnemen in de massa.

Op het bankje aan de rand van het bruidsboeket, in de volledige duisternis rustte hij even uit. Hoe snoof de bloemengeur op. Onbekenden passeerden hem. Soms werd hij gegroet. Goethe stak een nieuwe sigaret op. Hij merkte dat zijn handen beefden. Hij had zich trouwens de hele avond al een beetje vreemd gevoeld. Het was een bekend gevoel. Het overviel hem zo’n één keer in de maand. Hij noemde het zijn maandelijkse ongemak. De oorzaak zat hem in de vrouwtjes. Deze zieltjes  bezorgden hem om de zoveel tijd een haast ontembare geslachtsdrift. Hij had nu wel een grote mond over dat vrouwtje Monroe gehad, maar het meisje kon hem botergeil maken. Eerlijk is eerlijk, verschillende keren had hij haar richting uit gekeken. Hij had gekeken naar haar borsten en gehoopt op een blik tussen haar benen. Maar ja, het was zijn soort nu eenmaal niet. Afblijven dus. Vrouwtjes als Monroe kwam je genoeg tegen in de steegjes rondom de molen in het centrum van Sint-Petrusburg. Dus als hij perse iets wilde kon hij daar naar toe. Wie weet zou hij morgen gaan. Hij had zin, erg veel zin.

En dan was daar nog mevrouw Alma Mahler geweest, een prachtige vrouw en volgens hem ook goed bij de pinken. Een vrouw die absoluut bij hem zou passen. Al geruime tijd had hij een oogje op haar. Hij had echter nog niet de moed gehad om haar eens aan te spreken en haar bijvoorbeeld voor een kopje thee uit te nodigen of voor een wandeling door het heuvelland achter de arti. Nu zat ze in de Nadorst tegenover de grote versierder van nummer 801, de kunstschilder Picasso. Goethe baalde. Waarom had hij deze avond met een stel kerels doorgebracht, in­ plaats van met een mooie vrouw?

Hij dacht terug aan zijn liefdesleven op aarde. Aan de tijd dat hij zich als jongeman van amper zestien vrijwel iedere avond in het uitgaansleven had gestort en als een volwassen man achter de meisjes had aangezeten. Hoeveel vrouwen had hij wel niet bemind? In gedachten probeerde hij ze voor de geest te halen: Lieve kleine Kätchen, Friederi­ke, zijn liefste Lotte, Lili, Charlotte, zijn vrouw Christianne, Minna, Marianne, Ulri­ke… Er verscheen een tevreden trek om zijn mond. Ja, wat dat aanging had hij het op de aardkloot naar zijn zin gehad.

‘Lieve kleine Kätchen,’ zei hij plotseling hardop, zodat hij er zelf van schrok. In gedachten zag hij het kleine blonde meisje druk in de weer in de herberg van haar vader. Hoe dikwijls had zij hem niet tijdens het opdienen van de maaltijd zogenaamd per ongeluk aangeraakt. Hoe mooi was haar lach, hoe klein haar borstjes, hoe teder haar kusjes. Tranen biggelden over zijn wangen. ‘Lieve kleine Kätchen,’ riep hij weer. Wat nu, vroeg hij zich af, ga ik hier een potje zitten grienen?

Resoluut stond hij op. Maar na een paar stappen was daar een ander bankje. Vermoeid nam hij wederom plaats en stak weer een sigaret op. Stapelgek was hij ook op Lili geweest, de zestienjarige beeldschone blondine, het meisje waar hij zich zelfs mee verloofd had. Wat had hij een plezier met haar beleefd. Wat had ze hem met haar ontembare hartstocht gek weten te maken. Goethe rilde. Het leek alsof hij haar nageltjes weer in zijn rug voelde, haar tongetje in zijn nek. Hij had nooit een andere vrouw meegemaakt zoals hij bij Lili orgasmen had weten op te wekken door enkel aan haar tepeltjes te zuigen. Wat een warmbloedig kind was zij geweest.

Von Goethe had altijd iets gehad met jonge meisjes. Hij was reeds bejaard toen hij de zeventienjarige Ulrike het hof maakte. Hoe vrolijk, hoe opgewonden had het lieve kindje hem weten te krijgen. Wat een geluk had hij gekend als Ulrike voor hem op zijn schrijftafel zat en hem overlaadde met kneepjes en kusjes. Niks geen grootvadergevoel, bij haar had hij zich een jonge kerel gevoeld. Was het in de wereldgeschiedenis eerder voorgekomen, had hij zich dikwijls afgevraagd, dat een tweeënzeventigjarige man het met een meisje van zeventien hield?

Maar wat had hij vanavond toch. Wat was er met hem aan de hand. Waarom was hij zo sentimenteel? Waarom marcheerden zijn meisjes vanavond allemaal voorbij? Hij schudde zijn hoofd en wierp met een wild gebaar zijn sigaret in de struiken. Niet meer aan denken, mompelde hij, terwijl hij moeizaam opstond. Hij snoot zijn neus en droogde zijn tranen. Hij had nog steeds geen zin om naar huis te gaan. Maar waar moest hij naar toe op dit uur? Wachtte er thuis nu maar een gewillig vrouw­tje op hem. Een vrouwtje die hem zijn lusten kon bevredigen, een vrouwtje gelijk aan Kätchen, Lili of Ulrike…

Het werd hoog tijd voor een bezoek aan Sint-Petrusburg bedacht hij zich terwijl hij aan zijn geslacht voelde. Ja dat zou hij doen, besliste hij op dat moment. Hij zou morgen een bezoek brengen aan de meisjes achter de rode molen. Hij zuchtte diep, duwde zijn lid in een goede positie en wandelde op zijn dooie akkertje richting arti. Daar aangekomen bespeurde hij nog volop roerigheid. Het café was zo te zien nog aardig vol. Men was natuurlijk in de ban van de aankomende feestelijkheden rond Maria en de komst van haar zoon in Johannesburg. In ieder geval had men stof genoeg om te ouwehoeren en rondjes uit te delen. Hij vond het allemaal best. Goethe nam plaats op een bankje op het terras achter de flat onder een olijfboom. Vermoeid stak hij voor de zoveelste keer die avond een sigaret in de brand, keek omhoog en links en rechts opzij, en bromde: ‘Als een dief in de nacht.’


53 God komt!

Het hing al geruime tijd in de lucht en toch was het als een bom ingeslagen. God zou komen. Vanaf het balkon van het raadhuis aan het Plein van de Hemelse Vrede had burgemeester mevrouw moeder Teresa het nieuws aan haar burgerzielen medegedeeld. Van de steden die zich kandidaat gesteld hadden was Johannesburg als uitverkorene uit de bus gekomen. De stad had al vaker geprobeerd de Dag des Heren naar zich toe te trekken, doch tot dan toe tevergeefs. Maar nu was het dan zo ver. Wanneer hij precies zou komen was onbekend. God kennende, maakte dit niet openbaar. Hij zou als een dief in de nacht verschijnen. En wie er precies zou komen, de vader of de zoon, was evenmin bekend. Maar dat boeide niet. Hij kwam, en dat was het belangrijkste.

Toen mevrouw de burgemeester het nieuws aan de Johannesburgers bekend had gemaakt was het feest in de stad. Zielen waren spontaan in elkaars armen gevallen. Onbekenden hadden elkaar geknuffeld, gekust en gefeliciteerd. Even leek het alsof er sprake was van hysterie. Van allerlei slag waren zielen aan het dansen geslagen. Prijs de Heer, werd er van alle kanten geroepen, Hoe zal ik u ontvangen, werd er gezongen. Uit de straatluidsprekers hadden psalmen, kyrie’s en gloria’s geklonken. Muziekkorpsen waren uitgerukt. Kerkklokken hadden gebeierd. Op hoeken van straten en pleinen werd brood en wijn uitgedeeld. Vuurwerk werd ontstoken. De stad was in rep en roer. De hel leek losgebroken. Iedereen leek gek van vreugde. Tijden was het niet zo gezellig geweest in het centrum van Johannesburg. Op sommige plaatsen raakte men zo verhit dat onlusten dreigden. Maar vriendelijke ordebewaarders wisten op tijd oververhitte feestgangers uit elkaar te drijven. Zover bekend waren relletjes uitgebleven. Al met al werd het een dag van uitzinnige vreugde, een dag om nimmer te vergeten. Johannesburg was uit haar dak gegaan. Aan de burgerzielen werd gevraagd hun beste beentje voor te zetten en alle medewerking te verlenen om van de Dag des Heren een onvergetelijke dag te maken. De Dag zou plaatsvinden in Johannesburg. Halleluja! Wie had dat gedacht. Eindelijk zou men de kans krijgen om oog in oog met de Heiland te komen staan.

Zodra het gemeentebestuur de verzegelde enveloppe met aankondiging in ontvangst had genomen werden de verschillende wijkraden en blokhoofden bijeen geroepen. Het was de oude dame, burgemeester mevrouw moeder Teresa zelf die de festiviteiten zou coördineren, zij zou de leiding en eindverantwoording op zich nemen. Een ieder was zich bewust dat er nog veel moest gebeuren voor de stad klaar was voor de ontvangst van de Heiland. Handen uit de mouwen dus. Er was geen tijd te verliezen. De Heer zou in één oogopslag moeten zien dat Johannesburg het pareltje van het hiernamaals, de zevende was.

Samen met haar Schriftgeleerden stelde de burgemeester een plan van aanpak op. Er werden diverse commissies in het leven geroepen. Een commissie voor pleinen en straten, een commissie voor groenvoorzieningen, een commissie voor orde en gezag en een commissie die opdrachten zou verstrekken aan kunstenaars om de stad meer aanzien te geven. Gedacht werd aan beelden, het oppimpen van gebouwen en een nieuw muziekwerk voor het Johannes Philharmonic Orchestra. Vormgevers kregen opdracht een logo te ontwerpen voor vlaggen, petjes en T-shirts met de beeltenissen van Johannes en de Messias. Het logo zou dan tevens gebruikt kunnen worden voor straatversieringen, pers, en wat al niet meer.

Het kwam voor mevrouw de burgemeester ook goed uit om nu eindelijk eens haar stokpaardje van stal te halen om de purgatijnen in Johannesburg aan een goed onderkomen te helpen. Het was voor haar een doorn in het oog dat sommige medebewoners, want zo noemde de burgemeester de minderheidsgroep, in erbarmelijke omstandigheden waren gehuisvest. Daar moest nu eindelijk eens verandering in komen.

Het nieuws was ook op de artiflat met gejuich ontvangen. Verschillende kunstenaars hadden opdrachten gekregen. Mevrouw Camille Claudel van nummer 308 zou een beeld moeten maken met als onderwerp, Johannes, de apostel die Jezus lief had. Het kunstwerk zou een plek krijgen voor de Koninkrijkzaal op het Plein van de Hemelse Vrede, de plaats waar de Heiland ontvangen zou worden. Pablo Picasso van 801 werd gevraagd ontwerpen te maken voor muurschilderingen voor de kopse kanten van de artiflat. En bij de componist Dmitri Sjostakovitsj van 701 werd een welkomstsymfonie besteld.

Voor de drie purgatijnen van de artiflat, Wigbert de barkeeper, huismeester Smit en juffrouw Annette van de wasserette, was de aankondiging van burgemeester mevrouw moeder Teresa om de woonsituaties van purgatijnen aan te pakken als een welkome verrassing aangekomen. Want wie weet zouden zij eindelijk uit hun benauwde hokjes verlost worden.


54 Miles op de steiger

‘Wil je k-koffie of iets sterkers?’ vroeg juffrouw Monroe nadat ze Frank Zappa’s jas had aangepakt. Ze stonden in het halletje op nummer 102. Een krap halletje, een halletje waar je nauwelijks je kont kon keren. In de spiegel zag hij dat het hoog tijd werd om zijn snor weer eens bij te werken.

‘Nee, alsjeblieft geen alcohol meer!’ antwoordde Frank. Hij trok een zuur gezicht. Hij was zojuist zijn eigen huisje gepasseerd. Hij had niet naar binnen durven kijken. Raar hoor! Voorlopig zou hij moeten bivakkeren in een kaal, leeg en ongezellig hokje. Hoe het verder moest met inrichten en zo, hij zou het bij god niet weten. Hij zou het wel horen, misschien wel van de huismeester. Hij zou hem morgen aanschieten. Maar nu had hij eerst zijn zinnen gezet op Marie.

‘Goed dan zet ik k-koffie,’ zei ze. ‘Daar heb ik zelf ook wel trek in.’ Ze liep voor hem langs de kamer in. Ik m-maak het niet laat,’ zei ze toen. ‘Ik moet er morgen vroeg uit.’ Ze vertelde niet van haar plannen om morgenvroeg het busje te nemen naar het hospitaal. Hij zou dan vragen waarom. En zij moest hem uitleggen over het gedoe van haar borsten. Ze keek op haar horloge en zag dat het kwart voor middernacht was.

‘Gezellig hier,’ zei Frank zonder op haar mededeling in te gaan. Hij stond in de deuropening en keek het kleine kamertje rond. Een kamertje met witte wanden, een lichte parket­vloer, een ab­stract schilde­rij aan de muur dat hem aan een Picasso deed denken, verder een glazen tafel, een overdreven grote plant, een antiek bureautje met make-upspulletjes, een passpiegel en een bank met kussens in verschil­lende kleuren. Hij wandelde naar het raam en loerde de duisternis in. Voor het huisje stond een steiger. De steiger waarop Pablo Picasso die middag aan het werk was geweest. Frank glimlachte. Wat een geluk dat hij die man ontmoet had.

‘Vind je?’ zei ze, terwijl ze razendsnel het één en ander opruim­de. ‘Ik vind het hier anders m-maar een rommeltje.’ Ze keek om zich heen en dacht aan morgenvroeg. Ze moest haar koffertje nog inpakken. Waarom had ze Frank ook meegenomen. Die man verwachtte nu natuurlijk iets van haar.

‘Valt best mee,’ zei Frank. Hij liet zich midden op de bank ploffen. Hij pakte één van de kussens, rook er aan en kreeg een erectie. Marie verdween in de keuken.

‘Ik kom zo b-bij je,’ zei ze. ‘Doe alsof je thuis bent.’

Ja dat zou hij doen. Hij zou doen alsof hij thuis was. Reken maar dat-ie zou doen alsof ie thuis was! Op zijn tenen sloop hij haar achterna en ging doodstil achter haar staan. Hij volgde haar bewegingen en keek naar haar achter­werk. Marie neuriede een wijsje en strekte zich uit naar een kast­je boven het aanrecht.

‘Kan ik helpen?’ vroeg hij en greep haar bij haar middel. Ze gaf een gilletje.

‘Jezus, ik schrik me de p-pleuris.’

‘Slecht geweten,’ fluisterde hij in haar oor. Hij drukte haar dicht tegen zich aan. ‘Weet je dat je me opwindt,’ zuchtte hij terwijl hij zijn onderlichaam tegen haar achterste duwde en haar borsten omvatte.

‘O ja?’ steunde ze. Ze drukte haar bips naar achteren om hem te voelen. Toen nam ze zijn handen van haar borsten en zei: ‘Eerst k-koffie.’

‘Jij bent de baas,’ zei hij. Hij gaf haar een pets tegen haar achterste.

‘Kijk uit,’ zei ze. ‘Ik m-mors.’ Op dat moment werden ze opgeschrikt door een luid gezang voor op de balustrade.Ta-ta-ta-ra-ta-poe-hee

‘Jezus, d-dat is die lul van de vierde,’ zei Marie verschrikt.

‘Miles Davis,’ zei Frank.

‘Bah, wat een vervelende k-kerel. Wat doet die hier nu nog zo laat?’

Ta-ta-ti-ti-tara-ta-ti-toee. Ze stonden bij het raam, dicht tegen elkaar. Hun ogen zochten naar het geluid in de duisternis.

‘Hij zit op d-de steiger,’ zei Marie toen ze twee benen zag bungelen.

‘Die is gek,’ zei Frank. Marie stond tegen hem aangedrukt. Hij voelde haar warme adem in zijn nek. Ze rook naar jenever en sigaretten.

‘K-kom,’ zei Marie. Ze trok hem de kamer in.

‘Je bent toch niet bang?’

‘Ik heb het niet zo op d-dronken mensen.’

‘Die doet geen vlieg kwaad,’ zei Frank.

‘Nou, ik vind het anders wel. Je moet het toch wel heel erg b-bont maken om door Wig het café uitgezet te worden.’

‘Over dronken gesproken. Je hebt vanmiddag zelf ook flink zitten pimpelen, mevrouw.’

‘Ja, maar ik ben niet b-bezopen en val ook niemand lastig.’ Marie doofde de lichten. Ta-ta-ta-ra-ta-poe-hee, klonk het weer van de steiger

‘Ik ben toch een beetje b-bang,’ zei ze met een kind stemmetje.

‘Nergens voor nodig,’ troostte Frank. Hij drukte haar tegen zich aan.

‘Wil je wat voor me d-doen,’ vroeg Marie een beetje zielig.

‘Tuurlijk wil ik iets voor je doen, mooie meid.’

‘Je moet naar buiten gaan en hem naar zijn huis b-brengen. Wil je dat voor mij doen?’ smeekte ze. ‘Hij woont op de vierde. Naast Lennon.’ Frank liet haar los. Hij voelde plotseling een hevige moeheid opkomen. Zijn geilheid was geheel verdwenen. Hij had zin om te slapen. Christus me ziele, wat voelde hij zich moe. Van het ene op het andere moment viel hij bijna van zijn stokje.

‘Goed,’ zei Frank. ‘Ik zal vragen of hij met me meegaat.’

‘Je b-bent een schat,‘zei Marie. Ze drukte een kus op zijn neus. ‘Ik moet nodig slapie-slapie doen.’ Vervolgens duwde ze Frank voorzichtig richting voordeur.


55 De nacht

Middernacht. Frank Zappa was moe, doodmoe. Hij stond op de galerij van de eerste etage onder de steiger voor de deur van het appartementje van Marie Monroe. Het was een mooie zwoele avond, niet te warm en niet te koud. De hemel was zwart en versierd met honderden sterren. Kan je dat trouwens wel hemel noemen, vroeg hij zich af. Even bleef hij naar het wonder van de nacht kijken. Gulzig zoog hij de nachtlucht in. Achter hem waren de lichten op nummer 102 gedoofd. Marie lag al in haar bedje. Zou hij weer aankloppen en vragen of hij bij haar mocht komen slapen? Ze had hem immers steeds zitten uitdagen. Zou hij het aandurven? Ze zou toch wel begrijpen dat het geen pretje was de nacht in een kaal huis te moeten doorbrengen. Hij zou op zijn erewoord beloven haar met geen vinger aan te raken. Maar nee, dat kon hij niet maken. Ze had duidelijk laten weten dat ze slapie-slapie moest doen en dat het morgen weer vroeg dag was. Had hij trouwens wel een bed, vroeg hij zich nu af. Maar hij had vanmiddag toch met Pablo een bed in elkaar geschroefd, herinnerde hij zich nu. Ja een bed. Maar hoe zat het met beddengoed en met wasgerei enzovoorts? Hij moest het de huismeester vragen. Morgenvroeg direct naar de huismeester, besliste hij. Frank stak een sigaret op en wist zich even geen raad.

Schuin boven hem bungelden twee benen, de benen van Miles Davis. Gek, dat ze hier in de zevende ook Nikes hebben, dacht hij toen hij naar de voeten van de trompettist keek. God nog aan toe, dat was ook zo, hij moest voor hem zorgen. Hij had Marie beloofd om hem naar zijn appartement te brengen. Maar hoe? Hij kon hem toch niet als een baal vodden over zijn schouders naar boven brengen? Daar had hij momenteel de kracht ook niet voor. Waar woonde hij ook al weer? Was het niet ergens op de vierde? Marie had het hem gezegd, maar hij was het vergeten. Hij was ook veel te moe om nog helder te kunnen denken.

Frank twijfelde. Er zat zo te zien helemaal geen beweging meer in het lijf en ook zong hij al een tijdje niet meer. Hij zal zeker slapen. Moest hij hem wakker maken? Hij kon die man toch niet op de steiger laten liggen. Hij zou misschien schrikken en er af vallen. Hoe is het hier eigenlijk met ongelukken, vroeg hij zich af. Je valt en loopt door. Zo zou het ongeveer wel zijn. Je was hier een soort Jezus. Frank krabde zich achter het oor. Hij kon het zo gauw niet bevatten. In ieder geval was een ding zeker, dood kon je hier niet meer gaan. Die ellende had je achter de rug.

Hij keek over de balustrade. Niemand te zien. In de verte hoorde hij geroezemoes van stemmen en muziek. Het kwam uit de richting van de Nadorst. Zou hij daar nog even langs gaan? Hij zou Pablo om advies kunnen vragen of Wigbert de barkeeper. Of zou hij de huismeester uit zijn bed bellen?

Hij liep onder de steiger door naar zijn huisje op nummer 101. Hij tuurde naar binnen. Alles was donker en leeg. Toen hij bij zijn voordeur stond zag hij dat deze op een kier stond. Hij duwde de deur open. Een vreemd gevoel bekroop hem. Er was iemand binnen geweest. Hij wist het zeker. Hij rook het. Maar wie en waarom? In het duister zocht hij naar een lichtknopje. Hij keek naar de schamele meubeltjes die hij vanmiddag met Pablo in elkaar had gezet. Een tafel en twee inklapbare krukjes. Meer niet. Lieve hemel, wat een armoe. Geen schilderij aan de muur, geen stukje kunst, niets van dat. En wat zou hij hier moeten zonder muziek? Was er trouwens wel een warenhuis of iets dergelijks in de buurt?

In het halfdonker liep hij de trap op naar de vide. Verrek, hoe kan dat nou, mompelde hij, toen hij daar een keurig opgemaakt bed aantrof. Had hij dit bed ook met Pablo naar boven gesleept? En van dat beddengoed wist hij zich ook niets meer te herinneren. Hij had vanmiddag toch geen bed opgemaakt? En dat bijzettafeltje naast het bed waar zelfs een wekkertje op tikte. En dat kleedje op de vloer? Voor een moment stond Frank bedenkelijk naar het één en ander te kijken. De huismeester, of engelenwerk? Zou Kees hier misschien mee te maken hebben? Zou Kees hier in het hiernamaals zijn beschermengel worden? Zou best eens kunnen. Maar het kon ook zijn dat hij hier in het rijk der hemelen een beetje getikt aan het worden was. Snel liep hij de trap weer af naar de woonkamer. Hij wilde er niet meer aan denken. Vluchtig keek hij nog even om zich heen en liep gehaast door de openstaande voordeur naar buiten.

Even later stond Frank Zappa, de nieuweling, voor de artiflat. Hij keek omhoog en zag dat er op dit uur nog aardig wat lampjes brandden. Droomde hij of was het echt. Want hij hoorde het lied Imagine. En dat kende hij. De muziek kwam uit de Nadorst. Christus me ziele, ik word hier stapelgek. Hij slenterde richting café. Door de ramen zag hij dat de bar vol zat. Lef om naar binnen te gaan had hij niet. Hij was hier nieuw, wat heet nieuw. Hij was hier nauwelijks een dagdeel. Hij had op dit late tijdstip geen zin meer om handen te schudden, om zich voor te stellen. Hij vroeg zich af of Pablo nog binnen zou zitten. Hij passeerde het café en liep om het gebouw heen naar de achterzijde. Op één van de stoelen op het lege terras achter café de Nadorst in het volledig duister zat onder het clubje olijfbomen een manspersoon. Zo op het eerste gezicht een oude man. Hij rookte een sigaret en zat voorover gebogen kijkend naar de grond. Frank had het idee dat de man somber gestemd was en hem niet had horen aankomen. Hij twijfelde en bleef staan. Hij had ook zin in een sigaret, maar durfde er niet een op te steken. Hij wilde de vreemdeling niet storen. Hij draaide zich om en liep schoorvoetend het café naar binnen.

Het was druk in het café. Het rook er naar rook en alcohol. Ogenblikkelijk verstomde de gesprekken. Een tijdlang zat een ieder de late gast in de deuropening aan te gapen. Frank voelde zich opgelaten. Sommigen hadden hem vanmiddag reeds gezien maar voor de meesten was hij nog een onbekende. Op de achtergrond klonk zachtjes muziek. Wig, de barkeeper was de eerste die de stilte verbrak.

‘Onze nieuwe vriend, onze nieuwe medebewoner,’ riep hij overdreven luid. Hij trok aan de koperen bel boven hem. ‘Dames en heren mogen wij u voorstellen aan mister Zappa van 101.’ Een lauw applausje was het gevolg. Frank schaamde zich. Handen werden opgestoken, knikjes gegeven, gemompel klonk. Hij hoorde ze denken: Daar staat-ie dan, het laagste persoontje van de flat. Dat zal wel niet veel soeps zijn. Frank knikte en zwaaide terug. Hij voelde zich opgelucht toen Pablo Picasso hem met uitgestoken hand tegemoet kwam.

‘En hoe was ze?’ vroeg Pablo met een knipoog. Hij kneep hem stevig in zijn hand. ‘Was ze lekker of niet?’ Frank keek over de schouder van de kleine man het café in. De bar zat vol. Een ieder was weer druk doende met elkaar. Van Wig ontving hij nog een knipoog. Enkelen keken nog steeds zijn richting uit. De meeste tafeltjes langs de kant waren eveneens bezet. De hoge heren Bach en Händel zag hij echter niet. Ach, meneer Goethe, schoot hem nu in zijn gedachten. Natuurlijk de oude man die hij zojuist op het terras had aangetroffen was de heer Goethe. ‘Nou,’ zeurde Pablo door. ‘Je wil toch niet zeggen dat je niet…’

‘Geen tijd voor gehad, ‘antwoordde Frank met een knipoog terug. ‘Maar er ligt een man op je steiger te slapen. Je weet wel de trompettist van vanmiddag. Ik heb Marie beloofd hem naar zijn appartement te brengen.’

‘Je bedoelt Miles?’ Frank knikte.

‘Ja, Miles Davis.’

‘Nou die redt zijn kloten wel,’ antwoordde Pablo plotseling ongehoord fel. Frank schrok van zijn onbehouwen antwoord en trok zijn wenkbrauwen op. ‘Laat hem maar lekker uitrusten.’

‘Maar…’

‘Niks maar, neem nog iets lekkers van me en ga naar huis. Je ziet er moe uit. Je bent al een tijdje in de weer, beste jongen.’ Pablo sloeg vriendschappelijk een arm om hem heen en samen liepen ze naar de bar.

 

 

 


56 Lennons nachtmerrie

John zette zich schrap, kuchte en liep langzaam naar voren. De paar meter leken hem een eeuwigheid. De zaal was stil. Terwijl hij schoorvoetend naar voren liep, voelde hij zich eenzamer dan ooit. In een flits zag hij zich als jongetje naar de grote stoel van de Kerstman lopen. Hij was bang. Met gebogen hoofd bleef hij tenslotte achter het rode koord onderaan de troon staan. Hij hief zijn hoofd langzaam op. Zijn knieën bibberden. Nu zou het gebeuren. Hij had het al weet niet hoelang voelen aankomen. Of hij nu wilde of niet, het moest er een keertje van komen, hij zou een keer voor zijn aangezicht moeten verschijnen. Maar moest dat nu? Had dit niet even netjes voorbereid kunnen worden? En moesten al die lui hier getuige van zijn? Waarom zat er een zaal vol zielen in het gerechtsgebouw, waren dit allen sensatiezoekers?

‘Lennon?’ vroeg de stem op de troon voor de tweede keer. John knikte. Hij hief zijn hoofd een weinig omhoog. Door het verblindende licht kon hij onmogelijk zien wie hem toesprak.

‘Ja meneer,’ zei hij toen. Achter hem in de zaal klonk geschuifel en gefluister. Toen barstte hoongelach uit.

‘Meneer, die is goed,’ hoorde hij enkelen hem nazeggen. John kleurde en herstelde zich.

‘Ja, zijne heiligheid,’ zei hij gehaast. En weer bulderde de zaal. Het liefst was hij nu ter plekke door de grond gezakt. Allereerst voor de meute achter hem, maar ook voor zichzelf. Met de handen boven de ogen keek hij omhoog naar de figuur op de troon. Dit was hem dus. Hij voelde zich nietig. Waarom stond hij hier voor schut? Waarom werd er alsmaar gelachen? Wat was er verkeerd aan zijne heiligheid? Hij had toch moeilijk kunnen zeggen: Ha, die Jezus! Als hij nog op het aardse had vertoefd had hij dat zeker weten gewoon gezegd. Ha, die Jezus! Maar ja, hij zat hier in het rijk der hemelen, en daar stonden normen en waarden hoog aangeschreven.

In een flits besefte hij hoe hij ooit de Heiland gehekeld had door keihard in televisiecamera’s te verkondigen dat hij populairder was dan Jezus. Hij had er zelfs een lied aan gewijd, en zonder blikken of blozen gezongen I don’t believe in God. En nu stond hij dan met een bek vol tanden. Hij stond zogezegd voor lul. Oneerbiedig wendde hij zijn hoofd van de troon en keek over zijn schouder de onrustige zaal in. Op de voorste rij zaten enkelen van zijn vrienden, Janis Joplin, Jimi Hendrix, Elvis Presley, Brian Jones, Otis Redding en zijn maatje Miles. Ze zaten onderuitgezakt en aten uit zakjes chips. Hadden zij hem ook uitgelachen? Hij kon het zich nauwelijks voorstellen. In de loges zag hij de tronies van de heilige bonen Anton Bruckner van nummer 601 en Bastiaan Bach van 901. Even had hij de neiging zijn middelvinger naar hen op te steken. Plotseling draaide hij zich met een ruk weer naar de troon, maakte een V-teken en riep uitgelaten:

‘Peace Brother!’ Voor een moment was het stil achter hem. Toen brak het tumult los. Een ieder schreeuwde door elkaar. John hoorde hoe hij uit werd gescholden. Hoe durfde die vlegel zo tot de Heiland te spreken. Wat een hufter!

‘Grijp hem!’ riep iemand met overslaande stem.

‘Bind hem!’ schreeuwde een vrouwspersoon.

‘Kruisig hem!’

John schrok wakker. Natuurlijk zweette hij. Hij kende deze droom. Maar toch tuinde hij er telkens weer in. En ook nu weer vroeg hij zich af waar hij was. Doch binnen een fractie van een seconde wist hij het weer. Hij bevond zich in het hiernamaals, in Johannesburg, in een flat voor kunstenaars, in de artiflat. En alsof die klote droom nog niet genoeg was, keek hij op de rand van het ontwaken in de loop van een revolver. Als een hond hadden ze hem bij zijn voordeur neergeknald. Ook nu weer hoorde hij Yoko gillen: Ze hebben John vermoord, ze hebben mijn lieverd vermoord! Hij was nog bij zijn positieven geweest toen hij als een zoutzak in een ziekenauto was gekieperd. Daarna was hij zo’n beetje doodgebloed.

Het wekkertje op het nachtkastje gaf aan dat het half één was. God nog aan toe, mopperde John, wat had hij geslapen. Hij stond op en liep naar de badkamer. Op het moment dat hij in de spiegel keek en besefte dat hij nu toch eens eindelijk naar de kapper moest, hoorde hij van buiten rumoer. Vast en zeker was hij hierdoor wakker geworden.

Ta-ta-ta-ra-ta-poe-hee, klonk het voor zijn raam. Och, Jezus, sprak John in zichzelf, Miles is weer bezopen. Toen hij een moment later de voordeur opende keek hij in het gezicht van een onbekende. Of toch een bekende? Even verderop stond Miles Davis. Waarvan hij de onbekende kende had hij geen idee. Misschien kwam het dat hij nog maar net wakker was.

‘Dag John,’ zei de onbekende. Frank keek in de ronde brillenglazen van de man die hij ooit had bewonderd.

‘Goede nacht,’ antwoordde John en keek Frank Zappa onderzoekend aan. ‘Ken ik u?’ vroeg hij.

Ta-ta-ta-ra-ta-poe-hee, zong Miles Davis die tegen het hekwerk van de balustrade geleund stond. ‘Ha Johnny boy, ouwe rukker,’ riep hij toen hij John Lennon in de deuropening zag staan.

‘Rustig maar,’ antwoordde John. Hij vroeg zich nog steeds af waar hij de man die voor hem stond van kende. Die neus, die snor, dat kleine sikje…

Ze hadden hem uitgekleed en op de bank in zijn huiskamer gelegd. Welterusten had John gezegd en hij had hem alsof het zijn dagelijkse bezigheid was een liefdevol klopje op zijn wang gegeven en een kusje op zijn voorhoofd.

Ta-ta-ta-ra-ta-poe-hee, had Miles dromerig geantwoord en was overgegaan in een oorverdovend gesnurk. Daarna waren Frank en John teruggekeerd naar het appartement van John.

‘Niks zeggen,’ zei John Lennon, toen ze tegenover elkaar aan de eettafel zaten. Frank keek in het rond en zag een veel ruimere kamer dan zijn hokje op nummer 101. Hij zag ook een Gibson op een standaard staan.

‘Ik zeg niets,’ zei Frank. John keek naar het plafond en dacht na.

‘Ik weet het.’

‘Je weet wat?’ antwoordde Frank, terwijl zijn ogen op de Gibson gericht bleven. Hij zou het instrument graag even aan willen raken. Wat heet aanraken, hij zou willen knallen.

‘Frank Zappa.’

‘Zo is dat.’ John stond op. Zij gaven elkaar een knuffel.

‘En?’

‘Allemaal shit.’

‘Vertel.’ Daarna vertelde Frank het verhaal over de veranderingen in de popmuziek. Over synthesizers, drumcomputers en samplers. Over nieuwe muziekstromingen als new wave, stadionrock en disco. En over groepen als Joy Division en The Cure. Over Van Halen en Bon Jovi. En over Madonna en Prince.

 

 

 


57 Billie en Jim

Het was diezelfde nacht dat mevrouw Billie Holiday van 203 de slaap moeilijk kon vatten. Geruime tijd stond ze aan het raam de donkerte in te kijken, of liever gezegd te staren. Ze hield van de nacht. Ze stond daar vaak zo midden in de nacht. Het deed haar denken aan de afloop van een optreden, de spots uit, kleedkamer in, de taxi, de borrel en de zwarte regenachtige straten. Gek dat ze altijd regenachtige dagen in haar gedachte had. Ze zuchtte en zocht naar haar sigaretten. Regen, hoe voelde dat ook al weer. Ze leunde iets voorover, haar handen steunden op de vensterbank. Stikdonker was het achter de arti. Voor een moment zette ze haar ogen op scherp. Het leek alsof ze bij de kegelbaan het puntje van een sigaret zag gloeien. Ze had ook zin in een sigaret. Ze keek om zich heen. Geen sigaretten. Uit de asbak haalde ze de grootste peuk en stak em aan, maar doofde hem direct weer. Waar had ze dat pakje toch gelaten? ‘Shit, shit, shit,’ schold ze. Had ze vanavond op bed gerookt, had ze de sigaretten op de richel laten liggen? Een beetje moeizaam besteeg ze het trappetje. Ook geen sigaretten. Ze stootte zich aan het kledingrek. Terwijl ze over haar knie wreef dacht ze aan de Dag des Heren. Stel dat God morgen zou komen, wat zou ze moeten aantrekken? Ze schoof de jurkjes stuk voor stuk opzij. Ze haalde haar schouders op, ze zou het niet weten. Ze liep weer naar beneden. Het was al laat, te laat om sigaretten te kopen. De Nadorst was allang dicht. In gedachten zag ze Wigs volgeladen sigarettenautomaat. Zou ze misschien de huismeester uit zijn bed bellen? Zou hij nog op zijn? Had hij laatst niet gezegd dat ze altijd bij hem terecht kon. Dringend een boodschap nodig, 3 x bellen, stond er op een kaartje aan de deur van het winkeltje. Hoe laat was het eigenlijk? Ze zocht naar haar schoenen. Ook die kon ze niet direct vinden. ‘Shit, shit, shit,’ klonk het voor de tweede keer in huize Holiday.

Even later stond ze beneden in de hal. De nachtverlichting brandde flauw. Tot haar vreugde zag ze dat er in het winkeltje licht brandde. ‘Hoe is het mogelijk,’ mompelde ze. Het leek zelfs alsof de deur op een kier stond.

‘En nog een fijne avond,’ hoorde ze iemand roepen. Het was de stem van de huismeester. Je herkende de stem uit duizenden, een hoge aanstellerige stem. In de deuropening verscheen Jim, haar buurman van 206. Ze maakte geen aanstalten om verder te lopen. Ze stond ietwat verscholen.

‘Nee maar, daar heb je mijn lekkere buurvrouw.’ Aan zijn stem te horen was hij dronken. Hij had een fles in zijn hand. Het was bekend dat de huismeester een handeltje dreef in sterke drank. Morrison kwam naar haar toe, een beetje waggelend. Uit zijn jaszak haalde hij een pakje sigaretten. ‘Roken?’ Hij stond nu voor haar. Ze rook zijn adem. Ze nam een sigaret uit het pakje. Hij zocht naar vuur. ‘En wat doet mijn buurvrouw zo laat nog op straat?’ Ze gaf geen antwoord. Ze rookte gulzig. Het licht in het winkeltje floepte uit. ‘Nou?’

‘Mijn sigaretten zijn op,’ antwoordde ze, zonder hem aan te kijken.

‘Hier’, zei hij. Hij overhandigde haar zijn pakje. ‘Ik mag niet meer zoveel roken van de dokter.’ Hij lachte hard en schor. Billie nam het pakje aan. Hij legde een hand op haar schouder. Hij hoestte. Toen zei hij: ‘Heeft mijn buurmeisje zin om een potje te neuken?’

‘Ikke wel’, zei ze, ‘maar niet met jou’. Hij grinnikte en haalde zijn schouders op. Hij draaide de dop van de fles en dronk. Weer legde hij zijn hand op haar schouder.

‘Kom, zei hij toen. ‘Laten we roken en drinken.’ Ze liepen door de achterzijde de flat uit. Ze namen plaats op de rand van de kegelbaan. Hun gestrekte benen rustten op het zand. Ze rookten. In alle jaren dat ze op dezelfde etage woonden hadden ze nauwelijks een woord met elkaar gewisseld. En nu zat ze daar in het pikkedonker met de man waarvan gezegd werd dat je voorzichtig met hem om diende te gaan. Hij oogt rustig, maar kijk uit! Het dagelijks bestuur van de arti had de huismeester al eens voorzichtig gevraagd niet te veel sterke drank aan meneer Morrison te verkopen. Maar Smit moet gedacht hebben dat zij makkelijk praten hadden met hun soms meer dan honderden zilverlingen per maand. Hij moest rondkomen met een fooitje, een uitkering van 50 zilverlingen. Daar hoorde gewoon een handeltje bij. Ze rookten onophoudelijk en dronken om de beurt. Verder zwegen ze. Het stel leek zowaar een koppel. Zo af en toe murmelde Jim onverstaanbaarheden. Des te meer hij dronk, des te rustiger hij werd. Als hij haar een vuurtje gaf zag ze zijn krullenkop en vermoeide maar niet onknappe gezicht. Zoals hij naast haar zat, mocht ze hem wel.

‘Wat zing je daar?’ vroeg hij plotseling. Billie leek te schrikken. Ze had het wel meer dat ze zong of neuriede zonder daar zelf erg in te hebben. Ze gaf geen antwoord. In plaats daarvan tekende ze met haar voeten hartjes in het zand van de kegelbaan.

‘Cool’, zei Jim, ‘cool.’

‘Ik zing wel meer zomaar wat,’ zei ze toen.

‘Cool’, zei hij voor de derde keer.’

‘God bless the child,’ zei ze toen. ‘Dat verdomde liedje zit mij de laatste tijd in het hoofd.’

‘Oorwurmpje’, giechelde Jim. Hij keek in de flesopening, schudde wat, en nam toen de laatste slok. Billie stond op en stampte het zand van haar schoenen. ‘Kom,’ zei ze. ‘We gaan.’ Ze nam zijn hand. ‘Gaan we naar 203 of naar 206?’ vroeg ze toen.


58 Sjors ontwaakt

Om half twee die nacht schrok de componist Dmitri Sjostakovitsj van nummer 701 wakker. Hij lag met zijn kleren aan in bed. Zijn bril lag naast hem op het kussen. Hij had het warm en voelde zich smerig. Er hing een walm van bierlucht rond hem. Hij had gekwijld op het kussen. Aan het voeteneind lag zijn aktetasje met de welkomstsymfonie. Gelukkig, die was hij niet kwijt.

Moeizaam stond hij op en kleedde zich uit. Viezerik! schold hij, toen hij ook nog de zweetlucht van zijn sokken rook. Hij liep naar de ijskast en opende een flesje mineraal. Gulzig goot hij het koude vocht naar binnen. Daarna hield hij zijn hoofd onder de kraan en poetste zijn tanden. Hij keek in de spiegel en bracht zijn spuuglok op zijn plaats. Daarna plofte hij neer in de grote bloemetjesstoel en stak een sigaret op. Hij dacht na, tenminste, dat probeerde hij. Hij was gisteren veel te lang in de Nadorst geweest. Vervelende vragen kwamen bij hem op. Vanaf hoe laat had hij daar gezeten en hoeveel biertjes had hij wel niet gedronken?

Geluk­kig had hij geen echte kater. In het hiernamaals waren de katers over het algemeen mild. Wel had hij een zeurende hoofdpijn. De biertjes waren waar­schijnlijk ver­keerd geval­len. Meestal had hij geen moeite met een middagje doorzakken. Zelf was hij trouwens ook gevallen, herinnerde hij zich nu, van de barkruk. Hij had languit op de vloer gelegen. Jezus, wat een vertoning! Wie hadden er gezeten, wie hadden hem gezien? Wie waren er getuige geweest van zijn dronkenmans kaprio­len? Een aantal kunstschilders, herinnerde hij zich, zijn buurman van 704, de rooie Van Gogh, en zijn bovenbuurman Picasso van 801 samen met iemand die hij niet eerder gezien had. Een man met een snor en sikje. Hij zal een nieuweling geweest zijn. Ja, dat wist hij nog helemaal. Dus echt dronken was hij niet geweest. En natuurlijk het geile vrouwtje Monroe van de eerste. Hij herinnerde zich hoe zij hem steeds had zitten uitdagen met haar korte rokje en grote boezem. Ze had verschillende keren speels haar tong naar hem uitgestoken. Hij voelde een erectie opkomen. Dat had hij meestal na een dag met veel drank. Hij was dan de volgende dag zo hitsig als de pest. Hij wriemelde aan zijn kruis maar had geen lust om iets te onderne­men.

Hij dacht weer aan gisteravond. Meester Bach van 901 en buurman Händel van 703 waren er ook geweest. Collega’s dus. Hij baalde en schaamde zich diep. Wat moesten zij niet gedacht hebben? Hadden zij hem ook op de vloer zien liggen? Kijk, daar ligt de componist die de opdracht heeft om voor de Dag des Heren een welkomstsymfonie te schrijven, hoorde hij hen smoezen. Het is toch om je kapot te lachen. Hij kon hier wel ter plekke onder de dekens kruipen van schaamte. Dat die kunstschil­ders en die blonde meid van zijn dronkenschap getuige waren geweest was tot daar aan toe. Kunstschilders en acteurs stonden er om bekend om in kroegen rond te hangen. Maar twee colle­ga’s en dan nog Händel en de grote J.S.! Verschrikke­lijk!

Hij pro­beerde zijn gedachten op een ander spoor te zetten. Hoe was hij trouwens thuis geko­men? Hij herin­nerde zich dat hij met juffrouw Monroe in de lift had gestaan. Samen met nog iemand waar hij de naam van was vergeten. Misschien was het ook wel de nieuweling geweest. Lieve God, wie waren hier allemaal getuige van geweest. Er werd hier op de flat toch al zo veel geluld.

Plotse­ling schoot hem te binnen dat hij in de lift had gebraakt. Godverdee, ook dat nog, zuchtte hij. Vandaar die vieze smaak in z’n mond, vandaar dat de sigaret hem niet smaakte. Hij kon zich trouwens niet meer herin­ne­ren dat hij het opgeruimd had. Stel je voor dat zijn medebewoners te horen zouden krijgen dat Sjostakovitsj de lift bevuild had. Hij moest er niet aan denken. Snel schoot hij zijn pantoffels aan. Uit het aanrecht­kastje nam hij een dweil en uit het washok een emmer en bezem. Hij moest de lift schoonmaken! En snel! Voor­zichtig opende hij de voordeur. Op de galerij bleef hij een ogenblikje staan. Ze mochten hem in geen geval zien. Hij keek langs de ramen. Alleen bij buurman Van Gogh brandde nog licht. De andere appartementen waren zo goed als donker. Op zijn tenen sloop hij naar de lift.

 

Even later zat hij weer in zijn grote bloemetjesstoel in de woonkamer. Het was kwart over twee. Hij zat er in zijn ondergoed. Zijn hoofd zeurde. Hij moest nog even slapen en alles proberen te vergeten. De bezem stond rechtop tegen de eettafel, de emmer sop en dweil stond naast hem op het tapijt. Sjostakovitsj rookte een sigaret. Hij begreep er niets van. De lift was brandschoon geweest, geen vuiltje aan de lucht. Maar hij had toch ergens gebraakt, hij wist het zeker. Op zijn schoenen en aan de onderkant van zijn pantalon had hij restjes braaksel waargenomen. Zelfs op zijn aktetasje zaten spettertjes viezigheid. Vermoeid stond hij op uit zijn stoel, doofde zijn sigaret en slofte naar de slaapkamer.

 

De volgende ochtend rond negen uur werd Sjostakovitsj opnieuw wakker. Hij was kletsnat van het zweet. Ook in zijn kruis was hij vochtig. Hij had een natte droom gehad. Hij voelde in zijn onderbroek en consta­teerde dat het orgasme hem nog niet zo lang geleden was ontsproten. Verse sperma, concludeerde hij, terwijl hij aan zijn vingers rook. Hij had gedroomd van juffrouw Monroe. Dat zij dronken was en dat hij haar naar huis had ge­bracht. Toen ze bij haar flat waren aangekomen, had ze hem uitgeno­digd om nog iets te komen drinken. Reeds in de hal had ze haar armen om hem heen geslagen en hem ongege­neerd in zijn kruis gepakt. Een dronken vrouw, is een engel in bed, wist je dat? had ze in zijn oor gefluisterd. Steeds zag hij haar lachende ge­zicht, haar mooie witte tanden en stevige borsten. Nu ook weer. Hij kroop wat dieper onder de dekens. Zijn handen zochten zijn geslacht. Hij probeerde haar scherper voor zich te halen. Jammer dat hij nu geen foto van haar had. Dan zou het zo gebeurd zijn. Hij sloot zijn ogen en zocht naar haar beeld. Hij deed zijn mond een beetje open en de fantasie sloeg toe. Tong me, kleine geile meid. Tong me, kreunde hij… Daar knapt een mens van op hijgde hij en resoluut sloeg hij de dekens van zich af. De dag kon wat hem betrof beginnen.


59 Onder de plataan

Klokslag zeven uur de volgende morgen liep bij Vincent van Gogh op nummer 704 de wekker af. Gewoontegetrouw zette hij eerst de radio aan om daarna de wekker te stoppen. Op de radio speelde een strijkorkest een bekende melodie. Vincent herkende de melodie, maar hij wist niet om welk stuk het ging. Hij was slecht in muziekstukken onthouden. Hij dacht aan De Vier Jaargetijden, maar dat dacht hij bij elk stuk. Hij had wel eens met de gedachten gespeeld om zich op te geven voor een cursus Luisteren naar klassieke muziek. Dat vond hij eigenlijk wel nodig met al die muziekgenieën in de flat. Hij stond op en neuriede vals mee. Ondanks dat het een beetje zeurde in zijn hoofd, had hij zin in de dag. Het zou een spannende dag worden, de dag van het hospitaal, de dag dat hij zijn oortje en zijn gebit zou laten repareren. Dat zeuren in zijn hoofd kwam van de wijntjes die hij gisteren in de Nadorst had genuttigd. Hij had eerder naar huis moeten gaan. Maar ja, dat had hij altijd als hij naar de Nadorst ging. Dan bleef hij meestal plak­ken. Hij hield nu eenmaal van gezel­schap. Hij had zichzelf niet in de hand zogezegd, ook gisteren niet. Gezellig had hij het wel gevonden met zijn vriend Lautrec en de componist Sjostakovitsj. Al was deze laatste behoorlijk teut geworden. Hij dacht ook aan Zusje. Hoe vaak had zij hem niet gewaarschuwd tegen overmatig drankgebruik en slaapgebrek? Zusje, zijn meisje, zijn kersverse vriendin. Wat was hij gelukkig met haar en wat was zij verstandig. Nog dikwijls dacht hij terug aan die mooie middag in het heuvelland, aan het moment dat zij elkaar ontmoet hadden…

Vincent van Gogh zat onder de grote plataan en sliep als een os. Zijn pijp lag uitgedoofd naast hem in het gras. In zijn schetsboek, dat aan de andere zijde van hem lag, had hij deze morgen nog geen streep getekend. Met een tevreden glimlach om de mond, lag hij als een groot kind te slapen. Hij had alle reden om te glimlachen, want hij had een mooie droom. Hij droomde dat hij beroemd was gewor­den en een rijk man. Het was niet te geloven maar zijn werken brach­ten miljoenen op. Hij woonde in een groot huis aan de rand van de stad, een statig huis met in de voortuin een reusach­tige boom met daarachter een park en een grote vijver. In de tuinhuisjes waren verfmengers en lijsten­makers druk in de weer. Soms vroegen ze hem om raad. Zijn naam stond op affiches en ook kwam hij voor de radio. Op de boulevards van grote deftige steden para­deerden meisjes in zomer­jurk­jes met afbeeldingen van zijn Zonne­bloemen. Op verschil­lende plaatsen werden tentoonstellingen gehouden en enkele steden hadden zelfs een Van Gogh-museum opgericht. Kon hij er maar even tussen uit om tussen zijn doeken te staan en ze te strelen. Kon hij er maar even tussen uit om die musea te bezoeken waar zijn schilderijen hingen en tegen iedereen die het horen wilde te roepen: Die heb ik gemaakt, goed hè?! Kon hij er maar even tussen uit om kunst­ken­ners tekst en uitleg te geven. Kon hij er maar even tussen uit om handteke­nin­gen uit te delen en interviews te geven.

Dit alles zag Vincent van Gogh in zijn droom, liggend onder de plataan op de kleine berg in het heuvelland, met aan de horizon het pijnbomenbos, een dik uur wandelen van de artiflat.

Wat hij niet zag was, dat hij al geruime tijd werd gade geslagen door een jonge vrouw met op haar hoofd een grote zomerhoed. De jonge dame, een flatgenote van de slapende Van Gogh, was er deze mooie ochtend eveneens op uit getrokken om een stukje ongerepte natuur in haar schetsboek te vereeu­wi­gen. Al heel wat paadjes, heuveltjes, en velden was zij gepasseerd en ook de weide met de knalrode zonnebloemen had ze achter zich gelaten, toen haar oog op een wonderschoon grasveldje rondom een kleine berg was gevallen. Een berg met in het midden een reusachtige plataan. Een prachtig stukje paradijs. Dit was de plek waar ze naar zocht. En zonder zich te bedenken wierp ze haar koffertje met verfspullen en klapstoeltje in het gras.

De jongedame haar naam was Laverne Andrew. Op het aardse was zij een beroemde vrouw geweest. Ooit maakte ze deel uit van de meisjeszanggroep de Andrew Sisters. In het jaar 1937 na de geboorte van onze Heiland zong een ieder op de aardkloot hun lied Bei mir bist du schön.

Aandachtig, als een echte kunstena­res, bekeek ze geruime tijd het object. Ze zocht de juiste afstand en bestudeerde lichtval, kleur en schaduw. Daarna nam ze haar verfspullen uit haar koffertje en zocht een geschikt plekje om aan de slag te gaan. Ze had er zin in. Een titel had ze reeds bedacht: Plataan in het Paradijs. Vervolgens zette ze haar klapstoeltje op en opende haar schetsboek. Net op het moment voordat ze de eerste lijn op papier zette werd haar aan­dacht getrokken naar de onderkant van de plataan. Lag daar iemand? Here me tijd! Ze schrok er van. Waarom had ze dit niet eerder gezien? Ze stond op en voor­zich­tig naderde ze de plataan. De boom was vol gekerfd met hartjes, pijltjes en namen van geliefden. Toen verscheen er een glimlach om haar mond en ze slaakte een zucht van verlichting. Want onderaan de boom zat een slapen­de man. Een man die ze kende. Het was haar boven­buurman, Vincent van Gogh.

Vincent van Gogh opende langzaam zijn ogen. Hij had het gevoel dat er iemand naar hem zat te kijken. En gelijk had hij, want tegen­over hem, op ongeveer tien meter afstand, zat een vrouw in het gras hem aandachtig te bestuderen. Zo op het eerste gezicht een artistieke vrouw, want ze droeg een grote zomer­hoed. Als hij het goed zag was zij aan het schilderen of tekenen. Wie was deze vrouw? Kende hij haar? Het leek alsof hij haar wel eens eerder had gezien. Was het een por­tret­schilderes? Als dat zo was had zij hem eerst wel eens fat­soenlijk om toestemming kunnen vragen. Maar Vincent had geen zin om zich deze mooie morgen druk te maken. Laat dat mens maar, had hij gedacht en had zijn ogen weer gesloten.

Maar van slapen was niets meer gekomen. Af en toe keek hij door zijn oogha­ren. Hij bewoog zich zo min mogelijk. Hij was nog niet van plan zich wakker te geven. Voorlopig zou hij nog even doen alsof hij sliep. Er verscheen een glimlach om zijn mond. Wie was nu eigenlijk wie aan het begluren? Jammer dat hij zijn mooie droom had moeten prijsgeven. Een fantas­tische droom! Heerlijk had hij het gevonden om beroemd te zijn. Maar de werke­lijkheid was anders. Hij bevond zich nu in het hiernamaals. En daar was hij bij lange na niet beroemd. Integen­deel, hij voelde zich nietig tussen grootheden als Rembrandt, Picasso en Jan Vermeer. Voorzichtig opende hij weer zijn ogen. De juffer met de zomerhoed zat er nog. Zou hij een grap met haar uithalen door met een luide schreeuw woest omhoog te springen? Ja, dat zou hij doen. Hij zou nog even wachten op het meest geschikte moment.

 

Jazeker, Laverne Andrew, was sinds kort zijn lieveling, zijn meisje. Hij zou haar vandaag verrassen met zijn missie naar het Sint-Lukas hospitaal. Doorzetten, moedigde hij zich zelf herhaaldelijk aan. Wie a zegt zal ook b moeten zeggen. Een vreemd gevoel in de maag was het gevolg bij de gedachten aan het hospitaal. Hij was bang, maar eigenlijk hoefde hij nergens bang voor te zijn. Hij herinnerde zich dat hij op het aardse als de dood geweest was voor ziekenhuizen, dokters en tandartsen. Over gezelschap gesproken, mompelde Van Gogh, terwijl hij onder het bed naar zijn sokken zocht, wat had die Sjostakovitsj hem gister­avond zitten en wat was hij van leer getrokken toen ze over zijn vaderland hadden gesproken. Het schuim had hem op de bek gestaan. En dan die donkere jazzmuzikant, die later stomdronken de Nadorst was binnen komen wandelen. Hoe was zijn naam ook al weer. Ach ja, Miles Davis, van 403. Hij dacht terug hoe deze man allerlei onzinwoorden had gezongen. Wel geinig, had hij het gevonden. Improviseren noemde men dit met een duur woord. Om zijn mond verscheen een glimlach. Ook dacht hij terug aan het moment dat Sjors van zijn kruk was gevallen. Arme hij. Wat een verto­ning was dat geweest. Languit op de vloer, in het bijzijn van iedereen. Maar ja, eigen schuld dikke bult.

Het schaamrood steeg hem naar de kaken toen hij terugdacht aan het moment dat hij zich bij het pianokamertje aan juffrouw Monroe had afgetrokken. Ja, het was me het dagje wel geweest, zuchtte hij.

Hij slofte naar de badkamer. Hij zou zich snel aankleden, want hij moest absoluut op tijd voor het busje zijn. Voor de spiegel ontblootte hij zijn door de tabak aangetaste tanden. Wat zou Zusje opkijken als hij straks voor haar zou staan met een gereinigd gebit. Hij verheugde zich nu al op haar lachende gezicht. Hij voelde aan zijn harde rode stoppels. Zou hij deze ook eens onderhanden nemen en ze weg schrapen? Nee, nee, besliste hij, dat was te veel van het goede. Hij was tenslotte een artistiekeling.

Even later stond hij bij het fornuis en roerde in zijn brinta. Veel trek in zijn ochtendpap had hij echter niet. Hij dacht aan de tandartsstoel en de operatie aan zijn oor. Maar, sprak hij op vaderlijke toon tegen zichzelf: Vincent moet een grote jongen zijn die nergens bang voor hoeft te zijn. Eet nu eerst je pap maar op, zeurde hij door. En terwijl hij met lange tanden van zijn brinta at keek hij door het keukenraam naar buiten en zag dat het mooi weer was. Echt weer voor een uitje, plaagde hij zichzelf. Kort daarna hoorde hij luidruchtig een autoclaxon. Daar zal je het hebben riep hij luid, alsof een ieder op de flat het moest horen. Vervolgens haastte hij zich naar de voordeur. In de spiegel van de lift zag hij dat er nog restjes pap in zijn stoppelbaard zaten. Met de rug van zijn hand veegde hij over zijn kin. Hij moet er vandaag netjes uitzien, vond hij.


60 Naar het Sint-Lukas

Half acht. Zes zielen bevolkten die morgen het busje naar het Sint-Lukashospitaal. Het was een mooi busje. Zo op het eerste gezicht helemaal geen hospitaalbusje. De automobiel was opgesierd in de meest wonderlijke kleuren. Je zou zweren dat het om een feestbusje ging, een partybusje. Links en rechts aan de voorzijde wapperde vlaggetjes. Aan de achterzijde, boven het reservewiel stond in vrolijke letters Uw zorg is onze zorg.  Van de zes die de busrit meemaakten waren er vier bewoners van de artiflat. Marie Monroe van nummer 102, mevrouw Marlene Dietrich van 107, en de heren Vincent van Gogh van 704 en Robert Schumann van 603. Er zou van Johannesburg naar Mozestown gereisd worden, daarna naar Voorstad Sint-Jacoba, de Bloemenstad, en tenslotte naar Sint-Petrusburg. In een poep en een scheet zouden ze dan arriveren bij het hospitaal nabij het roemruchte Voorportaal.

Het weer leende zich uitstekend voor een busrit. Het was reeds vroeg zonnig en er stond een aangenaam briesje. Raampjes stonden open. De stemming liet echter te wensen over. Zes zielen, ieder met een eigen verhaal.

Marie Monroe zat drie rijen van achter bij een open raampje. Haar blonde haar wapperde in de tocht. Ze had haar ogen gesloten. Ze oogde ernstig. Ze leek na te denken. Met gebogen hoofd, haar handen onder de kin, zat ze daar. Naast haar, aan de andere zijde van het middenpad zat een onbekende heer die reeds in het busje zat toen de artibewoners instapten. Niemand kende zijn naam en niemand wist iets van zijn afkomst. Al een paar keer had hij Marie laten weten dat hij last had van een zeurend rechterbeen en daarom de rit naar het hospitaal maakte. Het was een burgerziel.

‘Zeurend,’ had hij met nadruk gezegd. ‘Geen pijn, want pijn in de hemel kennen we gelukkig niet. Dat weet u ook wel hè, mevrouw?’ Waarna de man na zijn opmerking in lachen was uitgebarsten. Wat een lol, had Marie gedacht maar was er verder niet op ingegaan. Ze had op dat moment wel wat anders aan haar hoofd. Op de stoelenrij voor Marie zat Robert Schumann, de componist die de laatste tijd de weg kwijt was. Om zijn nek droeg hij een kaartje met het opschrift R.Schumann Johannesburg.

‘Bus, bus,’ mompelde hij al geruime tijd. Ook zong en neuriede hij flarden van liederen en muziekstukken, waarschijnlijk uit zijn eigen oeuvre. Zo af en toe gaf Marie hem een geruststellend klopje op zijn schouder. Ze had het thuisfront beloofd om een oogje in het zeil te houden. Felix Mendelssohn van nummer 602, de buurman van Schumann, had haar een biljet van 250 zilverlingen in de handen geduwd. Hij had haar bijna gesmeekt hem niet uit het oog te verliezen. En als het even kon, aardig tegen hem te zijn. Verder had Marie opdracht gekregen hem bij psychiatrie af te zetten. De aanbevelingsbrief en verdere gegevens bevonden zich in het plastic hoesje achter het naamkaartje dat Robert om zijn nek zou dragen. ‘Bus, bus,’ riep hij nu onverwachts luid.

‘Ja, b-bus,’ antwoordde Marie afwezig, maar toch ook vriendelijk. Ze had met hem te doen. Het zou voor juffrouw Monroe een historische dag worden. Ze had die ochtend voor de spiegel afscheid genomen van haar borsten, of beter gezegd, haar borstomvang. Ze was blij dat ze de knoop had doorgehakt. In haar hart hoopte ze verlost te worden van haar imago als dom blondje. Ze had er genoeg van om dag en nacht als sekssymbool te moeten optreden. Ze wilde meetellen. Ze wilde serieus genomen worden. Volgens haar had men op de arti geen notie van haar intellectuele kwaliteiten, en zag men haar louter als het meisje met het lekkere lijf. Maar wisten ze wel dat zij meer in haar mars had? Wisten ze wel dat zij gedichten schreef en de geschriften van Freud ooit had bestudeerd, en boeken van Dostojevski kende? Op het aardse had Marie zich opgetrokken aan Brigitte Bardot, haar collegaatje dat eveneens als stoeipoes omschreven werd. Brigitte Bardot Bardot die heeft ze niet zo maar zo… had men op straat gezongen. Maar later zou diezelfde Brigitte door menigeen gewaardeerd worden vanwege haar inzet voor dierenleed, homoseksuelen en immigranten. En zo was het Marie ook vergaan. Op het aardse was haar lijf haar visitekaartje geweest. Reeds als veertien-, vijftienjarig meisje had ze het heerlijk gevonden om in mini rokjes en strakke truitjes te paraderen. En wie kende haar niet als het meisje met de opwaaiende rok? Ze had genoten van de aandacht die mannen haar gaven. En net als bij Brigitte Bardot hadden ze Marie ook nageroepen. Zelfs hier in het hiernamaals, nota bene op heilige grond, had ze manvolk van de artiflat haar borsten wel eens horen omschrijven als memmen en bumpers. Duivelser kon het niet.

Half negen. Het busje was in Mozestown gearriveerd. De hospitaalgangers werd nog gelegenheid geboden om een plas te doen of een versnapering te kopen. Marie voelde zich behoorlijk opgelaten zoals ze daar door de wirwar van gangen en tunnels hand in hand liep met Robert Schumann, de man, die zeker een kop kleiner was dan zij. Onophoudelijk zong hij muziekfragmenten, soms op onzinwoorden als ta ta ta en la la la of pi pi pi en toe toe toe. Als Marie goed haar best deed hoorde ze meermalen het zinnetje Ich hab im traum geweinet. De akoestiek in het busstation leende zich uitstekend voor Schumanns gezang. Al verschillende malen had Marie hem tot stilte gemaand. Schumann had echter onverstoord door gezongen. Marie had met de zingende man aan haar hand behoorlijk veel bekijks. Reizigers bleven staan en wezen hen na.

‘Een gestoorde,’ had ze iemand horen roepen. Ze stonden nu bij een kiosk waar Schumann een doos sigaren en een zakje smarties kocht. Marie kocht een tijdschrift met op de omslag een foto van burgemeester mevrouw moeder Teresa. Met vetgedrukte letters stond er als bijschrift: Johannesburg in de ban van de Dag des Heren.

Vincent van Gogh genoot van een vers gestopte pijp. Hij stond verscholen achter een pilaar. Zijn ogen waren constant gericht op Marie Monroe. Hij vond Marie een prachtige meid. Maar zij was ver boven zijn niveau. Vincent voelde zich ondanks zijn kunstenaarschap in haar bijzijn een boerenjongen. De vrouw Monroe oogde als een model, een topmodel waar beroemde kunstschilders hun vingers bij af zouden likken. Haar lichaam, haar lach, haar prachtige gelaat. Een mooiere vrouw kende Vincent in geen velden of wegen. Als hij zijn ogen sloot en zijn fantasie zijn gang liet gaan zag hij haar weer op haar hurken zitten bij de deur van het pianokamertje. Hij zou haar eigenlijk zo moeten schilderen. Maar ja, hij had niet het lef om haar te vragen model te staan. En dan ook nog gehurkt, compleet met inkijk. Een titel had hij reeds paraat: Hurkend meisje bij een sleutelgat. Vincent hield van inkijken. Wat was hij gisteren jaloers geweest op de nieuwe gast met het sikje. De man had naast Marie gezeten en doodleuk zijn armen om haar heen geslagen. Hij had haar in het bijzijn van iedereen gezoend en zelfs in haar achterste geknepen.

Vincent dacht aan zijn eigen liefje, het zangeresje Laverne, Zusje. Natuurlijk hield hij van haar. Maar zij kon niet tippen aan de uitstraling van juffrouw Monroe. Bovendien zag hij nu ook de een lieve en zachte kant haar. Vertederend vond hij het hoe zij omging met de in de war zijnde Schumann. Nerveus wipte Vincent van Gogh nu van het ene naar het ander been en regelmatig krabde hij aan zijn ongelukkige oortje. Het was duidelijk te merken dat hij zat te prakkiseren over de dingen die straks zouden gaan gebeuren. De meneer van het zeurende rechterbeen probeerde een gesprek aan te knopen met een jongeman die zojuist in Mozestown was ingestapt. Ook nu weer wees hij herhaaldelijk naar zijn been en barstte vervolgens weer in lachen uit.

Om kwart voor negen was het gezelschap weer het busje binnengestapt dat hen naar Voorstad Sint-Jacoba zou brengen. Er waren drie nieuwe passagiers, twee vrouwen en een jongeman, burgerzielen. Schumann had dit keer naast Marie Monroe plaats genomen. Hij zat dicht tegen haar aan, rookte een sigaar en snoepte uit zijn zakje smarties. Zijn gesmak was luid en duidelijk te horen. Zijn gezang was opgehouden. Even later liep hij door het busje om zijn medereizigers op snoepjes te trakteren. Het was zowaar even gezellig op reis naar het hospitaal.

Helemaal vooraan zat Vincent van Gogh. Hij was druk in gesprek met het drietal dat zojuist het busje was binnengestapt. Luid en duidelijk vertelde hij over zijn kunstenaarschap, over de artiflat en dat hij in Johannesburg woonde. Hij wees daarbij naar Marie en Robert Schumann. Marie antwoordde met een vriendelijk knikje.

Nog gisteren had Marie Monroe de hele middag met Van Gogh aan de bar gezeten. Eigenlijk bij gebrek aan beter, want ze had niets met hem. Integendeel, ze vond hem met zijn sproetige gezicht, zijn roze haar, zijn gehandicapte oortje en zijn bek met bruine tanden een afzichtelijk wezen. Volgens haar stonk ie ook nog uit z’n straatje. Hij had meerdere malen geprobeerd oogcontact met haar te krijgen. Zij op haar beurt had hem geplaagd door zo nu en dan haar tong uit te steken. Nog een geluk dat Frank gisteren was komen opdagen. Gek, maar ze was direct verkikkerd op hem. Ze had nu al het gevoel dat ze een mooie tijd met hem tegemoet zou gaan. Hij was ook nog eens pal naast haar komen wonen. Voorlopig kon het dus niet beter. Ze had het idee dat de man iets te vertellen had, dat hij beslist niet dom was. En volgens haar ging het hem absoluut niet alleen om haar lijf. Hoe dan ook, ze voelde zich lekker bij hem. Eindelijk een kerel die ook om de mens Monroe gaf. Ze had reeds gefantaseerd een aanvraag in te dienen om de muur tussen Frank zijn huisje op nummer 101 en het hare op nummer 102 door te mogen breken. Terwijl ze op haar klokje keek besefte ze met een glimlach dat ze Frank Zappa nog niet eens vijftien uur kende en nu al over samenwonen dacht.

Negen uur. Station Voorstad Sint-Jacoba, de Bloemenstad. De gezellige hal en de perrons van gras waren opgesierd met lange rijen bloembakken. Natuurlijk, men moest al direct het idee hebben om met de mooiste stad van de zevende hemel te maken te hebben. Ook hier was een plaspauze ingelast en had men de mogelijkheid een kiosk te bezoeken. Maar er diende haast gemaakt te worden. Er was maar een fractie van tijd. En zo zocht het gezelschap zonder een versnapering gekocht, of een toilet bezocht te hebben zijn weg weer naar de bus. Over de perrons van de Bloemenstad schalde de gebroken stem van Robert Schumann. Zijn stem leek nog luider en enthousiaster. Zou hij zich misschien het dagje uit met de zesde etage herinneren van nog niet zo lang geleden? Als een kleine jongen huppelde hij naast juffrouw Monroe. Om tien over negen vertrok het busje richting Sint-Petrusburg met als eindbestemming het hospitaal. Nog even en een ieder zou zijn weg zoeken. Een psychiater zou zich over Robert Schumann ontfermen en huidspecialisten zouden aan de slag gaan met Marlene Dietrich, Marie Monroe en Vincent van Gogh.

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet, dat was het spelletje waar de burgerzielen die zo juist waren ingestapt zich mee amuseerden. Wat de reden was van hun reis naar het hospitaal, dat mocht Joost weten. Op het eerste gezicht leken alle drie zo gezond als een vis.

De oude dame Marlene Dietrich keek in de nek van de onbekende heer met het zeurende rechterbeen. Ze zat twee plaatsen achter hem. Mevrouw Dietrich leek op dat moment de rustigste van het gezelschap. Al geruime tijd zat ze stilzwijgend voor zich uit te staren. Zo nu en dan bekeek ze zich nauwkeurig in een handspiegeltje. Ze had het een wijs besluit gevonden om haar gelaat onder handen te laten nemen. Ze walgde van de wallen, plooien en deuken die haar nek en gezicht ontsierden. Ook de bruine vlekken en blauwe aderen op haar handen en armen wilde ze laten verwijderen. Ze had de indruk dat al dit ongerief de oorzaak was dat het manvolk zich minder om haar bekommerde.

Marlene die op een rustig busreisje had gehoopt, had de onbekende heer die voor haar zat al verscheidene malen op de schouders getikt en hem gevraagd wat minder luidruchtig te zijn daar er zich zielen in de bus bevonden die van zijn lachsalvo’s niet gediend waren. Ook ergerde zij zich aan het gezang van Robert Schumann. Om zijn gezang en onzinwoorden niet te hoeven horen hield Marlene Dietrich bij wijze van protest zo af en toe haar vingers in de oren.

Om half tien arriveerde het gezelschap op het Centraal Station van Sint-Petrusburg. De inzittenden werden verzocht om het busje niet te verlaten daar er rechtstreeks naar het Sint-Lukas zou worden gereden. Wel voegden zich nog enkele burgerzielen aan het gezelschap toe. Met het einddoel voor ogen werd er nu nauwelijks meer gesproken. Slechts een licht gemompel van Schumann was hoorbaar met zo af en toe een korte lachsalvo van de meneer met het zeurende rechterbeen, alsmede het slurpende geluid van de pijp van Vincent van Gogh. Niet veel later waren daar de rood-witte slagbomen van de gebouwen van het Sint-Lukashospitaal.


61 Bastiaan Bach

Bastiaan Bach, in de wandelgangen de heer J.S. genoemd stond voor het raam van zijn penthouse op nummer 901 op de bovenste verdieping van de artiflat. Hij tuurde door zijn verrekijker naar de horizon, richting pijnbomenbos. Hij had wel eens rookpluimen boven het bos zien uitkomen. Men beweerde dat zich daar een nederzetting van purgatijnen ophield, vluchtelingen van tijdens de purgatijnse-opstand. Lang geleden, tijdens het jaarlijkse uitje van de negende, had hij de kijker gekocht op de wereldmarkt in Sint-Petrusburg. Hij herinnerde zich dit nog als de dag van gisteren. In eerste instantie was hij helemaal niet op zoek geweest naar een verrekijker, eerder naar een stereoradio, want daar kwam tenminste muziek uit. Maar het was een koopje geweest en hij had de kijker niet kunnen laten liggen. Sterker nog, als een kind zo blij was hij met het ding geweest.

Hij was de dag van het uitje opgetrokken met collega Amadeo, zijn buurman van 904. Deze had het plan om zich een betrouwbare metronoom aan te schaffen. Maar hij was bedrogen uit gekomen, want metronomen waren op de wereldmarkt niet aanwezig geweest, deze dienden schriftelijk besteld te worden bij de firma Bol Kom, waar je behalve trompetten, trombones, gitaren, piano’s en andere muziekinstrumenten ook voor je bladmuziek moest zijn.

Gewoonlijk ging de heer J.S. nauwelijks met Amadeo om. Ze hadden, behalve de muziek, weinig met elkaar gemeen. Vanwege zijn ordinaire praat, zijn drinkgedrag, zijn goddeloze opmerkingen en omgang met dubieus vrouwvolk had Bach zijn collega niet hoog zitten. Bovendien had hij niets met kegelen en biljarten. Er gingen zelfs geruchten al zou hij zich regelmatig ophouden in de rosse buurt rond de rode molen in het centrum van Sint-Petrusburg. Bastiaan vond hem een goddeloze gozer. Hij had nooit begrepen waarom de Heiland hem op de hoogste etage had neergezet. Maar de Almachtige zou zeker zijn redenen gehad hebben, daar diende J.S. zich niet mee te bemoeien.

In ieder geval waren de twee musici op de dag van het uitje zomaar partners geweest. Partners, geen vrienden, gewoon buren die een dagje met elkaar op pad waren. En het mocht gezegd worden, er was die dag geen onvertogen woord uit Mozarts mond gekomen.

Eens was Bastiaan een middag bij hem op bezoek geweest en was hij meegetroond naar zijn muziekkamer. Mozart had hem stukken voorgespeeld op zijn vleugelpiano. Aanvankelijk was J.S. geschrokken van de harde klank van het instrument en had liefdevol gedacht aan de warme klank van zijn eigen klavecimbel. Maar gaandeweg waren zijn oren gewend geraakt en had hij met een zekere bewondering naar het pianospel geluisterd. Sonates, noemde Mozart de stukken die hij hem had voorgespeeld, pianosonates. En eerlijk is eerlijk, Amadeo Mozart was die middag bij hem in waarde gestegen.

‘Krijg nou wat, daar heb je hem!’ riep hij plotseling luid, alsof er zich nog een aantal mensen in zijn woning zouden bevinden. ‘Daar heb je de Onze-Lieve-Vrouwekerk! Hoe is het mogelijk,’ mompelde hij terwijl hij de kijker nog eens van alle kanten bekeek en het ding als een wonder beschouwde. En inderdaad. Door het heldere weer van die ochtend was het mogelijk dat Bastiaan Bach met zijn eenvoudige kijker de spitse torens van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Mozestown kon waarnemen. Maar ondanks Bachs enthousiasme was er geen hemelwonder ge­schied. Want onderbuurman, schilder Van Rijn van 804 was het eens gelukt om met zijn professionele kijker in de buurt van Voorstad Sint-Jacoba te komen. Hij zou de gouden koepel van de Here Jezus Christus Kathedraal hebben gezien. Maar over­drij­ven is ook een vak, had Bach toen gedacht. Hij had hem voor geen meter geloofd. Die Van Rijn had te veel fantasie. Hij lulde wel meer uit zijn nek. Dat heb je met kunstschilders. Die zien dingen die er helemaal niet zijn.

Nadat hij nog geruime tijd richting Mozestown had getuurd borg hij de verrekijker op in een zwart lederen foedraal met groene binnenzij­de. Daarna legde hij de kijker neer op de onderste helft van het theetafeltje. Met het blote oog tuurde hij nu richting Mozestown, maar kon in de verste verte geen Onze-Lieve-Vrouwekerk meer ontdekken. Intussen fiedelde hij met zijn rechterhand op de metalen rand van de balustrade een improvisatie op zijn composi­tie Jesu joy of mans of desiring. Dit werk zou hij later op de dag uitvoeren. Hij was uitgenodigd om als organist in de Onze-Lieve-Vrouwekerk de opening op te luisteren ter inleiding van de Mariafeesten.

J.S. liep door de schuifdeuren naar binnen. Hij las op de staande staartklok dat het half negen was en dacht na over welk kostuum hij vanmiddag zou aantrekken. Hij liep naar de slaapkamer en bleef nadenkend, met de hand onder de kin, voor de grote spiegel staan. Om zijn mond verscheen een geheimzinnige glim­lach. Zou hij zijn driedelig kostuum in de kast laten hangen en voor een keer ludiek doen en zijn grijze coltrui onder zijn nieuwe rode colbertjasje aantrekken? Maar Bach lachte zichzelf uit om deze dwaze gedachte. Gekke jongen, sprak hij spottend naar zijn spiegelbeeld. Plotseling moest hij ontzettend naar de wc. Gek genoeg was hij, ondanks zijn grote ervarenheid, toch iedere keer weer gespan­nen voor een uitvoering. Iemand met zijn staat van dienst, iemand van zijn kaliber, zou niet meer gespannen moeten zijn, dacht hij bij zichzelf terwijl hij zijn billen bij elkaar kneep. Zou hij weer aan de dunne zijn? Ja wel zeker. Hij voelde het. Want een zachte zucht ont­snapte zijn achteruit­gang.

‘Verdik­keme toch, verdikkeme toch,’ mopperde hij en zocht gehaast het toilet op. Daar gezeten, met de pantalon op de enkels liet hij zich volledig gaan. En inderdaad, als hij het niet dacht, hij was aan de dunne. Het bruine vocht, afgewisseld met hier en daar een klontje, gulpte zijn lichaam uit. Heerlijk zo te zitten en je leeg te laten lopen, vond hij, en tegelijkertijd deed hij ook nog een plas. Ik zit hier nu toch, mompelde hij in zichzelf. Een zure lucht vulde de badkamer. Maar dit deerde hem niet, integendeel, hij snoof zijn lucht met graagte op. Hij hield van zijn lucht. Als hij op bed lag en winderig was, dook hij steevast met zijn hoofd onder de dekens om toch vooral niets van zijn geur te hoeven missen. Soms bij een onverwachte wind hield hij een vinger bij zijn uitgang om deze dan direct naar zijn neus te brengen. Lekker vond hij dat, vooral die zachte zuchten. Rare gedachten toch, mompelde Bach terwijl hij daar zo zat en om zich heen zat te kijken. Nog iedere dag dankte hij de Almachtige om zijn ruime badkamer, zijn immense balkon, zijn muziekkamer en zijn ruime living. De Here Jezus had hem goed bedeeld.

‘Krijg nou wat, ‘ riep hij nu voor de tweede keer in korte tijd. ‘Daar zul je het hebben.’ Hij nam het programmablaadje uit het fonteintje dat hij daar gisteravond laat had neergelegd en vergeten was mee te nemen. Zijn hele appartement had hij bijkans overhoop gehaald om het programmaboekje te vinden. En kijk nu eens, wie verwacht er nou dat het in de badkamer ligt. Echt ik weer, mopperde hij. Bach schudde zijn hoofd en las de inhoud van het programma. Hij zou twee keer acte de presence moeten geven. Een keer met Jesu joy of mans of desiring en Wat God doet dat is welgedaan. Collega Schubert van 805 zou samen met zangeres Maria Callas van 302 het concert openen met een Ave Maria.

Bach vouwde zijn handen en zong een koraal uit zijn cantate: Wat God doet dat is welgedaan. Daarna spoot hij het laatste bruine vocht in het toilet.


62 Rot Russen

Half twaalf in de ochtend. Dmitri Sjostakovitsj lag op de bank. Van werken was niets gekomen. Hij had geen inspiratie. Hij had trouwens ook geen zin. Zijn hoofd zeurde en hij had nog steeds een vieze smaak in de mond. De componist had een kater. Hij had een uurtje op het balkon gezeten, maar daar was het nu te warm. Ondanks het mooie weer had hij ook geen trek in een ommetje. Dat zou toch weer eindigen in de kroeg. Hij had eigenlijk nergens zin in.

Dus lag hij maar wat te lumme­len op de bank, zeg maar gerust dat hij daar uitgeteld lag. Met zijn ogen wijd open starend naar het plafond dacht hij aan de blunders van gisteravond laat in het café. Durfde hij zich nog wel buitenshuis te vertonen? Hij draaide zich om op zijn buik. Bah, wat baalde hij. Hij dacht ook aan de Welkomstsymfonie die maar niet wilde vlotten. Het eerste deel was nagenoeg klaar. Enkel nog een finale, slechts een paar maten. Pats boem. Klaar! Maar hij kwam er eenvoudig niet aan toe. Hij zag er tegen op om de resterende delen op papier te krijgen. Waar was godverdomme zijn inspiratie gebleven? Onrustig draaide hij zich nu op zijn zij, waarna zijn handen naar zijn sigaretten zochten naast hem op de vloer.

Om kwart voor twaalf sliep hij weer als een os. Hij sliep nog maar net of hij zag het besnorde smoelwerk van Stalin op zich af komen. Waar haalde hij het lef vandaan om onge­vraagd binnen te komen? Hij moest die kerel niet, dat wist hij toch?! Wat moest hij met die vent die hem zijn hele leven geklei­neerd en getrei­terd had? Sodemieter op man, schold Sjostakovitsj. Wat moet ik met je?! Ik wil met rust gelaten worden! Ga weg klootzak!…. Gelukkig, was daar professor Glazoenov. Hij mocht zijn leraar graag. Jammer van zijn tekortkomingen. De professor dronk tijdens de les stiekem alcohol uit een slangetje. Rietje in zijn voorzakje, flesje in de binnenzak. En dat voor een directeur van het conservatorium. Foei! Papa had Glazoenov beloofd alcohol voor hem te zullen stelen uit het magazijn van het leger. Glazoe­nov kon niet zonder alcohol. Dat was algemeen bekend. Maar er was voor hem nergens een druppel te krijgen. Alcohol genoeg, zei papa…

Chaos in plaats van muziek, had Stalin zijn werken genoemd. Hij had dit bijna van de daken geschreeuwd. Geluk­kig had de man geen verstand van kunst. Iemand die Shakespe­are laat vallen is een cultuurbarbaar. Of niet soms? Chaos in plaats van muziek! Naar de verdoemenis met hem! riep hij. Niet te luid natuur­lijk en niet in het openbaar, want dat kon je je kop kosten, net zoals die duizenden anderen! Voor je het wist zat je op transport naar het oosten. Chaos in plaats van besturen, zou hij bedoe­len! Wist meneer Stalin trouwens al dat zijn onderdaan de opdracht had gekregen om een symfonie te schrijven voor de Messias? Had je niet gedacht hè, vuile beroeps moorde­naar!…

Moeder gaf hem pianoles. Hij studeerde alle stukken die ze hem op gaf uit zijn hoofd. Je hebt veel talent, mijn jongen, zei ze. Vader was ziek, doodziek. Hij zat in zijn stoel naast de kachel, uitgemer­geld, ondervoed en bloed spuwend…

Muziek op zijn Amerikaans, las hij over zichzelf in de krant. Allemaal leuge­naars die communisten van de Waarheid! Maar hij wist wel waarom ze hem niet zagen zitten. Stalin was kwaad. Sjors was te populair in het Westen. De kift dat ze hem niet mochten. Pure jaloezie! Eigen schuld dikke bult. Hondelul!

Kinderen op school moesten teksten over hem uit het hoofd leren. Teksten over de schade die hij de kunst zou hebben berok­kend. Daar stond hij weer. Keurig in het pak gesto­ken. Hij was gedwon­gen een lezing te geven die voor hem geschre­ven was. Hij was gewoon te moe om te weigeren. Trou­wens, weigeren zou transport of de kogel betekenen. Dus wat moet je?…

Koud was het! Het conservatorium had geen verwarming. Docenten en leerlingen zaten met jassen, hoeden en handschoenen aan in de klas. Professor Glazoenov ook, maar die had zijn alcohol en sigaren. Zij hadden niets. Professor Glazoenov speelde piano zonder zijn eeuwige sigaar uit zijn hand te leggen. Grappig gezicht! De sigaar werd tussen middel- en ring­vinger gehouden. En toch speelde hij de moeilijkste stukken. Best een leuke vent, die Glazoenov.

Kunstschilders, schrijvers, filmmakers, boeren, ze verdwenen spoorloos. Ze werden ’s nachts gewoon opgehaald. Dat was alles. En zeg daar maar eens wat van. Voor je het weet, ben jij aan de beurt. Stalin was een spin. Iedereen die in de buurt van zijn web kwam moest sterven. Ach, Hitler, Stalin en Wagner: één pot nat…

Badend in het zweet en met betraande ogen ontwaakte Sjostakovitsj uit zijn nachtmerrie. Hij keek verward om zich heen. Gelukkig, hier was hij veilig. Hij was hier in de hemel. Dankjewel, goede God! Opge­lucht haalde hij adem, rekte zich uit en stond een beetje moei­zaam op. Hij stak een sigaret op, maar doofde deze weer na een paar trekjes. Sigaretten smaakten hem deze morgen niet. Had hij zin om te werken? Nee hij had geen zin. Hij was moe. Of toch wel? Een paar minuten later zat Sjostakovitsj luid zingend in zijn onderplunje aan het bureau de laatste maten van het eerste deel van zijn Welkomstsymfonie te noteren.

‘Hoera!!’ riep hij luid toen hij daar mee klaar was. Daarna verdween de componist zingend naar de badkamer.


63 De plaksnor van Goethe

Vandaag had hij zichzelf een meisje beloofd. Gisteravond laat, toen hij in zak en as zat, nadat hij café de Nadorst was uitgevlucht en een wandeling had gemaakt had hij dit met zichzelf afgesproken. Als nooit tevoren had hij de afgelopen nacht last gehad van zijn maandelijkse ongemak, een welhaast chronische stijfheid van zijn geslacht. Het moge niet vreemd zijn dat hij hierdoor de afgelopen nacht bijzonder slecht had kunnen slapen. Zijn hunkering naar een vrouwenlijf was groot geweest. Meisjes en vrouwen waren die nacht zijn fantasie gepasseerd. Slank, volslank, piepjong tot ouder. Beeltenissen van zijn geliefden van weleer, van het aardse waren langsgekomen: Kätchen, Friederike, Lotte en Lili, Christianne, Minna, Marianne en Ulrike… Hij had ze als vanouds gekust, hartstochtelijk bevoeld en bemind. Maar ondanks zijn opwinding had hij zijn geslacht onberoerd gelaten. Hij had niets ondernomen. Hij zou het opsparen voor morgen.

Om half tien die morgen had hij de slang naar Sint-Petrusburg genomen. En nu, met een warm gevoel in de onderbuik, het bekende geile gevoel, wandelde hij door de nauwe straatjes en steegjes rond de rode molen in het centrum van de hoofdstad. Voor de zekerheid had hij een plaksnor opgedaan. En ook het bloemetjesoverhemd met omhoog gesteven kraag deed niemand denken aan de grote schrijver en dichter Wolf von Goethe, de schrijver van Werther, Faust en Erlkönig!

Het was een drukte van jewelste in het beroemde rondje en de steegjes die daar op uitliepen. Met de rode molen als middelpunt, als as van het rosse gebeuren flaneerden de lichte vrouwen in hun opzichtige, opwindende kledij. Wolf had ervaring met meisjesbezoek. Zeker eens in de maand kon je hem hier zien rondbanjeren. Hij verslond ze. Brutaal keek hij ze aan. Hij wachtte op hun glimlach, hij genoot van hun geile uitstraling. Hij kende de meisjes. Hij herkende de heerlijke schepseltjes in hun vitrines. Soms stak hij joviaal zijn hand naar hen op. Maar hij moest zich niet haasten. Ondertussen zochten zijn ogen naar nieuwe meisjes. Het geschikte meisje zou hij zeker tegenkomen.

Rond de klok van half elf had hij beet. Al drie keer was hij haar raam gepasseerd. Zij had geknipoogd. Hij had geglimlacht. Hij kon zich zo één-twee-drie niet herinneren dat hij haar hier eerder gezien had. Zo op het eerste gezicht was ze niet één van de jongste, maar dat boeide niet, het vonkje was overgeslagen. Nog eenmaal voorbijlopen besloot hij, en dan zou hij zijn slag slaan. Nauwelijks nog aandacht voor de andere flirtende en wenkende meisjes bekeek hij zichzelf in de spiegeling van hun etalages. Hij zag zijn opmerkelijke outfit, zijn plaksnorretje en zijn bloemetjesoverhemd.

Schoorvoetend, een beetje nonchalant liep hij nu voor de vierde keer naar haar raam op nummer 17a. Molensteeg, had hij zojuist gelezen. Daar hield hij halt. Bijna brutaal, met één hand in de zij en de ander onder de kin, al zou hij een kunstwerk keuren, keek hij haar onderzoekend aan. Ja dit was ze, dit moest ze zijn. Bij haar zou hij een uurtje doorbrengen. Deze vrouw moest hem van zijn ongemak afbrengen. De jonge vrouw stond van haar kruk op en bewoog zich naar het raam waar ze iets tegen hem probeerde te zeggen. Hij verstond haar echter niet. De vrouw wees naar de deur. Wolf knikte. Een ogenblik later stond ze in de deuropening voor hem.

‘Daar ben je dan,’ zei de vrouw.

‘Ja, daar ben ik dan,’ antwoordde Wolf. Hij bekeek haar even van top tot teen. Hij keurde haar. Hij wilde zeker zijn van zijn zaak. Ze was blond, kort blond, tot boven haar schouders, van voren droeg ze pony. Een kilo of zestig, schatte hij haar. Ze droeg een laag uitgesneden zomerjurkje, waarvan de kleuren rood en groen overheersten. Met daaronder een B-cup, schatte hij. Een flinke B-cup. Wolf hield van gekleurde zomerjurkjes. Hij hield van flinke B-cups.

‘Hoe is het,’ vroeg ze. ‘Waarom kom je niet gezellig binnen?’ Ze legde een hand op zijn schouder. Gewillig liet Wolf zich daarna naar binnen leiden. Hij liep achter haar aan een smal gangetje in en keek naar haar brede schouders. Een beetje atletisch figuur vond hij. Ze was iets kleiner dan hij, misschien vijf centimeter. Stevige benen onder haar jurkje en een forse vrouwenkont. Wolf hield van dit soort konten. Hij had lust om haar direct bij de billen te vatten.

Rustig Wolf, beval hij zichzelf. Ze droeg het jurkje kort, maar niet te kort. Niet ordinair. Hij hield niet van ordinair. Je trof Wolf von Goethe zelden bij een ordinair hoertje. Hij verafschuwde meisjes die in hun slip en blote tieten in hun etalage zaten. Hij gunde deze dan ook geen blik. Vijftien centimeter boven de knie droeg de vrouw die voor hem liep haar zomerjurkje en… heerlijke blote benen. Nu al fantaseerde hij over de kleur en de stof van haar slipje. Het zou echter zomaar kunnen dat ze er geen droeg. Dit scheen tegenwoordig mode te zijn. Wolf echter hield van onderbroekjes. Hij vond een stukje stof meer opwindend dan bloot. Ze had ook stevige armen, zag hij. Maar het geheel oogde absoluut niet dik, eerder sportief. Het zou hem niets verwonderen al zou ze aan fitness doen. Stoer, ja dat was het juiste woord. Hij vond haar stoer!

‘Kom verder,’ zei ze. Ze opende de deur naar haar kamertje. Er stond een tafel tegen de muur met twee bijpassende stoelen. Verder een tweezits zwartlederen bank en een allesoverheersend groot bed. Misschien wel een drie persoons bed. Verder een wastafel met daaronder een krukje met daarop een grote stapel handdoeken. De spiegel boven de wasbak meldde met rode lipstickletters de prijzen: Vluggertje 100 zilverlingen. Halfuur 250 zilverlingen. Heel uur 400. Nacht 1000 zilverlingen. Posters met toeristische attracties sierden de muren van de kleine kamer, waaronder de rode molen van even verderop, bloemenpracht en de Here Jezus Christus Kathedraal met zijn gouden koepel in Voorstad Sint-Jacoba en de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Mozestown. Boven het bed hing een schilderij met een huilend meisje. Een ventilator draaide. Het rook er naar een parfumwinkel. De vrouw ging op de rand van het bed zitten.

‘Je hebt mij uitgekozen, zei ze, ga zitten.’ Ze klopte met beide handen links en rechts naast zich op het bed. Maar Wolf negeerde haar uitnodiging. Hij nam een stoel van onder de tafel en ging voor haar zitten met de rugleuning tegen zijn borst. Hij hield niet van zitten op een zachte ondergrond. Hij hield van een actieve zit. Een bank waar je in wegzakte was niets voor hem. ‘Ik ben Lieve en jij?’ Ze had grote lippen en bruine ogen. Haar stem klonk laag, bijna hees. In een koor zou ze met de tenoren mee kunnen zingen.

‘Koos’ loog hij. ‘Ik heet Koos.’ Hij gebruikte dikwijls een schuilnaam. Niemand had er belang bij om zijn werkelijke naam te weten. Vooral niet in een buurt als deze. Wolf moest er niet aan denken dat er over hem gekletst werd. Niemand mocht weten dat hij zich regelmatig in de rosse buurt van Sint-Petrusburg ophield. Goethe bij de lichte vrouwtjes? Niets daarvan. Hier heette hij Koos, Koos met de snor. Trouwens, wie zei hem dat de vrouw tegenover hem werkelijk Lieve heette en niet Trees of Annie?

‘Wat wil je Koos?’ De vrouw knikte naar de spiegel. Ze nam zijn hand.

‘Ik wil jou.’

‘Je snorretje hangt trouwens op half zeven,’ lachte Lieve.

‘Ach nee toch,’ schrok Wolf. Hij liep naar de wastafel en bekeek zich in de spiegel. De vrouw had gelijk, zijn snor was aan één kant afgezakt. Hoelang zat hij wel niet met een afgezakte plaksnor tegenover haar? Hoelang zat hij hier al voor schut? Met een rukje trok hij het snorretje af. Daarna nam hij weer plaats op de stoel tegenover de vrouw die nog steeds op de rand van het bed zat. Ze zat daar nog steeds in haar zomerjurkje. Ze lachte mooi vond Wolf. Ze had grote tanden. Ietsje te groot. Het leken hem inplanttanden, maar hij kon zich vergissen. Hij schaamde zich niet voor het voorval met het snorretje. Misschien een teken dat hij zich hier wel op zijn gemak voelde.

Toch schortte er iets aan zijn bezoek aan deze vrouw. Want terwijl hij nu zeker al een kwartier bij haar was, was er nog niets tussen hen voorgevallen. In ieder geval niets seksueels. Gek, want daar was hij toch voor gekomen. Of het moet geweest zijn dat ze haar benen, gewild of ongewild zo af en toe een weinig uit elkaar liet gaan. Maar dit kon net zo goed een zenuwentrekje zijn. Als ze het met opzet deed, om hem te verleiden, was het best geraffineerd. Zelf zat hij ook dikwijls met zijn been te trillen, maar dit was opgaand. Hoe vaak had hij zijn omgeving niet tegen hem horen zeggen: Wolf, zit eens stil zenuwpees! Ze had heerlijke benen, vond Wolf. Maar gek genoeg voelde hij nog steeds geen opwinding. Hij had trouwens ook niet het idee dat ze hem op temperatuur probeerde te krijgen. Of waren het toch die open en dichtgaande benen? Ze kon natuurlijk ook een beginneling zijn, dacht hij. Of lag het aan hem? Nu ja, afwachten maar. Misschien moest het allemaal nog komen. Hij stak een sigaret op en bood er Lieve ook één aan. Ze rookten.

‘Ik schat je achtendertig jaar, loog Wolf nadat ze een tijdje zwijgend voor zich uit hadden zitten staren.

‘Dankjewel,’ lachte Lieve hartelijk. ‘Dankjewel Koos, wat aardig. Maar doe er gerust een paar jaartjes bij.’

‘Ik zit er ver naast?’

‘Je maakt me verlegen.’ En weer zwegen ze. Wolf keek nog eens in de rondte. Hij zag plotseling dat de gordijnen niet gesloten waren. Hij zat doodleuk in de etalage. Hij zat daar samen met een prostituee te kijk. Weliswaar met de rug naar het raam. Maar hij vond dit alles behalve aangenaam.

‘Weet je al wat je wilt,’ vroeg Lieve. Ze zag dat hij ongemakkelijk om zich heen zat te kijken. Doormiddel van een knikje richting het raam gaf Wolf te kennen dat hij zich niet op zijn gemak voelde. Lieve stond op en sloot de gordijnen. ‘Zeg het maar,’ zei ze toen ongeduldig. ‘Zeg nu eens eindelijk wat je van plan bent met me te gaan doen.’ Ze legde een hand op zijn schouder.

‘Ik wil met je vrijen,’ antwoordde Wolf. Maar hij had al direct spijt van zijn antwoord. Want waar waren op dit moment zijn lusten? Wel streelde hij met zijn hand aan het bloot onder het jurkje. Met de toppen van zijn vingers raakte hij even de stof van haar broekje aan. Vervolgens ging hij door met het strelen van haar bovenbenen.

‘Goed jochie, ik wil met jou ook wel rollebollen.‘ Ze nam zijn hoofd in haar handen en gaf hem een kusje op de mond. Ze rook naar sigaretten. ‘Maar kom dan alsjeblieft bij me op bed, want zo is het niks. Of had je iets speciaals in gedachten?’ Demonstratief liet ze zich daarna achterover vallen. Ze bleef liggen met haar knieën omhoog. Wolf had nu een prachtig uitzicht onder haar zomerjurkje. Begerig keek Wolf naar haar blote benen. Maar op de één of andere manier had hij nog geen trek om naast haar te komen liggen. Wat was er met hem aan de hand? ‘Nou?’ vroeg Lieve, weer ongeduldig. ‘Kom je nog?’ Wolf stond op en legde zich naast Lieve neer. Deze draaide zich naar hem toe en begon de knoopjes van zijn overhemd los te maken. Daarna streelde ze zijn borst. ‘Vind je dit fijn?’ vroeg ze. Ze draaide aan zijn tepels, die ogenblikkelijk reageerden.

‘Mmmm,’ antwoordde Wolf. Maar hij lag daar als een zoutzak. Jezus, schrok hij, ik ben mijn potentie toch niet aan het verliezen. Maar hij schoof deze gedachten direct opzij toen hij dacht aan gisternacht toen zijn geslacht ongenadig op drift geweest was. Maar waar bleef dan nu zijn hitsigheid?

‘Kom Koosje, een beetje actief,’ fluisterde Lieve in zijn oor terwijl zij aan de sluiting van zijn pantalon zat te frutselen. Wolf sloot zijn ogen en plotseling zag hij Lili, zijn blonde vriendinnetje van weleer. Verdomd haar naam leek op die van deze vrouw. Maar haar schoonheid, haar jeugd daar kon deze vrouw niet aan tippen. Zijn kleine Lili. Hij voelde hoe Lieve zijn broek opende. Hoe ze hem begon te strelen. Maar hij dacht aan Lili. Hij zocht naar haar borstjes. Lili had gevoelige borstjes. Hoe vaak had hij haar niet een orgasme bezorgd door aan haar tepeltjes te zuigen. ‘Goed zo jongen,’ fluisterde Lieve in zijn oor, terwijl ze hem begon te masseren. Raar hoor, dacht Wolf dat hij opgewonden moest worden door aan zijn meisje uit het verleden te denken. Hij zag de zee. Voor de dagjesmensen die hen over het Hollandse strand zagen lopen waren zij vader en dochter. Maar de twee wisten beter. Hij, Wolf von Goethe, de man reeds op leeftijd liep daar op blote voeten in het Noordzeewater met zijn zestienjarige geliefde Lili. De zee had een enorme aantrekkingskracht op zijn meisje. Hij had haar een keer zien huilen toen ze tot haar middel in het water stond. Na het water zochten ze beschutting in de duinen. Ze zochten naar een plekje waar hij haar borstjes kon kussen… ‘Goed zo jongen,’ fluisterde Lieve weer. ‘ Zo gaat ie goed.’ Wolf opende zijn ogen en keek naar de vrouw die hem nu ging plezieren. Wat een geluk, zijn geilheid was er weer.


64 Bach op de rommelmarkt

Bastiaan Bach van nummer 901 had die middag zijn witte puntschoenen aan. Onder zijn rode colbertjasje droeg hij een grijze coltrui. Zoals hij daar liep leek hij geheel niet op de vermaarde organist en componist waar iedere muziekliefhebber over sprak. Bach zelf vond het echter een flitsende combinatie. Hij keek op zijn kettinghorloge: half twee. Ruimschoots op tijd. Hij was wel iets gespannen, maar dat hoorde er bij. Hij was artiest, en artiesten die een prestatie wilden leveren behoren gespannen te zijn. Zojuist was hij het stationsgebouw van Mozestown uitgelopen. Hij liep nu richting Domplein. Hij zou vanmiddag ter opening van de Mariafeesten zijn medewerking verlenen aan het concert in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. De dienst zou om drie uur beginnen. Nog voldoende tijd voor een wandelingetje. Hij stak de straat over en zag tot zijn grote vreugde dat er op het Stationsplein rommelmarkt gehouden werd. J.S. hield van dit soort drukte en bedrijvigheid. Mozestown stond alom bekend om zijn gezelligheden. Hij probeerde zich de naam van de burgemeester van Mozestown voor de geest te halen maar kon er zo een-twee-drie niet opkomen. Het was een vrouw, dat zeker. Alle steden in het hiernamaals werden bestuurd door een vrouw.

Trouwens, in Voorstad Sint-Jacoba, de Bloemenstad, een stad van even verderop, de stad van burgemeester Anne Franck, werd eveneens van alles georganiseerd. Bach had daar wel eens een middag in een pretpark doorgebracht, samen met zijn vriend Frederik van 703 geweest. Het was een aangename dag geweest, met veel zon en een licht briesje. Hij wist dit nog als de dag van gisteren. Ze hadden diverse attracties bezocht en hadden pret gehad voor drie. Hij herinnerde zich nog hoe Frederik kotsmisselijk uit de zweefdraaimolen was gekomen. Ze hadden daarna wijselijk het draaigedoe vermeden en de rest van de dag op een terras gezeten. Omgeven door de prachtig bloemenperken, waar de stad zo om bekend staat, hadden ze thee gedronken en een reuze sorbet achterover geslagen. Intussen hadden ze naar het langslopende burgervolk gekeken. In ieder geval hadden ze zich uitstekend geamuseerd. Wat hem betrof mocht er in Johan­nesburg ook wel eens iets van dien aard georganiseerd worden. Hij zou burgemeester mevrouw moeder Teresa hier eens over kunnen informeren. Hij stond tenslotte op goede voet met haar. Och, natuurlijk, de Dag des Heren, helemaal vergeten. Stom, stom stom…

Met deze gedachten stak hij de straat over en mengde zich tussen het volk op de markt. Nieuwsgierig keek hij naar spullen waar hij nauwelijks weet van had. Uitvindingen van na zijn tijd. Ja, hij had wel gelezen en horen vertellen over televisie, computers en andere apparaten waar je bewegende beelden kon bekijken en waar tegelijkertijd geluid uitkwam. Zelf was hij sinds kort ook in het bezit van een modern apparaat, een radio. Wat had hij al een plezier van het ding gehad. Elke middag luisterde hij met Frederik naar De klassieke fruitmand. Een andere moderniteit was zijn verrekijker. Ook daar had hij dagelijks plezier van.

Een grote wens van J.S. was een grammofoon. Een pracht uitvinding vond hij dat. Als je daar een zwarte schijf op legde, kon je alle muziek horen die je maar wilde. Al geruime tijd liep hij rond met het idee om zo’n grammofoon aan te schaffen.

‘Krijg nou wat,’ mompelde hij verbaasd. ‘Daar heb je d’r eentje.’ En inderdaad, of de duivel er mee speelde. Hij stond voor een kraampje waar een grammofoon te koop werd aangeboden. Zevenhonderdvijftig zilverlingen moest het apparaat opbrengen. Maar hoe kwam hij aan die zwarte schijven, kreeg je die er misschien bij? En bestonden er ook zwarte schijven met muziek van hem zelf of van zijn vriend Frederik Händel? Hij zou dit eens aan Wigbert de barkeeper vragen, die had verstand van zulk soort zaken. Hij had zelf ook een modern muziekapparaat in zijn café. Glimla­chend slenterde hij verder tussen de kraampjes. Hij voelde zich op zijn gemak tussen de burgerzielen. Links en rechts knikte hij naar onbekenden. Maar al liep Bach dan tussen het gewone volk en al liep hij dan nonchalant met de handen in de zakken, na verloop van tijd kreeg hij de indruk dat hij met meer dan gewone belangstelling werd nagekeken. En inder­daad, toen hij hier wat meer op ging letten, zag hij dat men hem soms overdreven lang aankeek. Ook zag hij hoe sommigen elkaar aanstootten en hem nawezen. Weer anderen ke­ken geruime tijd achterom. Sommigen bleven zelfs staan. Bach snapte er niets van. Had hij iets van hen aan? Stond zijn broek misschien open? Maar niets van dat. Hij haalde zijn schouders op en probeerde er niet meer aan te denken. Wat kon hem het schelen. Hij had immers niemand iets misdaan? Hij was zoals gezegd kunstenaar en misschien herkende men hem van afbeeldingen uit tijd­schriften of radio­gid­sen waarin zijn muziek werd aange­kon­digd. Plotseling bleef hij staan en fronste zijn wenkbrauwen. Of zou het misschien door zijn rode jasje en witte punt­schoenen komen? Zou hij er te opvallend uitzien? Verdikkeme toch, verdikkeme toch, zuchtte hij. Kon hij zo wel in de Onze-Lieve-Vrouwekerk verschijnen. Zouden ze hem niet uitlachen? Voor een ogenblik had hij spijt dat hij niet zijn gewone kostuum had aangetrokken. In een oude, grote rijkversierde spiegel op een marktkraampje stond hij oog in oog met zijn beeltenis en kon het niet nalaten zichzelf een knipoog te geven. Het is goed jochie, stelde hij zichzelf gerust, je ziet er pico bello uit.

Zijn aandacht werd afgeleid door een spandoek waarop met grote letters stond: PAS OP ZAKKENROLLERS!! Het moet niet gekker worden, mopperde hij en voelde aan zijn kontzak. De schuld van het vagevuurgepeupel, de zogeheten purgatijnen mompelde hij geïrriteerd. Lui die zo nodig de sfeer in het hiernamaals moeten verpesten. Hij schudde zijn hoofd. Hoe kon de Almachtige toestemming geven om deze tweederangs zielen de vrijheid te geven? Dat was toch vragen om moeilijkheden! Zonda­ren behoor­den vast te zitten. Punt uit. Zielen uit het helle­vuur laat je toch ook niet zo af en toe een dagje vrij om een beetje af te koelen?

Bastiaan moest denken aan het uitgebreide radio-interview van verleden jaar. De Heiland had toen speciaal de aandacht gevraagd voor minder­heids­groepen zoals de bevolking uit het purgatorium. In zijn redevoering had de Messias gesproken over verdraagzaam­heid en gelijk­heid. Deze zielen, veelal vluchtelingen, moesten zodra de tijd hier rijp voor was, een eerlijke kans krijgen om zich te integreren. Ja, an me hoela, had hij toen gedacht. Niks integre­ren. Stelen, roven en hoere­ren. Bach zuchtte en schudde nog eens een aantal keren zijn hoofd. Hij begreep soms weinig van zijn schepper. Maar direct murmelde hij een gebedje en vroeg vergiffenis. Waar bemoeide de nietige Bach zich eigenlijk mee. Voor een moment bleef hij midden in de drukte staan om even zijn handen te vouwen en de ogen te sluiten. Als hij nu van roomse huize was geweest, had hij zeker een kruisje geslagen. En voor de tweede keer die dag zong hij, zij het nu zachtjes, Wat God doet dat is welgedaan. Intussen zag hij op zijn kettinghorloge dat het tien over twee was. Het was de hoogste tijd om het Domplein op te zoeken. Met zijn horloge nog in de handen stond hij voor een kraampje dat gespe­ciali­seerd was in wandtegel­tjes. Glimla­chend las hij enkele spreu­ken:

              De Duivel schijt altijd op de grote hoop.

              Johannes de doper zijn kont is van koper, zijn gat is van blik, rikketikketik.

              Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers.

Zulks vind je alleen maar op een rommelmarkt, glimlachte Bach. En terwijl hij er nu flink de pas in zette schoot hem de naam van de burgemeester te binnen. De dame in kwestie was mevrouw Jeanne d’Arc.

 


65 Mariafeesten

Het was tien over twee die middag. In de Onze-Lieve-Vrouwekerk liep het kerkbestuur en organisatie van de Mariafeesten nerveus heen en weer. De kerk was afgeladen vol. Buiten op het Domplein waren houten banken neergezet en luidsprekers opgehangen voor diegene die de dienst binnen in de kerk niet konden bijwonen. In de kerk was het rumoerig. Waarom duurde het allemaal zo lang? Mevrouw Maria Callas had reeds ingezongen. Haar toonladders en drieklanken hadden de zielen in de kerk reeds doen huiveren. De zangeres wachtte nu op het moment dat haar begeleider Franz Schubert op de vleugelpiano het Ave Maria zou inzetten.

Bastiaan Bach stond op dat moment voor een kraampje met lekkernijen. Hij kocht er een puntzak met pepermuntballen. Daarna kuierde hij op z’n gemak, met de handen op de rug richting Domplein. Het weer leende zich uitstekend voor een wandeling. De lucht was strak blauw en er scheen een aangenaam zonnetje. Bach voelde nogmaals aan zijn kontzak. Hij was niet gerold. Hij had goed opgelet. Het spandoek met Pas op zakkenrollers had hem extra alert doen zijn. In zijn binnenzak van zijn rode colbertje bevond zich het programmaboekje voor het concert van vanmiddag en enkele vluchtige aantekeningen die betrekking hadden op de te bespelen werken. Hij had er zin in en zette daarom een stevige pas in. Wat God doet dat is welgedaan, neuriede hij opgewekt. Straks zou hij op dit koraal een prachtige improvisatie spelen.

De markt achter zich latend sloeg Bastiaan een zijstraat in. Weg van de drukte. Zijn ogen zochten de spitse torens van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Hij kon deze echter niet zo gauw waarnemen. Hij haalde zijn schouders op. De dienst zou pas om drie uur aanvangen. Hij keek op zijn kettinghorloge en zag dat het kwart over twee was. Tijd genoeg dus. Maar toch zou hij zo langzamerhand de kerk in het vizier moeten krijgen. En terwijl hij een pepermuntbal in zijn mond stak vond hij dat hij aan iemand de weg zou kunnen vragen.

‘Verdikkeme, verdikkeme,’ mopperde hij. Het kon toch niet zo ver meer zijn. Stel je voor dat hij te laat zou komen. Een kwartier wandelen van het station, was hem gezegd. Hij zette nu even extra flink de pas in. Intussen vormden zich zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd. ‘Wat God doet dat is welgedaan,’ sprak hij zichzelf toe. ‘Maar ik moet wel op tijd zijn, verdikkeme.’ Gaandeweg werd het rustiger op straat. Twintig over twee. Bach voelde zich niet op zijn gemak. Waar zich de Onze-Lieve-Vrouwekerk bevindt? Nou, dat is nog wel een stukje lopen, meneer. Links af, dan rechts en dan alsmaar rechtdoor. U loopt dan vanzelf tegen de kerk aan. Het kan niet missen! Nog een stukje lopen, was hem gezegd. Maar wat verstond men hier onder een stukje? Het zweet brak hem uit.

Hij probeerde zijn pas te versnellen. Maar snel lopen op zijn puntschoenen ging moeilijk. De gladde zolen deden hem soms zowat onderuit gaan. Zijn voeten deden hem al geruime tijd pijn. Zou hij zijn schoenen uitdoen en een sprintje trekken? Waarom had hij die idiote schoenen ook aan gedaan? En waarom liep hij hier voor schut in zijn rode colbertjasje en grijze coltrui? Wat moet het concertpubliek hier straks wel niet van denken? Lieden die dit soort bijeenkomsten bezochten waren meestal van goede komaf. Bovendien was de trui hem veel te warm met dit weer. Van uit zijn nek zochten sliertjes zweetdruppels hun weg naar de borst en buik van de maestro. Zelf tussen de billen voelde hij nattigheid. Hij haastte zich nu in de richting die hem zojuist was aangewezen. Hij mocht niet te laat komen. ‘Verdikkeme toch, verdikkeme toch…’

Twintig over twee. Bij de organisatie in de kerk was een lichte paniek ontstaan. Waar was Bastiaan Bach? Waar bleef hun hoofdact? Hoeveel zielen waren niet speciaal naar de kerk gekomen om hem op het orgel te horen spelen? De voorzitter van het Maria comité was op dit moment met zijn opening speech bezig. Het Ave Maria van het duo Callas en Schubert had zojuist geklonken. Het kerkvolk had genoten. Zo direct stond de naam Bastiaan Bach op het programma. Maar waar bleef deze toch?

J.S. rende op een draf door de Kerkstraat. Plotseling doemde de spitse torens van de Onze-Lieve-Vrouwekerk voor hem op. ‘Here mijn God, gelukkig, ik ben er,’ riep hij verblijd. Over het Domplein hoorde hij een luidsprekerstem galmen. Hij schrok van het volk op het plein. Wat een drukte! Wat was er aan de hand? Was er misschien een ongeluk gebeurd? Of waren zij allen gekomen voor het concert, misschien wel voor hem? Vragen die hem door het brein flitste. Mijn God, wat gebeurt hier allemaal? Dranghekken versperde hem de weg. Ik kom er aan, zou hij bijna geroepen hebben. Hij wrong zich door de massa, kroop onder een dranghek door en liep snel de kerk in.

Een geroezemoes onder het volk in de kerk was het gevolg toen Bastiaan Bach haastig het middenpad van de kerk betrad. Hier en daar klonk gelach. Ze lachten om zijn rode colbertje en witte puntschoenen en misschien ook om zijn verhitte gelaat. Maar wat kon hem dit schelen. Hij wilde maar één ding, zo spoedig mogelijk naar het kerkorgel. Hij wilde spelen! Eén van de organisatoren, een man met een staartje in zijn haar, ving hem op en loodste hem naar de sacristie.

‘Meneer Bach,’ fluisterde hij. ‘Waarom zo laat? En wat ziet u er uit. Is alles goed met u?’

‘Ik begrijp het niet,’ stamelde J.S.. ‘Ik denk dat ik me in de tijd heb vergist. Hoe is dit mogelijk?’

‘Kom,’ zei de man met het staartje. ‘Ik zal u naar het orgel brengen. U bent zo aan de beurt.’

‘Moment,’ antwoordde Bach. Hij trok zijn rode colbertje uit. ‘Houdt u dit alstublieft even vast.’ Vervolgens trok hij zijn grijze coltrui over het hoofd. Zijn lijf glom van het zweet.

‘Wacht,’ zei de man. ‘Ik haal een handdoek voor u. Zo kunt u niet spelen.’ Bach overhandigde de man zijn grijze trui en trok daarna zijn colbertjasje aan over zijn natte blote lijf.

‘Doe geen moeite, ik red me wel.’

‘Weet u het wel zeker? Komt u dan maar mee.’ De man met het staartje leidde Bach naar de houten wenteltrap, de trap naar het orgel. ‘Voorzichtig, de treden kunnen gemeen glad zijn,’ waarschuwde de man. Met twee treden tegelijk besteeg Bastiaan veel te gehaast de trap naar het orgel. Het gevolg was dat hij middenin uitgleed en een aantal treden naar beneden viel.

‘Jezus Maria!’ riep hij uit. Het was op dat moment ijzig stil in de kerk. De voorzitter had zojuist zijn speech beëindigd en aan het kerkvolk gevraagd om een ogenblik stilte voor een persoonlijk gebed. En juist toen gleed Bach van de trap en slaakte de kreet: ‘Jezus Maria!’


66 Onze Lieve Vrouwe Kerk

Het was die middag half drie toen de organist Bastiaan Bach tijdens de opening van de Mariafeesten in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Mozestown een ongelukkige val maakte op de trap naar het kerkorgel. Hij had hierdoor flinke schaafwonden aan zijn been opgelopen en even zag het er naar uit dat hij niet zou kunnen spelen. De oorzaak van het ongeluk was dat de organist te gladde schoenen aanhad en hij te gehaast de houten trap had beklommen. Dat gehaast had weer alles te maken dat hij zich vergist had in de tijd en op het nippertje in de kerk verschenen was. Ondanks schaafwonden en zeurende benen zat de vermaarde organist even later op de orgelbank en deed het kerkvolk genieten van zijn Wat God doet dat is welgedaan en het alom geprezen Jesu Joy of Man’s Desiring. Op deze werken had hij eveneens geïmproviseerd. Groot was het succes geweest en ovationeel het applaus. Verschillende keren moest hij zich tonen aan het publiek. Glimlachend, een ietwat verlegen verscheen hij op het bordesje naast het orgel om het publiek te bedanken. Nog nat van het zweet van de voorbije perikelen stond daar de grote musicus in zijn blote bast met daarover zijn rode colbertjasje. Wat het publiek niet kon zien waren zijn blote voeten. Bastiaan had zich ontdaan van zijn knellende puntschoenen. Het was onmogelijk geweest om met dit schoeisel de pedalen te bespelen. Maar met of zonder knellende puntschoenen had zijn orgelspel veel bijval geoogst. Zielen waren opgestaan en hadden zijn naam gescandeerd. We want more, was er zelfs oneerbiedig geroepen. Bastiaan had geglunderd en intussen over een toegift nagedacht. Het werd het overbekende Ein feste Burg ist unser Gott. Tot tranen toe bewogen werd dit koraal door een groot deel van de bezoekers meegezongen. Hij had niet op zo’n succes gerekend. Op zo’n moment begreep hij niet waarom hij niet een opdracht had gekregen om voor de komst van de Heiland, voor de aankomende Dag des Heren een muziekwerk te componeren. Hij sprak er liever niet hardop over maar in zijn hart was hij stik jaloers op zijn collega Dmitri Sjostakovitsj. Maar goed, het was niet anders. Hij had zich er bij neergelegd en wilde er ook niet te veel meer over nadenken. Hij moest zich niet bemoeien met de beslissingen van de Heiland.

Na het indrukwekkende optreden van Bastiaan Bach verscheen er een jonge vrouw op de verhoging voor de kansel. Zeventien jaar was ze en had het al ver geschopt. Het was niemand minder dan de heilige maagd Jeanne d’Arc, de burgemeester van Mozestown. Het publiek reageerde ogenblikkelijk op haar verschijning. Zij was de absolute lieveling van haar onderdanen. Even was daar de verwondering en klonk er geroezemoes in de kerk, maar daarna werd het muisstil.

In haar voordracht sprak de burgemeester over normen en waarden en vooral tolerantie aangaande minderheidsgroepen als de purgatijnen. Het mocht de aanwezigen bekend zijn dat er zich grote problemen voordeden in steden als Johannesburg en Sint-Petrusburg. De burgemeester moest er niet aan denken dat dit kwaad zich zou verspreiden naar kleinere steden als Mozestown, Voorstad Sint-Jacoba en Holy City. In ieder geval had zij haar toezichthouders opdracht gegeven alert te zijn op ongeregeldheden waar purgatijnen bij betrokken waren. Daarna ging zij voor in gebed en verzocht de aanwezigen te gaan staan. Het was mooi om te horen hoe de ene Maagd de andere Maagd toesprak. Na een innig gebed sprak Jeanne d’Arc met zachte stem:

‘En hierbij verklaar ik de Mariafeesten voor geopend. Viva Maria!’

‘Viva Maria,’ antwoordde het volk.

‘De genade zij met u’, besloot Jeanne d’Arc.

De sacristie van de Onze-Lieve-Vrouwekerk had meer weg van een kantine dan van een kerkkamer. Keurig in rij, aan glimmende metalen kapstokken, hingen er diverse liturgische gewaden in prachtige kleuren. En als je goed keek trof je er ook de attributen die nodig waren voor de altaardienst. Direct bij binnenkomst stond daar een groot uitgevallen theewagen met daarop zilveren bekers en schalen, collectezakken, stapels liedboeken met rode omslag, enkele Bijbels en stapels stencils van allerlei aard. In de hoek, naast een boekenkast met vitrinedeuren, stond een manshoog beeld van onze Lieve Heer. Aan de spierwitte wanden hingen moderne schilderijen van o.a. Maria de moeder van God met naast haar een portret van Jeanne d’Arc, de moeder van Mozestown. Verder enkele afbeeldingen van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en een reuze poster van Claudio Monteverdi, de componist van de beroemde Maria vespers. Verder gaf het interieur weinig blijk van devotie. Midden in de ruimte stond een glazen tafel met daarop een koffieketel, serviesgoed, een schaaltje likkoekjes en krakelingen, enkele koelhouders met flessen wijn, borrelnootjes, zilveren schaaltjes met sigaren en sigaretten en natuurlijk de nodige asbakken. Tegen de wand stond een witte piano, verder een massagetafel, een fitnessfiets, een vuurrode koelkast, enkele gemakkelijk lederen fauteuils met roestvrijstalen leuningen en in de uiterste hoek een flipperkast.

Op dit moment was het in de sacristie een drukte van jewelste. Door een luidsprekertje klonk de speech van de burgemeester Jeanne d’Arc, maar niemand van de aanwezigen scheen daar oor voor te hebben. De kerkkamer was gevuld met tien zielen, die allen met zichzelf bezig waren. Allereerst was daar de zanggroep de Dames van de Derde bestaande uit zeven dames, allen woonachtend op de derde etage van de artiflat te Johannesburg. Het koortje zou deze middag haar debuut maken. De leden waren Maria Callas, Lucy Ball, Alma Mahler, Nannie Mozart, Fannie Mendelssohn, Camille Claudel en Laverne Andrew. Andere aanwezigen in de sacristie waren een dienaar van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, een man met een staartje en de musici Bastiaan Bach en Franz Schubert.

Maria Callas, de leidster van de zanggroep deed ademhalingsoefeningen met Lucy Ball, die op de massagetafel lag.

‘Houd vast, lieve meid,’ zei Maria Callas tegen Lucy terwijl zij ter controle haar handen in Lucy’s buik had geplant. Het gekneed en gefrunnik aan haar lijf werkte behoorlijk op Lucy’s lachspieren. ‘Middenrif, Lucy, houd het vast in je middenrif, lieve meid. Probeer je te concentreren!’

‘Ssst,’ siste Alma Mahler herhaaldelijk. Zij wilde blijkbaar toch iets van de speech van Jeanne d’Arc horen. Maar in werkelijkheid verafschuwde ze het kinderachtige gedoe en het amateurisme van Lucy Ball. Ook het leiderschap van Maria Callas had zij niet hoog zitten. Ze vond haar ronduit autoritair en uitsloverig.

Nannie Mozart en Fannie Mendelssohn deden zich te goed aan de lekkernijen van tafel. Tussen het snoepen door zongen zij toonladderfiguren op Noe noe noe, Na na na en Tu tu tu. Duidelijk was te zien dat de twee zangeressen vriendinnen waren. Zij zaten dicht tegen elkaar aan, smakten voor drie en schenen het verder goed naar hun zin te hebben.

De musicus J.S. zat in een gemakkelijke fauteuil. Hij genoot na van het succes van zijn optreden. Zijn blote voeten staken in een teiltje warm water. Zijn witte puntschoenen had hij uit het zicht onder zijn stoel geborgen. Hij leek zich voor zijn opvallende schoeisel te generen. Om zijn nek was een grote witte badhanddoek geslagen met daarop het logo van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Zoals hij daar zat had hij meer weg van een bokser dan van een organist. Hij was zojuist van de massagetafel geklommen nadat hij zeker een kwartier was gemasseerd door de man met het staartje, dezelfde man die hem had opgevangen toen hij te laat was binnen gekomen en hem geholpen had toen hij van de trap was gegleden. Bach had nog niet gevraagd naar zijn functie, maar hij had het idee dat het om een deken of acoliet ging. Hij was niet zo op de hoogte van het reilen en zeilen in de katholieke kerk. De man was overigens gewoon in burger.

‘Gaat u rustig zitten,’ had de man met het staartje hem na de massage uitgenodigd. Vervolgens had hij hem in zijn rode colbertjasje geholpen. Hij wees naar een gemakkelijke fauteuil in de hoek naast de boekenkast. ‘En steekt u gerust een sigaar op, ze staan er voor.’ Maar Bastiaan bedankte vriendelijk, hij rookte niet. In plaats van er eentje op te steken stak hij vliegensvlug een handje sigaren in de binnenzak van zijn colbertjasje. Hij zou hiermee zijn vriend Frederik verrassen. Deze hield wel van een sigaartje. Bastiaan vond het altijd gezellig als Frederik bij hem op bezoek was en een sigaar in de brand had. Met veel genoegen keek hij toe als hij zijn vriend kunstige rookkringetjes naar boven zag blazen. Bij huismeester Gerrit Smit had hij zelfs een goede doos sigaren gekocht om zijn vriend zo nu en dan op een sigaar te trakteren. Maar het roken van zijn vriend had ook zo zijn nadelen want als Frederik Händel bij hem op bezoek was geweest moest Bastiaan zijn huis uren luchten om van de sigarenstank af te zijn. Gelukkig zaten ze meestal op het balkon.

Bach leek zich in het geheel niet te storen aan het inzingen en de oefeningen van de Dames van de Derde. En ook scheen hij geen aandacht te schenken aan de speech van juffrouw Jeanne d’ Arc waarvan haar stem nog steeds door het luidsprekertje klonk. Het zei het hem niet zo veel die Mariafeesten. Als lutheraan had hij het niet zo op Maria en de roomsen. Hij was hier vanmiddag louter voor de muziek en de 250 zilverlingen aan gage. Hij moest niets hebben van kruisen aan de wand en werd misselijk van zielen die snikkend voor een beeld knielden. Je moest God liefhebben en verder geen gezeik. Hij verheugde zich dan ook meer op de aankomende Dag des Heren.

En zo zat Sebastiaan Bach die middag met zijn voeten in een teiltje warm water en zijn rode colbertjasje over zijn blote bast na te genieten van zijn optreden. Hij was tevreden, zeer tevreden. Op zijn gemak bladerde hij nu in een Singel, het populaire maandblad voor alleenstaanden. Bastiaan’s ogen volgden de advertenties onder het kopje Vrouw zoekt man, omgeving Johannesburg. Hij had het blad ook wel eens doorgebladerd in de wasserette van juffrouw Annette. Maar verder dan vluchtig de advertenties te bekijken was hij nog niet gekomen, al droomde hij wel dikwijls dat hij ooit nog eens een lieve vrouw zou ontmoeten.

Op het moment dat er in de kerk luidruchtig werd geapplaudisseerd nam de man met het staartje een gebaksdoos met tompouces uit de rode koelkast.

‘Surprise,’ riep hij enthousiast.


67 Gekrijs in de kerk

MARIA CALLAS FRANZ SCHUBERT HET JONGETJE MAAGD MARIA GOETHE

Het zat er op. De Dames van de Derde hadden hun vuurdoop doorstaan. Voor de eerste keer hadden ze voor een groot publiek opgetreden. In de hemel is de Heer, hadden zij gezongen. Dit populaire lied was speciaal voor het dameskoortje gearrangeerd door flatgenoot componist Igor Stravinsky van nummer 802. En het was goed gegaan. Niet dat het publiek gejubeld had, maar het applaus was allerhartelijkst geweest. Dirigent en zangsoliste Maria Callas was tevreden. Jammer dat Lucy Ball per abuis het verkeerde lied had ingezet.

‘Niemand heeft dit gehoord, lieve Lucy,’ troostte Maria Callas de ongelukkige zangeres. Deze huilde dikke tranen. Maria had haar arm om haar heen geslagen. ‘Trek het je niet aan lieve meid, echt waar, geloof me, niemand heeft het gehoord.’ Alma Mahler was echter woest.

‘Ik kan wel door de grond zakken, zo schaam ik me,’ zuchtte ze. ‘Wat een amateurisme.’ Maria Callas reageerde niet op de boosheid van Alma. Ze had niet zoveel met Alma. Ze vond haar een arrogante vrouw, die overal kritiek op leek te hebben. Bovendien had ze op dat moment wel wat anders aan haar hoofd. Ze moest zo direct als soliste optreden en moest zich daarvoor nog omkleden.

De Dames van de Derde hadden opgetreden in zwarte plooirokken, witte jasjes met om de nek een vuurrood sjaaltje. Als soliste zou Maria Callas een gedaantewisseling moeten ondergaan. Aan een dienaar van de kerk, een man met een staartje, had zij om een omkleedgelegenheid gevraagd. Hij had haar verwezen naar de dichtstbijzijnde biechtstoel bij de sacristie. Terwijl mevrouw Callas zich in het benauwde biechthokje in haar lange jurk hees, nam Franz Schubert plaats achter de vleugelpiano waar hij zijn pianosonate nummer 21 uitvoerde.

Toen even later de warme stem van mevrouw Callas door de Onze-Lieve-Vrouwekerk klonk, ging er een siddering door het publiek. Zelfs Alma Mahler, die de deur van de sacristie op een kier had gezet, moest toegeven dat deze vrouw toch wel over een schitterende stem beschikte. Maria Callas en haar begeleider Franz Schubert brachten Erlkönig ten gehore, het beroemde lied van Wolf von Goethe, de grote schrijver die op de hoogste etage op 902 van de artiflat woonde (en die zich op dat moment toevalligerwijs eveneens in Mozestown bevond, doch niet in de Onze-Lieve-Vrouwekerk maar op het station, om precies te zijn in de stationshal, voor een snackautomaat waar de schrijver in zijn jaszakken naar een zilverling zocht om een kaaskroket uit een luikje te trekken).

 

              Wer reitet so spät durch Nacht und Wind? Es ist der Vater mit seinem Kind;

              er hat den Knaben wohl in dem Arm, er fasst ihr sicher, er halt ihn warm…

 

              Mein Sohn, was birgst du so bang dein Gesicht? Siehst Vater du den Erlkönig nicht?

              den Erlenkönig mit Kron’ und Schweif? Mein Sohn, es ist ein Nebelstreif!

 

              Du liebes Kind, omm, geh’ mit mir, gar schone Spiele spiel’ ich mit dir

              manch bunte Blumen sind an dem Strand meine Mutter hat manch’ gulden gewand

Na het derde couplet werd het onrustig in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. De reden hiertoe was het huilen van een kind. Het was geen gewoon huilen, het was hysterisch huilen. Geen babygehuil, ook niet van een kleuter, maar van een volwassen kind, een jaar of zeven, acht. Na het vijfde couplet was het huilen zo erg geworden, dat sommige kerkgangers waren gaan staan om het kind beter te kunnen bekijken. Dit was niet normaal meer. Het kind krijste! Een aantal vrouwen in de omgeving probeerden het tot bedaren te krijgen. Maar het kind sloeg wild om zich heen. Toen het zevende couplet had geklonken, werd het plotseling stil. Er ging een zucht van verlichting door de kerk. Iedereen was weer gaan zitten. Men wachtte op het laatste couplet. Alleen het kind was blijven staan. Hij stond rechtop in de kerkbank. Vrijwel iedereen kon hem zien. Het was een jongetje. Hij had een wit overallpakje aan met een korte broek. Hij beefde over zijn hele lijf. Zijn grote, wilde ogen bleven strak gericht op de twee kunstenaars bij het altaar. Toen klonk het laatste couplet:

              Dem Vater grauset’s er reitet geschwind, er halt in den Armen das achzende Kind,

              erreicht den Hof mit Mühe und Not. In seinem Armen das Kind war tot.

Toen was het stil in de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Muisstil. Velen waren ontroerd door het prachtige lied. Vrouwen lieten hun tranen de vrije loop. Mannen slikten hun emoties weg. Maar plotseling was daar het kind weer.

‘Vader!! Vadeeeerrr!’ schreeuwde het. ‘Vader, waar ben je!!’

‘Breng het kind weg, werd er geroepen.

‘Dat kind is ziek,’ riep een ander.

‘Het ijlt,’ riep weer een ander.

‘Vader!! Waar ben je? Vadeeeerrrr!!’ Het kind snikte, huilde, krijste, stampte met zijn voeten. Schuim stond op zijn mond.

‘Weg met dat kind,’ werd er nu van alle kanten geroepen. ‘Hij verstoort de dienst!’

‘Kom, jongetje, kom,’ riep plotseling een vriendelijke vrouwenstem. Het jongetje verstomde. Zijn lichaam schokte nog wat na.

De vrouw trad vrouw op het jongetje toe. Zij strekte haar armen naar het kind uit. Het was een jonge vrouw, zo op het eerste gezicht een vrouw van midden in de dertig. Een moderne vrouw. Ze had een zacht en vriendelijk gelaat, een blanke huid met regelmatige trekken. Haar postuur was slank. Ze droeg haar zwarte haar in een grote knot. Vanuit de knot viel haar haar op de schouders. In haar pony zaten blonde lokken. Ze droeg kleine kruisjes als oorbellen. Over haar dieprode jurk droeg ze een blauwe omslagdoek met palmmotieven.

‘Kom, zei ze zacht, wees maar niet bang. Bij mij ben je veilig.’ Ze nam het kind in haar armen en streek het liefdevol over zijn lange zwarte haren.

‘Maria!’ riep een stem uit het publiek.

‘Ja, het is Maria!’ riep een ander.

‘Jezus Christus… Maria, hoe is het mogelijk,’ riep weer een ander. Velen knielden neer en baden in een mum van tijd een aantal Weesgegroetjes. Anderen staarden haar aan: Was zij het echt? Stond daar de moeder aller moeders?

‘Heilige Maria, moeder van God, bid voor ons zondaars,’ stamelde een man die een paar plaatsen voor haar zat. Om zijn woorden kracht bij te zetten hief hij zijn handen omhoog. Daarna zeeg hij ineen. Een ander manspersoon wapperde met een papiertje in haar richting.

‘Alstublieft, een handtekening,’ stamelde hij. In zijn betraande ogen was verwarring te zien. De meeste aanwezigen waren inmiddels opgestaan en gaapten haar richting uit. Maria liep rustig met het jongetje aan haar hand door het middenpad naar voren, richting altaar om vervolgens via de achteruitgang de kerk te verlaten..

‘Wat is zij gewoon,’ fluisterde een vrouw, terwijl ze haar buur­vrouw aanstootte.

‘En wat zit haar haar leuk,’ fluisterde haar buurvrouw terug.


68 McDonalds

Om kwart voor vier zat de Heilige Maagd samen met een jongetje aan een tafeltje aan het raam bij McDonalds in de Kerkstraat in het centrum van Mozestown. Ze dronken cola uit grote plastic bekers en aten frietjes. Er werd weinig gezegd. Het jongetje had rode ogen van het huilen. Zijn zwarte haren waren nat van het zweet. Soms snikte hij nog wat na. Het jongetje at langzaam van zijn frietjes, een beetje sloom zelfs, al zou hij met lange tanden eten. De Maagd Maria nam zo af en toe ook een frietje van het bruine dienblad. Wel had het jongetje in een mum van tijd zijn grote beker cola leeg gedronken. Van zijn gulzigheid moest hij zo nu en dan boertjes laten. Hij ontweek de blik van de mevrouw die tegenover hem zat. Hij kende de vrouw nauwelijks. Hij had haar vandaag voor het eerst gezien. Zij had hem vanmiddag uit de Onze-Lieve-Vrouwekerk meegenomen omdat hij zo verdrietig was geweest. Hij had gehuild nadat hij een lied over zichzelf en zijn vader had gehoord. De zielen in de kerk hadden gezegd dat de vrouw Maria was, de moeder van God

‘Bent u de moeder van God,’ vroeg het jongetje na lang aarzelen.

‘Eet maar lekker je frietjes op’, antwoordde de vrouw. Zonder te reageren op zijn vraag haalde ze een klein rond inklapspiegeltje uit haar handtas en begon zich uitvoerig te bestuderen. Het jongetje vond dat zij rare gezichten trok. Met een zwart kwastje streelde ze over de haartjes van haar ogen.

Het jongetje opende een doosje waarin een speeltje zat dat hij bij zijn frietjes cadeau had gekregen van een meisje met een zonneklep op. Op de klep stond een grote M, de M van Maria, de moeder van God, had het jongetje gedacht, want hij was nog niet eerder bij McDonalds geweest. En in de kerk waren de Mariafeesten begonnen en tegenover hem zat moeder Maria, dus de M op de zonneklep moest wel met Maria te maken hebben. Het meisje met de zonneklep had gezien hoe belangstellend het jongetje naar haar klep had gekeken en vroeg of hij de klep mooi vond en of hij er misschien ook één wilde hebben. En zo zat het jongetje even later met een mooie zonneklep op aan een tafeltje bij McDonalds, met tegenover hem de moeder van God.

Er zat een lastig plastic zakje om het speeltje dat hij maar moeilijk open kon krijgen. Toen hij dit met zijn tanden probeerde, zei de Maagd:

‘Wacht maar jongetje, ik zal je helpen.’ Uit haar handtas viste ze een ingewikkeld apparaatje waaraan behalve een schaartje, een mesje, een vijltje, een schroevendraaiertje en nog een aantal voor het jongetje onbekende gereedschapjes zaten. De Maagd opende het plastic zakje waarin het speeltje verborgen zat. Het bleken losse onderdeeltjes van een poppetje te zijn, maar dat diende wel eerst in elkaar gezet te worden. Op het doosje stond dat er nog veel meer poppetjes bestonden en je werd aangeraden deze allemaal te verzamelen. Spaar ze alle twaalf, stond er te lezen. Binnen een mum van tijd had het jongetje het poppetje in elkaar geklikt.

‘Jacobus, heet hij,’ zei het jongetje.

‘Wie bedoel je jongetje?’ vroeg de Maagd vriendelijk.

‘Zo heet het poppetje.’

‘De zoon van Alfeus,’ antwoordde de Maagd. Alsof niemand het verder mocht horen fluisterde zij: ‘Ik had ook een zoon die Jacobus heette.’

‘Had Jezus dan een broertje? vroeg het jongetje verwonderd zonder de Maagd aan te kijken. Maria knikte heftig.

‘Maar dat blijft onder ons,’ zei ze terwijl ze haar hand op de zijne legde. Daarna zwegen ze weer. Het jongetje speelde een beetje verveeld met zijn poppetje en de Maagd at de restjes friet op die het jongetje had laten liggen.

‘Ik krijg ze nooit alle twaalf bij elkaar,’ zei het jongetje plotseling.

‘Wat bedoel je jongetje,’ vroeg de Maagd. ‘Over welke twaalf gaat het?’

Het jongetje knikte naar het poppetje dat Jacobus heette.

‘O, de twaalf apostelen bedoel je. Je moet je vader maar vragen….‘

‘Vader’, riep het jongetje verrast, ‘maar ik heb helemaal geen vader!’

‘Ik zal je naar je vader brengen,’ zei de Maagd. ‘Je moet hem dan maar vragen of hij ook eens met jou naar McDonalds gaat.’ Na weer een tijdje gezwegen te hebben, vroeg het jongetje:

‘Weet u ook hoe mijn vader heet?’

‘Jazeker,’ antwoordde de Maagd. ‘Jouw vader heet Wolf.’

‘Maar dat is een dierennaam,’ lachte het jongetje, dat inmiddels was gaan staan en langzaam maar zeker naar haar toe kwam lopen. Net toen de Maagd het jongetje wilde vragen of hij alle twaalf apostelen op kon noemen, riep hij wijzend naar de deur:

‘Kijk daar heb je de meneer en mevrouw die mij vanmiddag zo verdrietig hebben gemaakt.’ En inderdaad in de deuropening verschenen de zangeres Maria Callas en haar begeleider. Het jongetje schoof nu geheel naar de Maagd toe en hield haar arm vast. Want zo klein als hij was, hij schaamde zich toch wel een beetje over wat er die middag in de Onze-Lieve-Vrouwekerk gebeurd was.

Even later schoven Maria Callas en Franz Schubert aan bij het tafeltje aan het raam bij de Maagd Maria en het jongetje. Het jongetje had zijn stoel dichtbij die van de Maagd geschoven. Het leek alsof zij zijn moeder was. De Maagd had het muzikale duo gewenkt om bij hen aan het tafeltje plaats te nemen.

‘Maria,’ zei Maria Callas. ‘Hoe maakt u het ?’ De twee Maria’s gaven elkaar een hand. Maria Callas boog lichtjes door haar knieën om de moeder van God een idee te geven van erkenning en eerbied.

‘Prettig kennis met u te maken,’ zei de Maagd. ‘Ik ben Maria, de moeder van God. Waarlijk, u heeft een fantastische stem, haast een goddelijke stem!’

Franz Schubert kwam op dat moment aanlopen met een bruin dienblad met frietjes en een milkshake. Toen hij dit op tafel had gezet kneep hij het jongetje speels in de wang en zei dat hij een deugniet was. Daarna boog hij lichtjes naar de Maagd en gaf haar een handkus.

‘Franz Schubert,’ zei Franz. Hij keek de Maagd diep in de ogen.

‘De moeder van God,’ antwoordde de Maagd.

Na een korte stilte kwam het gesprek op gang over de inleiding van burgemeester Jeanne d’Arc en het bijzondere orgelspel van Bastiaan Bach. Ze vertelden elkaar hoe zij hadden genoten. Met geen woord werd er gerept over het optreden van Maria en Franz. Gedrieën keken ze nu hoe het jongetje een tweede doosje opende waaruit een nieuwe apostel tevoorschijn zou moeten komen. Tijdens zijn bezigheden streek de Maagd het jongetje door zijn haren. Zij leek inderdaad zijn moeder. Het jongetje had het doosje van meneer Schubert gekregen die nu gulzig van zijn frietjes at. Soms stak hij wel drie frietjes tegelijk in zijn mond. Het jongetje keek vol bewondering naar de worstvingertjes van meneer Schubert. Hoe was het toch mogelijk dat deze kleine dikke vingers vanmiddag zo mooi de pianosonate hadden gespeeld. Mevrouw Maria Callas dronk met een rietje uit haar milkshake. Ze keek vertederend naar het jongetje met de lange zwarte haren. Dit was dus het jongetje dat vanmiddag haar optreden had verstoord.

Franz Schubert had bijzonder veel oog voor de heilige Maagd. Het was te zien dat hij onder de indruk van haar was. Steeds keek hij haar rich­ting uit, ook als ze niet aan het woord was. Ze praatte zacht en ui­terst beschaafd. Ze had een bleek gelaat en groen­grijze ogen. Haar lippen waren smal en als ze lachte toonde ze een rij kleine, spierwitte tanden. Een prachtige lach. Haar haar was gitzwart afgewisseld met een paar blonde lokken. Zij leek hem een moderne vrouw. Ze was slank, haast mager. Verder had ze smalle handen en kleine voeten. Naar haar borsten durfde hij niet te kijken. Franz vond haar uitzonder­lijk mooi. Hij kon zijn blik nauwelijks van haar afhou­den. Daar zat de moeder van God.

Terwijl hij haar zo bestudeerde dacht hij aan zijn Ave Maria. Hij was er trots op dat hij dit lied gecomponeerd had. Hij was dan wel niet rooms, maar toch… Hij keek ook even naar Maria Callas, de vrouw die zijn leven de laatste maanden zoveel kleur had gegeven en met wie hij sinds kort een verhouding was aange­gaan. Hij had zelfs plannen om met haar samen te gaan wonen. Zij was eveneens mooi. Maar zo mooi als de Heilige Maagd, nee, dat kon hij niet zeggen.

Vervolgens keek hij naar het jongetje dat bezig was met zijn speeltje. Zijn ogen, nog rood van het huilen, staken schril af tegen zijn bleke gelaat. Zijn lange zwarte haren plakten tegen zijn voor­hoofd. Schubert vond het een merk­waardig jongetje. Zo wild en hysterisch als hij vanmiddag in de kerk te keer was gegaan, zo stil, zo verlegen was hij nu.

‘Godverdomme,’ zei het jongetje plotseling toen hij de losse onderdeeltjes van het poppetje uit het plastic zakje op tafel liet vallen. Alweer een Jacobus. Gedrieën keken verschrikt naar het jongetje.

‘Foei,’ zei de Maagd. Maria Callas en Franz Schubert schudden bedenkelijk hun hoofd. Maria Callas boog zich naar de Maagd en vroeg:

‘Wie is hij?’

‘Hij is de zoon van de dichter Wolf von Goethe,’ fluisterde ze.

‘Ohhh,’ zei mevrouw Callas. Ze keek het jongetje met bewondering aan.

‘Ahhh,’ zei Franz Schubert verrast, de dichter van Erlkönig. Hij woont bij ons op de artiflat, als ik mij niet vergis op nummer 902.

‘Ik vind dit niet leuk,’’ zei het jongetje boos. Hij gooide de tweede Jacobus hard op tafel zodat deze in diverse onderdeeltjes uit elkaar spatte.


69 Een doodverhaal

HET JONGETJE DOODVERHAAL GOETHE ERLKÖNIG

Het jongetje schrok wakker van een klap. Was het een klap van een deur, of was het dak ingestort? Was het een harde klap geweest? In ieder geval was hij er wakker van geworden. Hij durfde zijn ogen niet te openen. Hij was niet thuis, dat voelde hij direct. Hij was niet in de bloemenstad. Hij was niet in Gebouw 8, het huis waarin hij samen met andere achtjarigen woonde. Hij was niet op de slaapzaal bij de andere kinderen. Hij was nu niet bij Lucas, Boris en Tomek. Gek, dat hij nu aan hen moest denken. Lucas, Boris en Tomek waren zijn allerbeste vrienden. Hun bedden stonden dichtbij elkaar, helemaal achter in de slaapzaal. Lucas zijn bed stond tegen de muur, Boris zijn bed rechts van hem en Tomek tegenover hem. Lucas was zijn aller allerbeste vriend. Hij zat ook naast hem in de klas. Lucas was een kei in zwemmen. Hij was de beste van de groep. Hijzelf durfde nauwelijks in het water, laat staan dat hij kon zwemmen. Zwemles vond hij het ergste dat er bestond. Hij had watervrees, had meneer Cesar de zwemleraar eens gezegd.

Als Lucas zijn doodverhaal vertelde moest het jongetje altijd huilen De andere kinderen waren ook heel vervelend doodgegaan. Maar Lukas was gewoon zijn beste vriend. Lucas was het hiernamaals binnengekomen toen hun huis in brand had gestaan. Lucas wist niet zeker of zijn zusje ook bij de brand was doodgegaan. Soms hoorde hij Lucas in zijn droom om zijn zusje roepen. Brand! Brand! riep Lucas dan, maak dat je weg komt! In het Sint-Lucashospitaal had hij een nieuwe huid gekregen en ook nieuwe krullen op zijn hoofd, want hij was helemaal kaal verbrand.

Het rook hier vreemd. Waar was hij? Links en rechts klopte hij op het bed. Dit was niet zijn bed. Dit bed was veel groter en zachter. Was het nu al morgen, of was het nog avond? Misschien waren zijn vrienden nog niet eens in de slaapzaal. Nog steeds met gesloten ogen ging hij rechtop zitten. Hij telde tot drie en opende toen zijn ogen. Onwennig keek hij om zich heen. Hij kon alles zien, het was nog licht. Maar waar was hij? Was hij in het huis van zijn vader? Had hij hem al ontmoet? Hij kon het zich niet herinneren. Hoe was hij hier trouwens gekomen? Wie had hem uitge­kleed en in bed gestopt? Had de mevrouw moeder Maria dat gedaan of mevrouw de zangeres misschien? Hij wist het niet meer. Zijn kleren hingen keurig over de stoel naast zijn bed, net als in de slaapzaal.

Boris, zijn één na beste vriend was ‘s avonds altijd slordig met zijn kleren. Hij kon niet goed vouwen, zei hij. Aan het voeteneind van ieder bed stond een houten stoel en daar diende je ’s avonds voor het slapen gaan je kleren netjes overheen te hangen. Ook was Boris zijn bed nooit netjes opgemaakt. Boris was een sloddervos had de moeder van het huis eens gezegd. Boris was door een granaat het hiernamaals binnengekomen. Als Boris zijn verhaal vertelde zag je hem nog altijd aan de plekken voelen waar de scherven in zijn bast waren gekomen. Boris droomde ook wel hardop. Maar in tegenstelling tot Lucas, die soms hele verhalen in zijn droom vertelde, zei Boris slechts één woord: hollen! hollen! En als hij dan ook nog eens vertelde dat hij zijn moeder toen hij klein was gestenigd was, ging er een huivering door de vriendenkring.

Hij duwde de dekens van zich af en keek de vreemde kamer in. Hij keek naar de deftige dikke gordijnen met gouden kwastjes en naar de grote statige kast met spiegel­deur recht tegen­over hem. Naar de grote schil­de­rijen met woeste zeeën, donkere bossen en wilde dieren. Naar de kristallen kroon boven hem en de gouden kaarsenstandaards aan de muur. Naar het dikke tapijt op de vloer en de reusachtige staande klok met paarden op het dak. Hij rook de geur van deftig­heid. Het kon niet anders dat zijn vader een voornaam man was. Maar plotse­ling werd hij bang. Want stel je voor dat zijn vader het hele­maal niet leuk vond om hem terug te zien.

Het jongetje stapte uit bed en kleedde zich aan. Daarna liep hij naar het raam en schoof de gordijnen opzij. Van schrik deed hij een stap achteruit. Kut, wat een hoogte! Zijn vader woonde bijna in de wolken! In de verte zag hij een kerk, maar dat was niet de Here Jezus Christus Kathedraal. Ook zocht hij tevergeefs naar de gekleur­de gebouwen van het Kinder­paradijs waartussen zich ook Gebouw 8 bevond. Hij kreeg tranen in zijn ogen toen hij andermaal aan Lucas, Boris en Tomek moest denken. Tomek was zijn twee na beste vriend. Tomek was op het aardse door een vrachtwagen overreden. Hij had zijn eigen hoofd onder de wielen horen kraken. Maar dat geloofde niemand.

De moeder van Gebouw 8 hield eens per week een kringgesprek met haar achtjarige zieltjes. Het jongetje kende zo langzamerhand de doodverhalen van zijn vriendjes en vriendinnetjes. Verhalen over jeugdkanker, verdrinkingsdood, achtbaan ongeluk, ontvoering en moord, hongerdood, aids, gaskamer… Als het jongetje aan de beurt was leek het alsof de anderen op het puntje van hun stoel gingen zitten want zij wisten wat er komen ging. Zij vonden het verhaal van het jongetje het mooiste verhaal van iedereen. Hij was hartstikke ziek geweest, toen hij in de armen van zijn vader rijdend op een dravend paard in een donker bos naar huis was gereden en daar was doodgegaan. Ja, dat was nog eens cool, vonden zijn vrienden. Niet doodgaan door een auto-ongeluk, niet door de oorlog, niet door een brand, maar in de armen van je vader.

Het jongetje schrok van gekuch achter de deur. Vader, flitste het door zijn hoofd. Snel dook hij weer in bed en hield zich slapende. Daar lag hij nu met zijn kleren aan in bed, in een vreemde kamer en bij een vreemde vader. Het volgende moment werd de deur geopend. Door het kiertje in zijn ogen zag hij hoe een oude man in de deuropening verscheen. Zo te zien een streng kijkende man. Hij had zijn jas nog aan en hijgde een beetje. Even was het akelig stil in de deftige slaapkamer. Het jongetje lag te bibberen onder de dekens. Toen zei de oude man:

‘Zo jongetje ben je daar eindelijk. Kom gauw overeind, ik zie je heus wel, verberg je maar niet.’ Het liefst was hij nu helemaal kopje onder de dekens gegaan. In plaats van dat gooide hij in één keer alle dekens van zich af. Hij was geschrokken van de strenge toon van zijn vader. Zijn vader keek hem een tijdlang indringend aan. Zo erg, dat het jongetje er van moest kleuren. De teleur­stel­ling was groot. Was deze oude, streng kijkende man zijn vader? Hij leek wel honderd jaar. ‘Kom hier m’n jongen,’ zei hij nu vriendelijker, ‘ik ben je vader.’ De man stak zijn beide handen naar hem uit. Het jongetje klom uit bed en liep op zijn vader toe. Gek, dat hij hem zich niet meer kon herinneren van vroeger. Toen hij voor hem stond legde zijn vader beide handen op zijn schouders en werd hij van top tot teen bekeken. En weer moest hij kleuren. Hij durfde zijn vader niet aan te kijken. Wel keek hij naar zijn grote gerim­pelde handen. Witte handen met rode en blauwe aderen, met aan verschil­lende vingers duur uitziende ringen. Waren dat de handen van zijn vader? De handen die hem tijdens zijn doodsangst in het bos zo liefdevol had vastgehouden?

 Wer reitet so spät durch Nacht und Wind? Es ist der Vater mit seinem Kind;

er hat den Knaben wohl in dem Arm, er fasst ihr sicher, er halt ihn warm…


70 De accordeon

SJOSTAKOVITSJ DE NADORST WIGBERT DE BARKEPER ACCORDEONISTE

Er speelt een accordeon voor de artiflat. Op een krukje voor het blinde muurtje tussen de ingang van café de Nadorst en de entree van de flat zit een kleine vrouw. Ze heeft piekerig kort zwart haar, spleetoogjes, draagt een brilletje, en speelt accordeon. Een oosterse vrouw, zou men haar op het aardse karakteriseren. Van huismeester Gerrit Smit mag zij daar tot vijf uur zitten, maar geen minuut langer, had hij er streng aan toegevoegd. Normaliter heeft de huismeester het niet zo op straatmuzikanten, maar ach, hij heeft iets met de accordeon. Het doet hem denken aan vroeger toen hij met zijn broer een muziekduo vormde. Hij had naar haar papieren gevraagd om in het openbaar te mogen musiceren, een vergunning zo gezegd. Maar deze had ze niet kunnen overhandigen.

Het is drie uur in de middag als een opgewekte Dmitri Sjostakovitsj van nummer 701 de kleine vrouw met de accordeon passeert. Onder zijn arm draagt hij een zwart aktetasje met daarin het eerste deel van zijn Welkomstsymfonie. Het is vandaag een bijzondere dag voor de componist. Hij zal deze dag contact opnemen met het Johannes Philharmonic Orchestra en de partituur overhandigen. Achteloos, maar met een vriendelijk gezicht werpt hij een zilverling in de doos voor de accordeoniste. De vrouw stopt met spelen, kijkt in de doos en geeft de man in zijn geblokte colbertje en zijn dikke zwarte brilmontuur een dankbaar knikje.

‘Speel door, kleine vrouw,’ moedigt Sjostakovitsj haar aan. ‘Speel door, het is een mooie dag. Een ieder wordt vrolijk van u.’ Met de armen over elkaar geslagen, zijn tasje stevig tegen de borst geklemd blijft hij staan in afwachting van een volgend nummer. De accordeon zet in. Dmitri Sjostakovitsj glimlacht. Terwijl hij blijft staan luisteren trommelt hij het ritme mee op zijn lederen aktetasje. Ja, de vrouw mag weten dat er een muzikaal iemand voor haar staat.

‘Bravo,’ roept Sjostakovitsj enthousiast als het nummer afgelopen is en werpt nog een zilverling in de doos. Vervolgens wenst hij de musicienne veel succes en vooral goede verdiensten. Dan stapt hij met snelle tred café de Nadorst binnen.

‘Een lekkere sterke kop koffie,’ roept Sjostakovitsj naar Wig, terwijl hij bij de garderobe in de grote spiegel kijkt, zijn jasje rechttrekt en zijn spuuglok in orde brengt.

‘Ha meneer Sjors,’ roept Wigbert de barkeeper opgewekt. ‘Alles in orde? De koffie is speciaal voor u gezet.’

‘Goed zo, Wigbert, goed zo,’ antwoordt de componist als hij zijn vaste plaats in het midden van de bar opzoekt en even razendsnel om zich heen kijkt. Gelukkig, niet veel volk. Niet te veel lieden die gisteravond getuige waren van zijn dronkenmansgedrag. De nieuweling met snor en sikje zit er wel. Was hij het niet die hem samen met juffrouw Monroe naar huis had gebracht? Godverdee, vloekt hij binnensmonds. Hij wil er niet meer aan denken. Hij durft de man met de snor en het sikje nauwelijks aan te kijken. Naast de nieuweling zit schilder Lautrec van 211. Deze was er ook bij, maar dat kan hem weinig schelen. De man stelt zelf weinig voor. Volgens Sjostakovitsj is het niet veel soeps. Geruchten gaan al zou de schilder verslaafd zijn aan de absint.

Verder is de bar leeg. Wel zitten er nog enkele bezoekers aan een tafeltje bij het biljart. Meestal zitten daar zielen van de hogere etages. Lieden die niets met het bar volk te maken willen hebben, lieden die zich iets voelen. Doch Sjostakovitsj distantieert zich van dit volk. Hij zit zelden aan een tafeltje. Trouwens met het echte bar volk heeft hij het ook niet hoog zitten. Hij is gewoon een eenling in het geheel.

Hij wil nu even niet weten wie daar aan het tafeltje zitten. Hij wil zijn goede humeur behouden. Niet meer denken aan vannacht, prent hij zich zelf in. Het was gewoon een misser, verder niets aan de hand. Er zijn belangrijker zaken te doen. Hij moet vanmiddag het eerste deel van zijn symfonie afleveren. Hij kijkt op zijn horloge: tien over drie. Vijf uur zal hij zich melden in de concerthal aan het Plein van de Hemelse Vrede, daar waar het symfonieorkest repeteert.

‘Heel verstandig, heel verstandig.’ Met deze woorden zet Wig de koffie voor hem neer. Sjostakovitsj kijkt de barkeeper bedenkelijk aan. Moet dat nou, denkt hij bij zichzelf. Een barkeeper behoort zijn klanten niet te herinneren aan hun gedrag van de avond daarvoor. Voor een ogenblik is het stil in de Nadorst. Buiten klinkt accordeonmuziek. Binnen Wigs stereo en verder gedempte stemmen bij het biljart.

‘Het is rustig,’ onderbreekt Sjostakovitsj de stilte. Hij roert eindeloos in zijn koffie. Dan steekt hij een sigaret op die hij na een paar trekjes bruusk platdrukt in de asbak. Sigaretten smaken hem vandaag niet.

‘Stilte voor de storm,’ antwoordt Wig. Sjostakovitsj kijkt hem vragend aan maar gaat verder niet op zijn raadselachtige antwoord in. De koffie smaakt hem ook niet. Hij heeft dorst, zeg maar nadorst. Misschien een bronwater? Nee, een biertje daar heeft hij zin in.

‘Wig!’

‘Zegt u het eens.’

‘Een biertje graag.’

‘Komt er aan.’

Frank Zappa van 101 zit aan zijn derde biertje. Hij had liever gezien dat zijn buurvrouw Marie Monroe was binnen komen stappen in plaats van Sjostakovitsj. Had zij vannacht niet afscheid genomen met de woorden: Ik zie je morgen in de Nadorst? Frank, die op de hoek van de bar zit bestudeert de man in het geblokte jasje. Sjors, zoals hij hem gister door Marie had horen noemen. Je moet wel over lef beschikken om je medebewoners weer onder ogen durven te komen. Want wat was het een vertoning vannacht, die val van de kruk, de black-out van de componist, en het kotsen in de lift. Arme Sjors! Frank gniffelt in zichzelf en richt zijn ogen weer op de entree van het café. Hij hoopt dat ze spoedig zal komen.

Aan één van de tafeltjes bij het biljart zitten tegenover elkaar de musici Frederik Händel van nummer 703 en Tonio Vivaldi van 405. Frederik draagt een oorringetje en rookt een sigaar. Tonio valt op door zijn grote ruige rode haardos. De heren zitten aan een kopje koffie met daarbij een cognacje.

‘Ik had hem graag horen improviseren,’ zegt Frederik.

‘Ik had er ook graag bij willen zijn,’ beaamt Tonio.

‘Onverslaanbaar op het orgel,’ zegt Frederik. Het gesprek dat de twee musici voeren gaat over collega Bastiaan Bach van 901. Deze concerteert vanmiddag in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Mozestown. Beiden hebben geen kaartje. Ondanks zijn hechte vriendschap met Frederik had J.S. geen kaartje meer weten te bemachtigen. ‘Hij is de grootste.’

‘Absoluut,’ vindt ook Tonio. ‘Ik ben trots op het feit dat J.S. in mijn stijl is gaan componeren,’ voegt hij er snel aan toe.

‘Laat hem dit niet horen,’ grinnikt Frederik. ‘Bastiaan zegt dat jij blij mag zijn dat hij ideeën van jou gebruikt heeft. Zo heb je tenminste dankzij hem naam gemaakt.’ Tonio barst in lachen uit en maakt een wegwerp gebaar. ‘Hoe dan ook,’ vervolgt Frederik, ‘het is hem een doorn in het oor als hij een aankondiger hoort zeggen dat een stuk van hem in de zogenaamde Vivaldi stijl zou zijn gecomponeerd. Luister,’ fluistert Frederik plotseling. Hij buigt zich naar Tonio toe al zou hij hem een groot geheim willen toevertrouwen. ‘Ken je hem, die zojuist is binnengekomen?’ Frederik knikt naar de bar.

‘Wie kent hem niet,’ antwoordt Tonio.

‘Hij had vannacht een bekweertem.’

‘Een wat?’

‘Een bekweertem,’ herhaalde Frederik. Tonio keek hem niet begrijpend aan.

‘Straalbezopen, was hij gister.’

‘Vertel.’

‘Een vertoning was het. Languit op de vloer. Van zijn kruk gevallen. Total loss. En dan ook nog braken in de lift. Sssst!’

‘Echt waar?’ fluistert Tonio terug terwijl hij naar de man aan de bar kijkt.

‘Ze hebben hem weg moeten brengen, zeg maar af moeten voeren.’

‘Mijn lieve hemel!’

‘U hebt nog iets te goed van meneer Sjostakovitsj.’ De twee musici kijken verschrikt op. Ze hadden Wig, die bij hun tafeltje staat, niet opgemerkt.

‘Och, wat aardig,’ zegt Frederik Händel. Tonio knikt vriendelijk naar Sjostakovitsj die met geheven glas hun kant uit kijkt. Buiten speelt de accordeon een wals uit de Jazzsuite van Dmitri Sjostakovitsj.


71 Penthouse 902

HET JONGETJE  GOETHE  KINDERPARADIJS  

Ze zaten tegenover elkaar in een grote huiskamer, ieder in een diepe fauteuil. Een huiskamer met een grote zwarte openhaard met daar boven een spiegel met gouden randen, twee hertenkoppen en een langwerpig geweer. Op de houten vloer lagen dikke tapijten in verschillende kleuren. Op de salontafel stonden hun drankjes. De salontafel was van glimmend donkerbruin hout met aan de zijkanten laden en onderin een etage met boeken en kranten. Er stonden nog twee fauteuils, eentje van stof met bloemenmotief en een zwart leren. Het jongetje zat weggedoken in een grijze stoffen stoel. Deze was zo groot dat je er met gemak in kon slapen. Hij vond de stoel niet lekker ruiken. Hij zat tegen de hoge rug en zijn voeten staken net buiten de zitkussens. Als hij bij zijn drinken wilde komen moest hij uit zijn stoel klimmen. De kamer zelf leek wel een museum. Het jongetje keek zijn ogen uit. Niet dat hij het mooi of lelijk vond, maar voorlopig voelde hij zich niet thuis. Toen hij zojuist achter zijn vader de huiskamer was binnengekomen was hij bijkans gestikt van de muffe lucht. Het jongetje zei hier maar niets over, want hij wilde zijn vader geen verdriet doen. Vader rookte een sigaret en dronk koffie. Het jongetje dronk een glas melk, want cola was er niet.

‘Waarom kijk je zo treurig?’ had zijn vader hem al een paar keer gevraagd. Maar het jongetje wist geen antwoord te geven. Hij kon toch moeilijk zeggen dat de ontmoeting met zijn vader hem was tegengevallen? En trouwens, het jongetje kon aan hem ook wel vragen: waarom kijkt u zo boos? Want eerlijk is eerlijk, zo op het eerste gezicht leek zijn vader hem allesbehalve een vriendelijke man. Natuurlijk was hij blij dat hij bij hem was. Want nu had hij een echte vader en dat konden niet veel leeftijdgenootjes in het hiernamaals zeggen. De kinderen van Gebouw acht zouden jaloers op hem zijn. Maar tegelijkertijd was hij verdrietig. Hij had slechts een hand van zijn vader gekregen. Geen kus, geen knuffel, enkel een koude hand. Was dat zijn vader, die koele man? Aan de andere kant moest hij misschien wel blij zijn, want wilde hij wel door deze oude man gekust of geknuffeld worden? Hij wist het niet precies, het leek wel alsof hij een beetje in de war was. Er was vandaag ook zoveel gebeurd!

Toen ze een beetje aan elkaar gewend waren en het jongetje zich enigszins op zijn gemak was gaan voelen, had zijn vader van alles van hem willen weten. Of hij het naar zijn zin had in het Kinderparadijs. Met welke kinderen hij omging. Of hij goed met ze kon opschieten. Het jongetje vertelde dat hij in Gebouw acht woonde, samen met zieltjes van zijn leeftijd. En dat hij drie vriendjes had, Lucas, Boris en Tomek. Hij vertelde ook dat de kinderen jaloers waren op zijn doodverhaal, omdat hij in de armen van zijn vader was gestorven. De andere kinderen waren allemaal door ongelukken doodgegaan of gewoon door kanker of de gaskamer.

Vader vroeg hem het hemd van zijn lijf. Bijvoorbeeld, of hij regelmatig bad en in de Bijbel las en of hij de tien geboden uit z’n hoofd kende. Nee, had het jongetje geantwoord, bidden doen we met z’n allen in de slaapzaal voor het slapen gaan, maar dat stelt niets voor, want iedereen ratelt maar wat door elkaar heen zodat God er toch niets van verstaat. Maar hij kende wel de namen van alle twaalf apostelen. En hij leek zowaar even enthousiast te worden toen hij zijn vader vertelde over de verzameling apostelen die je bij McDonald’s kon sparen. De apostel Jacobus had hij al. Maar vader kwam nooit bij McDonald’s.

Vader vroeg ook of hij al lezen, schrij­ven en rekenen kon en of hij ook aan sport deed, of aan muziek. Het jongetje moest een beetje lachen om al die vragen. Rekenen, lezen en schrijven? Nee, daar deden ze in het Kinderparadijs niet aan. Alle kinderen van acht jaar in het hiernamaals konden al schrijven, rekenen en lezen, dat was heel normaal. Goed zo, had vader gezegd. Maar je gaat toch naar school. Wat leer je daar dan? Het jongetje dacht na en noemde enkele vakken op: zingen, tekenen, boetseren, toneelspel, Bijbelverhalen, vrij spelen, zwemmen.

‘Goed zo, mijn jongen, dus je kan al zwemmen.’ Het jongetje verschoot van kleur. Nee, hij kon niet zwemmen. Integendeel, hij durfde niet eens het water in. Zijn allerbeste vriend Lucas die kon goed zwemmen. Cesar, de zwemleraar had hem zelfs eens een waterrat genoemd.

‘Wat?’ had zijn vader verbaasd geroepen. ‘Kun je niet zwem­men, durf je niet in het water?’ Het leek waarachtig alsof hij boos was. In ieder geval ging hij staan, stak een nieuwe sigaret aan en liep hoofdschuddend een paar rondjes om de tafel. En toen hij weer in zijn stoel zat vertelde Wolf von Goethe zijn zoon het verhaal over de verdrin­kingsdood van het kleine meisje Chris­tel, dat op een ijskoude januari-nacht in de rivier de Ilm, vlak bij Goethe’s huis, was verdronken. Bediendes hadden haar gevonden. Ik kon zelf ook niet zwemmen, bekende de vader zijn zoon. Maar na deze dramati­sche gebeurtenis heb ik mijzelf in de Ilm, op de plaats waar het meisje verdronken was, zwemmen ge­leerd. Het jongetje luisterde met tranen in zijn ogen. Plotseling had hij veel bewondering voor zijn vader. En hij beloofde hem dat hij er alles aan zou doen om van zijn watervrees af te komen. Zijn allerbeste vriend Lucas zou hem hierbij zeker helpen.

Ze vervolgden hun gesprek en zo langzamerhand raakte het jongetje aan zijn vader gewend en begon op eigen initiatief te vertellen. Hij vertelde dat lezen en muziek zijn grote hobby’s waren en dat hij piano speelde. Hij vertrouwde zijn vader ook zijn grootste wens toe: hij wilde graag pianoles en misschien wel van meneer Schubert, want die had hij vanmiddag een prachtige sonate horen spelen. Kut zeg, wat speelde die goed! Wat het jongetje niet vertelde was dat hij ook boeken van zijn vader had gelezen en dat hij bekend was met de figuren Faust, Mephisto, en Werther. Spannende boeken al begreep hij bij lange na niet waar het allemaal precies over ging.

Zijn vader had goedkeurend geknikt. Hij leek tevreden over zijn zoon. Maar hoe nu verder? Wat moest het jongetje hier doen? Het was hier allesbehalve een kindvriendelijke buurt. Integendeel, er woonden zelfs geen kinderen! Kon hij dit zijn zoon aandoen? Waarom hadden ze het jongetje hier bij hem gebracht?


72 Chet de toeteraar

HET JONGETJE  GOETHE  ACCORDEON  CHET BAKER  HUISMEESTER

Met twee, drie treden tegelijk holde het jongetje door het trappenhuis van de artiflat van de bovenste verdieping tot aan beneden.

‘Je kunt met de lift,’ riep zijn vader hem nog na. Maar het jongetje bevond zich al op de achtste. Lopen is goed voor je conditie, had hij geleerd. Maar even later was hij toch wel moe. Hijgend stond hij op de derde, of de tweede, hij wist het niet meer.

‘Kijk kijk kijk, we hebben jeugdig bezoek.’ Het jongetje keek in de donkere pretoogjes van een kleine man met een schildersoverall. Hij droeg een ladder met zich mee. ‘Je komt mooi op tijd, jongetje, je kan de deur even voor me openhouden.’

‘Dag meneer,’ zei het jongetje beleefd, terwijl hij de deur voor de schilder openhield.

‘Niks geen meneer, Pablo is de naam. En wat hebben wij hier te zoeken?’ vroeg Pablo een beetje streng. Hij zette de ladder tegen de gevel van nummer 201 en reinigde zijn handen met een grote witte doek met verfvlekken. Strauss Junior las het jongetje op het naambordje van nummer 201. ‘Ik kan je helaas geen hand geven, want anders zit je onder de verf.’

‘Ik woon hier bij mijn vader.’ Pablo fronste zijn wenkbrauwen en keek het jongetje nieuwsgierig aan.

‘En wie mag jouw vader dan wel zijn?’

‘Mijn vader heet Goethe. Hij woont op nummer 902.’

‘Ben jij de zoon van Wolf von Goethe?’ vroeg Pablo ongelovig. Het jongetje knikte. Hij keek naar de schilder die nu zijn overall uittrok. ‘Nou, je lijkt er anders voor geen meter op,’ lachte Pablo Picasso. Maar het jongetje verstond zijn grapje niet. Hij leek ergens anders naar te luisteren.

‘Hoor,’ zei het jongetje. ‘Ik hoor muziek.’

‘Dat is de accordeoniste,’ zei Pablo. ‘Zij is hier nieuw, net als jij. Zij komt de boel hier wat opvrolijken.’ De schilder stak een sigaret op.

‘Ik vind het mooi,’ zei het jongetje en rende de laatste treden naar beneden. ‘Ik zie u misschien nog wel een keer.’ En weg was hij.

Het jongetje stond voor de accordeoniste. Het was een kleine vrouw met kort piekerig haar.  Ze droeg een brilletje. Hij luisterde aandachtig. Hij vond het mooi. Hij had niet eerder zo’n buikorgel gezien. Toen het stuk afgelopen was, klapte hij enthousiast in zijn handen. De muzikante maakte een buiging.

‘Kunt u ook een stuk spelen van meneer Schubert?’ vroeg het jongetje.

‘Je bedoelt Franz Schubert?’ Het jongetje knikte. En toen speelde de accordeoniste Ave Maria, hetzelfde stuk dat hij die middag had horen zingen en spelen door mevrouw de zangeres en meneer Schubert. Terwijl de accordeoniste het Ave Maria speelde keek het jongetje bedenkelijk naar boven. Daar ergens op de eerste etage klonk plotseling een heel vreemd geluid. Het stoorde de mooie muziek van de muziekmevrouw vond het jongetje.

Chet Baker zat op de drempel in de deuropening van zijn huisje op nummer 103 op een bloemengieter te spelen. Op enige afstand van de speler, tegen de deurpost van de openstaande deur die toegang gaf tot de galerij van de eerste etage, stond het jongetje met opengesperde ogen naar de muziekmaker te kijken. Wat was dat nu weer voor een gek instrument, vroeg hij zich af. Was het eigenlijk wel een muziekinstrument? De meneer die het bespeelde trok een pijnlijk gezicht, al zou het spelen hem moeite kosten. Er kwam trouwens helemaal geen mooie muziek uit, vond het jongetje. Integendeel het klonk hartstikke vals:

Poehah, poehah,.. klonk het. Tussen de geluiden door leek de man te kreunen met woordjes als: Yes…thats right…Poehah…shit…no…. Het jongetje had de neiging om zijn vingers in de oren te doen. Wat een lelijk geluid! In de verte hoorde hij flarden van het mooie accordeonspel. Zou hij de meneer durven vragen of hij even wilde stoppen met die rare tonen te spelen, zodat iedereen kon genieten van de muziek van de accordeoniste? Poehah, poehah… Thats right…Yes…Poehah…No…Shit…. Vastbesloten liep het jongetje de galerij op. Hij stond nu voor nummer 101, een paar meter verwijderd van de toeteraar. Frank Zappa, las hij op het naambordje. Toen Chet Baker het jongetje zag staan, hield hij ogenblikkelijk op.

‘Hee, jongetje kom eens wat dichterbij. Sta jij in het geniep naar mijn muziek te luisteren?’ Het jongetje kwam schoorvoetend naderbij. Hij stond nu tegen het hekwerk van de balustrade pal tegenover de muziekmaker, die rustig op de drempel in de deuropening bleef zitten. Deze zette zijn bloemengieter naast hem neer en haalde uit zijn broekzak een doosje tabak dat op gras leek. Terwijl hij het jongetje strak bleef aankijken rolde hij een sigaret. ‘Heb jij je tong verloren?’ vroeg hij terwijl hij zijn sigaret dicht likte.

‘Ik vond uw muziek niet mooi,’ zei het jongetje brutaal. De toeteraar lachte zijn tanden bloot en zei:

‘Hou jij niet van geïmproviseerde muziek?’ Het jongetje schudde heftig van nee. Maar hij had geen idee wat de meneer bedoelde. De sigaret rook trouwens net zo vies als zijn muziek klonk. Hij vond de toeteraar maar een rare man.

‘Wat is dat voor een instrument?’ vroeg het jongetje wijzend op de bloemengieter.

‘Dat is geen muziekinstrument, beste jongen, dat is een bloemengieter.’

‘Maar waarom speelt u daarop?’

‘Om mijn embouchure op peil te houden jongen, als je begrijpt wat ik bedoel.’ De toeteraar schoot nu zijn sjekkie rakelings langs het jongetje door het hekwerk van de balustrade naar buiten. ‘Geen geld, jongen, geen geld,’ klaagde de man. ‘Een beetje trompet kost hier in het hiernamaals tienduizend ballen.’

‘Kut,’ zei het jongetje. ‘Wat duur.’

‘Zeg dat wel,’ zei Chet Baker. Op het moment dat het jongetje en Chet Baker het er over eens waren dat een nieuwe trompet in het hiernamaals wel erg veel geld kost verscheen een gehaaste huismeester Smit op de balustrade. ‘Let op, nu komt het,’ waarschuwde Chet Baker het jongetje. ‘Dat is Gerrit Smit de huismeester, die zal wel weer wat te klagen hebben.’

‘Nu moet u mij toch eens vertellen waarom u hier de boel vervuild,’ riep de huismeester met luide stem toen hij in de deuropening van de eerste etage verscheen. In plaats van naar Chet Baker, keek de huismeester naar het jongetje. ‘U moest zich schamen. U bent een slecht voorbeeld voor de jeugd.’ Huismeester Smit leek over zijn toeren. Moeizaam stond Chet Baker op en ging pal voor de huismeester staan. Het leek alsof hij de huismeester wilde provoceren. ‘U bent een slecht voorbeeld voor de jeugd, meneer Baker,’ herhaalde de huismeester nu op een mildere toon. Hij wees naar het jongetje. Gerrit Smit had het knaapje hier op de artiflat niet eerder gezien. Het was een mooi jongetje. Alles leek er op dat hij uit een goed milieu kwam. Vast en zeker had het kind een zacht karakter. Het jongetje deed hem denken aan zijn eigen kinderen. Hij had het wel vaker, dat hij van het ene op het andere moment moest denken aan zijn kinderen op het aardse. Hoe zou het hen vergaan? Ook zijn vrouw en zijn vriendin kwamen herhaaldelijk in zijn gedachten. Maar hij had vooral heimwee naar zijn kinderen. Deze gedachten kwamen op de meest onverwachte momenten en bezorgde hem een knoop in de maag en soms tranen in zijn ogen. Zijn kleine meisjes, wat zou hij ze graag even willen zien. Wat zou hij die kleine warme lichaampjes graag tegen zich aan willen drukken. Godverdomme, waarom moest hij altijd op dit soort ongemakkelijke momenten aan hen denken. Deze keer kwam was het door het onbekende jongetje.

‘Mag ik misschien even vragen waar u het over hebt,’ vroeg Chet Baker.

‘Waar ik het over heb,’ riep een geprikkelde huismeester. ‘U maakt er hier een rotzootje van, meneer Chet Baker! Terwijl ik mijn best doe om de boel schoon te houden, werpt u doodleuk uw sigarettenpeuken naar beneden en wie weet wat voor andere troep. Ik heb mijn handen vol aan u en uw soortgenoten. Weet u dat ik vannacht nog de lift stond schoon te boenen omdat iemand zo vriendelijk was om daar een prak braaksel in achter te laten? Daar heb ik het over, begrijpt u?’ Het jongetje, geschrokken van de woede-uitval van de huismeester, leunde over het hekwerk van de balustrade. Het leek alsof hij op zoek was naar de sigarettenpeuk van meneer Chet Baker. Hij wilde niets met de ruzie te maken hebben. Plotseling werd de aandacht van de drie op de galerij afgeleid door een klein wit hondje dat uit de hal kwam wandelen en vervolgens een plasje deed tegen de post van de galerijdeur.

‘Wel godverdegodver,’ vloekte de huismeester. Hij snelde naar het hondje. ‘Lodewijk af! Lodewijk af!’ riep hij met overslaande stem.

‘Wie vervuilt nu eigenlijk de boel,’ lachte Chet Baker met een knipoog naar het jongetje. Vervolgens nam hij weer plaats op de drempel van zijn huisje, haalde zijn tabaksspullen tevoorschijn en begon een nieuwe sigaret te rollen.


73 Gerrit de loodgieter

DE LOODGIETER  GERRIT SMIT  LODEWIJK  KAREN & ELLEN  MAAIKE

Zijn vrouw lag te sterven in het tussenkamertje. Al een tijd stond hij door het raam in de woonkeuken naar haar te kijken. Ze had haar ogen gesloten en haar handen lagen ineen gevouwen op de dekens. Zo lag ze daar al dagen, weken, maanden. In het begin glimlachte ze nog wel eens naar hem, maar nu, als ze haar ogen open had, staarde ze hem aan als een vreemde. Gek werd hij er van om zijn lieve vrouw zo te zien creperen. Karin en Ellen, de tweeling van amper drie speelden aan haar voeteneind doktertje met hun poppen.

‘Ssssst,’ zei hij steeds met zijn vinger tegen de mond. Maar de tweeling, hoe klein zij ook waren, wisten wel dat zij geen lawaai mochten maken als mama sliep. Soms, onder hun spel keken ze hem met hun grote ogen lachend aan en staken hun handjes naar hem op. Ha papa, zie je hoe mooi wij op mama’s bedje spelen? We zullen heel lief zijn en mama rustig laten slapen. Met een brok in de keel zwaaide hij terug en stak zijn duim omhoog ten teken dat het goed was.

Gerrit Smit had een goedlopend loodgietersbedrijf in de Hoofdstraat van het dorp. Sinds kort had hij aan de zijkant van zijn huis ook een benzinepomp. Die pomp was een idee van Helen zijn vrouw geweest. Zij had het geld verdienen in haar bloed gehad. Ze wilde zo op een gemakkelijke manier nog een extra centje bijverdienen. Kort na de feestelijke opening werd er kanker bij haar ontdekt. Gerrit Smit herinnerde zich nog de dagen van wanhoop. Hij sloot voor onbepaalde tijd zijn zaak, besteedde de tweeling uit aan Maaike, een alleenstaande vrouw die hij via via had gevonden en ervaring had met kleine kinderen. Wekenlang reed hij met zijn vrouw langs beroemde specialisten, hopende op een andere diagnose. Jazeker, kanker, hoorde hij artsen in verschillende talen concluderen, maar hier kunnen we helaas niets meer aan doen.

Bij thuiskomst werd het tussenkamertje als ziekenkamer ingericht en later gedegradeerd tot sterfkamer. Eens per week, op maandagmorgen, kwam de huisarts langs voor een bemoedigend woordje.

‘Houd goede moed, lieve Helen,’ zei hij als hij het ziekenkamertje verliet en tegen Gerrit: ‘Het is te hopen dat het snel voorbij is, beste jongen.’ De loodgieter huurde Maaike in als vaste oppas voor de tweeling. Zij kreeg het kamertje waar Helen eens haar knutselhok had. Een kamertje met mandjes naaigerei, schoenendozen vol met zelfontworpen kerstkaarten en aan de wand trouwfoto´s, vakantiefoto´s, foto´s van de feestelijkheden rond de opening van de benzinepomp en foto´s van de tweeling. Als enige troost voor het gemis van een normale mama werd er een klein hondje uit het dierenasiel gehaald, dat door de tweeling als Lodewijk werd gedoopt. Vanaf die tijd werd het ziekenkamertje meer en meer verruild voor de tuin achter het huis, waar de tweeling naar hartenlust kon spelen met hun nieuwe vriendje.

‘s Avonds als het lampje in het ziekenkamertje uit was, zat Gerrit Smit urenlang aan de tafel in de woonkeuken in het niets te staren. Maaike, die meer en meer een rol kreeg in het huishouden, zorgde er voor dat het aan Gerrit niets ontbrak. En als het heel laat werd dronken zij samen een borreltje.

In het dorp van de loodgieter werd Maaike al spoedig een opvallende verschijning. Met haar bos zwarte krullen, haar gouden oorringen, haar koolzwarte ogen, grote neus en sensuele mond had ze alles weg van een zigeunerin. Weldra kende een ieder de vrouw uit de grote stad en het duurde niet lang of daar gingen de eerste roddels door het dorp. Gerrit Smit had het goed getroffen zo’n vrouw in huis te hebben, fluisterde het manvolk. Als ze maar goed is voor de tweeling, was het oordeel van het vrouwvolk. Niemand leek de loodgieter de mooie kinderjuffrouw te misgunnen. De arme Gerrit Smit had het al zwaar genoeg met een stervende vrouw en het grootbrengen van twee kleine meisjes.

Maaike kwam uit de stad. Vijf jaar voordat zij bij Gerrit Smit en zijn gezin kwam te wonen had zij haar man, die aan parkinson had geleden naar het kerkhof gebracht. Na zijn overlijden zette Maaike haar zinnen op een nieuwe relatie. Ze reageerde op contactadvertenties en liet zich inschrijven op een datingsite. Zij wilde na haar treurige jaren met haar zieke man weer een normaal leven. Ze wilde een levensgezel. Maar de contacten liepen allen uit op partners die op één ding uit waren, haar lichaam. In het begin had ze daar volstrekt geen moeite mee en er zelfs van genoten. Ze had immers jarenlang intimiteit gemist. Maar uiteindelijk gaf het rollebollen met jan en alleman haar geen voldoening en ging ze op zoek naar een serieuze partner, een man voor het leven, een man voor wie ze zou kunnen zorgen. En die leek ze gevonden te hebben in Gerrit Smit, de loodgieter.

Natuurlijk bemerkte Gerrit Smit de belangstelling die Maaike voor hem koesterde. En hij schonk maar al te graag een tweede borreltje in als zij samen aan het eind van de dag aan de keukentafel zaten. Er kwamen stukjes kaas en worst op tafel en na maanden van stilte klonk er een gezellig muziekje uit de radio. Onder de tafel lag Lodewijk, het witte keffertje, te luisteren naar de gesprekken van de twee. Ze spraken over de toekomst, over Karin en Ellen, over Helen, de vrouw des huizes die het nu niet meer lang zou maken en over de heropening van de benzinepomp, ja zelfs over een eventuele vakantie. Het leek zowaar zo af en toe gezellig te worden in de loodgieterswoning aan de Hoofdstraat. En het zou niet lang meer duren dat Gerrit Smit zijn kindermeisje en hulp in de huishouding naar haar slaapkamertje zou begeleiden.

Met een slakkengangetje rijdt er op een bloedhete zomermiddag een ambulance door de Hoofdstraat. De weinige mensen die zich op dat moment in de hitte op straat bevinden begrijpen het, ze komen Helen halen, Helen Smit, de vrouw van de loodgieter. Twee broeders in het wit schuiven even later een reeds uitgemergelde Helen op een brancard de ziekenauto in. Karin en Ellen spelen op dat moment op het grasveld achter het huis met Lodewijk. Als even later de ziekenauto weer vaart maakt om het dorp te verlaten maken enkele buurtjes uit eerbied een buiging.

Gerrit Smit is de eerste dagen na Helens opname volledig de kluts kwijt. Hij had het aan zien komen, maar nu het zover is kan hij het nauwelijks bevatten. Zelfs Maaike kan hem niet troosten. De eerste dagen zouden zij elkaar dan ook ontzien. Maaike zou zich voornamelijk bezighouden met de tweeling, die overigens de afwezigheid van hun moeder nauwelijks bemerken.

Dagelijks brengt Gerrit een bezoek aan zijn vrouw in het ziekenhuis. Helen reageert niet op zijn aanwezigheid. Ze heeft meestal haar ogen gesloten en zijn ze voor een moment toch geopend, staart ze naar het plafond of in de leegte. Haar borst ademt onregelmatig op en neer. Ze ligt daar net als thuis in het tussenkamertje, de handen ineen gevouwen op de dekens. Geluiden maakt zij niet. Als een pop zit Gerrit naast haar bed in het dodenkamertje. Hij weet niet wat te doen. Een enkele keer zoekt hij haar hand, doch zijn vrouw reageert niet.

Veertien dagen gaan voorbij als ze ’s avonds laat weer voor het eerst bij elkaar aan de keukentafel zitten, Gerrit en Maaike. Voorzichtig wordt er aan het borreltje genipt en komen de gesprekken op gang. De draad van een aantal weken geleden wordt weer opgepakt. Diezelfde nacht liggen Gerrit en Maaike in het grote bed, het bed dat ooit aan het echtpaar Smit had toebehoord. Het is na middernacht als ze liggen na te genieten van een hevige vrijpartij. Dan wordt er plotseling hevig op de ramen gebonkt. Helen! is de eerste gedachte die bij Gerrit opkomt. Aan de zijkant van het huis staat een man met een jerrycan.

‘Meneer, alstublieft, ik heb benzine nodig,’ zegt hij met een buitenlans accent. Blij dat het niet om Helen gaat, helpt Gerrit Smit de man aan benzine. Bij het afrekenen blijkt dat de man alleen groot geld bij zich heeft. Als Gerrit even later met zijn metalen geldkistje terugkeert wordt hij van achter vastgegrepen. De man met de jerrycan steekt hem in de buik en Gerrit zakt ineen. Lodewijk, die zijn baasje te hulp wil schieten en als een razende te keer gaat, bijt zich vast in de broekspijp van de man met de jerrycan en wordt door zijn kopje geschoten. Twee dagen lang lag Gerrit Smit de loodgieter in het tussenkamertje opgebaard. Naast hem lag Lodewijk.


74 Sjors op stap met Nokia

NOKIA  SJOSTAKOVITSJ  WELKOMSTSYMFONIE  JOHANNES PHILHARMONIC 

Godverdee, vloekte Dmitri Sjostakovitsj binnensmonds, had ie er toch alweer een stuk of zes achter de kiezen. En hij was nog maar net bekomen van zijn zeurende hoofd van gisteravond. Hij moest vandaag zijn kop er bijhouden. Wat gisteravond was gebeurd zou never nooit meer gebeuren. Om de paar minuten keek hij op zijn klokje. Ja, ja, hij hield de tijd in de gaten. Vijf uur werd hij verwacht. Hij wist het en hij wist ook nog waar, in de concerthal aan het Plein van de Hemelse Vrede. Daar zou hij zijn Welkomstsymfonie afleveren. Op zijn schoot lag het zwarte aktetasje met daarin het eerste deel van de symfonie. Hij hield het tasje, al zou zich daarin een schat bevinden, stevig tegen zich aangedrukt. Hij had het hem toch mooi maar geflikt. Het eerste deel was af, de andere delen zouden spoedig volgen. Het orkest zou het eerste deel alvast onder de loep kunnen nemen.

Half vijf was het. Tijd om te gaan. Het was nog een hele wandeling. Voor de zoveelste keer die middag opende hij zijn tasje, spreidde de partituur voor zich uit en neuriede en dirigeerde enkele fragmenten.

‘Wig, een sterke koffie graag,’ commandeerde hij plotseling, terwijl hij zijn symfonie weer zorgvuldig in zijn tasje stopte en zijn nog halfvolle biertje ledigde. Hij moest trouwens eerst nog even zijn hoofd onder de kraan houden, bedacht hij zich, in ieder geval zijn slapen en polsen. Hij moest daar absoluut nuchter verschijnen. ‘Wig, ik had om koffie gevraagd!’ riep de componist weer.

‘Meneer Sjors, meneer Sjors,’ zuchtte Wig. ‘Rustig maar, ik kom er aan.’ Wig had vandaag een schortje voor en liep van hot naar her. Hij begreep niet waar Marie bleef. Elke middag zat ze bij hem aan de bar en nu hij haar nodig had was ze er niet. Ze had hem zo mooi even kunnen helpen.

‘Ik heb haast.’

‘We hebben allemaal haast, U bent hier niet de enige.’ Wig knikte naar de tafeltjes om aan te geven hoe druk het daar druk was. ‘Een beetje geduld alstublieft.’

‘Beste barman, ik moet om vijf uur op het Plein zijn, begrijp je dat? Dat is in ons ieder belang, het is voor de Dag des Heren, weet je wel.’ Sjostakovitsj keek om zich heen. Hij stond op het punt om nog een rondje te geven, maar bedacht zich toen hij wederom op zijn klokje keek. Er was het laatste uur aardig wat volk binnengekomen in de Nadorst. Wig kon het nauwelijks aan. Hij was daarom nogal gepikeerd over het gezeur van Sjors. Aan een tafeltje bij het biljart zaten al geruime tijd de musici Frederik Händel van 703 en Tonio Vivaldi van 405. Zojuist waren hun collega´s Gustav Mahler van 702 en Guus Verdi van 705 bij hen aangeschoven. Mahler trof je overigens zelden aan in de Nadorst, zelfs niet aan de koffietafel. Men beweerde dat hij gesolliciteerd zou hebben als dirigent bij het Johannesburg Philharmonic. Aan de bar was het nog rustig. Behalve de nieuweling met snor en sikje van 101, de man die nu al het vriendje van Marie Monroe werd genoemd, de schilder Lautrec van 210 en Dmitri Sjostakovitsj, zaten daar sinds een half uur ook de buren Jim Morrison de popzanger van 206 en de schilder Andy Warhol van 207. Aan de leestafel, voor de boekenwand zat een groepje donkere medebewoners. Het waren de trompetspelers Louis Armstrong van 401 en Miles Davis van 403, de man die gisteravond nogal wat stennis had gemaakt. Naast hen de zangeressen Billie Holiday van 203 en Bessie Smith van 407. Aan dezelfde tafel, enkele plaatsen verderop zat de balletdanser Vaslav van 506, de man die men op de arti nog nauwelijks had horen praten. In plaats van dat was hij meestal aan het acrobaten of aan het jongleren. Op de kegelbaan was hij trouwens ook vaak te vinden, meestal met Amadeo van 904. Nu las hij in een tijdschrift over kunst.

‘Alstublieft meneer Sjors,’ zei Wig overdreven vriendelijk maar ook met enige spot waarna hij demonstratief een kop koffie voor hem neer zette.

‘Dat werd tijd,’ antwoordde de componist nors. Hij slurpte in één keer de koffie naar binnen. Vervolgens liet hij zich van zijn kruk glijden, wierp bij de garderobe een blik in de spiegel om te kijken of zijn spuuglok nog wel goed zat en stapte zonder een groet de Nadorst uit. Zodra hij buiten stond haalde hij diep adem en voelde zijn goede humeur van een aantal uren geleden weer boven komen.

Sjostakovitsj kijkt zo nu en dan opzij naar Nokia, het kleine vrouwtje dat een zware accordeon op haar rug meedraagt. Hij biedt haar niet aan het instrument van haar over te nemen. Dit zou hem te ver gaan. Hij is een klassiek componist en die draagt geen accordeon met zich mee. Zou zij trouwens wel weten wie er naast haar liep? Had zij überhaupt wel van de naam Sjostakovitsj gehoord? Nokia doet zeker drie passen in plaats van Sjostakovitsj twee. Ze trippelt kwiek aan zijn zijde mee. Een dapper leuk vrouwtje vindt hij haar. Ook een gezellige babbelaar, want ze kwebbelt aan één stuk door. Ze vertelt dat ze helemaal aan de andere kant van Johannesburg woont, zeker een uur wandelen van het centrum. Nokia woont ook in een soort artiflat, maar dan in een flat voor kunstenmakers in plaats van kunstenaars. Zij woont samen met andere straatmuzikanten. Ook wonen er goochelaars, jongleurs, koorddansers, clowns, poppenspelers enzovoorts. Nog niet zo lang geleden kwam daar een plaatsje voor haar vrij. Sjostakovitsj luistert met plezier naar de kleine Nokia. Niet eerder heeft hij in het hiernamaals zo’n leuke vrouw ontmoet.

Toen Sjostakovitsj zojuist de Nadorst had verlaten, had de accordeoniste net een slotakkoord gespeeld. ‘Het is mooi geweest voor vandaag,’ had Sjors haar horen mompelen.

‘Ik hoop dat u het hier naar uw zin heeft gehad en wat centjes heeft verdiend,’ had hij op vriendelijke toon gezegd. ‘U heeft ons in ieder geval veel plezier bezorgd en daar mag ik u namens alle artibewoners hartelijk voor bedanken.’ De kleine musicienne had verlegen geglimlacht en een beetje nonchalant haar schouders opgehaald.

‘Als u het goed vindt loop ik met u mee,’ had ze gezegd toen ze vernam dat Sjostakovitsj aanstalten maakte het grasveld over te steken richting centrum. Ik moet ook die kant uit.

‘Met alle genoegen,’ had de componist geantwoord. ‘Maar ik heb haast, ik word om vijf uur in de concerthal verwacht,’ had hij er gewichtig aan toegevoegd. En hij vertelde over de aankomende Dag des Heren en over de opdracht die hem ten deel was gevallen om een Welkomstsymfonie te schrijven en dat hij deze aanstonds zou inleveren bij het Johannes Philharmonic Orchestra.

Het tweetal liep nog maar net over de Boulevard Antonius of Sjostakovitsj voelde een ontzettende drang om te plassen. Hij zette hierdoor nog meer de pas in zodat kleine Nokia hem maar met moeite kon bijhouden. Dat komt door dat verdomde bier dacht hij. Hij begreep niet dat hij bij Wig niet even naar de wc was geweest.

‘U heeft veel haast,’ hijgde Nokia.

‘Ik mag in geen geval te laat komen.’

‘Ik kan u niet bijhouden. Als u het goed vindt dan…’

‘Speelt u maar een moppie,’ onderbrak Sjostakovitsj haar gehaast, ‘dan ga ik even de bosjes in.’ En weg was hij. Toen ze even later weer naast elkaar liepen had Sjostakovitsj een sigaret in de brand.

‘Ik heb Charlie nog gezien’, had Nokia na een stilte gezegd, toen ze even later weer samen liepen. Nokia was blij dat ze niet meer zo snel liepen. Sjostakovitsj keek haar vragend aan. Met zijn zakdoek veegde hij het zweet van zijn voorhoofd. Hij had het warm.

‘Carlie wie?’

‘Grappige Charlie.’

‘Ik ken geen Grappige Charlie, kleine meid.’

‘Hij woonde bij ons in de Trapeze, maar hij wilde hogerop. Hij woont nu bij u in de artiflat.’ Sjostakovitsj dacht na. Kende hij die vent, die Charlie? ‘We missen hem erg. We hadden altijd veel lol met hem.’

‘Dat kan ik mij voorstellen,’ sprak de componist een ietwat afwezig. Hij probeerde de man voor de geest te halen. Volgens hem was het de vreemde kleine man met bolhoed en wandelstok die nog niet zolang geleden op de vijfde was komen wonen. Hij was nog niet in de gelegenheid geweest kennis met hem te maken. Maar hij wist eigenlijk nu al dat het zijn volk niet was. ‘Wat was zijn beroep?’ Zijn vraag klinkt mat. Het interesseert hem eigenlijk allemaal niet. Hij klemt zijn tasje met de Welkomstsymfonie nog steviger tegen zich aangedrukt en versnelt zijn pas.

‘Grappenmaker,‘ antwoordt Nokia lachend. ‘Grappenmaker.’ Ze liepen nog steeds over de Boulevard Antonius, de ader van Johannesburg. Burgerzielen die hen tegemoet kwamen of voorbij liepen keken op en om. De twee hadden veel bekijks. De rokende man in het geblokte colbertje, met op zijn neus een bril met opvallend donker montuur, zijn spuuglok en een zwart aktetasje stevig tegen zich aanhoudend met naast hem het kleine vrouwtje met spleetoogjes, kort piekerig haar, een brilletje op haar neus en een grote accordeon op haar rug. Bovendien leek het tweetal haast te hebben. Klokslag vijf uur arriveren de twee op het Plein van de Hemelse Vrede, het hart van Johannesburg met op het midden van het plein de machtige Sint-Jan Kathedraal omringd door groenstroken en bloemperken. Aan de rand het raadhuis, het domein van burgemeester mevrouw moeder Teresa, en rechts van de kerk de concerthal, het onderkomen van het Johannes Philharmonic Orchestra.

‘We zullen hier afscheid moeten nemen,’ zegt Sjostakovitsj. ‘Het was mij een groot genoegen u te mogen ontmoeten.’

‘Ik vond het ook fijn,’ antwoordt Nokia een tikkeltje verlegen. ‘Ik hoop u nog eens te zien.’ De componist aarzelde. Hij leek na te denken. Toen zei hij:

‘Wacht op mij kleine vrouw en vermaak intussen de zielen op het plein met uw accordeonspel.’

‘Ik heb geen vergunning om hier te mogen spelen.’

‘Als je mijn naam noemt, kan je niets overkomen. Ze kennen mij hier.’ Nokia doet haar accordeon af en neemt plaats op de trap die naar de ingang van de concerthal leidt.

‘Ik weet niet eens hoe u heet,’ roept ze naar Sjostakovitsj die voor de draaideur van de concerthal staat.

‘Dmitri,’ roept hij. ‘Dmitri Sjostakovitsj. Een beetje muzikant kent mijn naam.’


75 Rondleiding

Er loopt een jongetje over de tweede etage van de artiflat. Hij is de zoon van Wolf von Goethe van nummer 902. Hij is hier nieuw. Achter het jongetje loopt huismeester Gerrit Smit met aan de lijn zijn hondje Lodewijk. Zo te zien krijgt het jongetje een rondleiding.

‘Kijk,’ zegt de huismeester wijzend naar nummer 201. Ze staan onder de steiger die daar zojuist door de schilder Picasso van 801 is neergezet in verband met het texen van de gevel. ‘Hier woont de violist Strauss Junior. Hij wordt door sommige bewoners ook wel de koning van de dans genoemd, maar wat ze daar mee bedoelen, al sla je me dood,’ grapt de huismeester. ‘Hij lijkt mij in ieder geval absoluut geen dans type.’

‘Waarom was u zo boos op trompetspeler Chet Baker?’ vraagt het jongetje plotseling als hij stilstaat voor 202 en blijkbaar met een half oor naar de huismeester luistert.

‘Trompetspeler,’ roept de huismeester met stemverheffing. ‘Herriemaker zal je bedoelen!’

‘Ja maar, hij heeft geen echte trompet en op een bloemengieter kan je geen mooie muziek maken.’

‘Luister jongeman, meneer Chet Baker en consorten verzieken de boel op de arti. De artiflat staat bekend als een eerste klas flat, een drie sterren locatie, als je begrijpt wat ik bedoel. En dat willen de meeste artibewoners zo houden.’

‘Ik vind het wel een aardige meneer,’ verdedigt het jongetje de trompettist. ‘Hij heeft mij belooft dat hij mij les gaat geven als hij een echte trompet heeft.’

‘Nou veel geluk met hem,’ zegt Smit een beetje lacherig. Lodewijk snuffelt aan de schoenen van het jongetje. De huismeester geeft een ruk aan het lijntje. ‘Nee Lodewijk, af,’ commandeert hij. De huismeester knikt naar nummer 202 met het naamplaatje Jimi Hendrix. ‘Van hem wordt gezegd dat hij zichzelf om zeep heeft geholpen. Hij is één van de jongelingen hier.’ Het jongetje kijkt de huismeester niet- begrijpend aan. ‘Zichzelf heeft doodgemaakt,’ herstelt de huismeester zich.

‘Wie is Jimi Hendrix?’ wil het jongetje weten.

‘Een gitaarspeler.’

‘Hoe jong was hij dan?’

‘Ik schat hem achter in de twintig. In ieder geval is hij nog geen dertig.’

‘Ik ben acht.’

‘Dan ben jij nu de jongste.’ Het jongetje lacht. Hij heeft het naar zijn zin met meneer Smit de huismeester. Ze passeren nummer 203. De huismeester denkt aan zijn dochtertjes. ‘Niet aan denken mompelt hij.’

‘Wat zegt u?’

‘Billie Holiday,’ zegt de huismeester. Hij haalt een zakje tabak uit zijn jaszak.

‘Kent u alle namen en huisnummers?’

‘Noem mij een huisnummer,’ zegt de huismeester trots terwijl hij een sigaret rolt.

‘Zeshonderdvijf.’

‘Meneer Gaudi, de architect.’

‘Zeshonderddrie.’

‘Robert Schumann, de componist. Bij hem zou ik maar niet direct aanbellen, want die is de kluts kwijt.’ Het jongetje kijkt de huismeester vol bewondering aan. Wat weet de huismeester veel, lijkt hij te denken.

‘Wie is Billie Holiday?’

‘Een zangeres,’ antwoordt de huismeester terwijl hij zijn sigaret aansteekt. Een zangeres van het lichtere genre. Amusementsmuziek zogezegd.

‘Ik ken ook een zangeres die hier woont.’

‘Vertel.’

‘Mevrouw Callas.’

‘Maria Callas van 302.’ De huismeester knikt naar boven. Ze hokt met Schubert van 804.’

‘Wat is hokken?’

‘Dat je met iemand samenwoont.’

‘Hok ik dan met mijn vader?’

‘Kinderen hokken niet met hun ouders.’

‘Waar kan je hier ergens trompetten kopen?’ vraagt het jongetje die blijkbaar de figuur Chet Baker maar niet uit zijn hoofd kan zetten. De huismeester kijkt hem verwonderd aan.

‘Naar mijn weten kan je in Johannesburg geen trompetten kopen. Daar moet je voor naar de wereldmarkt in Sint-Petrusburg, of op de rommelmarkt in Mozestown, daar liggen die dingen ook wel eens. En anders kun ze bestellen bij Bol Kom.´ Ze staan nu voor appartement nummer 204. Edith Piaf, leest het jongetje.

‘Zeker weer een zangeres.’ De huismeester knikt.

‘Goed geraden, jochie. Het stikt hier van de zangers en zangeressen. Edith is een klein vrouwtje, ze noemen haar wel de mus.’

‘De mus?’

‘Ja, zo noemt Wig de barkeeper haar. Heb je al kennisgemaakt met Wigbert?’ Het jongetje haalt zijn schouders op. ‘Dat is de barman van de Nadorst, het café op de hoek.’

‘Ik ken hier bijna nog niemand. Ik ben hier pas vanmiddag komen wonen.’

‘Daarom lopen we hier en laat ik jou het één en ander zien,’ zegt de huismeester terwijl hij zijn vingers bijna brandt aan zijn veel te kleine peuk. Vervolgens schiet hij deze met een sierlijke boog over het hekwerk naar beneden.

‘Kut,’ zegt het jongetje, ‘dat mag u helemaal niet doen!’

‘Sorry, maar ik brandde mijn vingers.’ De huismeester verandert snel van onderwerp en zegt als ze voor 205 staan: ‘Mahalia Jackson, een zangeres van godsdienstige liedjes. Het is bij haar halleluja voor en halleluja na. Maar voor de rest is ze reuze aardig.’ Het jongetje kijkt langs de galerij. Dan zegt hij:

‘Ik vind het allemaal maar kleine huisjes. De flat van mijn vader is wel drie keer zo groot.’

‘Jouw vader heeft het misschien ver geschopt op de aardkloot. Wie weet was hij wel heel belangrijk voor de mensheid.’

‘Mijn vader heeft beroemde boeken geschreven.’ Smit knikt. Het zal wel. Hij heeft nooit iets van Wolf von Goethe gelezen. Hij zou zelfs geen titel van hem kunnen opnoemen. Hij mag de man ook niet zo. Een arrogant heerschap vindt hij hem. Ook heel onvriendelijk tegenover de purgatijnen en de lagere bewoners. Hij kan je verschrikkelijk kleineren. Vannacht had-ie dat nog ondervonden toen er iemand in de lift had gekotst. Von Goethe was toen vreselijk tegen hem te keer gegaan. Alsof het Gerrit Smit was die in de lift had gekotst. Goethe had geëist dat hij onmiddellijk de lift zou reinigen. Een vervelende kerel. Maar daar kan zijn zoon niets aan doen. Tot nu toe mag hij Goethe junior wel. De twee met het hondje lopen weer een huisje verder. Jim Morrison staat er op het naamplaatje van appartement 206.

‘Hier woont ook een zanger die de dertig niet heeft gehaald. Zelfmoord. Ik geloof dat hij net als Jimi Hendrix zat te rotzooien met drugs. Hij schijnt volgens zeggen erg beroemd geweest te zijn. Maar iedereen op de flat was eens beroemd,’ voegt de huismeester er aan toe.

‘Bent u ook kunstenaar?’ vraagt het jongetje. Hij kijkt de huismeester onderzoekend aan. Gerrit Smit moet lachen om de vraag.

‘Nee jongetje, van oorsprong ben ik loodgieter. Maar hier ben ik maar een knechtje, zeg maar het hulpje van de bewoners.’

‘Komt u wel eens bij iemand binnen?’

‘Ik doe klusjes, zoals lekkende kranen repareren, lampen vervangen, klemmende deuren smeren enzovoorts. En soms belt er ’s avonds laat nog iemand bij mij aan voor een kratje bier of een pakje sigaretten. Ik heb hier ook een winkeltje, weet je. Dus als je iets lekkers wilt kopen, kan je altijd bij mij terecht. Ik kan wel een extra centje gebruiken. Jouw vader krijgt denk ik vijftien keer zoveel zilverlingen per maand als ik.’

Het tweetal staat nu voor appartement nummer 207, het onderkomen van Andy Warhol.

‘Weer een zanger?’

‘Nee, een excentriekeling, die zich kunstenaar noemt. Naar het schijnt schilderde hij soepblikken, Coca-Cola flessen, en meer van die onzin. Je moet maar lef hebben. Hij komt, wat ze hier noemen uit de moderne tijd en dan hoor je blijkbaar van die dingen te doen.’ Ze lopen verder. De voordeur van appartement 208 is in de kleuren groen, geel en rood geschilderd. ‘Hier woont Bob Marley, de man met het touwtjeshaar. Hij moet echt een hele beroemdheid geweest zijn, vooral bij de jeugd,’ legt de huismeester uit. ‘De heer Marley loopt altijd en eeuwig te kankeren dat hij in de verkeerde hemel is terecht gekomen. Hij zegt dat hij op het aardse altijd een andere god heeft aanbeden dan Jezus. Nou ja, zo hou je altijd wat,’ zucht de huismeester. ‘Maar Bobbie mag blij zijn dat hij hier op de Arti terecht is gekomen.’

´Hoe is die meneer doodgegaan?´

´Al sla je me dood´ lacht de huismeester. ´Ik kan niet alles weten.´

‘Ik ben op een paard naar het hiernamaals gerend,’ zegt het jongetje.

‘Ze hebben mij om zeep geholpen met een mes,’ zegt de huismeester terwijl hij het jongetje bedenkelijk aankijkt. ‘En Lodewijk, het arme beestje door een kogel.’ De huismeester bukt zich om Lodewijk over zijn bolletje te aaien. ‘Lodewijk is lief hè. Maar Lodewijk mag niet overal plasjes doen.’

‘Wat gebeuren er toch erge dingen op de aarde,’ zucht het jongetje.

‘Wees maar blij dat je in het rijk der hemelen bent binnengekomen,’ zegt de huismeester plechtig. Ze staan voor huisje 209. Scott Joplin leest het jongetje.

‘Zanger?’

‘Pianist.’

‘Net als meneer Schubert. Die speelt cool, zeg!’

‘Ik heb geen verstand van pianospelen. Ik denk dat Franz Schubert zuiver een klassieke pianist is en de meneer die hier woont meer amusementsmuziek speelt. Scott Joplin is een neger en negers spelen graag muziek die de mensen vrolijk maakt.’

‘Ik onthoud al die namen nooit,’ klaagt het jongetje. ‘Ik weet nu al niet meer wie er in de eerste huisjes wonen.’

‘Dat hoef jij allemaal ook niet te onthouden. De meeste bewoners weten ook lang niet wie wie is,’ zegt de huismeester. Ze staan voor het laatste appartement van de tweede etage, huisnummer 210. ‘Hier woont de schilder Lautrec,’ legt de huismeester uit. ‘Als je hem tegen zou komen herken je hem direct. Het is een klein ventje, haast een dwerg en hij hinkt een beetje. Hij lust graag een borreltje en zal op dit moment wel bij Wig aan de bar hangen. Want daar zit-ie bijna iedere dag, de zuipschuit. Lautrec klaagt steen en been dat hij op nummer 210 geplaatst is, het laatste huisje van de etage. Hij moet dus de hele galerij aflopen om bij de lift te komen en daar is-ie met zijn handicap niet blij mee. Zijn medebewoners zeggen echter dat hij niet moet zeuren, want hij kan zijn been altijd laten repareren in het Sint-Lukashospitaal,’ legt de huismeester uit terwijl hij vaderlijk een hand op de schouder van het jongetje legt. ‘Wat doen we,’ zegt hij dan. ‘Nog zin in een etage?’ Het jongetje knikt heftig van nee.

‘Ik denk dat vader op mij wacht. Maar ik vind het wel heel leuk om al die namen te leren kennen en de verhaaltjes die u er bij vertelt. Misschien wilt u vanavond nog even met mij wandelen.’

‘Doen we,’ zegt de huismeester terwijl hij op zijn horloge kijkt. Kwart voor vijf, mompelt hij in zichzelf. En dan tot het jongetje: ‘Ik sta om zeven uur in de hal van de zevende. Makkelijk om te onthouden hè?’ Dan lopen ze terug naar het begin van de etage. Het jongetje herhaalt de namen die ze voor de tweede keer passeren: Lautrec, Scott Joplin, Buddy Holly, Bob Marley, Jim Morrison, Andy Warhol, Mahalia Jackson, Edith Piaf, Billie Holiday, Jimi Hendrix en  Strauss Junior. Als het jongetje de trappen omhoog rent, denkt Gerrit Smit: wat een leuk joch, en wat zonde van zo’n vader… Hij kijkt het jongetje achterna dat de trap is opgehuppeld. En voor de derde keer die dag slikt hij zijn emoties weg, want weer verschijnt de tweeling op zijn netvlies.

´Kom Lodewijk, we gaan een hapje eten.´ Terwijl hij met zijn mouw zijn natte ogen droogt schrikt hij van een lichtflits boven de arti.


76 Boulevard Antonius

Dmitri Sjostakovitsj had zijn geblokte colbertje uitgedaan en over zijn schouders gehangen. Hij had een sigaret in de brand. Het was warm, stikkend warm. Kleine Nokia, die naast de componist liep, had schijnbaar geen last van de hitte. Zij liep daar doodleuk met een zware accordeon op haar rug. Dmitri had schik in de kleine musicienne naast hem. Zo nu en dan keek hij de alsmaar kwebbelende vrouw van opzij aan. Ze had iets wat hem fascineerde, iets dat hij nog niet eerder bij een andere vrouw had ontdekt. Ze spraken nu over het beeld Johannes, de apostel die Jezus liefhad, een immens beeldhouwwerk van de kunstenares Camille Claudel, woonachtend op nummer 308 van de artiflat. Het beeld was nagenoeg klaar en stond reeds te pronken voor de Koninkrijkszaal op het Plein van de Hemelse Vrede. Net als Dmitri had Camille Claudel een opdracht gekregen om een kunstwerk te maken voor de aankomende Dag des Heren. Dmitri en Nokia hadden geruime tijd voor het beeld gestaan en de componist had zich verwonderd over de interesse die Nokia voor het kunstwerk toonde. Ze had verschillende malen rond het beeld gelopen en het van alle kanten bekeken. Ze had hem met enthousiaste handgebaren gewezen op facetten welke hem anders zeker waren ontgaan. Een wonderbaarlijke vrouw, die Nokia, dat zeker!

Nokia bracht hem naar de kunstenmakerskolonie de Trapeze, aan de andere kant, van Johannesburg, in het uiterste oosten. Een flink eind lopen, zeker drie kwartier van het Plein van de Hemelse Vrede. Maar ondanks de hitte had Sjostokowitsj het er voor over. Nokia had hem verteld over het wel en wee van de Trapeze. Het zou daar helemaal te gek vertoeven zijn. Ze had hem verteld over haar medebewoners, allen vrienden en vriendinnen die eveneens straatmuzikant waren, maar ook koorddansers, vuurspuwers, waarzegsters, kunstfluiters en dergelijke. De kleine Nokia had zijn nieuwsgierigheid geprikkeld. En daarom liep Dmitri Sjostakovitsj, die avond omstreeks kwart over zes met haar mee. Plannen voor deze avond had hij niet. Bovendien zou hij geen artibewoners tegen het lijf lopen die hem vervelende vragen zouden stellen over zijn ongelukkige optreden van gisteravond. Hij wist haast zeker dat de gehele flat inmiddels op de hoogte was van zijn dronkenmancapriolen. Want geroddeld werd er op de artiflat!

Zijn goede humeur op deze vroege avond was mede te danken aan de loftuitingen van de dirigent van het Johannes Philharmonic Orchestra over het eerste deel van zijn Welkomstsymfonie. Met veel enthousiasme hadden zij de verschillende partijen doorgezongen en natuurlijk hadden de goedkeurende knikjes en schouderklopjes hem goedgedaan. Deze avond nog, zou de partituur onder de kopieermachine liggen zodat de musici van het orkest snel over hun partijen zouden beschikken. In ieder geval zou de symfonie reeds morgenvroeg op de lessenaars staan.

De twee zielen liepen nu al geruime tijd in het midden van de brede Boulevard Antonius-oost richting de Trapeze. Links en rechts van de boulevard bevonden zich  imposante gebouwen met tussen de lange bomenrijen in Mariahuisjes ook wel bidhuisjes genoemd, en allerlei kiosken waar een broodje, een biertje of een rokertje gekocht kon worden. Uit luidsprekerpalen klonken koralen afgewisseld door gregoriaanse melodieën.

Ze passeerden nu een grasveld met aan de zoom een wit gebouw. De Wachttoren van Jehova’s Getuigen stond er op een bordje in het gras. Op het grasveldje voor het godshuis zaten clubjes burgerzielen. Zo te zien waren het piknikkers. Het weer leende zich uitstekend voor een etentje op het grasveld, al was het vanavond aan de warme kant. Wat heette warm, Dmitri Sjostakovitsj zweette over zijn gehele lichaam. Bovendien moest hij weer erg plassen.

‘Moeten wij niet even een gebedje doen en de Heer bedanken dat hij ons samen heeft gebracht, lieve Nokia,’ hijgde Sjostakovitsj. De componist hield halt voor het grasveld met het kerkgebouw op de achtergrond. ‘Dan zal ik naar een geschikte waterplaats zoeken, want ik houd het niet meer. Houd mijn jasje even vast en speel intussen wat op je accordeon. Vertier de mensen met je spel of eet een ijsje,’ riep hij nog, terwijl hij naar een kiosk wees en vervolgens over het grasveld richting de Wachttoren rende.

Op één van de groene bankjes die rond het grasveld stonden opgesteld legde Nokia het geblokte colbertjasje en het zwart lederen aktetasje van Sjostakovitsj neer. Ze nam plaats op het gras voor het bankje en haalde de accordeon van haar rug. Terwijl Dmitri tegen de zijgevel van het Jehova huis een plas deed bond Nokia haar accordeon voor. Weldra klonk het vrolijke lied Aan de Amsterdamse grachten. Verschillende piknikkers stonden enthousiast op, verlieten hun kleedjes en spoedden zich naar Nokia. In een mum van tijd werd er gedanst, gezongen en in de handen geklapt. Even leek het er op al zou zich op het grasveld voor het witte kerkje een feest worden gehouden. Toen Sjostakovitsj zich na de plas bij hen voegde opende hij zijn aktetasje en ging de kring rond om voor Nokia te collecteren.

Niet veel later liepen de twee weer over de Boulevard Antonius-oost. Over de accordeon op Nokia’s rug hing het colbertjasje van Sjostakovitsj. De componist vond het veel te warm om het jasje alsmaar in zijn handen te houden.

‘Zag je dat, kleine Nokia,’ vroeg Sjostakovitsj wijzend naar boven. Nokia keek hem vragend aan. ‘Zag je dat niet, het leek waarachtig dat het weerlichtte.’ Maar Nokia schudde van nee. Ze had niets gezien. Dus liet hij het maar zo. Hij zou het zich vast en zeker verbeeld hebben. Weerlichten deed het immers nooit in het hiernamaals. Hij stak een sigaret op, al wist hij bij voorbaat dat deze hem niet zou smaken. Na verloop van tijd, zeker een halfuur na de rustpauze op het grasveldje, torende recht voor de twee wandelaars een reuzenrad boven de bomen uit.

‘Daar moeten we zijn,’ riep Nokia wijzend naar de horizon. Ze versnelde haar pas. ‘Daar woon ik, dicht bij het rad,’ riep ze enthousiast.

‘Goed zo,’ zuchtte Sjostakovitsj. ‘Ik word zo langzamerhand erg moe.’ Het irriteerde hem ook dat de accordeon bij iedere pas van Nokia een piepend geluid maakte. Ze liepen door het laatste gedeelte van de boulevard, een parkje met daarin een kiosk waar ze bier verkochten. Biergarten stond er op een houten bordje voor het gebouwtje. ‘Ik heb dorst,’ liet Sjostakovitsj zijn metgezellin weten. ‘Ik heb trek in een biertje,’ vervolgde hij, terwijl hij nog een aantal knoopjes van zijn overhemd losmaakte.

‘In de kantine hebben ze bier genoeg,’ antwoordde Nokia.

‘Joepie,’ antwoordde Sjostakovitsj en hij maakte van vreugde een kleine luchtsprong.

 


77 De trapeze

Ze naderden de toegangspoort van de Trapeze, een statig gebouw met in het midden een poort met daarboven een klokkentoren met daarin een grote ronde klok met ouderwetse cijfers. Sjostakovitsj keek omhoog. Hij stond onder het reuzenrad.

‘We kunnen daarin als u dat wilt, zei Nokia, die zag dat hij belangstellend naar het draaiende gevaarte keek. ‘Het kost niks. Alles is hier trouwens gratis.’ Vanuit de poort kwam hen nu in volle vaart een jongeman op een eenwieler tegemoet.

‘Ha die Nook, nog wat verdiend vandaag?’ De man sprak tegen Nokia maar keek naar Sjostakovitsj. De fietser droeg een lichtblauw, ietwat glitterig trainingspak met donkere biezen op zijn broek en jasje. In beide oren had hij een zilveren knopje. Hij oogde vriendelijk. Hij stapte niet van zijn fietsje. Vol bewondering keek Sjostakovitsj hoe hij op zijn eenwieler bleef balanceren. Nokia telde haar centjes.

‘Ik mag niet klagen,’ antwoordde ze. ‘En hoe is het jou vergaan?’

‘Met rondjes rijden verdien je geen flikker,’ antwoordde de jongeman. Hij keek nog steeds naar Sjostakovitsj.

‘Ik heb Charlie nog gezien.’

‘Echt waar? Je bedoelt halfgare Charlie? Hoe is het met hem?’ Hij wendde zijn blik van Sjostakovitsj af. De kunstfietser stapte af en droeg het fietsje nu aan de hand.

‘Iedereen in de Trapeze krijgt de groeten.’

‘Jammer dat hij er niet meer is. God, wat hebben we wat met hem afgelachen.’

‘Deze meneer woont ook op de artiflat. Hij is een beroemd componist, zegt ie. Hij woont aan de andere kant van de stad in een mooie flat met wel tien verdiepingen.’

‘Negen verdiepingen’ verbeterde Sjostakovitsj de accordeoniste. De wielkunstenaar nam Sjotstakovits nu van top tot teen op.

‘Ik hou helemaal niet van klassieke muziek, antwoordde de acrobaat, die blijkbaar direct doorhad dat het om een klassieke componist ging. Hij hield zijn blik op Sjostakovitsj gericht. Deze wist zich even geen houding te geven. Zijn vingers frummelde aan het onderste knoopje van zijn overhemd. Hij geneerde zich voor zijn outfit en bezweette gezicht.

‘Poeh, ‘ zei Nokia. ‘Hij heeft voorlopig wel een symfonie voor onze Lieve Heer geschreven. Nu jij weer.’

‘Mij niet gezien’, antwoordde de fietser. Een beetje dom figuur concludeerde Sjostakovitsj. Hij hoopte maar dat de jongeman gauw zou opzouten. Alsof deze gedachten kon lezen hervatte hij het balanceren en reed een paar meter van hen weg. Sjostakovitsj veegde met de rug van zijn hand de ergste nattigheid van zijn voorhoofd. Nieuwsgierig keek hij nu door de toegangspoort van het kunstenmakerscentrum. Het had alles weg van een circusterrein of een grote kermis. Daar woonde Nokia dus, dit was haar domein. Even flitste de artiflat door zijn gedachten. Vergeleken met de gezelligheid hier vond hij de arti plotseling een treurig gebouw. Een imposant gebouw, dat wel. Maar dat had ook alles te maken met de bewoners. Op de arti woonden immers zielen van naam, waarvan sommigen zelfs van grote naam. Zielen die het op de aardkloot ver hadden geschopt. Hij keek naar kleine Nokia en naar de jongeman in het trainingspak. Deze zielen waren van een andere orde, maar wonderbaarlijk voelde de componist zich bij hen op zijn gemak, in ieder geval bij de kleine muzikante.

‘Komt u mee, dan drinken we een glaasje in de kantine. U zult wel moe zijn en dorst hebben. Het is vandaag loei warm,’ zei de jongeman plotseling vriendelijk. Deze zat inmiddels weer op zijn eenwieler. Sjostakovitsj knikte. Hij vond het een goed idee. Hij had wel zin in een biertje. Vanwege de drukkende hitte had hij zijn overhemd nu tot onderaan openstaan. Zijn geblokte colbertje hing nog steeds over de accordeon op Nokia’s rug. Zo met zijn rode hoofd, een sigaret in de mondhoek en zijn open overhemd had hij maar weinig weg van een voornaam componist.

‘Een goed idee,’ zei Nokia. ‘Ik sterf van de dorst.’ Na deze opmerking barstte ze alle drie in lachen uit. Het was een mopje dat veel in het hiernamaals gebruikt werd. Het drietal liep door de poort het terrein van de Trapeze op. Sjostakovitsj liep in het midden, kleine Nokia links van hem en rechts de jongeman die nu zijn fietsje in zijn rechterhand meedroeg. Aan het begin van het lange pad naar het hoofdgebouw, met links een enorm grasveld, stond langs de kant een oliebollenkraam. De beheerder, een man met ontbloot bovenlijf en in korte broek stond er een beetje verveeld bij. Hij stak zijn hand op en groette Nokia en de jongeman met het fietsje. Nieuwsgierig keek hij naar de man in het midden en gaf hem tenslotte ook een knikje.

‘Jonge, jonge, wat heb ik zin in een oliebol, maar niet heus,’ grapte Sjostakovitsj. Zijn twee metgezellen grinnikten. Het drietal begaf zich verder op weg naar het hoofdgebouw. In een tentje aan de linkerzijde van het pad zat achter een tafeltje een dikke vrouw. Dmitri hield even in zodat hij de mevrouw beter kon bekijken.

‘De vrouw met de drie borsten,’ fluisterde Nokia.

‘Mij niet gezien,’ zei de jongeman, ‘ik heb er liever twee.’ Sjostakovitsj haalde zijn schouders op en versnelde weer zijn pas. Hij had niets met vrouwen met drie borsten. Hij vond zoiets trouwens ook best een beetje eng. Hij hield niet van mismaakten. Hij moest bij hen altijd denken aan gruweldokters die voor Hitler werkten en experimenten op deze ongelukkigen uitvoerden. Godverdee, dacht hij bij zichzelf, waarom moest hij daar op deze mooie vreedzame vooravond nu juist aan denken. Gek, dat zulke misselijke gedachten altijd op de meest idiote momenten te voorschijn kwamen. Op het grote grasveld stond een achtbaan. Weliswaar geen grote, slechts uit drie lagen bestond hij, maar toch een heuse achtbaan. Aan de andere kant van het grasveld stond een oude tribune met op het dak het opschrift F.C. De Trapeze.

‘Ga daar maar niet in,’ zei de kunstfietser toen hij Sjostakovitsj belangstellend naar de achtbaan zag kijken. Het drietal hield even in. De componist stak een sigaret op. ‘Een jaar of wat terug is er een karretje uit de bocht gevlogen,’ vervolgde de jongeman. ‘De inzittenden zijn never nooit meer gevonden. Het is een groot raadsel, maar zelfs in het hiernamaals is dus zoiets mogelijk. Begrijp u het, begrijp ik het.’ Balorig gooide de jongeman zijn fietsje in de lucht. Sjostakovitsj schudde zijn hoofd en keek de spreker ongelovig aan, maar ging er verder niet op in. Daarna richtte hij zijn blik weer op de achtbaan. Hij vond het een krakkemikkig gevaarte. Voor geen geld zou hij een rondje maken. Karretjes stonden her en der werkeloos op de verschillende lagen. Aan de kassa hing een bordje met de tekst Gratis. Naast de kassa zat een treurig kijkend manspersoon op een inklapkrukje. Op zijn hoofd droeg hij een lichtblauw baseballpetje en met een stok prikte hij lusteloos in de grond.

‘Dat is de eigenaar,’ zei de fietser. ‘Hij is meestal slecht gehumeurd. Maar het gaat je ook niet in je kouwe kleren zitten als je attractie het niet meer doet,’ vervolgde hij. ‘’Een enkele keer zet hij de baan weer in werking en sjeest in z´n eentje enkele rondjes. Hij schreeuwt het dan uit van blijdschap.’ Op een bordje aan een paaltje in de grond, naast de eigenaar, stond te lezen Wegens verbouwing gesloten. Op een veel groter bord stond Te koop.

‘Wie koop er nu zo´n ding,’ zei kleine Nokia.

‘Ik zou het zo een twee-drie-niet weten,’ antwoordde Sjostakovitsj die weer aanstalten maakte om verder te gaan. ‘Ik zou niet weten wat ik er mee zou moeten doen,’ vervolgde hij. De componist doofde met zijn voetzool zijn sigaret, waarna het drietal zijn weg vervolgde. Of meneer een gokje wil wagen? vroeg een man met een tattoo in zijn nek zittende op een matje met drie bekertjes voor zich. ‘Nee, nee, nee, ik win toch nooit iets,’ wuifde Sjostakovitsj de vraag weg. ‘Een fijne dag verder.’

‘Goed zo,’ fluisterde Nokia hem toe. ‘Die gast is niet te vertrouwen.’

‘Dat had ik al direct door, lieve Nokia, laat dat maar aan mij over.’

‘Het is een regelrechte oplichter,’ zei de jongeman die weer op zijn zadel was geklommen. ‘Hij mag hier eigenlijk niet meer zitten, maar ja, wat doe je er aan, mevrouw de burgemeester is veel te tolerant voor zulk soort lieden. Ze pakken hem op en een paar uur later loopt hij weer vrolijk rond.’ Op het plein voor het hoofdgebouw was veel volk op de been. Er werd geapplaudisseerd en ah en oh geroepen. Zo te zien was daar van alles te doen.

‘Er wordt geoefend voor de Dag des Heren,’ legde Nokia uit. Dat is nog eens andere koek dan op de arti, dacht Sjostakovitsj. Hij keek zijn ogen uit naar jonge mensen die in balletpakjes en badkostuums hun kunsten aan het oefenen waren. Even vergat hij de hitte en zijn dorst. Hij had op dat moment alleen nog maar oog voor hoe er werd touwtje gesprongen, gehoelahoept, vuur gespuwd, op stelten gelopen, gejongleerd, en salto’s werden gemaakt…

In de kantine was het gelukkig koel. Sjostakovitsj zat op een plastic stoel aan een tafel met metalen onderstel. Op de tafel stond een asbak, een plastic bloemetje en een zilverkleurige servethouder. Het bier smaakte hem goed. Naast hem zat kleine Nokia. Haar accordeon stond op de vloer. Zijn geblokte colbertjasje hing over zijn stoel. De jongeman op de eenwieler was bij de andere acrobaten gebleven om nog wat te oefenen. Dmitri keek naar Nokia hoe zij gulzig aan haar rietje zoog. Als hij zo ongemerkt naar haar keek bekroop hem een warm gevoel. Nokia met haar piekerige haar, haar spleetoogjes en haar kleine gestalte. Ze droeg een blauwe windjack, dat ze ondanks de hitte de hele dag aan had gehouden. Verder droeg ze een lange zwarte pantalon en rood-witte gymschoenen. Het zou een jongen kunnen zijn, maar toch. Ze had iets dat hem aantrok, maar hij kon niet bedenken wat dat zou zijn. Waren het haar kleine handen, haar donkere smalle ogen, haar kinderlijke lach, het grappige spleetje tussen haar tanden of misschien haar kleine kontje? Eigenlijk straalde ze niets seksueels uit. Borsten had hij zo één-twee-drie niet kunnen ontdekken, deze zaten verborgen onder haar jack, maar ze zouden klein zijn, dat zeker. Even flitste juffrouw Monroe door zijn gedachten. Zij was een vrouw die hem direct in alle staten kon krijgen en waar hij zich ten alle tijden aan kon verlustigen. Wat had zij er gister lekker uitgezien in haar plooirokje en blote benen. Godverdee, wat een wijf! Maar kleine Nokia, hij wist het niet. Doch vandaag was zij zijn muze en hoe het morgen zou zijn dat zou hij dan nog wel zien.

Sjors stak een sigaret op, ledigde zijn glas en keek de kantine in het rond. Zij waren de enige aanwezigen. Aan gezelligheid deden ze hier blijkbaar niet. Tl- lampen brandden, terwijl het buiten nog helder licht was. Het geheel had veel weg van een ziekenzaal, zo clean was alles. Er was geen bar zoals in de Nadorst. Wel een breed loket, een aanrecht, dat in verbinding stond met een grote keuken. Verder keurig in het gareel rijen tafels met groene plastic stoelen. Uit de keuken klonk gospelmuziek. Een roodharige vrouw met een diep decolleté leunde met haar ellebogen op haar werkblad. Ze rookte een sigaret en af en toe sloeg ze een bladzijde van een tijdschrift om. Dmitri wenkte de ober, die hij door Nokia Bertus had horen noemen. Het was een dwerg. Hij reikte net met zijn hoofd boven de tafel.

‘Beste Bertus, breng mij nog eens een biertje, wil je. En schenk mevrouw Nokia ook nog iets in. En neem zelf ook een consumptie van mij.’ Hij zag hoe de vrouw boven haar werkblad nieuwsgierig de kant van hun tafeltje uitkeek. ´Misschien belieft je bazin ook iets van ons te drinken,´ riep hij Bertus achterna. Dmitri gaf de vrouw een vriendelijk knikje. Ze reageerde niet. Ze nam een trek van haar sigaret en sloeg weer een bladzijde van haar tijdschrift om. Hijzelf nam een servet uit de houder en droogde voor de zoveelste keer zijn gezicht.

´Komt er aan,´ piepte Bertus.


78 Meneer Ludwig

´Ik heb liever niet dat je te veel met Smit de huismeester omgaat,´ zei Wolf von Goethe van 902 die avond tegen zijn zoon. ´En ook niet met figuren van de onderste etages, ik bedoel die randfiguren over wie je het zo even had, over die Chet Baker bijvoorbeeld,´ voegde hij er aan toe. ´Dat is niet goed voor je ontwikkeling. Ik heb hier een naam hoog te houden, weet je. Je kunt beter in de buurt blijven van de achtste en negende. Daar wonen zielen van niveau en daar zou je het net zo goed mee kunnen vinden. Of ga anders een flink eind wandelen in de velden achter de Arti. Wandelen verruimt je geest. Je vader maakt regelmatig wandelingen en kijk eens hoe goed ik er nog uitzie.´ Het jongetje keek naar de oude man en hoorde gedwee zijn preek aan. Hij vond zijn vader er helemaal niet goed uitzien.

Zij hadden zojuist thee gedronken met daarbij heerlijke chocolaatjes. Het jongetje zat weer diep weggedoken in de grote grijze stoffen fauteuil. Vader zat tegenover hem. Hij rookte een sigaret. Heel in de verte, ergens onder in de flat hoorde hij het hondje Lodewijk blaffen. De grote klok in de huiskamer wees vijf voor zeven. Hij had om zeven uur in de hal van de zevende etage met de huismeester afgesproken. En wat zijn vader hem ook probeerde uit te leggen, hij was vast besloten om er naar toe te gaan. Beloofd is beloofd!

Het jongetje was blij dat hij zo direct de muffe huiskamer kon verlaten. Hij vond het hier op nummer 902 niet prettig. Het rook er naar oude spullen. En hij moest ook erg aan zijn vader wennen. Net toen hij bedacht dat hij zijn vriendjes Lucas, Boris en Tomek en de andere zieltjes van Gebouw 8 toch wel erg miste, sloeg de grote klok zeven. Het jongetje veerde op en rende de kamer uit.

´Ik ga een eindje wandelen,´ riep hij en weg was hij.

´Je weet wat ik je gezegd heb,´ riep zijn vader hem na. Maar het jongetje verstond hem niet meer, hij stond al op de galerij. Wolf von Goethe had flink de pest in dat ze zijn zoon bij hem afgeleverd hadden. Sodeju, wat moest zo’n kind hier. Kinderen hoorden thuis bij hun leeftijdsgenootjes, in Voorstad Sint-Jacoba bijvoorbeeld. De Heer had daar niet voor niets een Kinderparadijs opgericht! Maar hij kon zijn zoon ook niet zomaar wegsturen. Hij was tenslotte door de moeder der moeders hier gebracht. Bovendien waren verschillende artibewoners op de hoogte van de aanwezigheid van de kleine jongen in het witte overallpakje.

In het trappenhuis kwam het geblaf van Lodewijk het jongetje tegemoet. Meneer Smit was er dus al. Hij rende de trappen af naar de zevende etage. Wat ging het hondje te keer! Het leek waarachtig wel of het beestje overstuur was. Hevig kwispelend stond Lodewijk hem in de hal op te wachten. Het jongetje keek om zich heen. Waar was de huismeester? Lodewijk had zijn riem in zijn bek en een briefje onder zijn halsband.

´Waar is je baasje?´ vroeg het jongetje. Lodewijk ging voor hem liggen, plat op zijn buik. ´Waar is je baasje,´ vroeg hij weer. Hij knielde voor het hondje neer en las het briefje: Lief jongetje, ik moet helpen in café de Nadorst, het is daar erg druk. Ze hebben mijn hulp daar nodig. Wil jij een veldje om met Lodewijk? Groet, Gerrit Smit. Het jongetje dacht na. Kom, zei hij toen tegen Lodewijk, we gaan de zevende etage bekijken. Hij nam het hondje bij de riem en opende de deur naar de galerij.

Dmitri S j o s t… Wat een moeilijke naam, dat kan ik niet uitspreken, mompelde het jongetje toen hij voor het eerste appartement op nummer 701 stond. Dat zal wel een heel belangrijke meneer zijn met zo’n naam. Op 702 woonde ene Gustav Mahler. Jammer dat de huismeester er niet was, die zou verhaaltjes over hen kunnen vertellen. Hij passeerde de flat van Frederik Händel. De namen zeiden hem allemaal niets. Lodewijk snuffelde aan de deur van 703. Hij stond op het punt om de deur te benatten.

´Kom, Lodewijk we gaan zo fijn naar buiten. Vader zei dat het achter de flat goed wandelen was. En volgens mij kun je daar heel goed plassen.´ Zonder verder interesse te tonen liepen ze nog langs de nummers 704 van Van Gogh en 705 van Guus Verdi. Daar aangekomen maakte het jongetje rechtsomkeer en holde met achter hem een luid blaffende Lodewijk terug naar de hal.

Al zeker een half uur liep het jongetje door de velden achter de artiflat. Lodewijk het hondje van de huismeester sjokte achter hem aan. Het jongetje voelde zich groots dat hij het baasje van Lodewijk mocht zijn en dat meneer Smit hem het hondje had toevertrouwd. Het was warm, hartstikke warm. Lodewijk hijgde er van, zijn rode tong hing als een lap uit zijn bek. Het jongetje durfde hem niet van de riem te doen, stel je voor dat hij weg zou lopen. Als ze nu maar ergens een plas water tegen zouden komen, want het arme beestje stikte van de dorst. Het pad waarover zij liepen slingerde zich door bossages, heide en bloemenvelden. Zo ver je kon kijken was daar groen, bomen en bloemenpracht. Vader had gelijk, het was hier mooi, heel mooi. Het was hier net het paradijs. Plotseling moest hij denken aan de aardige meneer Chet Baker van de eerste etage. Hij had medelijden met hem omdat hij geen echte trompet had. Waarom praatte vader en meneer Smit zo boos over hem. Wat was er verkeerd aan deze man? Hij deed toch niemand kwaad? Nou ja, hij blies rare tonen op zijn bloemengieter en schoot sigarettenpeukjes naar beneden. Maar daarom mocht je toch wel met hem praten?

Het begon al aardig te schemeren. Ze waren al de tijd nog niemand tegen gekomen. Als je achterom keek zag je de artiflat allang niet meer. Hopelijk zou hij niet verdwalen. Gelukkig was Lodewijk bij hem. Honden hadden een goede neus, die zou hem zeker weer naar de arti terugbrengen. Bang hoefde hij dus niet te zijn. Daar op de hoek, het heuveltje op, bij de hoge boom, zouden ze de bocht terugnemen. Het zou anders te laat worden. Vader zou ongerust worden en misschien wel boos.

´Wat denk je Lodewijk, moeten we hier rechtsaf of linksom?´ Het beestje keek met een scheef kopje omhoog zijn baasje aan. ´Nou? Jij bent een hond, jij hebt een speurneus. Laten we even onder die boom gaan zitten en uitrusten. Ik ben moe. En misschien is het daar ook iets koeler.´ Even later lagen de twee zij aan zij onder de boom. Het jongetje had zijn ogen gesloten, maar slapen durfde hij niet. Lodewijk sliep, hij trok gekke bekken en maakte piepende geluidjes.

Toen het jongetje zijn ogen weer opende stond er met de armen over elkaar geslagen een somber kijkende meneer in een lange jas. De meneer zei niets. Hij keek alleen naar de twee onder de boom. Het jongetje sprong op en Lodewijk begon hem uit te blaffen. Maar zij wisten allebei dat de meneer hen geen kwaad zou doen. Het jongetje vond het wel vreemd dat de meneer met dit warme weer zo’n lange jas droeg. ´Wij zijn de weg kwijt,´ zei het jongetje aarzelend. De meneer antwoordde niet. Hij bleef hen strak aankijken. ´Wij zoeken de artiflat,´ vervolgde het jongetje, ´want daar woont mijn vader.´ Eindelijk kwam er beweging in de somber kijkende man. Hij krabde zich achter de oren. Het jongetje liep naar hem toe en gaf hem een hand. ´Ik ben de zoon van Wolf von Goethe,´ zei hij toen. Nu hij zo dicht bij hem stond zag hij de pukkels en kuiltjes in de meneer zijn gezicht. Hij vond het maar een treurige man.

´Ludwig,´ zei de man. ´Mijn achternaam doet er niet toe, noem mij gewoonweg Ludwig. De meesten op de arti noemen mij ook zo.´

´Woont u dan ook op de artiflat,´ vroeg het jongetje verheugd.

´Ik woon naast je vader,´ bromde de man.

´Kut zeg, dat is ook toevallig.´ Ze zwegen en keken verschrikt op toen zij aan de horizon een vreemd licht zagen.

´Zag u dat ook?´ vroeg het jongetje.

´Het weerlicht de gehele middag al,´ antwoordde Ludwig. ´Er hangt iets in de lucht. Ik heb zojuist boven het pijnbomenbos een aantal felle lichtflitsen waargenomen. En het rommelt daar ook behoorlijk.’ Hij knikte naar de horizon. Lodewijk snuffelde aan de schoenen van meneer Ludwig. Het jongetje trok Lodewijk naar zich toe. ´Jouw vader is een groot man,´ zuchtte Ludwig.

´Nogal wiedes,´ zei het jongetje. ´Hij woont niet voor niets zo hoog.´ Meneer Ludwig knikte. Hij keek hoe Lodewijk een plasje deed tegen de boom. ´Ik vind mijn vader erg oud en ook heel streng.´

´Je mag blij wezen met een vader zoals de jouwe, jongeman. Toen ik zo oud was als jij, kreeg ik vaak slaag en schold mijn vader mij uit.´ Meneer Ludwig keek nu nog treuriger dan zonet. Het jongetje vond het erg zielig voor hem en plotseling hield hij van zijn vader. Hij wilde daarom ook direct terug naar de artiflat.

´Ik wil naar huis, zei het jongetje, ik wil naar mijn vader.´


79 Bruckner en zijn lief

ANTON BRUCKNER  JUFFROUW ANNETTE

Doctor Anton Bruckner stond voor het raam van zijn appartement op nummer 601. Hij tuurde naar buiten, maar eigenlijk staarde hij in het niets. Hij was in een sombere stemming. De vrouw waarmee hij vanmiddag had afgesproken was niet op komen dagen. Bruckner prakkiseerde zich suf wat de reden hiervan geweest zou kunnen zijn. Ze had hem toch beloofd mee te zullen gaan naar de opening van de Mariafeesten. Er zouden artibewoners optreden, musici van groot formaat, zoals Bastiaan Bach van 901, Franz Schubert van 804 en Maria Callas van 302. En ook zou het koortje de Dames van de Derde optreden. De kleine kale musicus begreep er niets van. Was zij het vergeten? Hij kon dit nauwelijks geloven. Zij was toch enthousiast op zijn uitnodiging ingegaan. Of was het toneelspel geweest en had ze hem verloochend?

Als een kleine jongen had hij vanmiddag een tijd voor de wasserette gestaan. Daar zou ze op hem wachten, daar hadden ze om één uur afgesproken. Zij had zich echter niet laten zien. Hij had ook nog even door de raampjes van haar woninkje gegluurd. Nou ja woning, het was meer een hokje. Eigenlijk een schande om zielen zo te huisvesten, had hij nog gedacht, of liever gezegd, op te sluiten. Je zou daar eigenlijk Woning en Toezicht op af moeten sturen, of de burgemeester mevrouw moeder Teresa hiervan op de hoogte stellen. Want zo ga je toch niet met je medeburgers om. Wat zou hij haar graag fatsoenlijke woonruimte willen aanbieden. Wat hem betrof zou ze bij hem mogen intrekken. Liever vandaag nog dan morgen. Ruimte genoeg op nummer 601. Er zou dan bovendien een lang gekoesterde wens in vervulling gaan, een vrouw om hem heen. Een vrouw om een kopje thee in te schenken, een vrouw om zijn pantalons in de vouw te strijken, een vrouw die de kamers proper zou houden, een vrouw die hem zo nu en dan lichamelijk kon plezieren. Hij had ook nog op haar deur geklopt, maar alles tevergeefs. Ze was er eenvoudig niet. Op het laatst had hij zich nog flink moeten haasten om op tijd in Mozestown te komen.

Zou zij niet gekomen zijn vanwege zijn gedrag van gisteravond toen hij het koffertje met meisjeskleding tevoorschijn had gehaald? Had hij het daarom bij haar verbruid? Wonderwel kon hij niet boos op haar zijn, daarvoor had hij haar te lief. Vaak zag hij haar nog in gedachten tijdens het raamlappen op het trapje staan. O god, die heerlijke blote benen… Ook zag hij haar nog op het terras van Wigbert haar sorbet oplepelen. Hij had tegenover haar gezeten, van haar genoten, zijn koffie onaangeroerd gelaten. Hij had haar die middag verslonden. Dikwijls dacht hij nog terug aan het dagje uit met de zesde etage. Hoe lief was zij wel niet voor hem geweest. Nu nog voelde hij de warmte van haar lichaam toen zij dicht tegen elkaar in het donkerte van de rups hadden gezeten… Doctor Anton Bruckner liet zich op zijn knieën vallen.

‘Goede God,’ bad hij, ‘breng mij en de lieve juffrouw alstublieft bijeen. Ik zal goed en liefdevol op haar passen. Amen.’ Met de rug van zijn hand droogde hij zijn tranen. Tien minuten voor acht. Hij had zin in een borrel. Normaal zou hij het niet in zijn hoofd halen om op dit vroege tijdstip de fles op tafel te zetten. Maar hij verkeerde in een rare stemming. Hij moest het gedoe van vanmiddag verwerken. Veel te gulzig had hij in een mum van tijd twee glaasjes achterover geslagen.

Het schemerde reeds. Hij meende het te zien weerlichten. Maar ach, hij was wat in de war en misschien kwam het door de vroege borrel. Of zou de Heer hem met het weerlicht een teken hebben gegeven naar aanleiding van zijn gebedje van zo net en zou Hij de juffrouw alsnog naar hem toesturen? Anton sloot de ogen en vouwde zijn handen. ‘Alstublieft, laat het waar zijn,’ prevelde hij. ‘Laat zij vanmiddag voor mijn aangezicht verschijnen.‘ Starend uit het raam hield hij al geruime tijd twee personen in het vizier. Zij kwamen uit het veld. Het was een volwassen persoon en een kind. Ook struinde er een hondje in hun nabijheid. Het leek verdraaid wel het hondje van meneer de huismeester. En die volwassen persoon, dat figuur in die lange jas, was dat Beethoven niet? En dat kind, wat deed dat kind bij hem? Maar wacht eens even, was dat niet die jongen die vanmiddag het concert in de Onze-Lieve-Vrouwekerk had verstoord? Was dat niet het knaapje dat luidkeels aan het schreeuwen was geweest. Bruckner schudde zijn hoofd. Als hij daar nog aan terugdacht. Wat had hij zich geërgerd aan dat joch. De jeugd van tegenwoordig kende weinig fatsoen, zelfs in de kerk wisten zij zich niet te gedragen. Hij begreep zo één-twee-drie niet wat die twee met elkaar te maken hadden.

Anton Bruckner schonk zich een derde borrel in. Terwijl hij terugdacht aan het concert begaf hij zich naar zijn slaapvertrek, ontdeed zich van zijn grijze kostuum en stak zich in een lichte pantalon en fris blauw poloshirt. Niet onaardig, mompelde hij terwijl hij zich in de spiegel bekeek. Hij zou alleen wat meer haar op zijn hoofd willen hebben. Maar ja, God heeft gegeven, God heeft genomen, zuchtte hij. Ondanks het gemis van de juffrouw had hij van het concert genoten. Bach was tijdens zijn improvisaties enorm op dreef geweest en Schubert had zich ook van zijn beste kant laten horen. Hij aanbad Bach. Hij was de meester der meesters. Nog niet zo lang geleden had hij met hem in de lift gestaan. Hij herinnerde zich dat hij geen woord had durven uitbrengen, terwijl Bach toch zeer vriendelijk over het mooie weer had gesproken. Achteraf had hij zich wel voor zijn hoofd kunnen slaan. Dit was een mooie gelegenheid geweest om de meester eens bij hem op de thee uit te nodigen en als organisten onder elkaar een goed gesprek te hebben. Wie weet was er wel een mooie vriendschap uit ontstaan. Maar nee, doctor Anton Bruckner moest weer zo nodig de verlegen jongen uithangen.

Om acht uur hoorde Anton het geluid van haastige klikklak voetstappen in de hal tot aan zijn voordeur. Juffrouw Annette, schrok hij. ‘Ere zij god in den hoge,’ riep hij en van opwinding liet hij een wind en morste zijn borrel over zijn lichte pantalon.

‘Goddomme, goddomme,’ mopperde hij terwijl hij naar de voordeur rende, de ergste nattigheid van zijn broek afveegde en ter verontschuldiging een kruisje sloeg. Een ogenblik later stond zij bij hem in de voordeur. ‘Daar bent u dan toch,’ verwelkomde hij haar. ‘Wat een geschenk. Mijn gebed is verhoord. Ik vergeef u alles. U zult een reden gehad hebben om vanmiddag niet te komen. Het concert was mooi, ik zal u er over vertellen, als u dat wilt. Komt u verder.’

‘Dag meneer Bruckner,’ zei juffrouw Annette. Ze schonk hem een stralende lach.

‘Mijn hemel, wat ziet u er mooi uit.’ Bruckner sloeg zijn handen ineen en bekeek zijn gast van top tot teen. Hij had juffrouw Annette niet eerder zo aantrekkelijk aangetroffen. Hij wist het zeker, hij hield nu dubbel zo veel van haar. Ze droeg een zomerjurkje met rode bolletjes. Het jurkje werd met twee dunne schouderbandjes met een strikje om haar nek bij elkaar gehouden. ‘Werkelijk goddelijk,’ zuchtte Bruckner.

‘Allemaal voor u,’ antwoordde juffrouw Annette en met de handen in de zij, gelijk een ballerina, knikte ze lichtjes door de knieën.

‘Ik zal u rijkelijk belonen,’ steunde Bruckner.

‘Zo is dat,’ lispelde ze onhoorbaar voor Bruckner. En ze dacht aan een transistorradiootje, een fotocamera en een horloge. Bij het betreden van de grote huiskamer sloeg haar net als gisteren de muffigheid weer om de keel. Ze hield haar adem in om niet te stikken. Het rook er naar sigarenrook, oude boeken, schilderijen en dikke tapijten. Haar ogen moesten wennen aan de duisternis. Verschillende Jezussen keken haar mistroostig aan evenals de somber kijkende man met baret. Wie was hij ook al weer? Ze was het vergeten.

‘Werkelijk goddelijk,’ herhaalde de musicus zichzelf.

‘Kom,’ zei juffrouw Annette, ‘u heeft gemorst zie ik. Ik zal eerst uw broek even schoonmaken.’ En ze trok hem mee naar zijn slaapvertrek…


80 Liefdeslied van Otis

OTIS REDDING  MARLENE DIETRICH  ANNETTE  ANTON BRUCKNER

Met een wilde klap was de deur van 107 achter hem dichtgesmeten. Voor een moment had hij daar als een geslagen hond op de balustrade gestaan. Een beetje wezenloos stond hij nog naar haar voordeur te staren. Ze zou daar zeker nog in het halletje staan. Ze zou teleurgesteld zijn, misschien wel verdrietig, in ieder geval kwaad. Had hij er wel goed aangedaan om haar zo af te stoten? Had hij niet een beetje meer dankbaarheid kunnen tonen? Hij had direct al spijt van zijn harteloze optreden. Waarom zo bot gereageerd? Die vrouw was toch hartstikke goed voor hem geweest. Had zij niet gezorgd voor die onvergetelijke avond in de Koninkrijkzaal? Hoeveel moeite had zij niet gedaan om het concert rond zijn gitaar te organiseren?

Toen ze hem met overslaande stem de deur had gewezen leek het alsof ze huilde van woede. Hij was zich rot geschrokken. Hij hoorde haar nog roepen: Het spijt me lieve jongen, pak je gitaar en sodemieter op! Daarna was ze in huilen uitgebarsten. Otis hield niet van huilende vrouwen. Als kind had hij het altijd vreselijk gevonden om zijn moeder te horen huilen. En als ze hysterisch krijste dan kroop hij in een hoekje, deed zijn vingers in de oren en zong dan heel hard onzinliedjes. Zacht snikkende vrouwen, dat vond hij wel liefelijk, of starende vrouwen met betraande ogen. Achteraf had hij best wat aardiger kunnen zijn en haar misschien even haar gang laten gaan. Wat schuilt er voor kwaad in om iemand een knuffel te geven? Hij had het echter niet op kunnen brengen. Uiteindelijk had hij zijn gitaar weer over zijn schouder gelegd en was naar zijn hoekhuisje op 111 geslenterd.

Die nacht kon hij de slaap slecht vatten. Telkens weer was hij opgestaan. Hij moest het haar vertellen. Hij moest de juffrouw vertellen hoe vol hij wel niet van haar zat. Maar hoe zou hij dit aanpakken? Hij was onervaren in dit soort zaken. In wezen was hij niet zo’n prater. Hij was meer een zanger of dromer. Misschien zou hij een lied voor haar moeten componeren en zo zijn liefde overbrengen. Dat was misschien een idee. Met gemak zou hij tien songs over haar kunnen schrijven. Songs over zijn liefde voor haar. Hij zou een lied kunnen maken over haar mooie lach, haar wipneusje en haar kleine roze lippen, haar roodachtige haren en haar ietwat loensende ogen. Morgenvroeg zou hij haar in de wasserette opzoeken en haar uitnodigen om ’s middags bij hem op nummer 111 thee te komen drinken. Ja, dat zou hij doen. En zo geschiedde het dat Otis die nacht oefende hoe hij zijn liefdesverklaring het beste kon overbrengen. Zijn gitaar had hij rechtop in een stoel gezet met daaroverheen zijn trainingsjack. Dat was juffrouw Annette. Aan haar zou hij vertellen hoe lief hij haar wel had, zeker weten!

Juffrouw Annette zat die middag gehurkt op het stoepje voor haar huisje. Met een aardappelschilmesje schraapte ze grasjes weg tussen de tegels. Ze neuriede een liedje. Ze had goede zin. Het beloofde een mooie dag te worden. Het weer werkte in ieder geval mee, al was het vandaag iets aan de warme kant. Ze dacht aan meneer Bruckner van 601 die haar zo direct zou komen ophalen. Ze had zogezegd een date. Ze zou met hem meegaan naar Mozestown, naar de opening van de Mariafeesten. Het bordje gesloten hing reeds aan de deur van de wasserette. Heerlijk een dagje vrij. Ze had een opgewonden gevoel. Ze zou zich straks mengen tussen het volk van intellectuelen en kunstkenners. Zij zou de metgezellin zijn van een belangrijk man. Doctor Anton Bruckner stond hoog aangeschreven op de artiflat. Al had hij zich gisteravond nogal vreemd gedragen, maar daar dacht ze liever niet meer aan. Ondanks het mooie en warme weer had ze haar witte linnen pantalon aangetrokken. Het liefst zou ze een zomerjurkje gedragen hebben, maar met een man als Bruckner naast zich, leek haar dit geen goede keus. Zou ze straks gearmd met hem moeten lopen, schrok ze plotseling, of hand in hand? Koppels lopen toch gewoonlijk gearmd. Van de zenuwen moest ze lachen. Ze kreeg nu al de bibbers. Stel je voor, zij met Bruckner arm in arm…

Even net doen alsof je hem niet ziet, dacht ze bij zichzelf toen ze Otis Redding aan zag komen slenteren. Hij kwam haar kant uit. Ze zag dat hij geen gitaar of zakje wasgoed bij hem had. Hij wist dus dat de wasserette vandaag gesloten was. Ze kreeg altijd een apart gevoel bij deze man. Ze mocht hem graag. Vrijwel iedere dag kwam hij wel even buurten. Soms, gezeten op een wasautomaat zong hij een lied voor haar en speelde op zijn gitaar. Mooie momenten waren dat. Ze droomde wel eens over stoute dingen met deze donkere muzikant. Hij oogde ook nog zo lekker jong. Ze had zich dikwijls afgevraagd hoe oud hij zou zijn. Zeker nog geen dertig, had ze gedacht. Juffrouw Annette stond op van haar klusje en veegde het zweet van haar voorhoofd. Deze temperatuur had ze in het hiernamaals niet eerder meegemaakt. Ze nam plaats op het krukje voor haar huisje en wachtte af. Ze hoorde het bekende geklepper van zijn slippers naderbij komen.

´Dag juffrouw Annette,´ groette Otis toen hij voor haar stond. ´Het is mooi weer, vindt u niet?´ Wat officieel, dacht juffrouw Annette. Waarom niet een verwelkoming als: Ha die Annette, wat zie je er vandaag weer fantastisch uit…

´Mooi, maar erg warm,´ antwoordde juffrouw Annette. In een flits gleed haar blik over zijn zwarte gespierde benen en zijn sportbroekje. Alles oogde lekker aan hem. Ze zwegen. In de verte, bij de ingang van de flat klonk een accordeon. Beiden keken de richting uit van de muziek.

´Misschien wilt u met mij een blokje om lopen,´ hakkelde Otis. Hij schrok van z’n eigen stem. Dat had hij helemaal niet voorbereid zo. Dit zinnetje stond niet op het programma. De halve nacht had hij voor de stoel gestaan met zijn gitaar gehuld in zijn trainingsjack. De prachtigste zinnen had hij voorbereid: Lieve jufrouw Annette ik wilde u vragen of u met mij wilt verkeren… u bent de mooiste vrouw van de zevende hemel… u bent steeds in mijn gedachte, met u wil ik de eeuwigheid door… Maar in plaats daarvan zei de sukkel: Misschien wilt u met mij een blokje om lopen…

´De wasserette is dicht,´ antwoordde juffrouw Annette. ´We kunnen inderdaad een blokje om.´

´Het is vandaag een feestdag,´ zei Otis opgelucht. En hij dacht Yes!

´De Mariafeesten,´ vulde juffrouw Annette aan. ´Iedereen heeft het er over.´ Ze had plotseling spijt van de afspraak met Bruckner. Wat moest ze met deze kleine kale oude man. Ze zou de hele dag met hem door moeten brengen. En dan ook nog allemaal die klassieke muziek. Ze hield helemaal niet van gejengel op kerkorgels. Ze huiverde. ´Kom, we gaan,´ zei ze vastbesloten en voor ze het wist had ze zijn hand vast.


81 Een stralende lach

Om half tien die avond verscheen een stralende Vincent van Gogh van nummer 704 met zijn vriendin Zusje Andrew van 309 in de deuropening van café de Nadorst. Het was er op dat moment erg druk. Vincent lichtte zijn vilten hoed en wenste de aanwezigen overdreven luid een goedenavond. Maar of iemand hem hoorde was maar de vraag. Met Zusje aan zijn zijde liep hij breed lachend langs de bruine tafeltjes. Joviaal schudde hij de handen van zijn buurtjes Frederik Händel van 703, Gustav Mahler van 702 en Guus Verdi van 705. De schilder was in een opperbeste stemming. Zoals een kind een nieuw stukje speelgoed laat zien, ontblootte Vincent zijn spiksplinter nieuwe tanden. Ja, een ieder mocht getuige zijn van zijn parelwitte gebit. Na het begroeten van zijn buurtjes van de zevende liep het stel naar de bar en schoof aan bij Lautrec, de kunstschilder van 210. Jammer voor Vincent, maar zijn vriend vertoefde reeds in andere sferen. Voor hem stond een kopje onaangeroerde koffie en een half glaasje absint. Zusje wees met een veelbetekenend knikje naar Lautrec. Ja ja, hij had het gezien, hij was total loss.

´Dag mevrouw, dag meneer,´ groette Wigbert het koppel. Het zweet stond de barkeeper op het voorhoofd.

´Wat is hier aan de hand?´ wilde Vincent weten. Hij keek het volle café in het rond. Niet eerder had hij het zo druk gezien. Zijn ogen zochten tevergeefs naar zijn kroegmaat Sjors. Tussen het volk door volgde hij de verrichtingen van Nannie en Fannie die drukdoende waren met volle en lege dienbladen. Vreemd, want normaliter zag je deze twee vrouwen niet in de Nadorst, evenals zijn lieve vriendin naast hem, die normaal ook geen bezoekster van het café was.

´Als u het weet, mag u het zeggen,´ antwoordde de barkeeper terwijl hij een dienblad vol leeggoed van Fannie aannam. Voor een ogenblik keek Wig zijn nieuwe klant onderzoekend aan, toen zei hij: ´Volgens mij bent u geknipt en geschoren.´ Hij gaf hierbij Zusje een knipoog. Vincent grijnsde zijn nieuwe tanden bloot. Collega en vriend Lautrec naast hem murmelde onverstaanbaarheden.

´Je koffie wordt koud,´ riep Vincent hem toe. Lautrec keek langzaam zijn kant op. Vincent schrok van zijn lodderige ogen. ´Wordt het geen tijd om naar huis te gaan en je bedje op te zoeken,´ zei Vincent.

´Ik heb het hem ook al aangeraden,´ zei Eirk Satie van 106 die op de kruk naast Lautrec zat. ´Die man moet echt naar huis. Hij is zo lam als een kanon. Ik begrijp niet dat de barkeeper hier niets van zegt,´ riep de pianist overdreven luid zodat Wig het kon horen. Doch deze haalde zijn schouders op.

´Ik heb wel wat anders te doen dan idiote absintdrinkers in het gareel te houden,´ mompelde hij onhoorbaar voor de sprekers. Naast Vincent, twee krukken rechts, zat de nieuwe bewoner. De man met het piepkleine sikje en de snor leek niet al te vrolijk. Vincent keek hem vriendelijk aan en gaf hem een knipoog.

´En, bevalt het u een beetje in de hemel, meneer Zappa,´ vroeg hij toen. Hij schrok van zijn eigen vraag. Zusje blijkbaar ook, want zij kneep hem gemeen in zijn bovenarm. Frank Zappa glimlachte.

´Tot nu toe mag ik niet klagen,´ zei hij toen. Nogal wiedes dacht Vincent van Gogh, met juffrouw Monroe als vriendinnetje zou niemand klagen. Goddomme, wat een stoot. Gij zult niet begeren de vrouw van een ander, herinnerde hij zich een spreuk uit de Bijbel. Hij keek opzij naar Zusje. Zij moest eens weten dat hij zich gister bij het pianokamertje aan Marie Monroe had afgetrokken. In gedachten zag hij haar nog op haar hurken zitten. Oh, die goddelijke inkijk. Niet aan denken, corrigeerde hij zichzelf, je zit hier naast je vriendin.

´Het lijkt hier wel oorlog,´ riep Vincent naar Wig.

´Er hangt iets in de lucht, ´ riep Wig zijn trouwe klant toe terwijl hij druk bezig was glazen bier te tappen.

´Is Sjors er niet?´ vroeg Vincent.

´Niet gezien vandaag.´

´Die ligt met een kater op bed,´ lachte Vincent en hij vervolgde: ´Als u tijd hebt, breng ons dan wat lekkers.´ Wig keek de schilder vragend aan. ´Doet u maar een rode wijn en een limonade.´ Vervolgens nam hij zijn tabaksspullen voor zich en begon een pijp te stoppen. Zusje legde haar hand op zijn knie. Ik ben trots op je Vincent, had ze zojuist in de lift tegen hem gezegd. Je bent mijn mooie jongen. Ze had hem een kus op zijn nieuwe mond gegeven. Heel zachtjes had ze toen het liedje Bei mir bist du schön gezongen. Vincent had dit erg lief van haar gevonden. Zusje had niets met cafés. Sterker nog, ze haatte dit soort openbare gelegenheden. Ze voelde zich hier aan de bar van de Nadorst allerminst op haar gemak. Grote moeite had ze met het feit dat haar vriend regelmatig het café bezocht. Doch nu zat ze hier om Vincent te plezieren. Hij had het verdiend, vond ze, nadat hij haar zo verrast had met zijn opknapbeurt. Stapel was ze op hem.

Nog vaak dacht Zusje terug aan hun eerste ontmoeting in het veld, onder de grote plataan op de heuvel. Aan die zonnige middag, het begin van een prachtige relatie. Ze dacht terug hoe ze was geschrokken van een zogenaamd slapende Vincent van Gogh die haar de stuipen op het lijf had gejaagd door onverwachts op te springen. Onder het roepen van oerkreten was hij als een wildeman op haar af gekomen. Ze was zich het apezuur geschrokken. Even had ze gedacht dat hij haar zou aanranden of iets van dien aard. Wat heb je daar? had hij gesnauwd terwijl hij haar schetsboek uit de handen had gegrist. Van schrik was ze van haar krukje gevallen. Nu gaat het gebeuren had ze gedacht. Nu gaat hij mij onzedelijk betasten of erger. Razendsnel joegen haar gedachten door het hoofd: Had zij vanmorgen wel schoon ondergoed aangetrokken? Moest zij aan zijn strelingen toegeven? Maar zo ver was het niet gekomen. Want toen hij op zijn hurken naast haar was komen zitten, had hij haar plotseling herkend. Juffrouw Andrew, had hij gestameld, bent u het? Neemt u mij niet kwalijk, ik wilde u geen kwaad doen. Ik wilde u alleen aan het schrikken maken. Alleen een grapje, begrijpt u. Zij had haar ogen geopend en hem recht in het gelaat gekeken. Ze had zijn bruine tanden gezien, zijn slordige rozige stoppelbaard en zijn halve oortje. Ze had zijn lichaamsgeur geroken en zijn zure adem. Natuurlijk, zij kende Van Gogh de kunstenaar van de zevende. Wie kende hem niet, de aardige slordige kunstschilder. Zeker een paar minuten hadden ze daar gelegen en elkaar zwijgend aangekeken. Ze had haar hart horen bonzen. In tijden was ze niet zo dicht bij een man geweest. Gek genoeg had zij het niet als onprettig ervaren. En toen waren ze plotseling in lachen uitge­barsten en hadden over het gras gerold van de pret. Even later had hij haar gevraagd weer op het klapstoeltje plaats te nemen en haar zomerhoed op te zetten. Daarna had hij haar in een paar minuten geschetst. En wat was het mooi geworden! Een echt kunstwerk. Nadat ze hem uit dankbaarheid een van haar mooiste glimla­chen had laten zien, leek het ijs gesmolten. Hoe was het in hemelsnaam mogelijk had Vincent van Gogh gedacht, dat hij haar niet eerder had ontdekt. Zo’n mooie vrouw!

De volgende dag hadden ze dicht bij elkaar aan een tafeltje in een hoek van de Nadorst gezeten. Vincent en Zusje waren bezig verliefd te worden. Met de handen ineen gestrengeld hadden ze elkaar onafgebroken aangekeken. Hij naar haar rode mond, haar grote, ietwat onregelmatige tanden, haar grijsblauwe ogen, en haar twee lange blonde vlechten die aan weerszijden over haar schouders vielen. Zij naar zijn norse rossige kop, zijn bleke gelaat vol sproeten, zijn rare oortje en naar zijn kogelronde litteken boven zijn slaap. Zij waren al jaren buren, maar hij herinnerde zich niet haar ooit eerder gesproken te hebben. Een kort knikje of een groet, veel meer kon het niet geweest zijn. Onophoudelijk had hij haar hand gestreeld. Soms keek hij haar zo indringend aan dat Zusje bijna verplicht was een andere kant uit te kijken. Waar denk je aan? had Zusje gevraagd. Binnenpretjes, had Vincent geantwoord en haar hand steviger vastgepakt. Waar ik aan denk, had hij gedacht, dat ik met jou het bed wil delen. Vertel het me, had ze gesmeekt. Het is niets, had Vincent geantwoord en had langdurig in zijn koffie geroerd. Hij had naar haar borst gekeken en gefantaseerd hoe hij haar bustehouder af zou doen. Ze zou vast en zeker prachtige borsten hebben. Grote borsten, boerinnenborsten. Vincent had geglimlacht om zijn gedachten. Zusje had onder zijn brutale blikken een rood hoofd gekregen. Vertel over je zelf, had ze gevraagd, ik wil alles van je weten. En ondertussen had ze onophoudelijk zijn wit behaarde hand met bruine vlekken gestreeld.

Nu zat ze aan de bar met een rietje van haar ranja te drinken. Ze zat er tegen haar zin, maar wilde dit niet laten blijken. Ze was geen uitgaanstype, eerder een huismus. Ze haatte eigenlijk alles wat met een bar of café te maken had: sigarettenrook, alcoholdampen, dronkenmanspraatjes en oh, die verschrikkelijke lucht bij de toiletten. Op het aardse, tijdens optredens met de Sisters, had ze zich ook regelmatig geërgerd aan het gedrag van beschonken toehoorders. Maar zo met Vincent aan haar zijde vond ze het toch wel gezellig. Ze nam hem op in al zijn doen en laten. Ze keek naar hem, hoe hij met zijn pijp bezig was, hoe hij deze stopte, in de brand stak, en er daarna zichtbaar van genoot. Ze keek naar hem, hoe hij van zijn wijn dronk. Ze keek naar hem, hoe hij voor­ zich uit zat te staren. Lief­devol keek ze naar zijn bewegin­gen, zijn handen, zijn ge­laatsuit­drukkingen, zijn lach. Gek genoeg ergerde ze zich geens­zins aan het lurkende geluid dat hij uit zijn pijp liet ontsnappen. En zelfs niet aan het bruine sap dat in kleine sliertjes langs zijn mondhoeken sijpel­de. Integendeel, het liefst zou ze die sappige tabaksmond kussen.

Vincent probeerde een gesprek met de barkeeper aan te knopen, hetgeen hem nauwelijks lukte. Wig had het gewoon te druk. Ook had hij getracht enkele woorden te wisselen met de man op de hoek, meneer Zappa. Deze scheen hier maar weinig van gediend te zijn, want meer dan een flauwe glimlach had hij niet in huis. Misschien was hij wel gepikeerd door Vincent zijn vraag, of hij het wel naar zijn zin had in de hemel. Het leek alsof hij op iemand wachtte. Want hij had hem al honderd keer naar de ingang zien kijken.

Ach, had Vincent van Gogh die middag aan het bruine tafeltje in hetzelfde café een tikkeltje nonchalant geantwoord, wat valt er over mij te vertellen. Genoeg, denk ik zo, had Zusje geantwoord. Ze had hem hoopvol aangekeken. Er was een geheimzinnige glimlach om zijn mond verschenen. Die mond, had Vincent gedacht, die grote natte mond, die wil ik kussen. Zusje had aangedrongen en Vincent had gegrinnikt. Ik wil die tong voelen, had hij gedacht. Hij had zijn tabaksspullen bij elkaar gezocht en was gaan vertellen. Hij vertelde dat hij de oudste zoon van een dominee geweest was en over de ruzies met zijn ouwe heer. Hij vertelde over zijn geliefde Sien, de enige vrouw waar hij echt van had gehouden. Zusje hing aan zijn lippen. Ze verslond zijn woorden. Soms wachtte hij even, alsof hij naar een bepaalde herinnering zocht. Maar in werkelijkheid fantaseerde hij over de vrouw die tegenover hem zat. Hoe hij haar mee zou kunnen nemen naar 704 en in zijn bedje zou krijgen. Ze moedigde hem dan aan door kleine kneepjes in zijn hand te geven of haar knieën tegen de zijne te drukken. Ik wil haar mennen met haar vlechten als teugels en haar boertige lichaam tegen mij aanpersen, fantaseerde hij voort. Ontucht wil ik met haar plegen. Vertel verder, vertel verder, vroeg ze dan ongeduldig. En Vincent vertelde verder. Hij vertelde haar over zijn mislukte theologiestudie en zijn plannen om boerenschilder te worden. Hij vertelde over Theo, zijn broer in Parijs. Theo die hem schreef over het impres­sionis­me, de nieuwe rage in de schilderkunst. Hij vertelde over zijn verhuizing naar het zonnige Arles en over zijn vriendschap met de schilder Gauguin. Hij vertelde over zijn armoe en over zijn depressies die hem in een inrichting had doen belanden. Zusje had tranen in haar ogen gekregen. Wat verschrikkelijk erg voor je, had ze gezegd. Vincent had zijn schouders opgehaald. Zo was het leven nu eenmaal, zuchtte hij. Waarna ze in lachen uitbarstten.


82 De Nadorst beeft

DE NADORST  MARIE MONROE  WIGBERT  FRANK ZAPPA

Ze stond al een tijdje in de deuropening, doch niemand nam notie van haar. Wat was hier aan de hand? Waarom was het zo idioot druk? Was er buiten haar medeweten een feestje georganiseerd? Nou, dat hadden ze dan wel even kunnen zeggen. Marie Monroe van 102 stond meestal vooraan als er iets te vieren viel. Ze was dit absoluut niet gewend, geen aandacht. Normaal zou er allang iemand op haar afgesprongen zijn. Een wrange glimlach verscheen om haar mond toen ze Nannie en Fannie, meiden van drie hoog, zag rond banjeren met dienbladen. Wat deden die hier? Normaal zag je deze tutjes hier niet. Maar nu liepen ze met oververhitte gezichten te wandelen met dienbladen. Hoe had Wig de twee zover gekregen? Ofschoon ze hier al tijden woonden had Marie nevernooit een woord met de twee gewisseld. Misschien hadden ze elkaar een keertje in de lift of tijdens een wandelingetje goeiedag gezegd, maar zeker weten deed ze dat niet. Het enige dat ze wist van de twee was dat ze een koppel waren. Haar soort was het in ieder geval niet.

Het was even over tien uur. De deuren naar het terras stonden wijd open. De temperatuur was om te stikken, zowel binnen als buiten. Marie zag dat er ook nog lieden op het terras zaten. Als ze zich niet vergiste mevrouw George Sand en schilderes Berthe Morisot allebei van de vierde. Ze waren druk in gesprek. Berthe maakte wilde gebaren. Aan een ander tafeltje zaten eveneens zielen die je zelden in de Nadorst aantrof. Het waren bewoners van de vijfde. De grappige Charlie Chaplin was in gesprek met de schilderes Frida Kahlo. Onder de bomen aan de rand van het terras zaten nog meer zielen, maar die kon ze nauwelijks onderscheiden. Het was haast donker. In het café zelf hoorde ze boven het geroezemoes uit de schelle stem van buurtje Janis Joplin van 105. Een beetje ordinair stemgeluid had Marie altijd gevonden. Er kwam haast geen normaal zinnetje uit haar mond. Als ze het allemaal goed verstond leek Janis zich druk te maken over het ontbreken van airco. Gelach in haar omgeving. Links en rechts van haar zaten zanger Jim Morrison van 206 en schilder Andy Warhol van 207. De oude dame Dietrich van 107 zat geheel links van hen aan het uiterste puntje van de bar. Ze was in gesprek met haar buurman Freddie Queen, het nichtje van 108. Deze stond met een glas in de hand tussen twee krukken in. Met één voet leunde hij op de steun van Marlene´s barkruk. Hij scheen naar haar te luisteren maar zijn blik volgde de verrichtingen van Wigbert de barkeeper. Zo af en toe schonken de twee elkaar een glimlach of een knipoog. Zij hadden iets met elkaar, wist Marie.

´Sorry schoonheid,´ verontschuldigde Pablo Picasso van 801 zich toen hij per ongeluk tegen Marie opbotste. Normaal zou hij haar even vastgehouden hebben, een kusje hebben gegeven en misschien nog wel een stout duwtje. Maar nu, met twee glazen in zijn handen, bleek hij haast te hebben. Een glimlach en een knipoog kon er nog net af.

‘W-wat is hier allemaal aan de hand?’ wilde Marie van hem weten. Maar hij was alweer gevlogen. Godverdomme, wat lullig. Hoorde ze er plotseling niet meer bij? Haar ogen doorzochten het café. Marie ontmoette de blik van Wig. Hij riep haar iets toe, dat ze echter onmogelijk kon verstaan. Ze zwaaide. Wig wees naar de hoek van de bar. Ja, ze had hem ook gezien, haar nieuwe buurman Frank Zappa. Ze wurmde zich naar het midden van de bar. Links en rechts een groet, een lach of een blik van: daar heb je haar ook weer. Zo populair was ze hier nu ook weer niet.

´Jezus, Marie, waar was je?´ vroeg Wig terwijl hij zijn handen droogde aan een theedoek. ‘Ik zat vanmiddag hopeloos om je verlegen Waar iedereen zo plotseling vandaan kwam weet ik niet, maar op een gegeven moment kon ik het echt niet meer alleen aan.´ Wig keek even in het rond en fluisterde: ´Nu lopen er twee amateurs rond. Ze doen hun best, maar erg soepeltjes werkt het allemaal niet. Verdomme Marie,´ schold hij plotseling gespeeld kwaad.´ Waar was je nou tut hola!´ Marie gaf geen antwoord. In plaats van dat schonk ze hem een lieve glimlach. Meneer de barkeeper moest vooral niet denken dat zij hem aan zijn neus ging hangen dat ze vandaag in het Sint Lukas was geweest. Trouwens, daar zou hij zelf wel achter komen. Wig, homo of niet, had de gewoonte haar niet in de ogen te kijken als hij met haar sprak maar naar haar borsten. Overigens was ze benieuwd wie er als eerste achter zou komen. Frank misschien, doch die kende ze maar net. Die had naar haar weten nog niet aan haar lichaam gezeten. Och toch wel! Gisteravond, in de keuken had hij haar onverwachts bij haar borsten gevat. Ze keek zijn kant uit. Hij had haar nog niet in de smiezen. Hij was in gesprek met de rooie Van Gogh. ´Er zit nog iemand hopeloos om je verlegen,´ vervolgde Wig. Hij knikte naar de hoek van de bar. ‘Hij zit daar al de godganse dag. Je moest je schamen, stoute meid.´ Marie stak haar tong naar hem uit.

´Je m-moet er echt wel wat voor doen om mij te k-krijgen,´ antwoordde ze een beetje ondeugend. Plotseling rommelde het. Een ieder in het café keek verschrikt op. Gesprekken verstomden. Glazen, kopjes, schoteltjes maakten een rammelend geluid. Ramen rinkelden. Voor een moment was het akelig stil. De lichten floepten aan en uit. Wat was er gaande? Gelukkig besefte men dat het om niets ernstigs kon gaan. Men bevond zich tenslotte in het hiernamaals. Maar toch! Doch spoedig werd alles weer normaal en kwamen de gesprekken voorzichtig weer op gang. Een moment later werden de bezoekers van de Nadorst voor de tweede keer opgeschrikt. Dit keer was er een duidelijke oorzaak. De kunstschilder Lautrec maakte stennis. De kleine pianist Erik Satie probeerde Lautrec over te halen om zijn appartement op te zoeken. Hij had genoeg gedronken. Maar de schilder wilde hier niets van weten.

´Ik ga, wanneer ik wil,´ schreeuwde hij. Het gevolg was dat menigeen zijn kant uitkeek. ´En blijf met je poten van me af.’ Hij gaf Erik een duw zodat deze bijna omver viel.

´Toe nou,´ suste Wig. ´Ga met Erik mee.´

´Loop naar de hel, jullie allemaal,´ schreeuwde Toulouse Lautrec en verliet onder gejoel het café.

´Zie je n-niks aan me?´ vroeg Marie Monroe aan Frank Zappa. Het was kwart over tien. Frank zat aan een vers biertje, Marie aan de jonge borrel. De bar zat nagenoeg vol. Frank bekeek haar even vluchtig. Hij hield zijn hand op haar schouder. Ze drukte zich eventjes liefelijk tegen hem aan. God, wat een leuke peer, dacht ze. ´K-kijk nog eens goed, meneertje,´ vroeg ze terwijl ze geposeerd ging zitten. Frank nam haar weer helemaal op. Wig die op dat moment voor hen stond fronste zijn wenkbrauwen. Hij gaf Frank een knipoog en knikte tegelijkertijd naar haar borsten. Hij trok daarbij een lang niet gek gezicht. Vincent van Gogh die een kruk van haar verwijderd zat keek naar haar gerechte rug. Hij kreeg de kriebels van het stukje bloot dat tevoorschijn kwam door haar omhoog geschoven truitje. Wig, die zag dat hij keek, floot tussen zijn tanden. Vincent voelde zich betrapt en zat met een rood hoofd. Zusje trouwens ook. Zij schrok van het slurpende geluid dat haar rietje gaf toen ze het bodempje limonade probeerde op te zuigen. ‘N-nou?´ vroeg ze met een stralend gezicht.

´Je sproeten zijn minder.’ Ze lachte overdreven en gaf hem een kneepje in zijn wang. Voorlopig had hij nog niets in de gaten. ´Ik geef het op,´ zei Frank. En hij dacht: wat lacht ze mooi. Wat was hij blij met deze hemelse schoonheid. Plotseling floepten de lichten uit. Geschrokken zat iedereen in het volledig duister. Voor de tweede keer die avond verstomden de gesprekken. Gerinkel van glas. Gevloek.

´Pas op,’ gilde Fannie. Maar het kon net zo goed Nannie geweest zijn.

´Gedonder in de glazen,´ riep een onbekende stem. Gegrinnik in het duister.

´Blijft u kalm,´ riep een hevig geschrokken Wig vanachter zijn tapkast. ´Ik zal kaarsen voor u aansteken. Blijft u vooral rustig. Ik weet ook niet wat de oorzaak is. De zekeringen zijn wellicht gesprongen.´ Frank Zappa, die wel wat gewend was met licht- en geluidsstoringen maakte razendsnel van de gelegenheid gebruik om zijn hand onder het rokje van zijn buurvrouw te schuiven.

´Gossiepikkie Frank,´ reageerde Marie, niet doen. Niet hier. Ik vind het t-trouwens hartstikke eng wat er allemaal gebeurd,´ fluisterde ze. ´Wat zou er aan de hand zijn?´

´We zijn in de hemel, lekker ding. En jij moet weten dat er ons niets kan gebeuren.´ Terwijl zijn handen haar borsten zochten probeerde hij haar te zoenen.

´Straks lieverd,´ fluisterde een bange Marie. ´Straks.´ Zij duwde hem voorzichtig van zich af. Een ogenblikje later stond de barkeeper in het schijnsel van een grote kaars die hij in zijn hand omhoog hield. Er ging een zucht van verlichting door het café toen om beurten kaarsen op de bar werden aangestoken.

´Kunnen de deuren dicht?´ riep een onbekende stem vanuit het donker. ´Het begint te waaien.´ En inderdaad, het was plotseling koeler geworden. De kaarsen op de bar vlamden onrustig heen en weer. Even later flikkerden ook vlammetjes op de bruine tafeltjes, dat al met al niet eens een ongezellige sfeer opleverde. ´Kunnen de terrasdeuren dicht?´ riep weer een stem. ´Het tocht hier!´ Het terras was inmiddels leeg. Een golf van koude wind woei de Nadorst binnen.

´Godverdomme,´ schreeuwde Wig, ´kan iemand misschien even de deuren sluiten?!´


83 Sjors verliefd

Dmitri Sjostakovitsj, de negenenzestigjarige componist, woonachtig op de zevende etage van de artiflat, zat die avond omstreeks half elf aan zijn zevende biertje in de kantine van de kunstenmakerskolonie de Trapeze. In een clubje lederen fauteuils zat hij samen met kleine Nokia, de accordeoniste, dwerg Bertus de ober, en de bazin van de kantine Caroline. Gemakkelijke, maar gelijkertijd actieve stoelen, stoelen met metalen frame. De vier gladde stoelen hadden verschillende kleuren. Sjostakovitsj zat in de donkerrode. Middenin stond een ronde glazen tafel met daarop enkele asbakken en de consumpties van het groepje. Behalve de vier genoemde zielen was er verder niemand aanwezig. De kantine oogde koud en ledig. In plaats van kaarsen of gezellige wandlampjes brandden er rijen TL-bakken verspreid over het hoge plafond. Vanuit de keuken klonk draaiorgelmuziek, waarschijnlijk uit een transistorradio.

´Ik heb ongelooflijk met u te doen, meneer Bertus,´ sprak Sjostakovitsj. ´U en uw kleine volk heeft veel leed moeten ondergaan en dat spijt mij zeer. Ik voel me daar, al heb ik weinig met dwergen te doen gehad, mede verantwoordelijk voor. Mijn welgemeende excuses.´ De beentjes van de dwerg bungelden onrustig heen en weer boven het spiegelgladde linoleum. Hij leek de blik van de spreker te ontwijken. De componist nam een trek van zijn sigaret, inhaleerde diep, draaide aan zijn spuuglok en vervolgde: ´Wij beschaafde mensen van weleer zouden ons diep moeten schamen hoe wij met de kleine man en vrouw van uw soort zijn omgegaan.´ De componist pauzeerde, nam een slok van zijn bier, enkele wilde trekken van zijn sigaret en keek naar het plafond al zou zich daar het vervolg van zijn betoog bevinden. ´Hoe is het in godsnaam mogelijk geweest dat ontwikkelde mensen als koningin Theresia van Frankrijk en koning Filips van Spanje honden en lilliputters hielden om zichzelf en hun gasten te amuseren,´ vervolgde hij. ´Kijkt u naar de schilderijen van Velasquez, waarop dwergen aan het hof voor vertier zorgden.´ Maar of de drie toehoorders van deze kunstschilder gehoord hadden was maar de vraag. Geen van hen gaf een reactie op de woordenstroom van hun hoge gast. ´En wat te denken van de afschuwelijke sport dwergwerpen,´ vervolgde de musicus. Er verscheen een lelijke trek om zijn mond. ´U zult daar vast en zeker van hebben vernomen. Het was toch godgeklaagd dat deze sport was toegestaan. Gooien met levende wezens,´ zuchtte de componist mistroostig.

Sjostakovitsj schudde zijn hoofd. Hij veegde met een wit doekje het zweet van zijn voorhoofd, waarna hij wederom aan zijn haar zat te klooien. Hij leek zich weer veel te druk te maken. Gistermiddag in de Nadorst had hij zich ook laten gaan. En daar had hij naderhand erge spijt van gehad. Maar waarom zwegen de andere drie? Hadden deze zielen niets te vertellen? Zouden zij misschien een beetje in de war zijn geweest van het abnormale weer van vandaag, die koortsachtige hitte met vanavond die plotselinge koude? Hij zelf was er ook bijna onwel van geworden. En dan dat merkwaardige gerommel in de ruimte. Al met al vreemde zaken. Sjostakovitsj zelf had geen angst. Hij was er van overtuigd dat je hier in het hiernamaals goed zat en je niets kon gebeuren.

 

Het was nu even stil in de kantine. De componist hoopte dat een van de anderen de conversatie van hem zou overnemen. Hij keek het kringetje rond maar een ieder zat met gebogen hoofd naar beneden te staren, Bertus naar zijn korte beentjes, Nokia naar haar accordeon voor haar op de vloer en vrouw Caroline naar haar knieën. De kantinevrouw mocht er wezen, vond Sjostakovitsj. Hij had al verschillende malen naar haar benen gekeken. Van vrouw Caroline keek hij naar kleine Nokia. Zij was bezig zijn vriendin te worden. Ze had iets dat hem aantrok. Wat dat precies was kon hij niet zeggen. Het was een combinatie van haar spleetoogjes, het spleetje tussen haar tanden, haar piekerig haar en haar jongensfiguurtje.

Was het zo treurig geweest wat hij over de kleine mens had verkondigt, schrok hij. Was dat misschien de oorzaak geweest van hun zwijgen, hadden zij daarom zo mistroostig gekeken? Had hij de arme zielen van hun stuk gebracht met zijn gewauwel? Maar dat was helemaal niet zijn bedoeling geweest. De componist doofde zijn sigaret en stak direct een nieuwe op.

´Ik lust nog wel een cola,´ onderbrak kleine Nokia de stilte. Er leek een zucht van verlichting door het groepje te gaan. Bertus, de dwerg stond direct op nadat hij een knikje van vrouw Caroline had gekregen om de bestelde consumptie te halen. Huppelend, al zou hij blij zijn eventjes zijn beentjes te mogen strekken, liep hij richting keuken.

´Kleine man,´ riep Sjostakovitsj hem na, ´neem voor mij nog een biertje mee, als je toch die kant uitgaat, wil je?´

´Komt er aan’, piepte de dwerg. Weer was het even stil in de kantine. Met het gerinkel van glazen op de achtergrond dacht de componist ondertussen na. Was het wel verstandig dat hij zijn betoog over de kleine mens weer op zou pakken. Het liefst had hij nog even zijn gal gespuwd over klootzak Hitler, hoe deze met lilliputters was omgegaan, hoe hij medische experimenten op hen had laten uitvoeren. Ook had hij nog iets willen vertellen over het verhaal van Sneeuwwitje en de zeven dwergen. Misschien was hen dit sprookjesverhaal vroeger op het aardse onthouden. Maar het leek hem beter te zwijgen. Bovendien was hij moe geworden. Hij zou zijn pilsje nog nuttigen en dan aan kleine Nokia vragen waar hij zich op kon frissen en klaar kon maken voor de nacht. Dmitri Sjostakovitsj zou deze nacht in de Trapeze doorbrengen.

 

´Kon het nog later,´ zei de badmeester terwijl hij demonstratief op zijn horloge keek. Elf uur sluiten wij. De badmeester keek niet vrolijk. Hij was gehuld in een wit uniformachtig pakje met korte broek. Aan zijn blote voeten droeg hij witte slippers. Om zijn nek hing een fluitje.

´Neemt u ons niet kwalijk,´ verontschuldigde kleine Nokia zich. Wij hebben een gast zoals u ziet. Sjostakovitsj stond er wat onwennig bij.

´Als u maar opschiet,´ antwoordde de badmeester een beetje streng terwijl hij de componist van top tot teen opnam. Daarna ging hij de twee voor naar een omkleedruimte waar hij hen handdoek en shampoo overhandigde. ´U vindt het verder wel. Maak het niet te lang. Goedenavond.´ En weg was hij. Sjostakovitsj hing zijn geblokte colbertjasje aan een haak en knoopte zijn overhemd los. Achter zich hoorde hij de kleding van kleine Nokia ritselen.

Even later stonden de twee muziekvrienden in een open badcel met uitzicht op een klein zwembad. Op een hoge duikplank stond een manspersoon met zwarte badmuts en zonnebril gereed om te springen. Het zou zeker een acrobaat wezen die een salto zou gaan maken, schatte Sjostakovitsj in. De componist zelf stond er met ontbloot bovenlijf en blote voeten verlegen bij. Zijn handen bewogen zich naar de sluiting van zijn pantalon. Moest hij zich in het bijzijn van zijn muzikale vriendin ontkleden? En waarom was alles zo open, waarom geen deuren voor de badcellen? Had een ziel hier geen privacy? Hij zag hoe de man met een prachtige salto van de duikplank zweefde. Terwijl hij met een plons het water indook, klonk wederom het merkwaardige gerommel dat de gehele avond al gaande was.

 

Sjostakovitsj vertoefde al geruime tijd in het hiernamaals, maar kon zich niet herinneren het vreemde geluid eerder gehoord te hebben. Nokia scheen er ook niet mee te zitten want terwijl ze haar trainingbroek op de grond liet zakken zei ze:

´Het rotzooit in de ruimte.´ Ze wees omhoog. Sjostakovitsj knikte. Hij keek naar haar kleine bobbeltjes. De componist twijfelde. Hij zat nog steeds aan de sluiting van zijn broek te frunniken. Hij durfde kleine Nokia nauwelijks aan te kijken. Zij stond nu naast hem in haar bh-tje en blauw kort sportbroekje met witte bies. Ze neuriede een liedje. Gezien haar glimlach scheen ze zich geheel op haar gemak te voelen. Sjostakovitsj zag hoe de schoonspringer met een snelle klim weer de trappen van de duikplank besteeg.

´We hebben niet veel tijd,´ zei kleine Nokia, terwijl ze glimlachend haar bh-tje afdeed. Tegelijkertijd liet de componist zijn broek zakken en daarna zijn gebloemde boxershort. ´Wilt u koud water of warm,´ vroeg kleine Nokia terwijl ze hem kinderlijk brutaal opnam.

´Doet u eerst maar warm, daarna zien we wel verder,´ antwoordde de componist. Hij keek naar haar blote lichaam en kreeg een erectie. Godverdee, moet dat nou, dacht hij en probeerde het een en ander te verbergen.

´Mooi, zei Nokia, heel mooi.´ Ze wees naar zijn geslacht.

´Excuseer kleine Nokia, maar het gaat vanzelf. De natuur ziet u.´ Hij knikte naar zijn geslacht. ´Ik word blij van u, begrijpt u wel. Zodoende.´ Terwijl hij een beetje haperend deze woorden uitsprak zag hij hoe de man op de duikplank gereed stond voor een volgende sprong. Nokia opende de kraan.

´Wast u mijn rug maar even,´ zei Nokia. ´Als u wilt zal ik daarna uw rug onderhanden nemen.´

´Dat is lief van je, heel lief,´ antwoordde de componist die nu zijn lid liet voor wat het was. De duiker maakte een dubbele salto en verdween in de diepte.

 

‘Ik heb twee bedden in de hoek gereserveerd,’ fluisterde Nokia toen ze de slaapzaal betraden. Uw nachthemd ligt onder het hoofdkussen als het goed is.’ Ze pakte de componist bij zijn hand en leidde hem voorzichtig door de rijen bedden met slapende en snurkende kunstenmakers. Aan de attributen, rondom de bedden was te zien waar de luitjes dagelijks mee bezig waren. Zo stonden er verschillende een-wiel-fietsjes, hingen er ballen in netten, verder stelten, een schuiftrompet, verschillende accordeons, maskers, bokshandschoenen, springtouwtjes en zo verder. De meesten lagen te slapen, doch enkelen lazen een boek of bladerden in een tijdschrift. Misschien werden zij wakker gehouden door het gerommel, dat alsmaar heviger leek te worden. Een enkeling knikte nieuwsgierig het tweetal toe. Er waren er die Nokia haar naam riepen.

 

De slaapzaal leek een kopie van de ongezellige kantine. In plaats van keurig in rijen opgestelde tafels en stoelen stonden hier bedden, metalen bedden. En ook hier weer een overdosis licht uit TL-bakken. Ongezelligheid troef. Nergens een schilderijtje of een bloemetje. Wel hingen er kruisen met een Jezus figuur en ook stond er naast de deur een pilaar met een beeld van de Heilige Maagd.

´Kun je misschien ook het licht uitdoen,´ vroeg Sjostakovitsj toen ze halverwege de slaapzaal liepen. ´Ik denk dat ik anders moeilijk de slaap kan vatten.´

´Om twaalf uur gaat het licht automatisch uit,´ antwoordde Nokia. ´U zult nog even geduld moeten hebben.´

In de hoek aan het einde van de slaapzaal vonden ze twee lege eenpersoonsbedden.

´Gaat u daar maar,´ fluisterde Nokia. Ze wees naar het laatste bed. Sjostakovitsj knikte, hij vond op dit ogenblik alles best. Hij was moe. En voor de tweede keer die dag ontdeed de componist zich in het openbaar van zijn kleding, al leek hem dit nu een stuk gemakkelijker af te gaan.

 

Om even over half twaalf sloeg Dmitri Sjostakovitsj de dekens open van zijn bed in de slaapzaal van de Trapeze. In tegenstelling tot thuis op de artiflat droeg hij geen pyjama maar een nachthemd, een lange dunne witte jurk die tot ver over zijn knieën reikte. Wonderwel kon de componist om zijn opmerkelijke outfit glimlachen. Hij keek toe hoe Nokia haar nachthemdje over haar hoofd trok en raakte wederom gefascineerd door haar kleine blote lichaam. Voordat zij weer een opmerking over zijn stijve geslacht zou maken dook hij snel onder de dekens. Hij legde zich met een zucht op zijn rug, sloot zijn ogen en dacht na. Het felle TL-licht hinderde hem zeer en ook had hij last van een aantal zwaar snurkende kunstenmakers. De componist trok daarom de dekens geheel over zich heen. Zo was het beter. Hij luisterde naar het gerommel van buitenaf. Gek genoeg vond hij het allemaal best gezellig. Lang hield hij het echter niet uit met de dekens over zijn hoofd. Voorzichtig kwam hij weer tevoorschijn. Door zijn oogharen loerde hij naar kleine Nokia die bezig was haar bedje in orde te maken. Even later zat ze geknield met haar handen gevouwen voor haar bed. Ze murmelde een gebedje. Ze zat naar hem toe gebogen zodat hij zicht had op haar halsopening en haar kleine puntjes. Weer raakte hij opgewonden. Hij fantaseerde over de rest van haar lichaam. Ze zou zeker een jongensachtig kutje hebben. De geilheid sloeg nu in alle hevigheid toe. Met zijn rechterhand schoof hij zijn nachthemd omhoog en mijn zijn linker omklemde hij zijn geslacht. Was het licht nu maar uit, dacht hij. Of nee, dan zou hij kleine Nokia niet meer kunnen zien. Zij stond nu klaar om onder de wol te gaan. Met langzame halen trok hij het vel van zijn eikel op en neer. Hij zag hoe Nokia om zich heen keek. Het leek of zij twijfelde. Onverhoeds stapte ze naar hem toe.

´Schuift u eens op,´ fluisterde ze, en voor hij er erg in had lag het kleine vrouwtje naast hem. ´Zal ik u helpen?´ vroeg ze zacht. Hij voelde haar warme adem in zijn gezicht. Teder drukte zij zich tegen hem aan. ´Zal ik u helpen?´ vroeg ze weer en haar hand zocht waar deze wezen moest.


84 Dag des Heren

LICHTFLITSEN EN DONDERSLAGEN  DE DAG DES HEREN  DE NADORST

Hoog boven de zevende hemel, net voorbij de toppen van het Louteringsgebergte klapperden al geruime tijd de vleugels van een colonne engelen. Zij vlogen niet, zij zweefden, zij leken op iets te wachten. Het was donker, dus je zag ze niet. Je hoorde ze des temeer. Bij daglicht zouden zij vanuit hun positie met gemak de tentenkampen van het Purgatorium kunnen waarnemen. Maar nu was het nacht. Het was over twaalven.

Ergens in de velden kraaide een haan, wel zeven keer. Ongewoon vroeg zo´n kraaiende haan. De dage raad zou nog wel even op zich laten wachten. Kort na de zevende kukel opende zich de bodem van een minuscuul grasveldje ergens in een glooiende weide, niet ver van de eerste heuvels van het Louteringsgebergte. Een lieflijk plekje omringd door bloemperken en lage olijfbomen. Plotseling begon de grond te brommen en kwamen twee grote zwarte luiken traag overeind. Bijna geruisloos werden zij van elkaar geschoven. Toen deze gevaarten geheel omhoog stonden had dit veel weg van een modern beeldwerk. Een vreemde gewaarwording in zo´n vredig landschap. Vervolgens gleed langzaam uit de diepte een lange witte automobiel met geblindeerde ruiten en traag knipperende lichten uit een tunnel naar boven. De langgerekte auto, met aan de achterzijde een open bak, leek op een legervoertuig. Achter in de open bak zat een tiental gehelmde engelen. Engelen in het zwart, hetgeen wees op engelen uit een elitekorps. Zij zaten in het gareel. Achter de lange geblindeerde automobiel volgden nog enkele kleinere voertuigen. Toen de stoet zich langzaam in beweging zette zakte de colonne engelen boven in de lucht omlaag en wapperden met de auto´s mee. De ijzeren luiken sloten zich en het landschap keerde terug in zijn oude vorm.

Diezelfde nacht werd Johannesburg opgeschrikt door luidruchtige donderslagen, afgewisseld met felle flitslichten. Niet eerder hadden bewoners van Johannesburg deze ongewone natuurverschijnselen waargenomen. Ook de bewoners van de artiflat waren door het licht en het lawaai wakker geschud. Het was trouwens al de hele dag onrustig geweest. Behalve de abnormale hitte van die middag met daarna de onverwachte koude had het de gehele dag, alsof er een onweer op komst was, in de verte gerommeld. Maar nu leek het toch wel heel erg te worden.

Wigbert, de barkeeper van de Nadorst had net zijn laatste klant een goede nacht gewenst en was op het moment van de donderslagen en lichtflitsen bezig een vuilcontainer onder het afdakje te plaatsen. Met veel kunst en vliegwerk had hij zijn klanten de deur uitgekregen. De barkeeper was bekaf. Niet eerder was het in zijn café zo druk geweest als die avond. Hij zag hoe bij verschillende appartementen de lichten werden ontstoken. Het rommelen en lichten nam gaandeweg in hevigheid toe. De hemel zinderde. Op de vierde en zesde etage zag hij reeds enkele bewoners over de balustrade hangen. Hij herkende gestalten van doctor Bruckner met zijn kale kruin van 601 en de depressieve Schumann van 603, twee etages lager zag hij een glimp van de heer Lennon van 402 en de excentrieke gestalte van Salvatore Dali van nummer 404.

Toen het rommelen overging in verschillende harde klappen maakte Wig dat hij binnen kwam. Hij vertrouwde het niet. Als hij nog op de aardkloot had vertoefd zou hij aan een aardbeving of een uitbarsting van een vulkaan hebben gedacht. De barkeeper huiverde en sloot voor de zekerheid de deur. Met bibberende handen schonk hij zich zelf een borrel in, gooide hem achterover en schonk er direct daarna nog een in. Wig was bang. Maar tegelijkertijd wist hij dondersgoed dat hem niks kon gebeuren. Hij hoefde, al was hij slechts purgatijn, geen angst te hebben voor wat dan ook. Hij haalde zijn schouders op en dronk het restje van zijn borrel. Er waren hier geen natuurrampen, oorlogen en kankergedoe. Je had hier zogezegd het eeuwige leven. Maar toch voelde hij zich niet op zijn gemak. Wig zuchtte en schonk zich een volgende borrel in. Een luide knal weerklonk. De lichten waren nu zo fel dat het interieur in het café om de zoveel seconden geheel verlicht werd. Een angstaanjagend gezicht. De barkrukken op hun kop op de bar, de stoelen op de tafels, het lederen kleed over het biljart. Wig schrok toen hij zichzelf in een lange lichtflits als een spookbeeld door de spiegelwand zag, daarna werd alles weer voor een ogenblik zwart en daarna weer wit….

Om even over enen die nacht verscheen huismeester Smit met een helm op en een koffertje eerste hulp spullen op het plein voor de artiflat. Naar de bewoners op de eerste etage die in een lange rij over de balustrade hingen riep hij vooral rustig te blijven en eventueel zijn bevelen op te volgen. De bewoners op de tweede en hoger gelegen etages ontging de mededeling van de huismeester, mede door het hevige gerommel en enkele flinke dreunen. Wild rukte Lodewijk, het hondje van de huismeester aan zijn lijn. Met schuim op zijn bek hapte hij in de lucht. Het beestje was volledig de kluts kwijt. De lichtflitsen, het gedonder en de klappen volgden elkaar steeds sneller op. De artiflat stond om de zoveel seconden in lichte laaie. Het leek al zou er een serie knipperende spotlichten op de flat gericht staan. Alle balustraden waren nu bevolkt met bewoners, de meesten in nachtgewaad. Telkens bij een lichtflits kon men ze aanschouwen. Ze stonden daar als poppetjes in een verlichte etalage.

Boven het centrum van Johannesburg hing intussen een oranjegloed. Het leek alsof de stad in brand stond. In de verte klonk marsmuziek. Vanuit de bosrand kwam nu in het volle licht traag aangereden, een karavaan met vreemde voertuigen. Zij deden sterk denken aan legervoertuigen, met dit verschil dat deze niet groen, maar smetteloos wit van kleur waren. Een luidsprekerauto reed voorop.

‘Wees niet bevreesd,’ riep een luidsprekerstem met nagalm. ‘Uw Heiland zal verschijnen!! De Dag des Heren is aangevangen!’ De colonne auto’s minderde vaart en stopte pal voor de Arti.

‘Wees niet bevreesd, Christus ons licht schijnt in de duisternis.’

‘Halleluja,’ gilde een vrouwenstem vanaf de tweede etage. Het was de stem van mevrouw Mahalia Jackson van nummer 205. Achteraan de colonne sloot een fanfarekorps in blauwwitte uniformen de stoet. Uiterst traag marcheerde het korps. Er werd een bekend koraal gespeeld. Toen hield het halt en draaide zich naar de flat. Het hoge flatgebouw zorgde voor een ongehoord galmende akoestiek. U zij de glorie, werd er gespeeld. Dit alles leek op een serenade. Vanaf de galerijen werd op verschillende plaatsen de tekst van het lied meegezongen:

                        U zij de glorie, opgestane Heer!

                        U zij de victorie, nu en immermeer.

                        Ziet Hem verschijnen, Jezus onze Heer!

                        Hij brengt al de zijnen in zijn armen weer.

                        Weest dan volk des Heren, blijd’en welgezind en zegt telkenkere:

                        Christus overwint! U zij de glorie, opgestane Heer!

                        U zij de victorie, nu en immermeer.

Een enorme klap, gelijk aan een explosie, deed de hemel beven. De artiflat schudde op haar grondvesten. Ruiten trilden in hun sponningen. In café de Nadorst viel glaswerk op de vloer. Wigbert de barkeeper lag onder het biljart.

‘Heer vergeef mijn zonden,’ jammerde hij. ‘Ik wist echt niet wat ik deed.’ Voor een moment stond alles in het felle licht. Enkele bewoners vluchtten hun huizen in. Daarna werd het stil, akelig stil. De karavaan zette zich langzaam weer in beweging en verliet het arti-terrein. De lichtflitsen bleven uit. Op verschillende balustrades werd nog gezongen. Heel in de verte rommelde het nog wat na en klonk het fanfareorkest. Toen, plotseling, ontstak zich op verschillende plaatsen boven Johannesburg een machtig vuurwerk.


85 Op weg naar de Heiland

In een lange stoet verlieten die ochtend rond de klok van acht ruim zeventig artibewoners de kunstenaarsflat aan de rand van Johannesburg op weg naar de Koninkrijkzaal op het Plein van de Hemelse Vrede in het hartje van de stad. De zon scheen lieflijk en er stond een strelend briesje. De meesten schenen goede zin te hebben en hadden zich in hun beste outfit gestoken. Het was dan ook niet niks, de Heiland te mogen ontmoeten.

Helemaal vooraan, zeker een vijftien meters vooruit, liep huismeester Smit met strak aan de lijn zijn hondje Lodewijk. De huismeester voelde zich verantwoordelijk voor de stoet met zielen achter hem. Hij was de leider. Bovendien was hij in het bezit van een stapeltje verzegelde enveloppen waarin zich de namen bevonden van artibewoners die op audiëntie zouden mogen. De enveloppen waren hem gisteravond laat overhandigd door een afgezant van burgemeester mevrouw moeder Teresa.

Toch was meneer Gerrit Smit niet helemaal gerust en misschien was het daarom dat hij wat  ongemakkelijk liep, misschien iets te stoer. Immers, hij was een vluchteling uit het purgatorium. Zou zijn verschijning voor de Heiland niet leiden tot vraagtekens en zou hij zijn baantje als huismeester moeten verliezen en in het ergste geval teruggestuurd worden naar dat afschuwelijke tentenkamp in het purgatorium. Hij moest er niet aan denken. Nu zou burgemeester mevrouw moeder Teresa, die ook in de Koninkrijkzaal aanwezig zou zijn, daar niet moeilijk over doen. Het was bekend dat zij illegale purgatijnen gedoogde. Maar hoe zat het met de Heiland zelf. Hij wist immers alles! De huismeester huiverde en gaf een heftige ruk aan de hondenlijn. Maar aan de andere kant, dacht de huismeester door, God was toch goedertierenheid. Was het wel nodig om zich zorgen te maken?

‘Lodewijk, koest!’ riep hij, terwijl hij wederom een ruk aan de lijn gaf. Maar het beestje was zich van geen kwaad bewust. Sterker nog, hij was de rust zelve. Hij scheen de onrust van zijn baasje niet te begrijpen en met zijn kopje schuin omhoog keek hij de huismeester zo nu en dan aan, al zou hij willen zeggen: ik ben toch koest. Verder vond Lodewijk het prima die onverwachte wandeling. Het hondje dribbelde dan ook rustig en gehoorzaam voort.

 

In de langgerekte groep achter de huismeester was geen sprake van hiërarchie, zoals op de flat. Een ieder liep ongeorganiseerd door elkander. Bewoners van de eerste etage liepen met die van de zevende, en bewoners van de derde samen met de achtste. Er werd ook geenszins in de maat gelopen. Een ieder had zijn eigen tempo. Sommigen slenterden zelfs en raakten achterop zodat zij zich met enige haast weer bij de stoet moesten aansluiten.

Stevig arm in arm liepen als eersten achter de huismeester mevrouw Maria Callas met haar vriend Franz Schubert. Op het tempo van hun pas zongen zij in een opgewekt marstempo Schuberts lied An Sylvia. Zij hadden er zin in, dat was aan alles te zien. Maar zij hadden dan ook een belangrijke missie. Indien zij voor een audiëntie uitgenodigd zouden worden zouden zij de Heiland vragen zijn zegeningen te geven over hun voorgenomen huwelijk. Verder hoopten zij dat mevrouw Callas zou mogen verhuizen naar de woning van Franz Schubert op de achtste.

Zang alom in de voorste gelederen van de stoet artigangers, want achter het verliefde stel liepen de juffers van de Dames van de Derde. Of liever gezegd de rest van het koortje. Immers, hun leidster Maria Callas liep met haar vriend voor hen. Het dameskoortje probeerde zo goed als kwaad het lied An Sylvia mee te zingen. Lucy Ball, de amusementsvrouwe, en een van de koorzangeressen liet de deftige meneer achter haar, de man met bontjas en een leuk oorringetje, met lachjes en knipoogjes weten dat zij hem leuk vond. Natuurlijk had ze hem meer gezien op de arti. Maar ze had geen idee hoe hij heette. Hij rookte constant sigaren en volgens Lucy liep hij naast meneer J.S. van de hoogste etage. En zo was het ook.

Met gelijke tred en zelfs af en toe huppelend zongen de buurtjes en hartsvriendinnen Nannie en Fannie van de nummers 306 en 307 met het koortje mee: Was ist Silvia, saget an… De twee meiden hadden zoals altijd goede zin. Natuurlijk hoopten zij ook op een audiëntie. Als zij voor de Lieve-Heer zouden mogen verschijnen zouden ze hem vertellen over hun heimwee naar hun broers en het verlangen om normaal met hen om te kunnen gaan, Fannie met haar broer Felix en Nannie met Amadeo.

Enkele stappen achter de Dames van de Derde liepen de vrienden J.S. van 902 en Frederik Händel van 703. Met aandacht luisterden de twee grootmeesters naar de zangkunst voor hen. Zo af en toe gaven zij elkaar bij wijze van goedkeuring een veelbelovend knikje. Ja, dat klonk goed, was hun oordeel en zij konden het weten. Indien J.S. het voorrecht had om straks voor de Heiland te verschijnen was hij in ieder geval van plan Hem te danken voor de prachtige plek die hem ten deel was gevallen op de arti. Hij zou op zijn knieën vallen en zijn voeten kussen. Hij had hiervoor al thuis voor de spiegel geoefend. Ook zou hij de Verlosser danken dat zijn klavierspel op hoog peil was gebleven.

Op het verlanglijstje van Frederik Händel stond het verzoek dat, indien er ruimte vrij zou komen, hij misschien een etage naar boven zou kunnen schuiven. Wist de Messias trouwens wel dat hij de componist was van de Messiah? En dat hij hem met dit werk op de aardbol behoorlijk verheerlijkt had? Misschien zou de Heiland zijn dankbaarheid kunnen tonen en iets terug willen doen. Terwijl hij zich dit afvroeg had hij één van de koorzangeresjes voor hem, de vrouw die malle danspasjes maakte, al verschillende knipogen en tongetjes gegeven. Een lekker dingetje vond hij haar. Hij zou haar vandaag in de gaten houden en haar proberen te strikken voor een bezoekje aan zijn flat. Hij had wel zin in een verzetje. Zij leek hem een gewillig vrouwtje.

Marie Monroe en Frank Zappa hadden schik om de twee grootmeesters Bach en Händel voor hen. Schik om hun statige loop en ernstige gesprekken. Schik om de robuuste bontjas van Frederik Händel die bijkans over de grond sleepte en schik om het staartje van J.S. Intussen leerde Frank zijn liedje Bobbie Brown aan Marie. De twee waren in het geheel niet bezig met een eventuele audiëntie. Zij geloofden geen moment dat hun namen zich in één van de enveloppen zouden bevinden. Zij geloofden sowieso niet in loterijen.

‘Ik heb nog n-nooit wat gewonnen,’ had Marie haar vriend zojuist lacherig medegedeeld. Aan alles was te zien dat het stel bezig verliefd aan het worden was. Met de handen in elkander gestrengeld liepen zij dicht tegen elkaar aan.

De buurtjes Freddie Queen en Marlene Dietrich liepen achter Zappa en Marie. Freddie hoopte vurig dat zijn naam in een van de enveloppen zou zitten. Hij zou de Messias dan vragen hoe hij hier als volgeling van Zarathoestra in het hiernamaals terecht was gekomen. Hij zou hem vertellen dat hij zich op de arti tussen al het christelijke gedoe in het geheel niet op zijn gemak voelde.

Marlene had geen wensen, althans dat had ze Freddie doen geloven. Maar in haar hart snakte ze er naar te willen verhuizen. Verhuizen naar nummertje 504, het super appartement dat al geruime tijd leeg stond. Het zou een hele sprong zijn maar ze vond dat de vijfde bij haar status paste.

Drie trompetspelers slenterden achter de lange rok van de oude dame Marlene Dietrich en homojongen Freddie Queen. Het waren Louis Armstrong van 401, zijn buur Miles Davis van 403 en Chet Baker van 103. De drie hadden het opperbest naar hun zin, scheen het. Maar of zij zo met de Dag des Heren bezig waren was de vraag. Ze deden een muzikaal vraag en antwoordspelletje. Op dit moment was Miles Davis aan de beurt. Hij zong:

Ta ta ta ra ta poe hee…

Ta ti ti ti ta ti toe hee.. antwoordden zijn vrienden. Waarna ze alle drie in lachen uitbarstten. En zo ging het om de paar meters.

Achter de drie jazzmuzikanten liep de heer Wolf von Goethe van 902. Duidelijk voor zijn omgeving was zijn gemopper te horen over de improvisators voor hem. Apen zang, noemde hij het. Overigens liep Wolf von Goethe met een vrouwspersoon aan de arm. Haar naam was Lieve en niemand kende haar herkomst. Men had haar deze morgen voor het eerst waargenomen. Naast Wolf en Lieve liep de heer Ludwig van 903. Ook hij had iemand aan de hand. Het was de zoon van Wolf von Goethe, beter bekend als het jongetje. Hij was eveneens nieuw op de arti. Hij scheen het naar zijn zin te hebben tussen de kunstenaars. Blij huppelde hij aan de hand van meneer Ludwig voort. Doch plotseling rukte hij zich los en holde door de stoet naar voren. Even had hij contact met Chet Baker, een van de trompettisten, de man van de bloemengieter. Deze herkende het jongetje direct en ze gaven elkaar in het voorbij gaan een boks.

‘Meneer Smit, meneer Smit,’ riep het jongetje naar de huismeester. ‘Ik wil u wat vertellen.’ Lodewijk, het hondje, die het jongetje nog herkende van de wandeling van gister sprong wild tegen hem op.

‘Zo jongetje,’ zei de huismeester. ‘Mag jij ook mee naar onze Lieve Heer?’

‘Meneer Smit,’ hijgde het jongetje, die niet op de vraag van de huismeester inging, ‘ik heb nu ook al een moeder. Ze heet mama Lieve en ze is heel mooi.’ En zo was het ook.

Lieve, de vrouw met wie Wolf von Goethe zich gisterenmiddag had geamuseerd, was gisteravond geheel onverwachts bij hem ingetrokken. Het plan was geweest voor een nachtje, maar het had anders uitgepakt. Voorlopig zou zij bij hem blijven. Van de ene op de andere dag was zij in een totaal andere omgeving gekomen. Wat een verschil was het luxe appartement op de bovenste etage van de kunstenaarsflat met haar kamertje in het rondje bij de molen in Sint-Petrusburg. Ze wist niet wat haar was overkomen. En dan hadden ze ook nog plannen gemaakt om een gezin te stichten. Wolf zou de Heiland persoonlijk vragen om goedkeuring. Pas vanmorgen vroeg, toen er een jongetje bij hen aan bed stond, begreep ze wat Wolf had bedoeld.

In plaats van gevreeën, hadden ze vrijwel de gehele middag op het bed in haar peeskamertje elkaars geschiedenis verteld. Wolf over zijn vele, vrijwel allemaal jeugdige vriendinnen en Lieve over haar jeugdliefde met wie ze een leven lang getrouwd was geweest maar uiteindelijk toch van was gescheiden. Wolf vertelde over zijn schrijverschap. Kende Lieve zijn Werther, zijn Erlkönig, zijn Faust? Lieve vertelde over haar eenzame jaren na haar scheiding, haar ziekte en haar sterfbed. Uiteindelijk hadden zij elkaar met betraande ogen beloofd om hier in de zevende hemel bij elkaar te blijven. Daarna had haar kersverse vriend haar behoorlijk uit haar slaap gehouden. Alles had geleken op een eerste huwelijksnacht. Hij was dan wel drieëntachtig, maar hij wist nog van wanten.

Lieve had vreemd opgekeken van Wolf zijn seksuele liefhebberijen. Gelukkig was ze als vakvrouw wel wat gewend. Hij wilde dat zij tijdens het voorspel een jurkje of nachthemdje zou dragen met blote benen. Voorts geilde hij op witte broekjes. Kijken deed hij graag, had hij haar toegefluisterd. Hij had haar aangemoedigd voor hem te gaan zitten en hem te laten genieten van haar vrouwelijkheden. Tenslotte had hij haar borsten gekust en zij zijn lid in handen genomen. Vreemd had zij het gevonden dat hij haar vlak voor het klaarkomen Lili had genoemd, in plaats van Lieve. Achteraf had hij haar verteld over zijn allerliefste vriendinnetje Lili, die hij maar moeilijk vergeten kon. Lieve had het best gevonden. Ze had haar zinnen op hem gezet en wilde er alles aan doen om Wolf te bekoren. Vanmorgen in de aller vroegste uurtjes hadden zij elkaar eeuwige trouw beloofd. En nu liep ze dan tussen allerlei hoogwaardige kunstenaars aan de hand van een bewoner van de hoogste etage van de artiflat, de grote schrijver Wolf von Goethe.

‘Dat vind ik heel fijn voor je, jongetje, dat jij nu een papa en mama hebt,’ antwoordde de huismeester. Intussen keek hij achterom om de mama in het vizier te krijgen. ‘Weet je trouwens waar wij naar toegaan?’

‘Ja, naar God.’

‘Zo is dat.’

‘Ik vind dat cool.’

‘Dat is het ook, kleine baas. En misschien zit de naam van jouw papa wel in een van de enveloppen.’ Gewichtig haalde de huismeester het stapeltje enveloppen uit zijn binnenzak.

‘En wat gebeurd er dan,’ wilde het jongetje weten.

‘Dan mag jouw papa voor de troon verschijnen en een wens doen.’

‘Mag ik dan ook mee?’

‘Ik denk van niet.’

‘Kut zeg, maar ik wil ook mee. Ik heb God nog nooit van dichtbij gezien.’

‘We zullen straks wel zien hoe het loopt,’ antwoordde de huismeester en voorzichtig duwde hij het jongetje terug richting de groep. Hij moest nu verder niet afgeleid worden. Hij had een missie om de artibewoners bij de Koninkrijkzaal in goede orde af te leveren.

Wigbert, de rooie Van Gogh van 704 en zijn vriend Lautrec van 211 wandelden achter het gezelschap Wolf von Goethe. Het gesprek dat in het groepje gevoerd werd ging over de raadselachtige verdwijning van Sjors.

‘Ik begrijp er geen zak van,’ zo verwoordde Wig het niet komen opdagen van Sjostakovitsj. ‘Gistermiddag zat hij nog aan de bar. Hij had zijn symfonie bij zich en zou deze afleveren in de concerthal op het Plein van de Hemelse Vrede. Maar waar was hij sindsdien gebleven?’

Juffrouw Annette van de wasserette liep tussen doctor Anton Bruckner van nummer 601 en Otis Redding van 111. De beide heren hadden hun handen over haar schouders geslagen. Spreken deden zij niet, denken des temeer. Denken aan de afspraak. Juffrouw Annette zou voortaan het liefje zijn van Otis Redding en zo af en toe, zeker eens in de week zou zij tegen een beloning de flat van haar minnaar Anton Bruckner bezoeken. Dit kwam goed van pas, want het liefdeskoppel had niet veel zilverlingen te besteden. En ach, om zich eens per week in meisjeskleding te hullen daar had juffrouw Annette geen moeite mee.

Moederziel alleen, liep Herr von Karajan van 110. Zoals altijd leek hij de pest in te hebben. Hij wist eigenlijk niet waarom hij in de stoet meeliep. Of eigenlijk toch wel, hij was meegegaan in de hoop burgemeester mevrouw moeder Teresa te ontmoeten en haar te vragen over zijn eventuele overplaatsing naar de Toren van Babel in hoofdstad Sint-Petrusburg. Dus als zijn naam in één van de enveloppen zou voorkomen dan zou hij een onderhoud met haar willen hebben in plaats van God. Want met God zelf had hij eigenlijk niks. De Heiland, die hem in een miezerig hokje op de eerste etage van een zogenaamde kunstenaarsflat had gepland, godverdegodver! Met afschuw luisterde hij naar de gesprekken en het gezang van de zielen voor hem.

Direct voor Von Karajan schuifelde Robert Schumann en Felix Mendelssohn van de zesde. Merkwaardig genoeg liepen de twee musici hand in hand. Schumann was een van de weinigen waar Herr von Karajan wel eens een woordje mee had gewisseld. Al leek het de laatste tijd vrijwel onmogelijk om een normaal gesprek met hem te voeren. Karajan herinnerde zich dat hij symfonieën van de in de war zijnde Schumann vroeger met zijn Berliner Philharmoniker op de grammofoonplaat had vastgelegd. Maar dat waren andere tijden, tijden die hem soms tranen in de ogen deden komen. In gedachten hoorde hij het prachtige thema uit de derde symfonie, de Rheinische van de man die nu als een zoutzak, als een imbeciel voor hem liep. Hoe was het toch mogelijk dat zo’n man in staat was geweest zulke goddelijke muziek te componeren. En terwijl hij daar zo heel alleen liep merkte hij tot zijn verbazing dat hij onbewust het thema neuriede uit eerder genoemde symfonie. Von Karajan verbaasde zich zelf. En met een zelfingenomen gelaat rechte hij zijn rug, klakte met de hakken en sloot zich weer snel aan bij de groep.

Geheel achteraan, op wel vijftig meter afstand van de rest,  liepen hand in hand Billie Holiday en Jim Morrison. Ze schenen geen haast te hebben. Ze liepen, of liever gezegd, ze sjokten voort, ietwat sloom. Ze waren moe van het niet slapen, van het drinken en van het vrijen. Soms hielden ze halt, omarmden en kusten elkaar.


86 Plein van de Hemelse Vrede

DAG DES HEREN  SJOSTAKOVITSJ  NOKIA  WELKOMSTSYMFONIE

‘Kom lieve Nokia, we moeten voortmaken, een beetje tempo alsjeblieft.’ Verschillende keren had de componist Sjostakovitsj de kleine accordeoniste aangespoord om haast te maken. Het was nog vroeg in de morgen, nog geen acht uur, toen het koppel in lichte draf over de Boulevard Antonius richting het Plein van de Hemelde Vrede liep. In de kunstenmakerskolonie de Trapeze had het gerucht de ronde gedaan dat deze dag de Heiland zou verschijnen. De langverwachte Dag des Heren zou plaatsvinden. En inderdaad, er heerste deze vroege morgen een ongewone drukte in het centrum van Johannusburg. In de verte klonken de zware klokken van de Sint-Jan Kathedraal en tientallen burgerzielen liepen of renden zelfs richting Plein van de Hemelse Vrede. Het was nog vroeg maar aan alles was te merken dat het een mooie dag zou gaan worden. De zon scheen reeds vriendelijk en er heerste een aangenaam briesje.

Sjors en Nokia passeerden nu de Antonius Kapel. Ook hier klingelde een klokkenspel. Vanaf het Plein van de Hemelse Vrede klonken flarden fanfaremuziek. Het was plotseling erg druk. Gelukkig was het deze dag minder warm dan gisteren. Op het grasveld voor de kapel oefende een drumband. Zij zouden stellig straks hun opluistering maken voor de feestelijkheden van vandaag.

‘Kunt u iets langzamer lopen, meneer Sjors,’ hijgde Nokia.

‘We moeten voortmaken,’ antwoordde de componist voor de zoveelste maal. ‘Het is maar één keer de Dag des Heren, dat moet je begrijpen, kleine meid.’ De accordeon op de rug van Nokia maakte bij iedere stap een jankend geluid, hetgeen de componist blijkbaar op zijn zenuwen werkte want herhaaldelijk keek hij geërgerd naar het instrument. ‘Kun je dat ding niet afzetten,’ vroeg hij nu een beetje geïrriteerd. Maar Nokia leek de componist niet te horen of deed alsof. ‘Waarom heb je je accordeon trouwens meegenomen?’

‘Dat is nogal wiedes,’ antwoordde Nokia. ‘Wie weet zal ik straks voor de Heiland mogen spelen.’

‘Ik denk niet dat de Heiland op jouw moppies zit te wachten, kleine meid, hoe aardig je ook speelt. Bovendien zal mijn Welkomstsymfonie straks worden uitgevoerd en daar zal de Heiland voorlopig genoeg aan hebben.’

Het plein was omringd door dranghekken. Honderden zielen, zwaaiend met witte vlaggetjes gaven de aankomst op het reusachtige Plein van de Hemelse Vrede een vrolijke aanblik. Luidkeels werden religieuze liederen gezongen. Uit luidsprekers klonken toespraken, maar die waren nauwelijks te volgen. Voor de twee muzikanten werd het nu dringen geblazen. Er was bijna geen doorkomen aan. ‘We moeten maar onder een dranghek door,’ stelde Sjostakovitsj voor. Nokia knikte, ze had het zwaar met het instrument op haar rug, bovendien had ze het tempo van de componist nauwelijks bij kunnen benen. Er kwam een harmonieorkest aan marcheren. ‘Laten we daar bij aansluiten,’ zei Sjostakovitsj, terwijl hij een beetje bezorgd keek naar de toezichthouders aan de andere zijde van het hekwerk. Ze stonden nu vooraan. Gedrang alom. Nokia deed haar accordeon af, zij kon onmogelijk met instrument en al door de nauwe opening kruipen. ‘Kom,’ zei Sjostakovitsj, waarna hij zich bukte en zich door de opening wrong. Even leek het er op dat hij klem kwam te zitten. Maar na een luide godverdee lukte het de componist om zonder kleerscheuren aan de andere zijde te komen. Nokia volgde hem. Voor haar leek het een koud kunstje. Eerst plaatste ze haar accordeon door de opening en daarna wipte ze als een jonge hen over het hek.

‘En wat hebben wij hier te zoeken, ‘vroeg een strenge toezichthouder. De man was in uniform. Hij droeg een korte witte broek, een blauwe pet en uniformjasje. Om zijn arm droeg hij een band met de tekst Jesus Christ Superstar. Het harmonieorkest stond stil. Na een commando draaide het orkest een kwartslag. Het stond nu met het front naar de concerthal. Alleen de grote trom speelde. Wederom een commando. De dirigent telde af. Kom nu met zang, vol zoete tonen, klonk een plechtig koraal dat stellig als aubade voor de Heiland was bedoeld. Het publiek zong mee en zwaaide op de maat met hun vlaggetjes.

‘Mijn naam is Sjostakovitsj, Dmitri Sjostakovitsj, componist van beroep, woonachtend op de artiflat, om precies te zijn op nummer 701. U zult zeker van mij gehoord hebben. Ik ben namelijk de componist van de Welkomstsymfonie, u weet wel, voor de Heiland. En dit is mevrouw Nokia, zij speelt voortreffelijk accordeon. Zij is mijn introducé. Laat ons er maar door, brave broeder.’ De toezichthouder twijfelde.

‘Ik heb mijn orders mijnheer Strotstakowits,’ zei hij toen.

‘Sjostkowitsj is de naam,’ onderbrak de componist hem. De toezichthouder nam het stel van top tot teen op.

‘Ik mag u helaas niet doorlaten. Orders van hogerhand. Het spijt me. Dus als u zo vriendelijk wilt zijn weer een plaatsje achter de hekken te zoeken?’ Het harmonieorkest marcheerde onder luid applaus af. Sjostakovitsj en Nokia keken elkaar vragend aan. De toezichthouder leek op zijn strepen te blijven staan. Er klonken weer flarden van toespraken door de luidsprekers. Even was het stil, waarna er symfonische muziek klonk. De componist sprong op.

‘Hoor, hoor!!’, riep hij met overslaande stem. Dat is mijn symfonie voor de Here Jezus! Mijn muziek!’ En inderdaad door de luidsprekers klonk nu Sjostakovitsjs Welkomstsymfonie. ‘Laat mij er door, laat mij er door,’ riep hij nu. En terwijl hij kleine Nokia bij haar arm greep renden zij richting Koninkrijkzaal.

 

Aan een paaltje bij de ingang voor de Koninkrijkzaal zat braaf om zich heen kijkend Lodewijk, het hondje van de huismeester.

‘Ze zijn er al,’ hijgde Sjostakovitsj, ‘ze zitten al binnen. We zijn godverdomme te laat, wat een toestand.’ Maar de componist sprak in het niets, want kleine Nokia was achterop geraakt. ‘Lieve Nokia, waar ben je nu,’ riep hij paniekerig. ‘Zonder mij kom je er niet in.’ Wat Sjostakovitsj niet had gezien was dat Nokia door veiligheidslieden tot stoppen was gebracht, vervolgens was weggeleid en nu streng werd ondervraagt in een soortement bouwkeet, een vuurrood houten huisje op wielen. Haar accordeon was in beslag genomen. Het werd gezien als een verdacht object. Door de luidsprekers klonk nog steeds de Welkomstsymfonie. De componist zelf zat op de laagste trede van de trap naar de ingang van de Koninkrijkzaal. Met zijn linker hand aaide hij Lodewijk, met de rechter dirigeerde hij zijn symfonie. Tranen biggelden over zijn wangen.

‘Wat hebben wij hier te zoeken?’ vroeg plotseling een norse stem. Wijdbeens, met de handen in de zij keek een volgende toezichthouder op de componist neer.

‘Sssst,’ siste Sjostakovitsj. ‘Een beetje eerbied voor de Welkomstsymfonie zou hier wel op zijn plaats zijn. U bent anders uw uniform niet waardig.’

‘Komt u even met mij mee,’ zei de man nu iets vriendelijker en voorzichtig nam hij Sjostakovitsj bij de bovenarm. ‘Ik zal u helaas moeten fouilleren, het is niet anders, het is in het belang van de veiligheid van onze Heiland.’ En zo geschiedde het. Tegen een blinde muur, aan de zijkant van de Koninkrijkzaal werd de componist gevraagd zijn armen in de lucht te steken en zijn benen iets uit elkaar te doen.

‘U zult begrijpen dat ik bij uw meerderen protest zal moeten aantekenen,’ zei Sjostakovitsj, die verder opmerkelijk rustig bleef. ‘Dit handtastelijke gedoe is absoluut beneden mijn waardigheid. Ik begrijp dat u slechts uw werk doet en ik moet u zeggen u doet dit voortreffelijk. U treft geen blaam. Het spijt mij u daarom te zeggen dat ik u toch zal moeten aangeven. Maar laat mij nu gaan, beste man. Ik heb wel iets beters te doen. Goedemorgen!’

Van binnenuit de Koninkrijkzaal klonk nu applaus. Ook zielen van achter de dranghekken klapten toen de laatste noot van de Welkomstsymfonie geklonken had. Dmitri liep naar het midden van de brede boulevard en een tikkeltje overdreven maakte hij een aantal diepe buigingen. Op dat moment kwam kleine Nokia aanlopen, een huilende Nokia. ‘Kom kleine meid, het is tijd om naar binnen te gaan.’ zei de componist. Hij legde zijn arm om haar schouder. ‘Niet huilen,’ troostte hij haar. Dmitri vond het vertederend dat hij met zijn symfonie een gevoelige snaar bij Nokia had geraakt. Maar in werkelijk was zij bedroefd over het gemis van haar accordeon. Toen zij tenslotte elkaars verhaal verteld hadden: de inbeslagneming van de accordeon en het gedoe met de fouillering, zuchtte Sjostakovitsj: ‘Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers,’ lieve Nokia, waarna de twee met de armen over elkaars schouder de trappen van de Koninkrijkzaal besteeg.


87 Voor Gods aangezicht

Zo ongeorganiseerd als de stoet artibewoners naar het Plein van de Hemelse Vrede was gelopen, zo uniform zaten zij nu in de rode kamer van de Koninkrijkzaal. Zij zaten zoals zij woonden. Vooraan, twaalf zetels voor de bewoners van de eerste etage en dan trapsgewijs omhoog, gelijk een bioscoopopstelling, de overige etages. Een ieder keek vol verwachting om zich heen in de hoop een glimp van de Messias op te vangen. Maar voorlopig liet deze zich niet zien. De rode kamer was een zaal met rijen rode veloursstoelen die deed denken aan een theater uit een ver verleden. Ook het dikke rode behang met gouden stiksels in de meest wonderlijke patronen en de diep rode vloerbedekking waren verantwoordelijk voor de naam de rode kamer.

De meute was zojuist teruggekeerd van de concerthal waar de Welkomstsymfonie was uitgevoerd. Een Jezus, voor wie de symfonie toch bedoelt was, was zoals gezegd nog niet gesignaleerd. Een ieder wachtte af. Hij was toch echt gearriveerd, wist een orderbewaarder te vertellen. Hij was er samen met een vrouw. De componist, de heer Dmitri Sjostakovitsj, had tot grote teleurstelling van de artibevolking en burgemeester mevrouw moeder Teresa verstek laten gaan. Huismeester Gerrit Smit, die op eigen gezag de regie in handen had genomen, leek zich de afwezigheid van de componist aan te trekken. Hij had echter geen idee waar de man zich op dit moment zou bevinden.

Test een twee drie vier… klonk er plotseling door de rode kamer. Een ieder schrok op uit zijn gebed of gepeins. Daar zou je het dus hebben. De Heer had een microfoon nodig, natuurlijk, en die diende eerst uitgetest te worden. Hallo, hallo… test, een twee drie vier… Het geroezemoes onder de artibevolking ging nu over in een absolute stilte. Men wist niet waar men diende te kijken. Zou de Heer van achteren komen, van boven, van voren, van onder…? Hoe dan ook, de energie van de spanning werd plotseling nu heel voelbaar. Test, een twee drie…

‘Kom kleine Nokia, niet huilen, we moeten naar binnen. We kunnen de Heiland niet laten wachten.’ Vooraan op het toneel verscheen de componist Dmitri Sjostakovitsj met aan zijn zijde een kleine vrouw. Zij hadden per abuis een verkeerde ingang genomen.

‘Daar heb je Sjors!’ werd er geroepen vanuit de zaal. Een ieder leek op te veren. Daar was hij dus toch. Een aarzelend applaus klonk. Maar weldra klapten de meesten van de tweeënzeventig aanwezigen. Bravo! Werd er van alle kanten geroepen. ‘Good job mister,’ riep een enthousiaste Frederik Händel van de zevende stoelenrij. ‘Mooie symfonie, Sjors,’ riep een onbekende stem. ‘We zijn trots op je!’ Sjostakovitsj had door het felle licht van schijnwerpers moeite om de zaal in te kijken.

‘Wat hebben wij hier te zoeken,’ klonk plotseling een stem waarvan Sjostakovitsj de persoon niet kon onderscheiden. De componist zijn ogen zochten de figuur die hem zo autoritair aansprak. Het bleek wederom een ordebewaarder te zijn. Voor een moment was het stil op het podium van de rode kamer. In de zaal zelf had men schik om de onverwachte toneelvoorstelling. Er klonk gemompel en gelach. Toen antwoordde de componist ongehoord fel:

‘U bent de derde die mij vandaag aanspreekt op mijn gedrag, en u moet weten dat ik daar zo langzamerhand genoeg van heb.’ Het licht in de rode kamer floepte plotseling uit. Aan de wanden werden kaarsen ontstoken. Het geheel gaf een ietwat geheimzinnig beeld. ‘Gaat u uit de weg en zeur niet,´ fluisterde Sjostakovitsj. ‘Doe iets nuttigs en breng een bakje water naar het hondje dat voor bij de ingang aan het hek zit.’

‘Wie bent u en wie is deze vrouw,’ vroeg de stem in het duister zonder in te gaan op de componist zijn opmerking.

‘Mijn naam is Sjostakovitsj, Dmitri Sjostakovitsj, componist van beroep en deze vrouw is mijn introducé en sinds kort mijn relatie. Ze is door uw collega´s haar accordeon kwijt geraakt omdat men dacht dat deze explosieven zou bevatten. Hoe bedenken ze het, kleine Nokia die een aanslag op de Heiland zou willen plegen. Gelooft u mij, deze vrouw is de goedheid zelve.’ Terwijl hij deze woorden uitsprak sloeg hij liefdevol een arm om zijn kleine vriendin. ‘Maar laat ons nu door zodat wij onze plaats op kunnen zoeken. Wij komen voor de Heiland en niet voor lieden als u. En ik zou verder maar een beetje op mijn woorden letten als ik u was. De almachtige ziet en hoort alles, dus ook het gewauwel van u en uw collega´s. Hij moet zich trouwens hier op dit moment ergens bevinden.’ Toen verschenen daar burgemeester mevrouw moeder Teresa en huismeester Gerrit Smit. Deze laatste droeg een zaklamp met zich mee. Toen de ordebewaarder de burgemeester zag en in de gaten kreeg dat Sjostakovitsj toch wel een belangrijk figuur was, maakte deze zich uit de voeten.

‘Meneer Sjostakovitsj wat een geluk, daar bent u dan toch, welkom,’ groette de burgemeester en ze klapte van vreugde in haar handen. ‘Wij hebben van uw symfonie genoten! U bent precies op tijd om de Heiland te verwelkomen.’

‘Als ik het wel heb,’ zei de huismeester, terwijl hij met zijn zaklamp in het gelaat van kleine Nokia scheen, ‘bent u de muzikant die ik gister toestemming gaf om enige uren voor de flat te musiceren. Komt u met mij mee, voor ons lieden zijn aparte plaatsen gereserveerd.’ De huismeester nam Nokia bij haar arm en begeleidde haar naar het trapje onderaan het podium. ‘Tweederangs plaatsen, als u begrijpt wat ik bedoel, fluisterde hij haar nog toe. Klapstoeltjes!’

 

In een gesloten balkon boven het toneel achter geblindeerde ramen zaten Jezus en Magda. Zij keken naar beneden.

‘Daar zit dan de artiflat.’

‘Allemaal kunstenaars?’

‘Allemaal kunstenaars.’

‘Weet je al wie wie is?’

‘Bijna.’

‘Die kale, op de een na achterste rij?’

‘De kunstschilder Picasso, de oudste van de flat. Klein van stuk maar groot van kunst. Helaas niet vaak begrepen. Zelfs hier begrijpt men maar mondjesmaat zijn werk. Hij had muurschilderingen voor de artiflat ontworpen. Ze zijn domweg afgekeurd. Volgens een commissie waren ze te obsceen. Ik zou trouwens niet bij hem in de buurt komen als ik jou was, lieve Magda.’

‘Vertel.’

‘Hij laat geen vrouw met rust.’

‘Spannend. Staat-ie ook op je lijstje?’

‘Ja, hij wil alsnog zijn muurschilderingen maken.’

‘En?’

‘Van mij mag ie.’

‘Lief van jou.’ Magda gaf haar vriend een high five. ‘Wie zit er naast hem?’

‘Mevrouw Alma Mahler.’

‘Ken je haar?’

‘Femme fatale. Zij is net andersom. Zij laat geen man met rust.’

‘Een mannengek.’

‘Zij lust er wel pap van.’

‘God nog aan toe, dat je dat allemaal weet.’

Op het moment dat Dmitri Sjostakovitsj door de burgemeester naar zijn plaats op de zevende rij werd geleid, werd Nokia, de vriendin van de componist door huismeester Smit naar de zijlijn van de rode kamer gebracht waar zij plaats nam op een van de reservebankjes. Op last van een ordebewaarder nam de huismeester daar zelf ook plaats. De zaallichten waren weer aangegaan, zij het gedimd. Op de achtergrond klonk orgelmuziek. Alles leek er op dat de Heiland nu ieder moment zou kunnen verschijnen.

‘Ik ben Nokia, zei Nokia tegen de vrouw die naast haar zat. Ik ben de vriend van de componist van de Welkomstsymfonie. Nokia schudde de hand van juffrouw Annette. Ze keken elkaar aan. De zaal was in het vrijwel duister, de twee hadden daarom niet direct door dat zij elkaar kenden, kenden van het bruine gebouw, de slaapzaal, de dokter.

‘Nokia,’ fluisterde Annette verbaasd. ‘Ben jij het echt?’

 

‘En die jongen midden op de voorste rij?’ vroeg Magda

‘Hij beweert in de verkeerde hemel te zitten. Hij is een volgeling van Zarathoestra.’

‘Van wie?’

‘Zarathoestra, een collega van mij.’

‘Wat ziet-ie er uit.’

‘Niet alledaags, dat ben ik met je eens. Maar er zit geen kwaad in hem. Hij is een lieve jongen.’

‘Staat ie ook op je lijstje?’

‘Hij wil hier weg.’

‘En?’

‘Ik zal hem niet tegenhouden.’

‘Goed van jou.’ Magda struinde in haar tasje. Ze zocht naar haar sigaretten. ‘Wil je ook roken?’ vroeg ze.

‘Dank je, ik doe hem net uit.’

 

Juffrouw Annette en Nokia zaten hand in hand op de klapstoeltjes aan de zijkant van de zaal. Nokia had haar vriendin zojuist toegefluisterd dat ze bevriend was met Sjostakovitsj.

‘Ik heb ook kennis aan een artibewoner. Hij heet Otis en is liedjeszanger. Kijk, daar zit hij, op de hoek van de voorste rij, de man in het rode trainingspak.’

‘Hij lijkt mij een mooie man, zei Nokia. Is het een nikker? Juffrouw Annette keek haar kleine buurvrouw bedenkelijk aan.

‘Ja, hij is donker van kleur.’

‘Die zingen als de beste.’ Juffrouw Annette knikte en zwaaide tegelijkertijd naar de man in het rode trainingspak.

 

Wat nauwelijks met het blote oog waarneembaar was, was dat het balkon met de heilige gasten zich uiterst traag naar beneden bewoog.

‘En die twee troelala´s op de derde rij?’

‘Vriendinnen.’

‘Ja, dat ziet m´n neus ook.’

‘Nannie en Fannie.’

‘Je hebt je huiswerk goed gedaan’ Jezus glimlachte en kneep zijn vriendin in haar bovenbeen.

‘Ze zitten hand in hand, als ik het goed zie. Zijn ze lesbisch?’

‘Dat kan, maar daar heb ik geen gegevens over.’

‘Sta je dat eigenlijk toe?’

‘Wat?’

‘Lesbisch zijn.’

‘Ik ben er niet happig op. Vader heeft het in ieder geval niet zo bedoeld.’

De zielen in de rode kamer werden onrustig. Men had intussen gemerkt dat het balkon zich naar beneden bewoog. Ze zullen daar inzitten, werd er gefluisterd. De orgelmuziek zwol aan. De zaallichten werden nog meer gedimd. Schijnwerpers volgden het balkon. Vlak voor de bewoners van de eerste rij werd tot aan het trapje van het podium een loper uitgerold.

‘Kijk mama,’ riep plotseling een jongetje dat op een van de reserve bankjes bij een mevrouw op schoot zat. ‘Kijk mama, het balkon beweegt, het komt naar beneden.’.

 

‘Wie is dat jongetje?’ wilde Magda weten.

‘De zoon van Wolf von Goethe. Vader zit op de achterste rij, tweede van links. Het joch is bij toeval bij zijn vader beland. Er is trouwens ook een moeder op komen dagen.

‘Een ontregeld gezin.’

‘Zo zou je het kunnen noemen.’

 

Een groepje ordebewaarders stond al geruime tijd voor de reservebankjes aan de zijlijn van de rode kamer. De gezetenen werden verzocht de zaal te verlaten. Burgemeester mevrouw moeder Teresa probeerde er van alles aan te doen om de randfiguren, zoals de purgatijnen door de ordebewaarders werden aangesproken, in de zaal te houden. Het mocht niet baten. Veiligheid voorop, liet een hoge ordebewaarder weten. Deze had om zijn hogere rang kenbaar te maken een rode bies op zijn witte korte broek. En zo gebeurde het dat juffrouw Annette, kleine Nokia, Lieve de mama van het jongetje, Wigbert de barkeeper en huismeester Smit de rode kamer moesten verlaten. Enkele zielen, gezeten op de roodpluchen stoelen lieten een afkeurend gefluit en boegeroep horen. Het jongetje holde naar zijn vader op de negende rij.

‘Kun je daar niets aan doen?’ vroeg Magda.

‘In dit opzicht ben ik een machteloze almachtige,’ antwoordde haar vriend.

Plotseling klonk er trompetgeschal. Het balkon had zijn juiste positie bereikt. Een onzichtbaar koor zong Gloria. Het Gloria van Vivaldi, een bewoner van de artflat. Het was een complete verassing voor deze roodharige componist. Op de vierde stoelenrij, middenin, stond de gelukkige Tonio Vivaldi op zijn stoel. Hij had zijn armen gespreid en schreeuwde het uit van trots en vreugde:

‘God zij geprezen,’ riep hij luid. Dank je wel organisatie dat jullie mijn Gloria uitgekozen hebben voor de verwelkoming van de Heer. Voor Tonio Vivaldi kon de Dag des Heren niet meer stuk!

Het meeste was haar ontgaan. Als een oud vrouwtje zat ze daar. Weinig was er over van de kwieke oude dame van nummer 107. De hele ochtend had ze haar parelketting als rozenkrans door haar vingers doen rollen. Heen en terug en weer heen. Terwijl haar medebewoners gespannen op de komst van de Heer wachtten, bad Marlene Dietrich keer op keer het Onze Vader. Bij ieder kraaltje lispelde zij onhoorbare zinnetjes. Ja, ze had ze gezien, de bruine jongen van het hoekappartement hand in hand met de juffer van de wasserette. En Pablo de kunstschilder kon ze ook wel schudden. Hij scheen close met Alma Mahler.

‘Heer vergeef me,’ bad ze nu. Ze was van plan van nu af aan niet meer met manvolk om te gaan. Ze walgde van zich zelf over de onzin die ze had uitgekraamd aan het adres van Otis, de zanger. Hoe ze haar zinnen op hem had gezet. Ze wilde dit alles zo spoedig mogelijk vergeten. Ze had zich vandaag ook niet opgetut. En ook haar kleding was verreweg van opvallend, een eenvoudig zwart jurkje en een bijpassend hoedje. Voortaan zou ze haar ziel en zaligheid aan de Heer wijden.

 

De lichten in de rode kamer waren nu geheel gedoofd. De spanning was te snijden. Het balkon, dat nu eigenlijk geen balkon meer was baadde in het licht. Langzaam schoven de donker getinte ramen als een schuifpui uit elkaar. Binnen brandde een flauw licht. Twee schimmen waren zichtbaar. Het machtige Gloria was ten einde. Een gong klonk. Daarna sprak een onbekende stem:

‘De audiëntie van de artibewoners is aangevangen. Luistert u naar uw naam en treedt naar voren.´ Het was nu ongenadig stil. Een ieder hoopte dat zijn naam zou klinken. Daarna sprak de stem: ‘Mevrouw Maria Magdalena Dietrich, wilt u naar voren komen? En denkt u om het opstapje?’ Zuchten en gemompel in de zaal. Een ieder keek naar de voorste rij. Marlene Dietrich stond vertwijfeld op, sloeg de hand voor de mond en riep:

‘Oh My God!’

___________________________________________________________________

Epiloog Boek 1

Zes artibewoners hadden tijdens de Dag des Heren het voorrecht om bij de Heiland op audiëntie te gaan: mevrouw Marlene Dietrich, het koppel Franz Schubert en Maria Callas, Wolf von Goethe en de vriendinnen Nannie Mozart en Fannie Mendelssohn.

Nog dikwijls droomde Marlene Dietrich haar droom over het giga-appartement op de vijfde etage. Het zou toch niet waar zijn dat zij daar ooit zou komen te wonen. Maar het tegendeel bleek, de Heiland had haar ontdekt. Eindelijk was daar de langverwachte erkenning. Ja, La Dietrich had het ver geschopt in het hiernamaals. Van purgatijn tot uitverkorene en dan ook nog op de vijfde etage van de artiflat. Nog hoorde ze de microfoonstem in de Koninkrijkzaal als eerste haar naam noemen: Mevrouw Maria Magdalena Dietrich wilt u naar voren komen… O my God, had ze een beetje oneerbiedig uitgeroepen. Met ruim zeventig paar ogen van medebewoners op haar gericht was ze naar het podium gelopen. Nog hoorde zij de fluwelen stem zeggen: Mevrouw Maria Magdalene Dietrich, wees niet bevreesd, uw gebeden zijn verhoord. U kunt uw intrek nemen in appartement nummer 504. Ze had haar handen ineen geslagen en voor de tweede keer geroepen: –O my God. Toen was ze op haar knieën gezonken en verder wist ze niets meer…

De vriendinnen Nannie en Fannie, het setje van de derde etage hadden eveneens meer leefruimte gekregen. Er werd toestemming gegeven om de muur tussen hun woningen 306 en 307 door te breken. In de oorkonde, behorende bij de audiëntie werd vermeld dat Nannie Mozart en Fannie Mendelssohn steunpilaren waren van het koor de Dames van de Derde en met hun optimisme als voorbeeld golden voor hun medebewoners op de arti.

Stapel waren zij op elkaar, Franz Schubert en Maria Callas. De Heer moet dit gezien hebben want het koppel had zijn zegen ontvangen. De zangeres zou haar intrek mogen nemen op nummer 804 en zou binnenkort mevrouw Schubert genoemd mogen worden.

Met de billen bij elkander was Wolf von Goethe voor de Heer verschenen. Hakkelend had hij Hem doen geloven dat hij zijn vriendin Lieve vooral in huis had genomen om een moeder voor het jongetje te zijn. De Heer had hem zwijgend aangehoord en slechts geknikt. Het jongetje mocht in geen geval de dupe worden van het onverantwoordelijke gedrag van twee volwassenen! Terug op zijn plaats in de Koninkrijkzaal had Wolf een aantal keren luid geroepen: God is liefde!!

 

En hoe was het de overige artibewoners vergaan? Voor sommigen was het moeilijk wennen nu de Dag des Heren voorbij was. Het leek alsof zij de spanning, misschien de sensatie rond de komst van de Heiland misten. Er waren lieden die met hun eigen ziel onder de arm liepen, zielen die moeilijk hun draai naar het alledaagse konden vinden. Wigbert, de barkeeper van de Nadorst had misschien wel het meeste last van de malaise rond de arti. Vaste bezoekers bleven weg. Waar bleven Marie Monroe, Dmitri Sjostakovitsj, Vincent van Gogh en de anderen? Maar toen de zon haar oude kracht hervonden had en het strelend briesje zich weer liet voelen, leek langzaam maar zeker alles weer zijn normale gang te vinden.

Allereerst klonk daar op één van de eerste zonnige middagen op het grasveldje achter de flat de heldere kinderstem van het jongetje, de zoon van Wolf von Goethe. Samen met het enthousiaste geblaf van Lodewijk, het hondje van de huismeester lokte hun spel verschillende artibewoners naar de galerij. Vrolijk spel ook vanaf de eerste. Sinds kort klonken daar trompetklanken uit het huisje van Chet Baker. Chet had eindelijk zijn trompet. Het was een raadsel hoe hij aan het instrument was gekomen. Verpakt in een prachtig foedraal lag de trompet in de vroege avond na de Dag des Heren bij zijn voordeur. Wie daar achter zat, Chet had geen idee. Minder gelukkig was trompetspeler Miles Davis van de vierde. De ongelukkige musicus was wegens wangedrag gedegradeerd naar de eerste etage, de voormalige woning van Marlene Dietrich.

Wat woongenot betrof was Wigbert de barkeeper erop vooruitgegaan. Woonde hij voorheen met Gerrit Smit de huismeester in een belabberd optrekje op de begane grond en was hij gedoemd te slapen op de onderste helft van een stapelbed met ook nog het alsmaar hijgende, likkende en krabbende hondje Lodewijk onder zich, thans bezocht hij vrijwel dagelijks het flatje van Freddie Queen. Nu burgemeester mevrouw moeder Teresa besloten had tot betere huisvesting voor purgatijnen, had Wigbert toestemming gekregen om in te trekken bij zijn vriend Freddie. Naar verluid had de Heiland zelf daar absoluut geen moeite mee. Freddie was sinds de Dag des Heren gelukkiger dan ooit nu hij Wigbert dagelijks in zijn armen kon sluiten. De twee vrienden hadden elkaar intussen eeuwige trouw beloofd. Met geen woord repte Freddie meer over zijn god Zarathoestra. Hij speelde zelfs met de gedachten zich om te laten dopen tot christen.

Lof kreeg mevrouw Klaartje Wieck toegezwaaid. Zij werkte als vrijwilligster in huize 603. Dankzij het aan haar toegekende persoongebonden budget was zij in staat de in de war zijnde componist Robert Schumann een aantal dagen per week te verzorgen.

Een rigoureuze verhuizing beleefde de Herr von Karajan, de man die al geruime tijd in onmin leefde met zijn omgeving. De dirigent kreeg een appartement toegewezen in de Toren van Babel in Sint-Petrusburg.

En hoe verging het Dmitri Sjostakovitsj? Aanvankelijk dacht men dat de componist bezig was met het voltooien van zijn welkomstsymfonie. Maar niets was minder waar. Nu de Dag des Heren voorbij was ontbrak het de musicus aan inspiratie om het werk compleet te maken. Sommige medebewoners dachten dat de maestro zich niet meer durfde te vertonen na zijn ongelukkige val van de barkruk. Maar dit was niet de werkelijke reden. Sjostakovitsj was een latrelatie aangegaan met kleine Nokia, de accordeoniste uit de kunstenmakerskolonie de Trapeze. Meerdere dagen per week wandelde de componist naar de andere kant van de stad om zich daar bij Nokia te voegen.

De schilder Pablo Picasso leek het erg naar zijn zin te hebben nu de grote dag voorbij was. In de eerste plaats was daar de mooie Alma Mahler, de vrouw waar hij zijn zinnen had op gezet. Hij voelde zich volledig op zijn gemak bij deze intellectuele en kunstzinnige vrouw. De tweeënnegentig jarige schilder vond het zo langzamerhand tijd worden dat het rollebollen met de vrouwtjes afgelopen moest zijn. Een andere reden van zijn optimale humeur was dat hij nu alsnog zijn muurschilderingen op de flat mocht aanbrengen.

Wat al een tijd in de lucht hing, was dat Alma Mahler uit de Dames van de Derde op non-actief was gesteld. Zij leefde al geruime tijd in onmin met Maria Callas de leidster van het koortje. Haar plaats zou opgevuld worden door maar liefst vijf dames die al geruime tijd op de wachtlijst stonden: Billie Holiday, Edith Piaf, Mahalia Jackson, George Sand en Klaartje Wieck.

Voor de vrome musicus Bastiaan Bach, voor vrienden en bekenden kortweg meneer J.S. was de Dag des Heren één van zijn mooiste dagen in het rijk der hemelen geworden. Uit handen van Maria Magdalena had de bescheiden componist organist de eremedaille van de stad Johannesburg ontvangen. Ook mocht hij zich voortaan hofcomponist van de Heiland noemen.

De vleselijke lusten van doctor Anton Bruckner waren hem duur komen te staan. Heer ik wist niet wat ik deed, had hij keer op keer gebeden. Het leek dat zijn gebeden waren verhoord, want tijdens de audiëntie had Jezus er met geen woord over gerept. Maria Magdalena had hem echter een ondeugende knipoog gegeven.

Het had niet veel gescheeld of de wasserette op de begane grond had zijn deuren moeten sluiten. Juffrouw Annette was streng toegesproken door een afgezant van mevrouw burgemeester moeder Teresa. Het was treurig hoe de juffrouw met het weke gestel van doctor Bruckner was omgegaan. Zou deze ziekelijke vriendschap langer doorgaan, dan moest juffrouw Annette erop rekenen teruggezonden te worden naar het purgatorium. Er werd verder met geen woord gerept over haar vriendschap met Otis Redding.

Vincent van Gogh en Zusje konden hun geluk niet op. Vrijwel iedere dag gingen zij erop uit om in de velden achter de arti te gaan schetsen, schilderen en elkaar te beminnen. Café de Nadorst had Vincent voorlopig achter zich gelaten. Lautrec zou het voortaan zonder zijn drinkmaatje Van Gogh moeten doen.

En tot slot Frank Zappa en Marie Monroe. Het was een gouden greep van de Here Jezus geweest om het stel naast elkaar te laten wonen. Door de artibewoners werden zij als ondeugende tortelduifjes omschreven. Maar wat Frank al vermoedde, was dat Marie niet de seksbom was waar iedereen het altijd over had, maar dat er een bijzondere gevoelige en lieve vrouw in haar school. Frank had haar lief!

 

Vers bloed aan de hemelpoort. Van de duizenden zielen die dagelijks de Aankomst passeerden en vervolgens in de gerechtsgebouwen van het Dies Irae gescreend werden vonden twee uitverkorenen de weg naar de artiflat: zangeres Amy Winehouse en zanger acteur Frank Sinatra. Zij kregen de appartementen 107 en 303 toegewezen. Spoedig zou blijken dat de twee het uitstekend naar hun zin hadden in de artiestenflat.

Juni 2015


88 BOEK 2 – Een nieuwe dag

EEN NIEUWE DAG

Het was de volgende dag, de dag na de Dag des Heren. De artiflat was in rust. De enige beweging die er viel te bespeuren was in het café de Nadorst.

Wigbert de barkeeper stond in het midden van zijn café. Zojuist had de vrachtrijder vers spul gebracht. De bitterballen en doosjes saté lagen reeds in de vriezer, de tonnetjes bier en kratten fris in de kelder. Een beetje mistroostig keek hij om zich heen. Zo’n bende was het niet eerder geweest. Hij moest opruimen, en snel. Straks zouden de eerste koffiedrinkers zich melden, koffiedrinkers met hun verhalen. Vast en zeker emotionele verhalen over gisteren. Hij schonk zich een biertje in, iets dat hij normaal om deze tijd nooit deed. Het was nog vroeg. Hij had geen zin om koffie te maken. In een traag tempo zette hij de krukken van de bar op de vloer. De stereo, natuurlijk, hij moest muziek hebben. Luid blèrde hij het lied Imagine mee. Terwijl hij asbakken ledigde en de bar schoonpoetste zag hij zichzelf in de spiegelwand. Hij vond dat hij er goed uitzag in zijn bloemetjesoverhemd. Voortaan zou hij geen T-shirt met spijkerbroek meer dragen. Vanaf vandaag moest hij er voorbeeldig uitzien. Hij moest met zijn Freddie door één deur kunnen. Hij deed een stap naar voren om zich beter te kunnen zien. Zijn kale hoofd verscheen in de spiegelwand. Ook zijn oorring beviel hem. Hij was met meneer Händel van 703 de enige die zo’n sieraad droeg, al droeg Händel er een kruisje aan. Wig fronste de wenkbrauwen. Het leek alsof hij schrok. Hij zag er toch niet te nichterig uit in dat bloemetjesoverhemd, vroeg hij zich plotseling af. Wat zouden zijn klanten wel niet van hem vinden? Moest hij zich toch maar niet even snel omkleden en zijn slobberige spijkerbroek en zwarte T-shirt weer aandoen? Viel Freddie niet op hem zoals hij er normaal uit zag. Geilde hij niet op bouwakkertypes, en vergeleek hij Wigbert daar soms niet mee?

Hij opende de gordijnen van de gelagkamer. Een vreemd gevoel bekroop hem. Hij wilde liever nog niet aan vanavond of vannacht denken. Hij kreeg nu al de bibbers. Hoe hij na sluitingstijd de trap naar de eerste etage zou nemen, in plaats van naar het hokje op de begane grond, het hokje waar hij al tijden woonde met Gerrit Smit en zijn hondje. Het was dus waar. Hij zou bij Freddie mogen intrekken. Hij zou voortaan deel uitmaken van de arti-gemeenschap. Hij zou in de lift staan met zijn idolen Elvis Presley en John Lennon. Hij zou eindelijk verlost zijn van het stapelbed, de snurkende Smit en het smakkende hondje Lodewijk. Maar dit alles had ook zijn schaduwzijde. Hij huiverde bij de gedachte over het bezoek dat hij vanmiddag zou moeten afleggen bij vreemdelingenzaken. Hij diende zich daar te melden voordat hij zijn intrek zou nemen op nummer 108. Hij moest officieel geregistreerd worden als inwoner van Johannesburg. Hij had er weinig zin in, maar Freddie had hem geboden om het te doen. Bang was hij echter wel, hij had wel eens gehoord dat er purgatijnen rondliepen met een chip in hun rug…

Hij zette de bruine stoelen netjes onder de tafeltjes. Door het voorraam zag hij in de verte het jongetje aan komen dat gisteren aanwezig was bij de Dag des heren en waar van gezegd werd dat hij de zoon was van Wolf von Goethe van nummer 902. Het jongetje dat zich nogal luidruchtig had gedragen tijdens de plechtigheden van gister. Achter het jongetje drentelde Lodewijk. Handig voor Smit, mompelde Wig, zo’n uitlaat service. Ook werd zijn aandacht gevestigd op een van de bankjes rond het bruidsboeket. Twee personen zaten daar. Volgens hem zaten ze daar al geruime tijd. Onbekenden, zo op het eerste gezicht. Van hem uitgezien betrof het een oudere heer en een jonge dame. Wig keek op zijn horloge en zag dat het kwart voor negen was. Wat deed hij hier zo vroeg, vroeg hij zich voor de tweede keer af. Ach ja, de vrachtrijder. Normaal opende hij rond half elf de deuren. Elf uur verschenen meestal de eerste koffieklanten. Maar dat zou vandaag stellig anders zijn. Hij spoelde zijn glas en tapte een nieuw glas bier in. Ondanks het vroege uur smaakte het bier hem best. Terwijl hij het koffiezetapparaat aanzette zag hij hoe het jongetje naar de twee personen op het bankje liep. Vervolgens opende hij de terrasdeuren. Voor een moment bleef hij roerloos staan. Toen barstte hij in lachen uit.


89 Contactadvertentie

HUISMEESTER SMIT  LODEWIJK  HET JONGETJE  MAHALIA JACKSON  

Huismeester Gerrit Smit zat die ochtend op zijn krukje voor de toonbank in een nieuwe Singel te bladeren. De winkeldeur stond half open. Het weer leende zich daar uitstekend voor. De zon scheen zacht en er woei een aangenaam briesje. Alles leek er op dat het een prachtige dag zou worden. De vrachtrijder was geweest en Smit was zeker een uur bezig geweest met het uitpakken en op zijn plaatszetten van allerlei. Ook had hij zojuist zijn voorraad en administratie bijgewerkt. Binnensmonds mopperde hij dat hij aanzienlijk minder sigaretten had verkocht dan voorheen. Sinds Wigbert een sigarettenautomaat had hangen was bij hem de verkoop danig achteruit gelopen. Sigaretten verkopen hier in de arti was een goede handel. Smit schudde mistroostig zijn hoofd. ‘Klootzak,’ mopperde hij, doelend op Wigbert de barkeeper. Hij bladerde verder in de Singel. Nu alles zo goed als op zijn plaats stond had hij het touwtje van het pakketje met Singels losgesneden en had het bovenste blaadje ter hand genomen. Het meest nieuwsgierig was hij naar de pagina vrouw zoekt man omgeving Johannesburg. Hij las de advertenties stuk voor stuk, eigenlijk verslond hij ze. Hij hield er van om naar vrouwen te kijken die hij niet kende en die ook nog eens om een man verlegen zaten. Niet dat hij op zo’n advertentie zou reageren, maar toch. Hij had het er wel eens met Wigbert over gehad, maar die was van de mannen en in de Singel ging het enkel over koppels van heteroseksuele aard. Trouwens, hij had genoeg aan Lodewijk zijn hondje. Aan zijn lijf voorlopig geen polonaise.

Huismeester Smit was blij dat Wigbert bij Freddy Queen introk. Er zou nu flink wat meer ruimte voor hem alleen zijn, al bleef het een armzalig hokje. Hij moest nog nadenken over een nieuwe inrichting. Wat zeker was, dat het stapelbed moest verdwijnen. Hij zou het hier en daar ook een likje verf kunnen geven, en een fatsoenlijk kleedje op het beton. Ook wilde hij nu eindelijk ook eens een gezellig zitje. Hij zou eerdaags bij Het Goed langsgaan. Voor nieuwe spulletjes had hij geen geld. Purgatijnen hebben nu eenmaal geen geld, mopperde hij.

Zijn oog bleef rusten op een advertentie. Hij hield het blad dichterbij. ‘Krijg nou wat!’ Riep hij luid. ‘Ik zal doodvallen als dat mevrouw Jackson van 205 niet is.’ Hardop las hij: Vitale donkere vrouw, enigszins gezet, Christen, houdt van wandelen, een goed gesprek, een goede maaltijd, kerkbezoek, zoekt sportieve man in de omgeving van Johannesburg…

‘Meneer Smit, heeft u een paar rolsigaretten?’ Smit schrok op van zijn leeswerk. Hij had het jongetje niet horen binnenkomen.

‘Op jouw leeftijd roken we nog niet jongeman,‘ antwoordde de huismeester afwezig.  Zijn gedachten waren bij mevrouw Jackson. Hij stond op van zijn krukje. ‘Waar is Lodewijk?’  vroeg hij aan het jongetje.

‘Bij de mevrouw en meneer daar op het bankje.’ Het jongetje wees hun richting uit. Dat was waar ook, er zaten al geruime tijd twee personen bij het bruidsboeket, personen die hij hier niet eerder in de buurt had gezien. Hij had er geen aandacht aan geschonken, hij had het gewoonweg te druk gehad met het inruimen van zijn winkeltje. Hij legde de Singel terug op het stapeltje. ‘Die meneer en mevrouw hebben zin in een sigaretje,’ zeurde het jongetje door.

‘Dan kunnen ze bij mij een pakje kopen,’antwoordde Smit een beetje kribbig terwijl hij de winkeldeur geheel openzette en met een wig vast klemde. Zelf ging hij een beetje opzichtig in het midden van de deuropening staan. Hij nam zijn pakje sjek te voorschijn en maakte aanstalten een sigaret te rollen.

‘Ja, die bedoel ik,’ riep het jongetje. Hij maakte van plezier een sprongetje. Even later holde het jongetje met een paar vloeitjes en een handje tabak naar de vreemdelingen. De huismeester floot naar zijn hondje en dacht wederom aan mevrouw Jackson.

Smit nam weer plaats op zijn krukje en nam het contactenblad  weer voor zich. Snel zocht hij naar de advertentie van mevrouw Jackson. Hij herlas de tekst een aantal keer. Voor een moment staarde hij voor zich uit en probeerde haar beeltenis voor zich te krijgen. Groot, dik en zwart. Mooie ogen had ze, en grote tieten. Halleluja voor en na. Op de artiflat deden ze soms lacherig over haar. En Smit deed daar net zo hard aan mee. Godsdienstwaanzin, daar leed ze aan. Hij had nu eenmaal niets met kerken. Iedere dag kon je haar zien lopen, hoedje op, tasje in haar ene hand en de ander door de arm van haar vriendin van 606 Frau von Bingen, de non, op weg naar de Sint-Jan. Gek, mompelde hij, dat hij plotseling zo in haar geïnteresseerd was. Het leek warempel alsof hij  haar aantrekkelijk vond.  Natuurlijk, hij hield van gezette vrouwen, en dat mevrouw Jackson een donkere huidskleur  bezat, daar was wel overheen te komen. En ook de kerk nam hij wel op de koop toe. Maar hij had er nooit bij stilgestaan dat de vrouw gevoelens bij hem zou oproepen.

Soms tijdens een moment van helderheid van geest zag hij zich samen met een donkerharige vrouw met rode lippen en gouden oorbellen. Dat was indertijd in zijn loodgieterswinkel. Een heerlijke vrouw was dat geweest. Ook zag hij bij tijd en wijlen zijn tweeling Karin en Ellen. Hoe zou het met hen gaan, dacht hij dan. Zouden ze het wel redden zonder een goedlopend gezin. ‘Niet doen, niet doen,’ riep hij plotseling luid. Hij voelde het weer aankomen, de beelden van weleer, een moment van helderheid van geest, werd het genoemd in het hiernamaals. ‘Godverdomme, dat ik daar nu weer aan moet denken,’ schold hij. Hij droogde zijn tranen en trapte het krukje door de winkel.

En zo zat die ochtend huismeester Gerrit Smit met de Singel in zijn hand over zijn bovenbuurvrouw van 205 te fantaseren. Moest hij op de advertentie reageren?  Brieven onder nummer, had hij gelezen. Maar daar had hij geen trek in. Hij zou haar eerdaags wel tegenkomen. Zo ongeveer eens in de veertien dagen bezocht ze zijn winkeltje voor thee en koekjes, en vrijwel iedere dag zag hij langskomen als ze met de non ter kerke ging. Later als hij zijn hokje op orde zou hebben zou hij haar een keertje op de thee vragen, besloot hij nu… of… ‘Ben ik wel goed in mijn hoofd, ‘ riep hij plotseling fel. ‘Ben ik nu helemaal gek geworden.’  Resoluut stond hij op, zette het krukje weer op zijn plaats, liep naar de deur en floot snoeihard op zijn vingers.


90 Amy en Frank

AMY WINEHOUSE  SINATRA  WIGBERT  HET JONGETJE  HUISMEESTER SMIT

Ze zaten aan een van de bruine tafeltjes in café de Nadorst, de nieuwelingen Frank Sinatra en Amy Winehouse. Zij kende hem wel, maar ze wist zo een twee drie niet waar van. Hij kende haar niet. Ze keken naar de handelingen van de kale man in het bloemetjesoverhemd. Hij had hen zojuist koffie gebracht.

‘Leuk dat er hier ook homo’s zijn,’ had Frank gefluisterd. Amy had het uitgeproest. Even later had de barkeeper een pakje aangebroken sigaretten gebracht.

‘Van het huis,’ had hij gezegd. ‘

‘God, wat een aardige vent,’ had Amy gefluisterd. Ze gaf de barkeeper een dankbare glimlach. Daarna waren ze als een stel gekken aan het roken geslagen. Het jongetje had hen naar de huismeester gebracht. Deze zou in het magazijn kijken naar nog enkele stukken huisraad. Tot zo lang zouden ze bij Wig in de Nadorst een kopje koffie aangeboden krijgen van het dagelijks bestuur. Het jongetje zat nu aan een rietje te zuigen op een hoge kruk aan het midden van de bar, op de plaats waar de componist Sjostakovitsj gewoonlijk zit. Op de bar lagen de losse onderdeeltjes van zijn Jacobus poppetje dat hij bij McDonalds had gekregen. Het jongetje was in gesprek met de barkeeper. Zijn stem kwetterde door het café. Het was een koddig gezicht dat jochie in zijn witte overallpakje met korte broek. Zijn beentjes wapperden boven de vloer.

‘Vreemd dat er hier ook kinderen wonen,’ zei Frank Sinatra. Amy knikte. Haar gedachten waren elders. Ze keek in het rond en piekerde waar zij de man van kende die tegenover haar zat. Was het een manager van haar geweest, een geluidtechnicus, een muzikant… God, wat liet haar geheugen haar in de steek.

‘Ik wil u best een rondleiding geven hoor,’ riep plotseling het jongetje. ‘Ik weet waar iedereen woont.’

Ze was in Nieuw Jeruzalem in de slang gestapt. Met haar vinger had ze de haltes opgezocht. Hij had gezien dat ze naar Johannesburg moest. Na elkaar een tijdlang onderzoekend aangekeken te hebben had hij haar aangesproken.

‘Ook naar Johannesburg?’

‘U dus ook?’

‘Zeg maar jij hoor. Ja, ik moet ook die kant op.’ Ze hadden de hele rit voor zich uit zitten staren en gezwegen. Nu zaten ze in een café onderin een reuze flatgebouw.

‘En wat doe jij voor de kost?’ vroeg Frank. Haar glimlach was mooi, zij zelf niet, vond Frank, hij had ze wel mooier gezien, hij had verstand van vrouwvolk. Het jongetje liet zich van de barkruk zakken, graaide zijn speeltje bijelkaar, en kwam naar hen toe. ‘Ik weet waar iedereen woont,’ herhaalde hij zich zelf. De barkeeper liet het jongetje weten dat hij de reizigers met rust moest laten. Ze hadden een lange reis achter de rug en zouden zeker erg moe zijn. Het jongetje haalde zijn schouders op. De barkeeper schudde zijn hoofd. Het leek alsof hij niet blij was met de aanwezigheid van het jongetje. Wat de twee nieuwelingen opviel was dat de cafébaas herhaaldelijk in de spiegel keek, over zijn kale bol streek en aan zijn bloemetjesoverhemd zat te frunniken.

‘Mijn vader woont op de bovenste’. Het jongetje leunde met zijn handen op het tafeltje van Frank en Amy.

‘Dan heeft hij vast en zeker een mooi uitzicht’, antwoordde Frank voorzichtig, terwijl hij Amy een knipoog gaf en vervolgens naar de barkeeper keek die grimassen maakte voor de spiegel.

‘Je kan heel ver kijken naar het heuvelland’.

‘Hoe heet je vader,’ vroeg Frank.

‘Wolf,’ antwoordde het jongetje. ‘Eigenlijk Wolfgang.’

‘Mozart?’

‘Nee, Goethe. Bent u ook beroemd?’ wilde het jongetje weten. En zonder het antwoord af te wachten ratelde hij door. ‘Mijn vader is een beroemd schrijver. Hij heeft wel duizend boeken geschreven.’

‘En hoe heet jij,’ vroeg Amy. Ze nipte voorzichtig van haar koffie alsof die te heet was en ze haar lippen zou verbranden. Ze noemen mij hier het jongetje. Ik woon in de bloemenstad, in gebouw 8, samen met mijn vriendjes. Ik logeer nu bij mijn vader. De moeder van God heeft mij hier naar toe gebracht.’ Terwijl hij met haar sprak keek hij naar de tekening die vanuit haar hals als een litteken tevoorschijn kwam. Hij vond het niet mooi, een beetje eng zelfs, maar hij zei er niets van. Het was een verstandig jongetje. ‘Ik heb nu ook een moeder,’ vervolgde het jongetje. ‘Ze heet Lieve.’ Hij ratelde de zinnen af alsof hij ze ingestudeerd had. Frank en Amy keken hem vol bewondering aan. Op dat moment kwam de huismeester het café binnen. Achter zijn oor rustte een potlood en tegen zijn borst hield hij een zwartlederen map. HET HUISHOUDELIJK REGLEMENT, stond er in gouden letters op de map. Hij leek zowaar een gewichtig man. Er waren van die momenten dat het leek alsof hij de baas van de artiflat was. Smit liep direct naar het tafeltje van de twee nieuwelingen.

‘He, meneer Smit’, riep het jongetje enthousiast. Met een knik liet de huismeester het jongetje weten dat zijn aanwezigheid niet op prijs werd gesteld.

‘Laat ons even alleen’, zei de huismeester streng. Het klonk als een bevel. Het jongetje droop af. Buiten bij de café-ingang sprong Lodewijk tegen het jongetje op.

‘Kom’, zei het jongetje.’ Hij nam de lijn van de deurknop. ‘We gaan een rondje om. Er zijn binnen belangrijke zaken te doen, en daar horen kinderen en hondjes niet bij.’ Hij trapte hard tegen de deurpost en riep: ‘Kut!!’  Het jongetje was boos omdat hij ook bij de grote zielen wilde horen.

 


91 Sjors en Wigbert

SJOSTAKOVITSJ  WIGBERT   

Sjostakovitsj had zich een trainingspak aangeschaft. Het was een mooi trainingspak in de kleur rood met witte biezen. Hij had het besteld uit een reclamefolder van de firma Bol Kom. Hij was deze ochtend al vroeg op pad gegaan om het pak uit te testen. Het voelde goed. Deze hele morgen voelde trouwens goed. Het weer was gunstig, er scheen een heerlijk zonnetje en de wind blies een flauw briesje. Het plan was dat hij wat meer beweging zou nemen en minder biertjes zou drinken. Zeker een half uur had hij zojuist door het heuvelland gerend. Later op de dag zou hij zijn vriendin Nokia verrassen met een bezoek. Hij zou proberen de Boulevard Antonius in snelle draf af te lopen. Nu stond hij uit te hijgen op het terras van de Nadorst. Net op het moment dat hij enige rek en strek oefeningen wilde gaan doen, werden de terrasdeuren geopend en verscheen Wigbert de kroegbaas in de deuropening. In plaats van te groeten werd hij uitgelachen.

‘Ik ben te hard van stapel gelopen,’ hijgde de componist van nummer 701 een aantal uren later. Bezweet zat hij in zijn nieuwe trainingspak op een van de bankjes bij het bruidsboeket.

‘U moet zoiets langzaam opbouwen,’ antwoordde Wigbert. De barkeeper stond voor hem. Hij trapte wat grindjes in het bloemenperk. Sjors droogde met zijn mouw zijn bezweette voorhoofd. De componist vond dat Wig er vreemd uitzag in zijn bloemetjesoverhemd en grijze pantalon. En juist hij had hem zo nodig uit moeten lachen.

Ze hadden die middag afgesproken samen op te lopen tot de Antoniuskapel, Wig, de barkeeper van de Nadorst en zijn beste klant Dmitri Sjostakovitsj. De componist zou zijn voettocht voortzetten tot de Trapeze, waar hij Nokia zou ontmoeten. Wigbert zou zich in het kapelletje laten inschrijven als officieel inwoner van Johannesburg en bewoner van de artiflat. Wigbert was trots op zijn wandelmaatje, trots op de componist die vrijwel elke noot van zijn Welkomstsymfonie bij hem aan de bar had geschreven. Hij wandelde nu doodleuk met een van de groten uit de artiflat. Hij mocht Sjors wel, al was het bij tijd en wijlen een rare kwibus, maar in ieder geval iemand zonder kapsones. Maar tijd om daar echt bij stil te staan had hij niet. Hij zag op tegen het bezoek dat hij aanstonds moest afleggen aan de Antoniuskapel, annex burgerlijke stand. Misschien was het daarom wel dat hem steeds winden ontsnapten.

Onderweg spraken zij over de twee nieuwelingen. Ze hadden schik om de gitzwarte ogen van de jonge dame en de versierselen in haar nek. Amy, heette ze. Eind twintig schatten ze haar. Naar Wig had vernomen zou zij op de eerste etage komen te wonen, op nummer 107, het huisnummer dat mevrouw Dietrich zou verlaten om naar de vijfde te verhuizen. Hij was een heer, meende Sjostakovitsj, dat was aan alles te zien. Hij was keurig gekapt en hij zat goed in de kleren. Hij had niet het idee dat het om een collega ging, eerder iemand uit de amusementssector. Als hij het goed had, had ie hem wel eens horen zingen of entertainen. Maar hoe en waar, hij wist het niet meer. Zijn helderheid van geest liet doorgaans niets te wensen over. Alles zat vastgeroest in zijn herinnering. Zijn successen en tegenslagen op het aardse, zijn verscheurde vaderland, de melodieën van zijn symfonieën en strijkkwartetten, die hij, al zou hij willen, nog stuk voor stuk kon zingen. Maar waar hij deze heer van kende, hij wist het niet meer. Ze spraken ook over het jongetje dat zomaar was komen opduiken. Hij scheen de zoon van Goethe te zijn. Beide wandelaars vonden het een pienter knaapje, wellicht een ietsje gebekt, brutaal zelfs. De twee vroegen zich af of het kind bij zijn vader op de negende zou blijven wonen. En dan die onbekende vrouw die schijnbaar ook haar intrek op nummer 902 had genomen. Een vrouw die zo op het eerste gezicht weinig met het intellect van de schrijver te doen had. Ze leek eerder iemand uit het lage register. Het leken roerige tijden te worden in huize Goethe. Natuurlijk kwam de grote dag van gisteren ook ter sprake. Apetrots was Sjostakovitsj over het uitvoeren van zijn Welkomstsymfonie en het succes hiervan. Wigbert deed de componist geloven dat hij eveneens genoten had, al had hij de symfonie niet live kunnen horen omdat de purgatijnen niet in de zaal aanwezig mochten zijn. Hij had de uitvoering buiten op het plein door de luidsprekers gehoord. Dmitri Sjostakovitsj hoorde het gelaten aan. Hij had trouwens besloten het componeren voorlopig te laten. Hij zou werken aan de relatie met zijn kleine vriendin, de accordeoniste uit De trapeze. Ook wilde hij voortaan iedere dag een uurtje sporten en zoals gezegd minder biertjes drinken. Zo in gedachten verzonken luisterde de componist met een half oor hoe Wig vertelde over de afgang en degradatie van trompetblazer Miles Davis en de promotie van Mevrouw Dietrich.

Wigbert was inmiddels gewend aan de outfit van zijn medewandelaar, al moest hij zich inhouden om zo nu en dan niet hardop te lachen. Maar hij had geen reden tot vrolijkheid. Zou hij inderdaad gechipt worden? Ze kenden in het hiernamaals dan wel geen pijn, maar de purgatijnen hadden het nakijken. Vaak dacht hij terug aan het moment toen hij zijn hand had verwond aan een kapot bierglas. Hij had het uitgeschreeuwd van de pijn. Hij herinnerde zich hoe de uitverkorenen aan de bar hem een beetje glazig hadden aangekeken.

Waarom hij geen sportschoenen had aangetrokken? De componist antwoordde dat hij gehecht was aan zijn zwarte schoenen en ze bovendien beter vond passen bij zijn trainingspak. Wigbert kon de componist met zijn snelle tred nauwelijks bijhouden. Keer op keer prees hij de componist om zijn sportiviteit, zo nu ook weer. Maar Sjostakovitsj hoorde deze loftuiting al niet meer. Ze waren zojuist de eerste kiosk, het koffiehuisje, gepasseerd, toen Sjostakovitsj plotseling aan een sprintje begon.

De lange Boulevard Antonius telde een twintigtal kleine huisjes, kriskras opgesteld aan de rand van de weg. De huisjes, in de volksmond kiosk genoemd, werden bemand door purgatijnen. Elk huisje had zijn specialiteit. Zo was er een koffiehuisje, een theehuisje, een huisje waar je een biertje kon kopen, een sigarettenhuisje enzovoorts. Wig zag hoe de componist wegrende richting de tweede kiosk, het theehuisje. In de verte doemde de Antoniuskapel op.

De Antoniuskapel, halverwege de Boulevard Antonius deed sinds kort geen dienst meer als gebedsruimte. Alleen tijdens hoogtijdagen waren er godsdienstoefeningen. Thans deed het kapel dienst als dependance van het Stadskantoor. BURGELIJKE STAND, stond er met grote letters op een blauw bord onder een kruisbeeld van de Lieve Heer. Het zinnetje ‘Even tijd voor een gebedje’ was overwoekerd door groen.

Wig had met hem te doen. Sjostakovitsj was door zijn enkel gegaan. Hij lag op enige meters afstand van de Antoniuskapel, midden op de boulevard.

‘Ik heb te veel hooi op mijn vork genomen, kermde de ongelukkige componist. Er zat een lelijke scheur in zijn nieuwe trainingsbroek. Hij klopte zijn kleding af en stond moeizaam op. ‘Het komt door de gladde schoenen,’ kermde hij.

‘Ik had het u gezegd,’ antwoordde Wig. Hij reikte de ongelukkige zijn hand en vroeg hoe het er mee stond.

‘Ik voelde iets kraken en viel toen om,’ antwoordde de componist huilerig. ‘Wat is er toch met mij aan de hand dat ik zo gammel op mijn benen sta. De afgelopen week lag ik ook al gestrekt.’

‘Maar toen had u te veel biertjes op,’ antwoordde Wig. ‘Heeft U pijn?’

‘Wij als uitverkorenen kennen geen pijn, weet je nog.’ Sjostakovitsj wreef over zijn knie. ‘Het zeurt een beetje, meer niet. Ik heb trouwens verdomd veel zin in een biertje,’ Hij wees naar de kiosk in de verte waar met grote letters BIER op stond.

‘U doet maar.’ Wig keek de mank lopende man in zijn trainingspak na. Hij had medelijden met hem. Hij haalde zijn schouders op, rechtte zijn rug en liep met vastberaden tred naar de Antoniuskapel.


92 Date

HUISMEESTER SMIT  LODEWIJK  MAHALIA JACKSON  DE DOMINEE

Hij had zijn hokje zo goed als kwaad gezellig gemaakt. Er lag een kleedje op het beton en het stapelbed had plaats gemaakt voor een uitschuifbank. Aan de muren hingen afbeeldingen uit reclamefolders. De ketel water stond warm te worden op een kookplaatje dat hij van Wig had geleend. Het bloemetje op tafel had hij uit het bruidsboeket geplukt. Thee, daar hield ze van. Nou, dat kon ze krijgen. In zijn winkeltje had hij wel vijf soorten. Op een schoteltje had hij de theezakjes uitgestald. Twee kaarsen had hij zojuist ontstoken. Lodewijk lag in zijn mandje met gespitste oren bij de deur. Het was alsof hij wist dat er bezoek kwam. Hij was tenminste drie keer door zijn baasje van de bank gejaagd. Het was zowaar gezellig in het hokje van huismeester Gerrit Smit. Toen de grote donkere zangeres van nummer 205 een aantal dagen geleden zijn winkeltje had betreden, had hij de stoute schoenen aangetrokken. Hij had haar op de thee gevraagd. Ze had hem eerst met haar donkere ogen bedenkelijk aangekeken. Ze had hem zelfs voor een moment van top tot teen bekeken, al zou ze hem keuren. Maar toen was er een vriendelijke, nee, stralende glimlach om haar mond verschenen.

‘Meneer Smit, wat reuze aardig van u’, had ze gezegd, ik zal graag op uw uitnodiging ingaan. En weer had ze hem onderzoekend aangekeken. Nadat ze met een paar pakjes koek en thee zijn winkeltje had verlaten, had ze zeker nog twee keer omgekeken, en als hij zich goed kon herinneren, zelfs nog even gezwaaid. In ieder geval had hij haar kont in zijn geheugen geprent.

‘Zo, dat is één,’ had hij tegen Lodewijk gezegd en hij had het bakje van zijn hondje extra gevuld met lekkers. De dagen erna was hij aan het boenen en schrobben geslagen en had zijn hokje pico bello gemaakt. Hij kon het mis hebben, maar het leek alsof ze na de dag van hun afspraak zijn winkeltje vaker passeerde. En één keer betrapte hij haar er op dat ze bij hem naar binnen gluurde. ‘Over een halfuurtje komt ze, we kunnen nog wel even een plasje doen als je wilt.’ Bij het woord plasje spitste Lodewijk zijn oren en schuifelde met kwispelende staart op zijn baasje af. ‘Kom, zei Smit, een klein rondje.’ Hij doofde de kaarsen en zette het kookplaatje op zacht. Smit keek nog eens om zich heen, vond het gezellig, en een warm gevoel bekroop hem.

Mevrouw Jackson had haar mooie kleedje aangetrokken. In de hal van huisje 205 stond ze zich voor de spiegel te bewonderen. Ze vond dat ze er mocht zijn. Terwijl ze zich bekeek dacht ze aan de afgelopen weken. Here m’n tijd, wat een tijd. Twee keer had ze een reis ondernomen. Twee personen hadden gereageerd op haar advertentie, een mager aantal, maar toch. Amper een week geleden had ze de slang naar Mozestown genomen.

Alltheworld was zijn achternaam. Een mooie naam, had ze gevonden, sjiek zelfs. Zijn profiel was haar eveneens bevallen. Predikant van beroep, blank uiterlijk, goed lachs, alcohol met mate, en purgatijnen lievend. Wat wil ik nog meer had ze gedacht. Maar bij aankomst stelde hij haar teleur. Hij was klein, heel klein, slechts een meter vijftig, zo ongeveer. Zijn neus kwam bij haar op borsthoogte. Hij was zo goed als kaal. Deze kenmerken had hij weggelaten in zijn profiel. Maar goed, het was een godsdienstbeoefenaar en dat maakte veel goed. Robert heette hij, Robert Alltheworld. Ze huiverde als ze de kleine man weer voor zich zag. Een naar heerschap had ze hem uiteindelijk gevonden. Ze had amper een voet over de drempel gezet of had al een kneep in haar bil te pakken. Was dat tegenwoordig de manier om met iemand kennis te maken, had ze gedacht. Ze had zich geen houding weten te geven en had een beetje nerveus gegiecheld, kinderlijk zelfs. Dat kinderlijke had blijkbaar de aanleiding gegeven tot meer handtastelijkheden want eenmaal op de bank in de zitkamer had hij onophoudelijk zijn ogen op haar borsten gericht. Ze had zichzelf op dat moment verweten waarom ze haar witte bloes met knoopjes niet had aangedaan. Ze was ook nog eens geschrokken van zijn slechte adem. Het duurde niet lang, hij had haar nog niets te drinken aangeboden of iets dergelijks, of hij had een arm om haar heen geslagen en maakte aanstalten, gezien zijn blik op haar keurtje, haar te betasten. Zo goed als kwaad had ze geprobeerd zich los te maken. Ze was immers helemaal niet uit geweest op een seksavontuurtje. Ze had de advertentie laten zetten voor gezelschap en niets anders. Ze was de dagelijkse omgang met Frau von Bingen van nummer 606 een beetje zat aan het worden. Op het moment dat hij geprobeerd had haar tegen zich aan te drukken had er een bel geklonken. Halleluja! Robert Alltheworld was min of meer in elkaar gekrompen, zeg maar nog kleiner geworden. Met een rood hoofd had hij haar zo snel als hij maar kon naar de achterzijde van de woning geloodst.

‘Ha Lord,’ begroette ze de Heiland, zich naar het kruisje wendend dat naast de spiegel hing. ‘Sta mij alsjeblieft bij.’ Ze gaf het kruisje een handkus en zuchtte. ‘Wat ben ik toch allemaal aan het doen? Vergeef me alstublieft.’ Ze schudde haar hoofd, draaide zich een kwartslag om en bekeek uitvoerig haar achterwerk .

‘Lodewijk, Lodewijk!’ Gerrit Smit stond midden op de kegelbaan, iets dat eigenlijk ten strengste verboden was. Hij was het zelf die in het verleden menigeen er op aan gesproken had. Het is geen zandbak, vertelde hij de boosdoeners. Maar nu stond hij daar dan zelf te zondigen. ‘Lodewijk!’ riep hij weer. Maar Lodewijk liet zich niet zien. Smit begreep er niets van. Hier waren geen speelkameraadjes, geen andere viervoeters, geen poezenbeestjes. ‘Lodewijk!’riep hij weer. Mevrouw Jackson knoopte haar jack dicht en controleerde haar handtas. ‘Nou, in godsnaam, daar gaan we dan’, mompelde ze. ‘Daar gaan we dan.’ Ze wierp een laatste blik in de spiegel en trok de deur achter zich dicht.


93 Janis en Amy

JANIS JOPLIN  AMY WINEHOUSE

Ze zaten op een bankje in het bruidsboeket, Janis van 105 en de nieuwe bewoonster Amy van 107. Ze rookten een sigaret. Ze hadden uitzicht op de flat. Bij aankomst had Janis Amy geholpen met het inruimen van haar flatje. Het had direct geklikt tussen de twee. Het leek alsof ze elkaar al jaren kenden. Nu zaten ze te genieten van de bloemenpracht om hen heen. Het viel Amy op dat ze niet één bloem herkende, niet bij naam kon noemen. Nergens een roos, tulp, narcis, viool. Maar het waren mooie bloemen, hemelse bloemen zullen het geweest zijn. Ook het weer werkte mee. De lucht was blauw, de zon scheen zacht en er woei een aangenaam briesje. Alles leek er op dat het een mooie dag zou worden. Tot nu toe had Amy Winehouse het naar haar zin in het hiernamaals.

‘Het is hier altijd mooi weer,’ zuchtte Janis, alsof ze Amy’s gedachten kon lezen. ‘Nooit eens een regenbui of een stevige wind, nooit een vlokje sneeuw of korreltje hagel.’ Op het woordje hagel mikte ze haar peuk in een van de bloemenperken. Janis had Amy zojuist een kleine rondleiding gegeven langs de onderste etages van de arti. Ze had versteld gestaan van de namen van de bewoners. Velen klonken haar als muziek in de oren. Speciaal Billie Holliday, daar was ze een groot fan van geweest. Billie woonde op de tweede verdieping, vlak boven haar. Nooit had ze zo dicht bij een idool gewoond. Janis had verteld dat de jazzmuzikanten Miles Davis en Chet Baker ook bewoners van de arti waren. Chet was zelfs een van haar naaste buren. Met een zekere bewondering staarde Amy naar de artiflat. Ze kon het eigenlijk nauwelijks bevatten dat ze hier naast Janis Joplin op een bankje zat en in hetzelfde huis woonde als Jimi Hendrix, Billie Holiday, Bessie Smith, John Lennon, Elvis… Ze hadden ook voor huisje 202 van Jimi gestaan.

‘Jezus, woont Jimi hier ook?’ had Amy verwonderd uitgeroepen. ‘Daar heb jij nog mee opgetreden op het Woodstockfestival. Tjeeminee, wat ben ik trots op jou!’ Ze gaf haar een vriendschappelijk kneepje in de bovenarm. Maar Janis kon het zich niet meer herinneren.

‘Mijn geheugen heeft me in de steek gelaten,’ klaagde ze. ‘Van vroeger weet ik geen reet meer.’ Sorry,’ verontschuldigde ze zich. Amy sloeg vriendschappelijk een arm om haar heen en begon te vertellen. En zo geschiedde het dat Amy Winehouse die middag op een bankje in het bruidsboeket, het mini plantsoen tegenover de artiflat, aan Janis Joplin vertelde hoe zij na haar heengaan een wereldster was geworden.

‘Ik heb Pearl helemaal kapot gedraaid,’ deed ze Janis doen geloven. En iedereen op de aardkloot kent jouw Bobby McGui. Er viel een stilte. ‘Is er wat?’ vroeg Amy. Ze probeerde haar nieuwe vriendin aan te kijken. Deze had haar hoofd naar beneden gebogen, het leek alsof ze droevig was. Toen zag ze haar tranen.

‘Het is niets,’ zei ze sniffelend. Hoe kun je in de hemel nou droevig zijn, dacht Amy, maar ze begreep wat er gaande was, het waren vreugdetranen, misschien wel tranen van trots. En ze pakte haar nog steviger vast.

‘Je bent hartstikke beroemd beneden,’ zei ze. Even later liepen de twee hand in hand over de Boulevard Antonius. Amy neuriede al geruime tijd een liedje, een liedje van Billie Holiday maar ze kon er niet opkomen wat de titel was. Ze zouden zo direct ergens een kopje thee gaan drinken.

‘Het stikt hier van de tentjes,’ zei Janis, doelend op de kleine kiosken langs de boulevard. Beiden droegen een jurk met bloemmotieven, Janis een zwarte met rode en Amy een witte met allerlei. De jurk van Amy was van Janis. Deze had beloofd dat ze eerdaags zouden gaan shoppen in Sint-Petrusburg om kleren voor Amy te kopen. Hier in Johannesburg verkopen ze alleen maar vodden, had Janis laten weten. Nu praatten de dames honderduit. Amy vertelde haar vriendin over het wel en wee op het aardse. Zwaar klote werd alles. Moord en doodslag. Over hoe schutters scholen binnendrongen en kinderen doodschoten. Over terreuraanslagen. Over autobommen en bomgordels. Over milieuverontreiniging. Over de waterspiegel. Ze moest wel van alles uitleggen, ze had het idee dat Janis niets meer wist van aardse zaken. Ze legde uit wat een autobom was, een bomgordel, de waterspiegel, een kernreactor … Plotseling hield Amy halt.

‘Frank Sinatra,’ riep ze. Janis keek Amy niet begrijpend aan. ‘Ik ben met Frank Sinatra naar de arti gekomen. Ik wist dat ik hem ergens van kende maar kon niet op zijn naam komen. Ik heb me suf geprakkiseerd. Maar nu weet ik het weer. Je zult ook van hem gehoord hebben.‘ Janis haalde haar schouders op. Ze had nooit van de man gehoord. Ze liepen verder. Even later passeerden ze de Antoniuskapel, en voordat ze het wisten waren ze bijna halverwege de boulevard. En weer hield Amy plotseling halt. ‘God bless the child,’ riep ze.

‘God wie?’ vroeg Janis verwonderd.

‘God bless the child! Dat nummer zit de hele tijd al in m’n oor. Billie Holiday, weet je wel.’ Ze liepen verder. De thee waren ze blijkbaar vergeten. Janis was nu aan het woord. Ze roddelde over artibewoners.

‘De huismeester is een lul,’ liet ze Amy weten. ‘Maar het is handig als je ’s avonds laat merkt dat je sigaretten op zijn of dat je geen drank meer in huis hebt. Ze waarschuwde Amy voor Pablo van 801. ‘Een hoge piet maar zo geil als boter. Hij heeft de gewoonte om met elke nieuwe bewoonster direct het bed in te duiken.’ Ook de meisjes Fannie en Hannie van de derde moesten het ontgelden. Janis had haar bedenkingen over de twee. ‘Die twee doen het volgens mij ook met elkaar.’ Verder roddelde ze over de homoseksuelen Wigbert, de barkeeper, wat overigens een toffe peer was, en nichtje Freddie Queen.

‘Freddie wie,‘ vroeg Amy nieuwsgierig.

‘Freddie Queen. Hij is je buurman.’ Ze rustten uit op de trappen van de Koninkrijkzaal op het Plein van de Hemelse Vrede. Amy dacht na wie die Freddie Queen wel kon zijn. Zijn naam klonk haar bekend in de oren. Ze waren zojuist rond een beeldhoudwerk gelopen dat pal voor de Koninkrijkzaal stond. Het was een beeld van artibewoonster Camille Claudel. JOHANNES DE APOSTEL DIE JEZUS LIEFHAD, stond er onderaan. De twee wandelaars waren er laatdunkend en schouderophalend omheen gelopen. Het was duidelijk hun ding niet. ‘Ruik jij wat ik ruik, ‘ vroeg Janis plotseling nadat ze het Plein van de Hemelse Vrede achter zich hadden gelaten en aan het tweede stuk van de boulevard waren begonnen.

‘Yes!’

‘Wiet!’ Ze gaven elkaar een high five. Als kleine kinderen huppelden ze naar de kiosk waarop met grote letters stond WALHALLAH. Blowend, giechelend en kwebbelend, de armen om elkaar heen geslagen, vervolgden ze vijf minuten later hun weg.

‘Kijk kermis,’ zei Amy.

‘Het stijgt je naar je hoofd,’ antwoordde Janis lachend en ze dacht, wat was dat ook al weer, kermis.

‘Kijk maar, daar. Amy wees voor zich uit. Hoog boven de bomen stak inderdaad het geraamte van een reuzenrad in de lucht.


94 Mahalia treurt

DE DATES VAN MAHALIA JACKSON  HUISMEESTER SMIT  DE SPORTWIJK

Aan een van de bruine tafeltjes aan het raam in café de Nadorst met uitzicht over het terras, groepjes olijfbomen en verderop de kegelbaan, zat een zo op het eerste gezicht treurige mevrouw Mahalia Jackson van de tweede etage. Ze had een glaasje voor zich dat haar niet leek te smaken. Zo nu en dan schudde ze haar hoofd en speelde nerveus met de sluiting van haar handtasje. Ze begreep het niet, ze begreep er geen sikkepit van. Voor de zoveelste keer keek ze op haar horloge. Daarna volgde ze weer de verrichtingen van de barkeeper.

Na verschillende keren aangeklopt te hebben aan de deur van het verblijf van huismeester Gerrit Smit op de begane grond was ze naar zijn winkeltje gegaan waarvan de deur op een kier had gestaan.

‘Volluk’, had ze een aantal keren geroepen, eerst zacht daarna luid. Eigenlijk niets voor haar om zo luid roepen. Niemand had gereageerd. Ze was weer naar zijn optrekje gegaan, maar tevergeefs. Hij was er gewoon niet. Hij had zich niet aan de afspraak gehouden. Ze had zelfs tegen de deur gebonsd. Boos was ze geweest. Dit was de derde keer binnen een paar weken dat een manspersoon haar had laten stikken. Uiteindelijk had ze de moed opgegeven en was in het café gaan informeren waar de huismeester kon zijn. De cafébaas raadde haar aan om plaats te nemen en even te wachten, hij zou zo wel zijn gezicht laten zien. Smit liep hier de hele dag rond.

‘Misschien mag ik u iets aanbieden van de zaak,’ had hij gevraagd en voor dat ze het wist stond er een klein glaasje voor haar neus. Een glaasje met sterk spul. Ze had er even aan geroken, meer niet. Wat zou haar vriendin Frau von Bingen van 606 wel niet zeggen als zij haar hier zo zag zitten, had ze zich afgevraagd. Deze had meerdere malen haar afschuw uitgesproken over het café en haar bezoekers. Wereldse zielen, had ze eens gezegd. Alsof ze ieder moment betrapt zou kunnen worden had ze het borreltje achter een hand verborgen gehouden. Haar gedachten dwaalden af naar de afgelopen weken. Hoe kunnen mannen zo gemeen zijn, had ze gedacht. Eerst die malloot van Robert Alltheworld uit Mozestown, de man met zijn handtastelijk gedoe en die waarschijnlijk al een liefje had gehad. De dwerg Robert, die het alleen maar om haar borsten te doen was, en haar als grof vuil de achterdeur had gewezen nadat zijn vriendinnetje onverwachts op bezoek was gekomen. De verschoppeling! De schoft! Ze had spijt van haar advertentie in de Singel, er was alleen maar narigheid van gekomen. Voorlopig bleef het glaasje onaangeroerd voor haar staan. Ze had naar de verrichtingen van de barman zitten kijken. Gezien zijn constante gekoekeloer in de spiegelwand, zag hij zichzelf blijkbaar graag. Van wie ze het had vernomen wist ze niet meer, maar er gingen stemmen al zou de barkeeper van homoseksuele aard zijn.

En dan was daar nog haar ongelukkige date van een paar dagen terug in de sportwijk, de wijk met blokkendozen en torenflats gevuld met voetbaltrainers, recordhouders, basketballers, sprinters, tafeltennissers, hinkstapspringers, schoonzwemmers enzovoorts. De wijk ten zuiden van de Boulevard Antonius, de wijk met de sportvelden, met het stadion van F.C. Johannesburg. Het was nog een heel gezoek geweest om haar date te vinden. Hij woonde in het stadsdeel van de vechtsporters. Ze zou de flat, een torenflat, herkennen aan de blauwe draaiende reuze bokshandschoen boven op het dak. Eerst een stuk Boulevard Antonius, daarna bij de kapel rechtsaf, de Kapellerlaan in tot aan de Kleine Ring, daar oversteken, waarna je boven de bebossing het dak van het stadion al kon zien. Direct nadat ze de sportwijk had betreden had het gekrioeld van de trainingspakken. Ze voelde zich in haar colbertje en lange rok behoorlijk opgelaten. De sportievelingen die de straten bevolkten keken haar met belangstelling na. Sommige zielen bleven staan en wezen haar na.

‘Rechtdoor bij de vier torenflats, daar moet u zijn, ‘ had een vriendelijke vrouw met tennisracket en een te krap sportbroekje haar gewezen. ‘Het kan niet missen.’ Waarna ze haar van top tot teen had bestudeerd.

Hendrik was kickbokser. Op het eerste gezicht een vriendelijke, goedlachse ziel van even in de veertig. Tenminste, zo oud schatte ze hem. Ze was direct van slag toen ze hem in zijn ogen keek, hemelsblauwe ogen. Dat is hem, had ze gedacht. Jong dus, zeker twintig jaar jonger dan zij. Zijn juiste leeftijd was ze niet te weten gekomen. Want voor dat ze het wist was het alweer voorbij. In de glimmende hal van zijn flat had hij haar verwelkomd. Ze hadden kennisgemaakt met wederzijds een voorzichtig kusje op de wang.

‘Ik weet een fijne plek om iets te drinken,’ had hij gezegd. Zijn stem was zacht, geen stem die je aan een bokser deed denken. Ze hadden dicht naast elkaar gelopen, soms hadden hun handen of armen elkaar geraakt. Hendrik vertelde over de sportwijk. Hij vertelde over welke sportlieden bij welke gebouwen en trainingsvelden hoorden. Ze doorkruisten de wijk met de vechtsporten. Je kon dit merken aan de zielen op straat, overal open hemdjes, korte broeken en flinke spierbundels. Ze zou nog graag een stuk met hem gewandeld hebben. Ze had zich tot dan toe goed gevoeld naast zo’n sterke beer, al had ze moeite met haar outfit. Waarom had ze niet iets luchtiger aangetrokken. Maar ja, haar benen, haar billen, haar achterwerk… Achter de vier torenflats hadden zich enkele kleine sportvelden bevonden met daar weer achter een sportcomplex met bijbehorende kantine en fitnesscentrum. Ze hadden daar plaats genomen achter een tafeltje met grijs formica blad. Erg gezellig had het er niet uitgezien. Van romantiek was voorlopig geen sprake. Van verschillende kanten werd er naar hen gekeken. Mannen in sporttenue begroetten Hendrik enthousiast. Hij leek haar populair. Daarna had hij haar alleen gelaten en was tussen de mannen aan de bar gaan zitten. Ze kon wel janken als ze daar aan terugdacht. Een leerling kelner had haar thee gebracht, een vriendelijk ogende jongen in een rood glimmend sportbroekje.

‘Van Hendrik,’ had hij gezegd. De mannen aan de bar hadden haar ongegeneerd aangegaapt. Hendrik had zijn glas bier naar haar geheven en ‘Proost’ geroepen. De mannen aan de bar waren in lachen uitgebarsten. Ze had zich opgelaten gevoeld, in de steek gelaten. Bovendien had ze verschrikkelijk moeite met haar figuur gehad. Tussen al die halfnaakte zielen moest ze met haar grote boezen en forse achterwerk een bezienswaardigheid geweest zijn. Even later was Hendrik naar de toiletten verdwenen. De jongen in het rode sportbroekje was weer aan haar tafel verschenen. Een beetje verlegen had hij haar een servetje overhandigd waarop gekrabbeld stond: Sorry, maar ik zoek iets anders. Veel geluk, Hendrik. Als een dolkstoot was het bij haar binnengekomen. Ze hoorde hoe de mannen aan de bar smoesden en lachten. Allen leken haar kant uit te kijken. Ze durfde niet op te staan, weg te gaan, bang om nog meer uitgelachen te worden. De situatie waarin ze zich verkeerde was walgelijk geweest. God, wat had ze zich rot gevoeld. Wat een akelig gezelschap had daar gezeten. En wat een gemene vent, die Hendrik. Maar ze kon daar toch ook niet de hele dag blijven zitten. Van het ene op het andere moment had ze al haar moed verzameld, was opgestaan en had met opgeheven hoofd de sportkantine verlaten. Wreed had het gelach achter haar geklonken. Op de terugweg was ze de Antoniuskapel binnen gelopen. Burgerlijke Stand, stond er aan de gevel. Loketten in plaats van een preekstoel. Gelukkig stond er nog een knielstoeltje. Zich niets aantrekkend van de zielen achter de loketten, had ze een gebedje gepreveld. Trek hier uw nummertje, stond er op een bordje schuin boven haar op de plaats waar eens de beeltenis van de Heilige Maagd had gehangen. Even later had ze uitgehuild op een bankje in het bruidsboeket. Ze was diep en diep bedroefd geweest.

Mahalia Jackson schrok op uit haar gepeins toen de cafébaas plotseling aan haar tafeltje was verschenen en haar vroeg of ze nog een glaasje beliefde. Een overbodige vraag, want haar glaasje stond nog geheel gevuld voor haar. Maar nu zette ze het aan haar mond en sloeg het in een teug achterover. Het gevolg was dat ze zich verslikte en het brandende vocht haar keel leek te verschroeien.


95 De arrestatie van Sjostakovitsj

SJOSTAKOVITSJ   POLITIE   WILDPLASSEN   DE GROTE LEIDER

De negenenzestig jarige musicus Dmitri Sjostakovitsj, woonachtend in het articomplex aan de rand van Johannesburg, was die middag opgepakt wegens wildplassen en openbare dronkenschap. Stadswachters hadden hem betrapt tijdens het plassen tegen de zijgevel van de Antoniuskapel. De wachters kwamen er achter dat de man onder invloed verkeerde. Bovendien zag hij er in zijn rode trainingspak verdacht uit. Zijn broek was gescheurd. De verdachte droeg een bril met dikke glazen. Hij rookte een sigaret, een tweede rustte achter zijn oor. Aanvankelijk had de boosdoener zich tijdens zijn arrestatie verzet. Maar uiteindelijk liet hij zich gewillig meenemen. Tussen twee opgetrommelde agenten werd hij vervolgens weggeleid. De agenten waren gehelmd en gewapend. Aan hun zware koppels bungelde een dikke stok. Om hun nek hing een fluitje. Sjors vond dat ze er in hun driekwart korte broek sportief uitzagen.

‘U weet waarom wij u meenemen,’ vroeg de één. De vragensteller droeg een dikke zwarte snor. De componist vond de man handtastelijk, want voortdurend nam hij hem bij de arm.

‘Mijn naam is Sjostakovitsj, met de voornaam Dmitri. Vrienden noemen mij Sjors. U heeft vast wel eens van mij gehoord.’ De snor schudde zijn hoofd en nam de arrestant wederom bij de arm. ‘Anders, uw meerderen,’ vervolgde Sjostakovitsj, ‘die hebben zeker van mij gehoord, ik ben tenslotte niet de eerste de beste.’

‘Komt u nu maar rustig mee.’

‘Rustig, rustig, protesteerde de musicus, terwijl hij zijn arm van de agent losrukte. ‘Laat u mij alstublieft los, u ziet dat ik een sigaret probeer te roken. En mag een man op mijn leeftijd misschien een biertje drinken?’ De snor lachte. Zijn kameraad, een magere jongen, eigenlijk helemaal geen politieagent, grinnikte mee.

‘Een biertje, laat me niet lachen, u heeft zeker een vat op, u kunt niet meer fatsoenlijk op uw benen staan,’ sprak de snor minachtend. ‘Komt u nu maar mee, tegenstribbelen heeft geen zin, mijnheer Sjors.’ De beambte nam de componist nog steviger bij de arm.

‘Sjostakovitsj is de naam,’ zei hij nog eens. ‘Alleen vrienden noemen mij Sjors. Zover ik weet hebben wij nog geen vriendschap gesloten. En wilt u niet zo in mijn arm knijpen?’ De magere agent had nog geen woord gezegd. Hij was in de ogen van Sjostakovitsj een beginneling. Het drietal sloeg de Kapellerlaan in.

‘U weet ook dat u niet in de openbaarheid mag wateren.’ De snor knikte naar de Antoniuskapel, die ze op dat moment passeerde. De magere agent schoot in de lach.

‘Moet ik misschien mijn blaas laten klappen,’ verdedigde de componist zich. ‘U weet dat het ophouden van de plas schadelijk kan zijn.’ De aangeschoten Sjostakovitsj mopperde voort, merendeel onverstaanbaarheden. Ze liepen richting Kleine Ring waar het politiebureau zich bevond.

‘Vertelt u liever alles aan de commissaris,’ zei de snor.

‘Deze zal zeker van mij gehoord hebben,’ zuchtte de vermoeid wordende Sjostakovitsj. ‘Ik ben namelijk de componist van de Welkomstsymfonie die hier onlangs tijdens de Dag des Heren door de Johannes Philharmonic Orchestra voor de Heiland heeft geklonken. Maar uw soort heeft geen weet of gevoel voor serieuze muziek denk ik zo.’ Het trio liep voort. Voor een moment werd er gezwegen. Bang al zou deze ontsnappen, hield de snor de ongelukkige componist soms behoorlijk stevig vast. Groepjes zielen keken belangstellend toe. ‘Ik loop hier flink voor schut,’ hijgde Sjostakovitsj. ‘Houdt u mij alstublieft niet meer vast. Ik zal zonder verzet met u meelopen.’ De ongelukkige geneerde zich duidelijk voor de zielen die hem aangaapten. Waarom droeg hij nu juist op deze sombere dag een trainingspak. Verschillende bleven staan en wezen hen na. ‘Wat een toestand,’ zeurde Sjostakovitsj. ‘Kunnen we misschien haast maken, want ik moet weer erg plassen.’ In plaats van zelf haast te maken nam hij de reserve sigaret van achter zijn oor.

‘We zijn zo op het bureau,’ verzekerde de snor. ‘Daar kunt u plassen en poepen zo veel als u wilt.’ De snor gaf zijn arrestant een vuurtje. De magere agent grinnikte weer. Ze sloegen links af de Kleine Ring op. Even verderop, een kleine honderd meter, bevond zich het politiebureau, een donkerbruin houten barak met aan de gevel in vette witte tekst Uw zonden, onze zorg.

Sjostakovitsj was pissig. Hij stond met de magere agent in het toilet. Hij voelde zich ongemakkelijk.

‘Wilt u misschien voor u kijken,’ vroeg hij de agent. En wat mij betreft kunt u uw helm wel afzetten. Ik ben ongevaarlijk.’ Bij gebrek aan een gulp liet hij zijn trainingsbroek tot aan de knieën zakken.

‘Excuses,’ sprak de agent zacht en draaide zich om. ‘Geloof me, dit is mijn hobby ook niet,’ verontschuldigde de man zich. Terwijl de componist zijn plasser tevoorschijn haalde moest hij denken aan Nokia, zijn kleine vriendin. De componist schudde zijn hoofd. Wat zou hij nu graag bij haar geweest zijn. In plaats daarvan stond hij nu in een onbekend urinoir. Hij ledigde zijn blaas. Hij zag dat het schuim er op stond. Hij had trouwens dorst. Maar bier zouden ze hier zeker niet schenken. Toen het plassen opgehouden was, voelde hij zich plotseling draaierig…

De leider keek S. vanachter zijn bureau geringschattend aan. ‘Zo mijnheer, u bent dus degene die muziek componeert waar het volk niets aan heeft. Weet u wel dat wij u heel gemakkelijk op transport kunnen zetten?’ S. voelde het zweet over zijn rug druppelen. ‘Kunt u mij misschien aankijken als ik tegen u spreek?’ S. keek de tiran aan. Wat had hij een hekel aan de man met de rotkop waaraan een kwijlende snor kleefde. Al zijn kameraden waren door zijn toedoen verdwenen, vermoord of verbannen, verbannen naar verre oorden, verbannen naar werkkampen waar hun een langzame dood wachtten. Naar de hel met hem! ‘Weet u wat u doet,’ vervolgde de leider vanachter zijn reuze bureau. ‘Componeert u een symfonie voor het volk en zijn leider. U zult rijkelijk beloond worden. Wat denkt u daar van?’ S. zweeg. Hij moest er niet aan denken voor deze klootzak een werk te componeren. Hij liet zich liever naar Siberië transporteren. ‘Lukt dit u, dan zullen wij u verder met rust laten. Anders zullen u en uw vrouw moeten verhuizen, als u begrijpt wat ik bedoel.’  ‘Ik zal mijn best doen, stotterde S.’ ‘Daar ga ik van uit. Goedendag.’ De leider boog zich weer over zijn papieren, papieren met namen van aankomende slachtoffers. Buiten het paleis werd hij opgewacht door twee geheime agenten. ‘Wij hebben opdracht om u veilig naar uw appartement te brengen,’ zei de grootste van de twee. Zijn collega, een magere bleke man, fluisterde hem in het oor dat hij vooral voorzichtig moest zijn en de grote leider moest gehoorzamen. ‘Ik zal het proberen,’ zei de doodsbange S, waarna ze in een groene jeep stapten.

Toen Sjostakovitsj de volgende morgen ontwaakte had hij een bonkende hoofdpijn. Hij had een vieze smaak in zijn mond en had dorst. Hij richtte zich moeizaam op. Ook zijn rug deed pijn. Niet zo verwonderlijk, want hij lag op een houten bank. Was het avond, nacht of al morgen. Hij wist het niet. Hij had op dit moment geen idee van de tijd. Toen hij goed keek, zag dat hij in een cel terecht gekomen was. Had hij het dan niet gedroomd? Had Stalin hem vastgezet? Zou hij op transport gezet worden? Verschrikt keek hij in het halfdonker om zich heen. Aan het voeteneind lag zijn rode trainingsjack. Hij kon zich niet herinneren dat hij het jack had uitgedaan. In zijn trainingsbroek zat een lelijke scheur. ‘Ik kan wel janken,’ zuchtte hij.

‘Is daar iemand?’ riep hij. Maar zijn stem deed het niet zo goed. Hij schraapte zijn keel en herhaalde zijn roep. Niemand reageerde. Hij herinnerde zich zijn nachtmerrie. Maar het volgende moment wist hij weer dat hij in een politiecel in Johannesburg zat. Hij wreef over zijn voorhoofd, daar zat een lelijke bult. Was hij geslagen of gevallen? ‘Is daar iemand,’ riep hij weer. Het bleef stil. Hij had dorst, hoofdpijn en zin in een sigaret. De componist ging op de rand van de houten brits zitten en trok het rode trainingsjack over zijn hoofd. Zijn bril vond hij onder de houten bank. Hij zocht tevergeefs naar zijn sigaretten. Iemand rommelde aan het luikje. De deur werd geopend. In de opening verscheen de magere agent die hij eerder had gezien.


96 De vrouw met de 3 borsten

DE TRAPEZE   JANIS JOPLIN   AMY WINEHOUSE   KERMIS

De vriendinnen Janis Joplin en Amy Winehouse stonden die middag onder de toegangspoort van de Trapeze. Het was een mooie poort, een poort met een torentje met daarin een grote ronde klok met ouderwetse cijfers. Het was even over vijven. De twee dames waren in een jolige bui. Hun lach echode in de ruimte onder de poort. Ze praatten luid. Het was goed te zien dat het om twee vriendinnen ging want als het maar even kon liepen zij hand in hand, arm in arm, of met de armen over elkaars schouders. De rood-witte slagbomen gaven aan dat je niet zomaar naar binnen kon. Toch stond er een bordje met de tekst Welkom in de Trapeze. Het wachtershuisje links in de poort was onbemand.

‘We wippen er gewoon onderdoor,’ had Janis zojuist voorgesteld. En zo gezegd, zo gedaan.

‘Het lijkt hier wel kermis,’ zei Amy toen ze op het terrein stonden. Ze stonden pal onder onder een reuzenrad. ‘Geen idee waar we terecht gekomen zijn.’ Janis knikte, maar ze wist nog steeds niet wat het betekende. Het was de tweede keer dat ze het woord kermis deze middag uit de mond van Amy hoorde.

‘Ja het lijkt waarachtig wel een kermis,’ antwoordde Janis een beetje onzeker.

‘Durf jij er in?’ vroeg Amy. De twee keken omhoog.

‘Ikke wel,’ antwoordde haar vriendin. Ze keken om zich heen, maar er was niemand te bekennen. In de verte balanceerden jongelui op een grote bal. ‘Hallo, is daar iemand?’ riep Janis. We willen er graag in.’ Geen commentaar. Ergens van ver klonk vrolijke muziek. Het leek wel een wals, in ieder geval dansmuziek. Accordeonmuziek, of was het een draaiorgel? Was daar misschien een feestje aan de gang?

‘Is daar iemand.’ riep nu ook Amy. Janis haalde haar schouders op en probeerde in het onderste wagentje te klimmen. Het karretje begon direct te schommelen. Boven haar hoofd kraakte het. ‘Ik weet niet of ik er in ga,’ liet Amy met een angstig gezicht weten. Ze keek omhoog.

‘Hela, hola,’ klonk plotseling een stem die naderbij kwam. ‘Hela, hola.’ In snelle draf verscheen er een kleine vrouw. Ze droeg groene rubber laarzen en had een schort voor. Ze sjouwde een enorme boezem met zich mee. ‘Hela, hola.’

‘Hoort u bij het rad,’ vroeg Amy met enige aarzeling. Ze namen de vrouw met belangstelling op. Over haar schort, voor haar middel, hing een zwarte tas met een goudkleurige knip, het leek op een geldtas.

‘Aron is er niet,’ antwoordde de vrouw. ‘Aron doet met vrienden een dagje Aankomst.’ Hij heeft trouwens mooi weer,’ lachte de vrouw. Haar tanden waren geel en brokkelig.

‘Het is hier altijd mooi weer,’ riep Janis vanuit het wagentje.’

‘Wilt u een rondje draaien,’ vroeg de kleine vrouw. Ze liep naar het grote stuurwiel dat aan een soort kist aan de staander vast zat. ‘Handbediening,’ zei de vrouw toen ze de twee nieuwsgierig zag kijken. ‘Ik ben invalster.‘ De vrouw probeerde beweging in het stuurrad te krijgen. ‘Hela, hola,’ kreunde ze. Haar gezicht liep rood aan. ‘Handbediening,’ zei ze ze voor de tweede keer. Maar er zat geen beweging in.

‘Laat u maar,’ zei Janis. ‘We weten niet zeker of we een ritje willen maken.’ Ze keek naar haar vriendin. Deze schudde van nee. De vrouw liet schouderophalend het wiel los. Op een grasveld verderop marcheerde een muziekkorps. Het was hier een vrolijke boel. Op hetzelfde grasveld stond ook een attractie, wat het precies was, was van hier niet te zien, het leek wel een achtbaan.

‘Lekkere tieten, lekkere tieten,’ riepen een paar opgeschoten jongens die op eenwielertjes langs kwamen rijden. Op de schouders van een van de fietsers balanceerde een jongen met baseballpetje.‘Lekkere tieten,’ riep hij. Zijn haar was zwart en hij mistte voortanden. De anderen leken broers van hem. Verwilderende types, zo op het eerste gezicht.

‘Houd je bek,’ schold de vrouw. Ze schudde haar hoofd, haar zware boezen schudde mee.

‘Woont u hier,’ vroeg Amy, terwijl ze de jonge acrobaten nakeek.

‘Ja ik heb hier een attractie.’ zei de vrouw, terwijl ze met een lelijk gezicht naar de fietsers keek. ‘Dat tuig staat vaak bij mijn tentje. Er is weinig aan te doen. Het zijn hangjongens. Hun familie hoort bij het circus, daar achter de kantine en het zwembad.’ Ze wees naar de horizon. En inderdaad boven een van de gebouwen was de top van een circustent zichtbaar. ‘Ze houden de klanten bij me weg, en bespotten me.’ Janis klom uit het karretje en trakteerde op een sigaret. Intussen dacht ze na over wat ook al weer een circus was.

‘Wat voor een attractie heeft u,’ vroeg Amy. De vrouw aarzelde. Ze trok wild aan haar sigaret.

‘Lekkere tieten, lekkere tieten,’ De jongens kwamen terug van een rondje fietsen. Op enige afstand bleven ze staan.

‘Kom zei de vrouw, dan laat ik u mijn tentje zien.’

Ze zaten op een bankje naast de kassa, een klein bankje dat plaats bood aan krap twee personen. Ze aten een oliebol die ze zojuist gekocht hadden bij de oliebollenkraam aan de overkant. Ze waren geholpen door een man in korte broek en ontbloot bovenlijf. De oliebollen waren taai en koud, maar dit deerden hen niet, ze hadden na hun lange wandeling best ergens trek in.

‘Ogenblikje,’ had de vrouw gezegd. ‘Even omkleden.’ Boven de kassa stond te lezen De vrouw met de drie borsten. Amy en Janis keken uit over een grasveld met daarop een houten achtbaan, zo op het eerste gezicht een krakkemikkige achtbaan. Karretjes op de baan stonden hier en daar werkloos op de verschillende lagen. De attractie leek buiten werking. Op een krukje onder de achtbaan zat een man in een wit onderhemd, op zijn hoofd droeg hij een lichtblauw petje. De man had zojuist traag zijn hand naar hen opgestoken. Op een bordje aan een paaltje in de grond, naast de eigenaar, stond te lezen Wegens verbouwing gesloten. Op een veel groter bord stond Te koop. Een flink eind achter de achtbaan stonden de overblijfselen van een tribune. Nog net leesbaar was de naam van de voetbalclub, FC. De Trapeze. De kleine vrouw kwam tevoorschijn achter de rood pluche gordijnen. Ze was zwaar opgemaakt en droeg nu een koket rood pakje. Haar benen waren bloot en haar boezem groot. Ze liep op blote voeten. ‘Daar ben ik dan,’ zei ze, en ze maakte een kleine buiging. Op dat moment kwamen met veel lawaai de eenwielers weer aanrijden. Ze hielden halt op het veld naast de oliebollenkraam. Het waren duidelijk straatjongens, schoffies met ravenzwarte haren en gehavende kleren. Hun ogen stonden wild, hun donkere huid was vuil. Balanceren deden ze als de besten. Ze stonden vrijwel stil zonder van hun fietsje te stappen. De schreeuwlelijk, staande op een van de schouders bleek ook nog eens goed te kunnen beatboxen. Hij perste een lekker ritme uit zijn mond, vond Amy, maar hardop durfde ze dit niet te zeggen

‘Vette ballen, slecht voor je conditie,’ riepen ze naar de man in de kraam. ‘Vette ballen.’ De man verliet zijn kraam en rende op de jongens af, maar deze maakten dat ze wegkwamen. ‘Vette ballen, dikke tieten.’ zongen ze in koor. De vrouwen keken de jongens na. De man stapte weer in zijn kraam. De vrouw in haar mooie rode pakje zuchtte.

‘Ze terroriseren hier het hele attractiepark,’ klaagde ze. En na een korte stilte: ‘Het zijn jochies van de lichting 44.’ Er verscheen een rimpel in haar voorhoofd. ‘Gaskamerkinderen,’ vervolgde ze. ‘Ze zijn vrijwel gelijk met mij hier aangekomen.’ Het muziekkorps had halt gehouden. De muziekinstrumenten lagen op het veld voor de voetbaltribune. Het koper schetterde in de zon. De muzikanten hadden her en der plaats genomen op de tribune. Jonge muzikantjes speelden krijgertje over de banken. ‘U krijgt een gratis voorstelling, helemaal voor noppes.’ zei de vrouw. ‘Neemt u plaats.’ Ze hield het pluche gordijn voor hen open. Binnen was het klein en rook het sterk naar parfum. Uit een luidsprekertje klonk krakende muziek. Toen de muziek stopte kwam de vrouw tevoorschijn. Ze stond op een klein rond podium. Ze maakte een kleine buiging. Toen hervatte de muziek zich. Gelijk een stripteasedanseres ontdeed ze zich van haar jasje, nam dit tussen duim en wijsvingers en liet het achteloos op de grond vallen. Ze stond nu in een kanten bloes met veel franje. Haar publiek recht in de ogen kijkend maakte ze stuk voor stuk de knoopjes los. De twee vriendinnen sloegen de hand voor de mond toen haar bustehouder tevoorschijn kwam. Wat ze al hadden zien aankomen, was nu werkelijkheid. De vrouw wriemelde op haar rug op zoek naar de sluiting. Vervolgens floepten er drie borsten naar voren. De twee toeschouwers wendden met afschuw hun blik af. De vrouw ging voort met haar show. Ze draaide in het rond, maakte pirouetten en schudde zo met haar bovenlichaam dat de drie borsten alle kanten uit wiebelden. Met haar handen om haar billen, zoals een naaktdanseres, schokte ze nu ook met haar onderlichaam. Haar rok was flinterdun en doorschijnend.

‘Áls ze haar rok maar aanhoudt,’fluisterde Amy. Janis schoot in de lach en kreeg een kleur. Even later namen ze plaats in het keukentje achter het podium. Het was een klein keukentje, te klein om met z’n drieën in te zitten. Gezien het kledingrek, kaptafeltje en spiegel, deed het keukentje eveneens dienst als kleedkamer. Janis zat op een klapstoel, Amy bij haar op schoot. Ze rookten. De vrouw stond tegen het aanrechtje geleund, ze hijgde. Ze had haar jasje los over de schouders geslagen. Haar bh zat weer op z’n plaats. De as van haar sigaret klopte ze op de vloer. Amy en Janis gebruikten de gootsteen als asbak. ‘U heeft een mooie bustehouder,’zei Amy na een korte stilte. Janis knikte.

‘Een driedelige,’antwoordde de vrouw niet zonder trots. ‘Daar was nog niet gemakkelijk om aan te komen.’ De twee wilden dit geloven.


97 Zoektocht

HET JONGETJE   GOETHE   MAMA LIEVE   LODEWIJK   HUISMEESTER

‘Vader, vader,’ riep het jongetje in de hal van appartement 902 op de hoogste verdieping van de artiflat. ‘Vader, mag Lodewijk bij mij spelen?’ Het jongetje zocht waar zijn vader kon zijn. Het huis was groot, en hij was nog niet overal geweest. Terwijl het jongetje om zijn vader riep en tegen verschillende deuren bonkte, snuffelde Lodewijk aan de plinten van de grote bruine boekenkasten in de woonkamer. Tegen een van de draaipoten van de rookstoel deed hij een plasje. ‘Vader!’

Vader Wolf von Goethe verscheen in de deur van het slaapvertrek. Het jongetje schrok. Hij had zijn vader niet eerder in zijn onderbroek gezien. Op zijn benen en buik groeide bossen met haar. Jakkie! Mama Lieve zat op de rand van het bed. Ze was bloot. Het was een reuze bed waarop zij zat. Hij had niet geweten dat er zulke grote bedden bestonden. Er zat zelfs een dak op. Bovenop de pilaren zaten engelen met een trompet. Net als in de woonkamer lagen er dikke tapijten op de vloer. Aan de wand hingen jachtgeweren en hertenkoppen. Ook zag hij schilderijen met wilde zeeën. Vlak voor de voeten van mama Lieve lag een platgeslagen tijger. Hier zou ik nooit kunnen slapen, dacht hij.

‘Hebben ze jou op school geen manieren geleerd,’ vroeg vader Goethe op strenge toon. Kun jij niet netjes aankloppen?’ Het jongetje stond aan de grond genageld. Hij begreep niet waarom zijn vader zo boos was. Zijn gezicht was rood van de boosheid.

‘Ik wilde u vragen of Lodewijk bij mij mag spelen,’ zei het jongetje beduusd en dacht waarom praat vader zo luid tegen mij, het lijkt wel of hij schreeuwt. Het jongetje boog zijn hoofd naar beneden, staarde naar vader’s blote voeten en schrok van de lelijke grote teen, het leek wel of daar met een hamer op geslagen was. Op zijn benen, tussen de haren, liepen blauwe riviertjes. Hij werd een beetje bang voor zijn vader. Lodewijk was zich van geen kwaad bewust. Het beestje wandelde op zijn gemak tussen het jongetje en zijn vader het slaapvertrek naar binnen.

‘Godverdegodver,’ tierde vader, wat doet dat beest hier?’ Het jongetje schrok. Lodewijk snuffelde aan de blote voeten van mama Lieve.

‘Kijk eens Wolf, wat een schatje,’ riep ze verrast naar Goethe, en ze vroeg: ‘Hoe komt dat leuke hondje hier?’ Gelukkig, mama Lieve was niet boos, dacht het jongetje. Hij vond trouwens dat zij veel mooiere benen had dan zijn vader en als ie het goed zag waren haar tenen gekleurd. Lodewijk sprong kwispelend tegen mama Lieve op. Zij aaide hem over zijn kop.

‘Doe wat kleren aan,’ gebood Goethe zijn vriendin. Het jongetje was blij dat mama Lieve Lodewijk lief vond. ‘Dat beest is van Smit, de huismeester,’ bromde Goethe.

‘Natuurlijk mag dat lieve hondje bij ons spelen, hè Wolf?’ Vader bromde iets wat het jongetje niet verstond. Terwijl mama Lieve zich in een super klein onderbroekje probeerde te wurmen sprong Lodewijk op bed en likte mama Lieve waar hij maar kon. Toen het jongetje weer naar zijn vader keek had deze een dikke blauwe jas aan met gouden knopen. Zijn blote benen staken er onder uit. Van binnen moest het jongetje lachen. Nog een geluk dat zijn vriendjes zijn vader niet zagen. Je zult toch zo’n rare vader hebben zouden zij zeggen.

Huismeester Gerrit Smit was ten einde raad. Lodewijk was weg. Op het moment dat hij een briefje op het mededelingenbord prikte stonden er vijf bewoners om hem heen. Allen keken nieuwsgierig toe. Ze hadden met hem te doen, iedereen wist hoe de huismeester aan zijn hondje gehecht was.

‘Tjonge wat erg,’ zei Frederik Händel van 703 en hij klopte de huismeester troostend op zijn schouder.

‘Misschien kunnen wij u iets voor u doen,’ zei Otis Redding van 111. De anderen knikten. Unaniem werd besloten om de huismester te helpen en met hem op pad te gaan. ‘Hij zal zich ergens in het heuvelland bevinden,’ oordeelde de huismeester. En zo geschiedde het dat een lint van vijf bewoners onder leiding van Gerrit Smit op speurtocht gingen. Ze verlieten de flat, staken het terras van café de Nadorst over, en liepen langs de kegelbaan het heuvelland in.

‘Verspreiden,’ moedigde de huismeester zijn helpers aan. Met haast overslaande stem riep Smit zijn hondje: ‘Lodewijk, Lodewijk, kom bij het baasje.’ Het leek warempel alsof hij huilde. Na het arti-domein verlaten te hebben naderde de groep een stuk grasland met daarachter de weide met knalrode zonnebloemen, hoge bloemen, die het extra moeilijk maakte het hondje in het vizier te krijgen. Als lokkertje had de huismeester een doosje hondenbrokjes meegenomen, waar hij constant mee rammelde. En zo verdween de groep in de bloemenschat. Ze hielden contact met elkaar door de roep van Smit en het rammelen van het doosje. ‘Lodewijk, Lodewijk, kom bij het baasje.’ Steeds maar weer dat zelfde zinnetje. Hij leek er schor van te worden. ‘We gaan tot de plataan op de kleine berg,’ commandeerde hij.’ Daar maken we rechtsomkeer. Lodewijk is bij mijn weten nooit verder geweest.’

De donker gekleurde Otis Redding, woonachtig op de hoek van de eerste etage zag de zoektocht als een verzetje. Hij was de laatste tijd eenzamer dan ooit nu juffrouw Annette van de wasserette hem links had laten liggen. Zover hij wist had zij vriendschap gesloten met de deftige meneer Bruckner, de sigaarrokende en altijd in het grijs geklede kale man van de zesde etage. Zwijgend en denkend aan zijn allerliefste sjokte hij voort in zijn glimmend blauwe sportbroekje en op zijn witte badslippers. De gehele tijd liep hij naast de heer Ludwig van 903. Deze droeg een lange jas en hoge laarzen. Hij wandelde steevast met zijn handen op de rug. Een groot contrast, en toch leken de twee wandelaars bij elkaar te passen. Otis keek hoog op tegen zijn buurman. Nooit eerder had hij contact gehad met een bewoner van de allerhoogste etage. En nu liep hij zomaar naast iemand van de negende etage te wandelen. Hij voelde zich nietig bij meneer Ludwig. Vroeger op school had hij tijdens de muziekles muziekstukken van de hem gehoord. Eén melodie had hij altijd onthouden: Ta ta ta taa… Beiden waren geen praters, op dit moment slechts denkers. Kijken deden ze des te meer. Hun ogen speurden het heuvelland af. Stel je eens voor dat zij de vinders van Lodewijk zouden zijn! Soms bromde de maestro iets of neuriede motiefjes van een melodie, alsof hij aan het componeren was. Otis op zijn beurt blies tussen de spleet van zijn voortanden het liefdeslied dat hij nog niet zo lang geleden voor juffrouw Annette had bedacht. Als het paadje tussen de zonnebloemen te smal werd boog de jonge zanger uit eerbied de hoge bloemen voor meneer Ludwig opzij.

Voor hen uit ritselde gekke Chet door het bloemenveld, Chet Baker, de jazzmuzikant van 103. In plaats van naar het hondje uit te kijken plukte hij stukjes gras en mos die hij vervolgens opborg in een klein metalen tabaksdoosje. Otis, die zijn medewandelaar al geruime tijd belangstellend naar de alsmaar bukkende man had zien kijken legde uit dat het om een buurman van hem ging.

‘Dat is Chet Baker, de trompetblazer van 103,’ fluisterde Otis. ‘Hij kweekt tabak. Zijn balkon staat vol met stekkies.’ En inderdaad, telkens als de trompettist iets bijzonders dacht te hebben gevonden, rook hij er aan en sloeg vervolgens kreetjes uit als: ‘Yes…nice…ok…wow…’ Er verscheen zowaar een glimlach op het sombere gezicht van meneer Ludwig. ‘Gekke Chet noemt men hem op de eerste,’ vervolgde Otis. ‘Hij dankt zijn bijnaam aan zijn vreemde gedrag. Hij is nog niet zo lang geleden in het bezit gekomen van een trompet, daarvoor oefende hij op een bloemengieter. Het was om je rot te lachen. Hij zingt trouwens ook. Net een krolse kat.’ Had meneer Ludwig wel eens kennis met hem gemaakt? Hij was tenslotte ook een artibewoner en op zijn manier eveneens kunstenaar. Meneer Ludwig schudde van nee. Hij was niet een persoon die met Jan en alleman contacten onderhield. Ze keken nu toe hoe de vreemde muzikant aan een stukje groen rook dat hij zojuist uit de grond had gepeuterd.

‘Yes…nice…very good…ok…wow.’ Spoedig stond het groepje op de top van de kleine berg onder de plataan. De ontmoetingsplek voor verliefden, een plek voor amoureuze aangelegenheden. Men had op dit moment meer aandacht voor het weidse uitzicht dan naar het zoeken van het hondje. Je had hier echt het idee in het paradijs te vertoeven met al dat groen en bloemenpracht.

‘Laten we hier even uitrusten,’ sprak de huismeester vermoeid, waarna de zoekers zich in het lange gras lieten zakken. De enige die bleef staan was Chet Baker. Hij kerfde iets tussen de hartjes, namen en oproepen ‘Ik kan wel janken, maar ik ben hem kwijt,’ zuchtte Smit.

‘Zo, ik ben vereeuwigd,’ lachte Chet en hij liet zich naast Smit op de grond vallen. De huismeester keek misnoegd naar hem. Hij had het hoogst irritant gevonden dat de toeteraar alsmaar ‘Poes, poes’ had geroepen in plaats van zijn hondje. Van Smit had hij niet mee gehoeven.

‘I’m so sorry voor u’ sprak Frederik Händel tot de huismeester, terwijl hij een sigaar opstak.

‘Reuze vervelend,’ beaamde Jimi Hendrix en hij schudde heftig met zijn hoofd, een hoofd met lange prachtige krullen. Jimi en Frederik hadden tijdens de voettocht min of meer vriendschap gesloten. Nooit eerder hadden zij een woord met elkaar gewisseld. En nu, tijdens de veldtocht, leek het of woorden te kort schoten. Beiden mochten zich prijzen om hun helderheid van geest. Zij leken up to date. Vrijwel alles nog wisten ze van weleer. Soms waren hun gesprekken zo heftig dat ze hun missie om naar Lodewijk uit te kijken volkomen vergaten. ‘God, dat is ook toevallig,’ had de gitaarspeler onderweg gezegd. ‘We hebben dus allebei in Londen gewoond.’ Zijn medewandelaar had heftig geknikt.

‘Yep,’ had Händel geantwoord en hij vervolgde niet geheel zonder trots: ‘In Westminster.’

‘Het is niet waar.’ zei Jimi ongelovig.

‘Hoe zo?’

‘Daar heb ik ook gewoond.’ Händel had hem vragend aangekeken. ‘In de wijk Mayfair,’ had Jimi er aan toegevoegd.

’t Is niet te geloven,’ zei Händel verbaasd. ‘In welke street?’

‘In de Brookstreet.’ De twee hadden elkaar omhelsd alsof het familieleden waren.

‘Je maakt een joke,’ had Händel gezegd. Ze gaven elkaar een high five. Vervolgens hadden ze de gehele wandeling bij elkaar gelopen. Hun leeftijdsverschillen bleken groot. Frederik was 74 jaar, Jimi slechts 28. Bijna drie keer paste Jimi in de leeftijd van Frederik. Niettemin konden ze goed met elkaar overweg. En dit had niet alleen te maken dat ze stadsgenoten waren geweest, ja zelfs buren. Op de terugweg naar de artiflat sprak Jimi honderduit over zijn gitaarsuccessen op festivals en in stadions, over de flower power en vrede op aarde. Händel sprak over zijn orgelconcerten aan het hof van King George en zijn opera-successen in het theater.

‘Wanneer ben jij de pipe uitgegaan,’ wilde Händel weten.

‘Negentien zeventig.’

‘Good Lord,’ dat is nog maar pas geleden.

‘En jij?’

‘Ik ben van het jaar 1779 na de geboorte van onze messiah.’

‘Voor een ouwe knakker als jij, heb je een gaaf oorringetje in,’ grapte Jimi. Händel toonde een big smile. Hij mocht die krullekop wel. ‘Over ouwe knakker gesproken,’ vervolgde Jimi, ‘heb jij iets aan het handje?’ Terwijl de componist een nieuwe sigaar in de brand stak, keek hij hem vragend aan. ‘Je wordt de laatste tijd gesignaleerd met mijn bovenbuurvrouw van 304. Wij op de 2e etage houden zulke dingen scherp in de gaten. Toen de spreker zag dat zijn buurman van kleur veranderde, zei hij: ‘Heel bijzonder, een hoge piet van de zevende met een meiske van de derde, een amusementsvrouw nog wel. ’

‘Ik mag miss Ball graag,’ leek Händel zich te verdedigen. Vlak voordat ze die middag voor de tweede keer het veld met de rode zonnebloemen inliepen, keerde Chet Baker, die vooruit was gelopen, als een wildeman naar de groep terug. ‘Een poesje, een poesje, eh… ik bedoel het hondje, ik heb het hondje gezien. Voor een moment bleef iedereen staan. ‘Echt waar, een hondje en een jongetje en ehh… een lekker ding. En inderdaad, er klonk geblaf tussen de bloemen. Het volgende moment verschenen uit het veld met de knalrode zonnebloemen, het jongetje, mama Lieve en een wild keffende Lodewijk. ‘Ik heb ze gevonden,’ riep Chet. ‘Waar is mijn beloning?’ Lodewijk kwam in volle ren op zijn baasje aan rennen. Zo enthousiast, dat de huismeester een paar stappen achteruit moest doen. Toen viel hij op zijn knieën, waarna het beestje zijn baasje overal likte waar hij maar kon.

‘Ik kan wel janken,’ snikte huismeester Smit. En dat deed ie dan ook.


98 Kamer te huur

JUFFROUW ANNETTE   DOCTOR ANTON BRUCKNER

 Juffrouw Annette van de wasserette stond die middag in de hal te wachten op de lift die haar naar meneer Bruckner op de zesde etage zou brengen. Eens in de zoveel dagen zocht ze haar weldoener op en betrad zij het muffe, naar sigarenrook stinkende donkere appartement op nummer 601. Mijn vriendin, zo noemde Bruckner haar de laatste tijd. Brutaal had ze dit gevonden, maar voor de goede orde hield ze het zo. Juffrouw Annette noemde hem steevast meneer, hij was tenslotte doctor. In het begin, hoelang alweer geleden, had ze zijn flat met knikkende knieën betreden, maar gaandeweg was dit overgegaan in gewoonte, soms spanning en een enkele keer opwinding. Bruckner was gul en beloonde haar met allerlei, dus ze kon niet geheel ontevreden zijn over haar bezoekjes, bovendien kon ze als ex-purgatijnse en bewoonster van de begane grond best een extraatje gebruiken.

Nog vaak dacht ze terug aan het moment dat hij naast haar zat in de rups, op de kermis in de bloemenstad, tijdens het dagje uit met de bewoners van de zesde. Hoe hij tegen haar aan geplakt zat en hoe ze zijn zure geur rook. Hoe vervelend ze het had gevonden dat hij zijn arm om haar heen had geslagen en dat ze naar zijn sigarenstinkende adem moest ruiken. Ze dacht terug aan de eerste ontmoetingen in het grote donkere appartement vol kruisbeelden, Maria’s en pompeuze schilderen van hoe heet ie ook al weer. Hoe ze bij binnenkomst naar adem had gehapt. Hoe hij het koffertje met meisjeskleding tevoorschijn had gehaald en haar met bevende stem had gevraagd daar iets van aan te trekken. Ze had gekeken naar zijn smekende ogen en uiteindelijk toegestemd. Ze hadden dit spel nu geruime tijd gespeeld. Een of twee keer in de week hadden ze afspraakjes. Ze dacht terug aan het horloge dat hij na haar eerste bezoek in haar zak gestopt had en de centjes en presentjes na haar volgende bezoekjes. Een paar weken geleden was ze zelfs met hem naar de kerk geweest. Voor de eerste maal had ze toen de Sint-Jan Kathedraal bezocht op het Plein van de Hemelse Vrede. Een hemels gebouw van buiten, echter van binnen had ze de kerk net zo suf en somber gevonden als de woning van 601.

Ze droeg die middag, wachtende op de lift een kaki pantalon en een wit wollen truitje en platte schoentjes met op de teen een gekleurd bloemetje. Ze wist dat ze zich straks zou moeten omkleden in de meisjeskleding uit Bruckners koffertje. Net toen ze het zoevende geluid van de aankomende lift hoorde, viel haar oog op een advertentie op het mededelingenbord. Ze liep er heen en las Te huur kamer in het centrum van Sint-Petrusburg, nabij de rode molen. Inlichtingen nummer 902 artiflat. Ze sperde haar ogen wijd open. Las ze het goed? Haar hart klopte in d’r keel, haar adem stokte. Enkel het lezen van de namen Sint-Petrusburg en de rode molen deden haar voor een moment sidderen. De lift stond met open deuren op haar te wachten. Een paar seconden maar, toen sloten ze zich weer. Ze las nogmaals de advertentie. Iemand op de negende etage verhuurde een kamer in het centrum van Sint-Petrusburg. Wie mocht dat wel niet wezen, meneer J.S, meneer Goethe, meneer Ludwig, Amadeo? Geen van vieren kwamen volgens haar in aanmerking. Ze wist even niet zo gauw wie er op nummer 902 woonde. Ze dacht na, drukte nogmaals op de knop van de lift en keerde zich weer naar het mededelingenbord. Ze merkte dat ze transpireerde. Op het bellenbord met namen zag ze dat meneer Goethe op nummer 902 woonde. De schrik sloeg haar om het hart. Waarom juist hij. Waarom geen meneer J.S., meneer Ludwig, Amadeo? Moest ze bij die sombere norse man aanbellen? Ze had wel eens met hem in de lift gestaan. Ze herinnerde zich hoe hij zijn ogen onophoudelijk op haar gericht had gehouden en hoe hij haar van top tot teen had opgenomen. Een vervelende en geile man had ze hem gevonden. Er was geen woord gewisseld. Ze was blij dat ze de lift had kunnen verlaten. In de wasserette had ze hem nooit gezien. Niet verwonderlijk trouwens, want de hoogste etages waren voorzien van een wasautomaat. Niet eerder was ze op de negende geweest. Hoger dan zes, dan bij Bruckner, was ze niet gekomen. En wat had deze dure meneer Goethe met een kamer in het hartje van Sint-Petersburg? Hoe dan ook, één ding was zeker, ze zou haar geluk gaan beproeven en alles op alles zetten om de kamer te bemachtigen. En van het een op het andere moment voelde ze een golf van geluk door haar heen gaan. De lift zoefde weer naar boven, zonder juffrouw Annette. Moest ze nu niet direct actie ondernemen? Want was dit niet ooit haar droom geweest, om in hartje Sint-Petrusburg een woninkje te bezitten? Ze had het hier op de arti zo langzamerhand wel gehad. Het was hier een dooie boel. Ze glimlachte om haar grappige gedachte. De wasserette, dat was haar alles. Verder was het de kunst de dag zo aangenaam mogelijk door te komen, hetgeen niet meeviel. Een van de weinige afleidingen was dat de donkere zanger van 111 haar dikwijls kwam vertieren en haar het hof probeerde te maken. In het begin had ze daar wel oren naar gehad, maar nu had ze het wel gezien. Er was in al die tijd nog niets tussen hun voorgevallen. Geen kus, geen streling, niets. Alleen maar een liedje dat hij voor haar geschreven had. En dan Bruckner, o jee, die wachtte op haar. Ze keerde terug uit haar gedachtewereld. En voor de tweede keer die middag liet ze lift naar haar toekomen.

Bruckner was die middag hoffelijker dan ooit. Nog voor juffrouw Annette aanklopte op nummer 601 werd de deur geopend en stond Bruckner reeds met het koffertje in zijn handen. Zijn kale schedel glom. In de hoek van zijn mond pufte een stompje sigaar. De man was in staat om met een sigaar in de mond een gesprek met je te voeren. Onbeschoft vond ze dit, maar ook dit liet ze maar zo. ‘Welkom, lieve vriendin,’ verwelkomde hij haar. ‘We zoeken zo direct iets moois voor u uit.’ Hij hield het koffertje omhoog en zette het daarna voor haar op de zwaar eiken tafel. ‘U lust zeker eerst wel een lekker kopje thee?’ zong hij. Het irriteerde haar als hij zo kinderlijk tegen haar sprak. Eigenlijk was er weinig mannelijks aan hem, behalve zijn sigaar, zijn driedelig grijs en zijn ongeremde hunkering naar seks. Hij gaf haar een handkusje en knikte iets door de knieën. Annette op haar beurt gaf hem een kneepje in zijn wang. Ze rook aan zijn nek en zag dat het boordje van zijn overhemd vuil was.

‘Wat hadden we ook al weer afgesproken, meneer Bruckner,’ zei ze quasi streng. Bruckner keek haar kauwend op zijn stompje sigaar vragend aan. ‘U zou wat vaker schone kleding aantrekken, weet u nog?’ Bruckner knikte verlegen. ‘Uw boord is smerig, misschien heeft u nog iets schoons in de kast.’

Even later stond ze in de paskamer, zoals ze de badkamer van 601 noemde. Anton had haar, behalve een knipoog een stapeltje kleding gegeven. Hij hield van dun, luchtig en vooral meisjesachtig. Terwijl ze zich even later in het dunne zomerjurkje hees, haar witte kniekousjes aandeed en het onderbroekje over haar benen stroopte dacht ze aan de advertentie die ze zojuist had gelezen. Ze dacht terug aan de grote stad, de hoofdstad van de zevende hemel. Wat een fijne tijd had ze daar gehad. Wat was iedereen aardig tegen haar geweest, de winkeliers, de café-eigenaren, de meisjes achter de ramen. Hoe vaak had ze niet een kopje thee of glaasje limonade aangereikt gekregen. Hoe vaak had ze niet met jan en alleman gezellig gebabbeld. Hoe gezellig had ze het niet altijd gevonden in het rondje rond de molen, de nauwe straatjes en steegjes met hun sprookjesachtige sfeer. En hoe goed had ze het niet kunnen vinden met de meisjes in hun etalages. Ze dacht terug toen ze werkte bij de Gemeente reiniging en hoe ze dagelijks met haar karretje en bezem had rondgelopen. Als ze haar ogen dicht kneep zag ze haar karretje met opschrift UITRUKPLOEG CENTRUM nog voor zich. Het enige dat haar tegen had gestaan was dat afschuwelijke werkman pak, de slobberige broek, het wijde jasje en dat idiote petje. En dat men haar daarom soms aansprak met jongeman of mijnheer. Vreselijk had ze dit gevonden. Ze zag zich nu in de spiegel en vond dat ze er super vrouwelijk uitzag. Het was niet voor niets dat kerels als Otis Redding, Vincent van Gogh en doctor Anton Bruckner haar begeerden.

Toen zij in haar schoolmeisjeskleding weer tevoorschijn kwam was de huiskamer leeg. Op de tafel, op de dikke bijbel met koperen hang en sluitwerk lag naast een overvolle asbak haar enveloppe. Mijn vriendin, stond er op geschreven. ‘En zo is het,’ mompelde ze. ‘Dit meisje kan wel wat centjes gebruiken.’ Vanuit het slaapvertrek hoorde ze Bruckner met een irritant hoge stem zingen. Hij zou zeker een schoon hemd aantrekken, dacht ze. En zo was het ook. Toen hij weer in de woonkamer verscheen, sloeg ze een hand voor de mond en barstte in lachen uit. Ze schrok van het volume van haar lach. ‘Sorry,’ bracht ze uit. Bruckner stond met zijn bolle buik voor haar in een wit T-shirt met een beeltenis van de man van de schilderijen die overal in het appartement hingen, de man met de zwarte baret. Zijn bretels hingen losjes over zijn pantalon.

‘U lacht mij uit,’ zei hij.

‘Ik lach u toe,’ zei ze, liep op hem toe en gaf hem een knuffel. ‘U ziet er zo schattig uit. Veel jonger. Wie is die knappert op uw buik?’

‘Richard Wagner. Vindt u het mooi?’

‘Mooi? Ik vind het prachtig!’ Nu pas bekeek de componist zijn vriendin. En hij zag hoe mooi, hoe jeugdig, hoe aantrekkelijk ze er uitzag.

‘Schoonheid,’ stotterde hij. ‘Mijn God waar heb ik dat aan te danken. U prachtig schepsel.’ Hij nam haar van top tot teen op en leek haar nu reeds te verslinden. Een beetje uitdagend, met de handen in de zij en de borsten vooruit, ging ze voor hem staan en toverde haar mooiste lach tevoorschijn. Ze speelde haar spel, want ze wist dat ze hem te vriend moest houden. Vooral nu, met het oog op haar eventuele kamer in Sint-Petrusburg, zou ze niet zonder zijn giften kunnen.

‘Kom, jongeman, laten we eens extra lief voor elkaar zijn,’ zei ze, en liep op hem toe. Toen ze hem omhelsde keek ze over zijn schouder naar de bijbel op tafel, de volle asbak en de enveloppe.


99 Mama Lieve

GOETHE   LIEVE   JONGETJE   HET CAFÉVOLK

Ze kwam meestal tegen sluitingstijd, de nieuwe madame. Na middernacht als de bar nagenoeg vol zat, en er kaarsen in plaats van lampen brandden trad ze binnen. Niemand wist raad met haar. Wie ze was, wat ze deed. Het enige zekere was dat ze hokte met Wolf von Goethe van 903. Waar ze zo plotseling vandaan was gekomen, zegt u het maar… De roddels in de flat vlogen heen en weer. De madame was een knappe verschijning en ze had babbels voor twee. Geruchten gingen al zou zij de moeder zijn van het jongetje dat al even zo vreemd de artiflat was binnengekomen. Was zij een artieste, een kunstenares? Daar zag ze niet naar uit. Sommige bewoners beweerden dat ze het jongetje mama Lieve tegen de vrouw hadden horen zeggen. Wigbert de barkeeper wist het blijkbaar zeker want bij binnenkomst, als het weer akelig stil werd aan de bar, en zij luk raak, zonder enige gêne tussen het cafévolk plaatsnam, zei hij: ‘Wat mag ik voor u betekenen mevrouw Lieve.’ Binnen een mum van tijd sloeg ze dan 3 of 4 borrels achterover. Vervolgens zat ze op haar praatstoel. En als ze sprak, zeg maar kakelde, staakten de meeste bezoekers hun gesprekken en spitsten de oren. Ze kwam uit de grote stad, dat hoorde je zo. Ze praatte plat en hard, soms schel. En ze rookte, rookte en rookte… Enkelen, met name het vrouwvolk, karakteriseerden haar als ordi. Maar het manvolk toonde uitermate veel belangstelling voor haar. Als ze tot een manspersoon sprak noemde ze hem steevast schatje. Als Wigbert de allerlaatste ronde aankondigde gaf ze hem een knikje en schonk hij zuchtend alle glazen nog eens vol. ‘Van Lieve,’ riep hij dan en trok wild aan de koperen bel.

Middernacht. Het was die avond in de Nadorst zoals de meeste avonden. Op de hoek van de bar, aan de andere zijde van de sigarettenautomaat, zat de blonde Marie Monroe van 102 met haar vriend Frank Zappa van 101. Zo te zien hadden ze het goed samen. Naast het koppel zat een zwijgende en aan zijn pijp lurkende Van Gogh van 704. Hij zat er zoals altijd samen met zijn vriend Lautrec van 210. Van Gogh aan de rode wijn, Lautrec aan een kleintje absint. Ze hadden elkaar zo leek weinig te vertellen. Naast Lautrec, gehuld in een lange zwarte doorzichtige jurk, met één bil hangend op haar kruk, rokende uit een lang sigarettenpijpje met gouden mondstuk, kwebbelde de oude dame Dietrich van 504 met Freddie Queen van 108 de vriend van de barkeeper. Beiden dronken champagne uit een hoog glas. Freddie, uitgedost in een spierwit hemd zonder mouwen en een strak leren broek, sjanste onophoudelijk met Wigbert. Als de barkeeper een gelagje voor hem neerzette, fluisterde hij: ‘Van de zaak.’ Naast de twee opvallende figuren zat Pablo Picasso van 801 samen met mevrouw Alma Mahler van 305. Zij waren in een fluisterende conversatie verwikkeld. Om elkaar goed te kunnen verstaan zaten ze tegen elkaar aan geplakt en rustte een hand van mevrouw Mahler op het dijbeen van Pablo. Alsof zij doof was hield ze haar oor dichtbij zijn mond. Naast het schijnbaar verliefde stel zat de componist Dmitri Sjostakovitsj van 701. Hij zat er in zijn rode trainingspak. Om iets aan zijn conditie te doen scheen het dat hij dagelijks door het heuvelland rende en gymnastische oefeningen deed rond de kegelbaan. En inderdaad zijn buik leek te slinken. Nu zat hij te dommelen boven een dood glas bier. Toch had hij iets van een glimlach op het gelaat. De componist was trots op zichzelf. Hij had vandaag twee keer de Boulevard Antonius op en neer gelopen. Hij had zich de sportman van het jaar gevoeld. Pas in de kantine van de kunstenmakerkolonie de Trapeze, waar zijn vriendin Nokia hem had opgewacht, had hij zich rust gegund. Na zijn bezweette hoofd een tijdlang onder de koude kraan gehouden te hebben had hij zeker een liter fris gedronken. Bier was die dag uit den boze. De terugweg was gemakkelijker geweest. Hij had nauwelijks gehold. Nokia had hem niet kunnen bijhouden met haar accordeon op haar rug. Pas bij het Plein van de Hemelse Vrede, aan de achterzijde van de Sint-Jan Kathedraal, waar zich een klein winkelcentrum bevond, hadden ze uitgerust. Bij Piet Friet, de patathandelaar hadden ze een bakje saté gekocht en op een bankje langs de boulevard opgepeuzeld. Daarna waren ze richting artiflat gewandeld. Apetrots was hij dat hij tijdens de tocht geen biertje had gedronken en ook niet had hoeven plassen. Maar nu had hij er toch al weer aardig wat op. Hij zwaaide vermoeid naar Nokia die in haar eentje met een rode en witte bal aan het biljarten was. Wat een geluk dat hij haar had ontmoet. Zou hij nog een vers biertje lusten en proosten op de liefde? ‘Nee, niet doen,’ sprak hij hardop, waarna Wigbert naar hem toekwam en vroeg of hij nog iets beliefde.

‘Nee, nee, nee, ik heb genoeg gehad,’ wimpelde hij de barkeeper af, en hij dacht: morgen is er weer een nieuwe dag en dan moet ik fris zijn. Toen hij zojuist wakker was geschrokken, bedacht hij zich dat hij gisteravond te veel had gedronken. Een zeurende hoofdpijn was zijn straf geweest. Hij had zich als een krant gevoeld. Nu mompelde hij dat hij een doosje aspirine bij het Goudvat had moeten kopen, ze waren er goddomme vanmiddag in het winkelcentrum nog langsgelopen.

Wigbert had al verschillende malen de laatste ronde aangekondigd, de asbakken geledigd en een aantal keren overdreven met een nat doekje over de bar geveegd, en was net van plan de kaarsen uit te blazen, toen madame Lieve in de deuropening verscheen. Wig slaakte een diepe zucht. De zojuist binnengekomen madame zag dat er naast de man in het rode trainingspak nog een plaatsje vrij was, zelfs twee. Voor een moment was het stil in het café. Ze nam plaats op de kruk naast Sjostakovtsj.

‘Vind je het goed dat ik naast je kom zitten, schat?’

‘Bezet,’ antwoordde Sjors kortaf.

‘Dan ga ik hier zitten ,’ zei ze en ze schoof een kruk op.

‘Wat mag ik voor u betekenen, mevrouw Lieve,’ vroeg Wig terwijl hij een borrel voor haar inschonk. Hij vroeg naar de bekende weg want hij wist wat zij dronk. De vrouw sloeg het borreltje in een teug achterover.

‘Is die accordeon van jou?’ Sjors schudde van nee en knikte naar het biljart.

‘Je vriendinnetje?’

‘Als je het goed vindt.’ Hij mocht die tante niet met haar geleuter. En dat liet hij haar duidelijk weten ook. De vrouw keek Nokia die aan het biljarten was. Lieve stak een sigaret op.

‘Wat een moppie,’ zei ze. De gesprekken aan de bar hervatten zich. Sjostakovitsj poetste zijn bril en fatsoeneerde zijn spuuglok. Hij stak ook een sigaret op en schudde zijn glas met het dode bier. Met een vies gezicht nam hij een slok. Zijn buurvrouw knikte naar Wig dat hij er nog eentje in kon schenken. Ze haalde vervolgens een piepklein spiegeltje tevoorschijn en maakte een aantal vreemde grimassen.

‘Kunstwimpers en nep t-tieten,’ merkte Marie Monroe op met haar blik op de madame. Frank Zappa proestte het uit.

‘Niet zo luid,’ siste hij.

‘Ach, die del.’

‘Het is groen en zit in de kerk,’ lalde Lautrec plotseling luid zodat een ieder zijn richting uit keek.

‘Mogen wij ook mee doen?’vroeg juffrouw Monroe.

‘Wat was de vraag ook al weer,’ mompelde Vincent van Gogh. Niemand wist het antwoord. Lautrec zelf ook niet meer want zonder enige aanleiding gaf hij zijn buurman een flinke klap op zijn schouders en vroeg of hij nog een beetje zin in het leven had. Gelach aan de bar.

Heel voorzichtig kroop die nacht mama Lieve naast het jongetje. Het was altijd een kunst om Wolf niet wakker te maken. In de slaapkamer naast het logeervertrek klonk gesnurk van hem. Elke avond rond de klok van 11, na het vrijen, maakte hij zich gereed voor de nacht. Binnen een mum van tijd lag hij te knorren. Lieve had nooit tegen snurkers gekund. Al de snurkende kerels waarmee ze was omgegaan had ze buiten de slaapkamer weten te houden. Nu had ze zichzelf de slaapkamer uitgezet en sliep naast het jongetje in de logeerkamer. Ze was bijna in slaap gevallen toen het jongetje zich plotseling oprichtte.

‘Mama Lieve slaap je al?’

‘Bijna.’

‘Wil je even naar mij luisteren?’ Het jongetje kwam van onder de dekens vandaan en ging op zijn knieën voor haar zitten. ‘Moet ik hier altijd blijven,’ vroeg hij toen.

‘Wil je niet bij je vader blijven?’ Om niet in zijn gezicht te praten wendde ze zich enigszins van hem af. Ze had te veel alcohol gedronken.

‘Ik wil mijn vriendjes zien en ik wil ook weer naar school,’ klaagde het jongetje.

‘Ik zal het er met je vader over hebben, ik beloof het je. Ga nu maar weer slapen.’ Even was het stil. Het jongetje was weer gaan liggen. Heel in de verte klonk het geronk van vader Goethe.

‘Wie zijn je vriendjes?’

‘Ik heb veel vriendjes. Mijn allerbeste vrienden zijn Boris, Lucas en Tomek.’

‘En waar wonen zij?’

‘In gebouw 8 van het Kinderparadijs. Ik wil naar ze toe, ik vind er hier niks meer aan.’

‘Ik zal er voor zorgen dat je ze weer ziet,’ fluisterde ze. Beloof me dat je nu gaat slapen.’

‘Mama Lieve.’

‘Ja?’

‘Je stinkt.’


100 Annette en Nokia op pad

Ze omhelsden elkaar en schoten vol. Te veel herinneringen. Herinneringen aan het bruine gebouw. Nare herinneringen aan de vrouwenafdeling, de slaapzaal, het nachtkastje, het nummer aan het metalen bed. Purgatijnse dus. Herinneringen aan die nacht in de rij, staande tussen krijsende lotgenoten wachtende op het onbekende. De dokter. De hevige pijnscheut in de rug en het plaatsen van de chip. Een tijdlang bleven ze in hun omhelzing. Ze waren weer even vriendinnen. Ze stonden op het perron van Sint-Petrusburg, de stad van de herinneringen. Ze waren dus terug. Maar wat hadden ze hier te zoeken. Welke kant moet jij uit? Betraande ogen. Zoeken naar een zakdoekje. Elkaar nog even vasthouden.

Juffrouw Annette en Nokia, beiden bevriend met een kunstenaar uit de artiflat. Allebei een componist, een grootheid uit het verleden. Juffrouw Annette met Doctor Anton Bruckner van zeshoog en Nokia met Dmitri Sjostakovitsj van een etage hoger. Verkering zou je het kunnen noemen, jazeker, maar niet van harte. Nokia vertelde over haar altijd naar bier smachtende vriend. Een lieve man, maar niet altijd even correct. Dikwijls was hij de weg volkomen kwijt. Negenenzestig was ie, twee keer zo oud als zij. Annette op haar beurt klaagde over haar tweeënzeventig jarige Bruckner, de oversekste man die van alles van haar verlangde. Doctor Anton, kaal en riekend naar sigaren. Religieus en altijd in het grijs. Driedelig grijs met hinderlijke vlekken en een te korte pantalon. Gek van God, Maria en Richard Wagner. Maar hij was gul. Eveneens twee keer zo oud. De twee vrouwen telden slechts vijfendertig jaar.

Ze zochten naar richtingsborden. Nokia richting PSV, de Petrusburgse Sport Vereniging, Annette naar de rode molen. Twee tegengestelde richtingen. Annette naar het centrum, Nokia naar west. Annette met een rolkoffer, Nokia met haar accordeon. Ze zouden hier op het perron afscheid nemen. Weer een omhelzing en links en rechts een kus.

 

Herinneringen ook tijdens de wandeling naar het centrum. De herkenning van bomen, parken, straten en gebouwen. Toen met een kar, nu met een kar. Toen met een kar met bezem, nu met een kar met bezittingen. Toen met een pet, nu met een zonneklep. Niet dat de zon in haar ogen prikte, het weer was aller gunstigst. De zon scheen zacht en er woei een aangenaam briesje. Behalve de klep, die ze stoer vond staan droeg ze een vuurrood truitje en een witte broek tot even onder de knieën. Haar All Stars liepen lekker. Ze had zich vanmorgen uitgebreid in de spiegel bekeken en ze vond dat ze er sportief en sexy uitzag. Het enige nadeel was haar flinke bips. Naarmate ze het centrum naderde werd het drukker. Nog meer herkenning. Een warm gevoel bekroop haar. Haar koffer ratelde over de keien. Nog even, en ze zou de straatjes betreden waar ze haar dochtertje Pientje voor de geest had zien verschijnen. Ze zou de plek zien waar ze haar kar onverhoeds aan de kant had gezet, en waar ze van blijdschap haar tranen had laten gaan. Hoe de schilders Van Gogh en Lautrec, op werkbezoek in Sint-Petrusburg, haar hadden aangetroffen op het grasveldje onder de rode molen. Als volleerde kunstenaars hadden ze Pientje tevoorschijn getoverd. Ze had de tekening als één van haar kostbaarste bezittingen tussen haar kleding in de rolkoffer gestopt. Nog even en ze zou daar zijn.

 

Nokia, de kleine vrouw met het gitzwarte haar en de smalle oogjes liep richting west. De wijk van de bevrijding uit het purgatorium. De wijk van het bruine gebouw. De wijk van de vriendschap met Annette. De wijk van de chip. Sportcomplex PSV? Ja daar vraagt u mij wat. Het stikt hier van de sportverenigingen. Zo bekend ben ik hier nu ook weer niet. Nokia sjokte voort. De riemen van haar accordeon begonnen pijn te doen. Kijk, een aanwijsbordje. Stadion PSV, rechts af. Twintig minuten lopen. Goed gegokt Nook! Daar was een bankje. Even de benen strekken en de accordeon afdoen.

 

Ze had een pak geld van Bruckner los weten te krijgen. Geld voor haar kamer. Ze moest en zou die kamer hebben in het Molensteegje 17a. Aanbetalingen moesten er gedaan worden, betalingen die niet mis waren. Werk aan de winkel dus, op naar de zesde etage. Bijna dagelijks verscheen de vrouw van zijn dromen. Bruckner wist niet wat hem overkwam. Gul beloonde hij haar, keer op keer.

‘Ik kom voor de kamer,’ had ze gezegd nadat ze had aangebeld op nummer 902. Meneer Goethe had opengedaan. Hij had bleek gezien, ongeschoren en zijn haren hadden alle kanten uitgestaan. Hij droeg een lange blauwe badjas met koperen knopen en emblemen op de borst. Zwijgend had hij haar van top tot teen bekeken. ‘Van de advertentie in de hal,’ vervolgde ze. Ze had het gevoel dat ze kleurde.

‘De vrouw des huizes is niet aanwezig,’ had hij tenslotte gezegd. ‘Maar komt u even verder. Wellicht belieft u een kopje thee.’ Hij had een stap opzij gedaan om haar door te laten. Ze had bedankt. Ze had de bui aan voelen komen. Noem het ervaring. Ze had glinstering in zijn ogen op zien komen en een vreemde glimlach om zijn lippen. Maar nu aan haar lijf geen polonaise. Ze was trouwens zojuist teruggekeerd van een bezoek aan Bruckner. De schrijver bekeek haar alsof ze gekeurd moest worden. Zijn ogen bleven tenslotte rusten op haar borsten en zonder haar aan te kijken zei hij: ‘Ik zal zeggen dat u gekomen bent. Waar kan ze u ontmoeten?’

‘In de wasserette,’ had ze geantwoord.

‘Ach natuurlijk, nu zie ik het. U bent die schoonheid van de wasserij.’

 

Van wie ze het had vernomen wist ze niet meer, maar volgens zeggen was er in Sint-Petrusburg goud geld te verdienen. Je mocht echter niet zo maar ergens je kunsten vertonen. Daar moest een vergunning voor komen. Daarvoor moest je eerst auditie doen, proefspelen zo gezegd. Wat ze zou spelen? Geen idee nog. Heel in de verte zag ze boven de bomen uit lichtmasten, stadionlampen. Daar zou je het sportcomplex hebben. In een van de bijgebouwen wachtte een commissie op haar. Een commissie die zou beoordelen over haar capaciteiten als straatmuzikante. Voor een moment voelde ze het in haar buik. De spanning. Ze had dorst. Jammer dat ze geen water mee had genomen. Straks zou er vast wel ergens een kraan zijn, of wie weet een kantine. Ze stond van het bankje op, deed haar accordeon weer om en liep richting stadion.

Even later zat Nokia samen met een aantal andere straatmuzikanten op lage houten banken in een gymzaal van de Pertrusburgse Sportvereniging. Een kakofonie van geluiden had haar zojuist verwelkomd. De zaal had een houtenvloer en op verschillende plaatsen klimrekken en basketbalkorven. Achteraf stonden turntoestellen en kleine doeltjes. Nu zat de hal vol met straatmuzikanten. Muzikanten die hoopten op een diploma, een vergunning om te mogen spelen in de grote steden. In de wasruimte oefende een hoempa band. Een helslawaai overstemde alles en iedereen. Achter een crèmekleurig doek werd het vonnis voltrokken. Nokia zat naast een banjospeler met cowboyhoed. Blind oefende hij akkoorden. Naast hem zat een jongen met klarinet met zijn rietje te klooien, daar weer naast een vrouw met stoffen poppen over haar handen. Ze murmelde in zichzelf, waarschijnlijk was ze zich aan het voorbereiden. Verderop zat een dik besnorde man met op zijn schoot een draailier, en naast hem een jongleur met een mandje met kegels en ballen. Achter het gordijn klonk een krassende viool. Oei! Sommige wachtenden kuchten, en keken naar de vloer. Ze leken met de krassende violist te doen te hebben. Uit de wasruimte druppelden de bandleden van het hoempaorkest de zaal in. Een trompettist smeerde zijn ventielen in met spuug. Vanachter het gordijn klonken gedempte stemmen. Weer de viool. Een ogenblik later verscheen de vioolspeler met een bedompt gezicht. Het huilen stond hem nader dan het lachen. Hij gaf de bankzitters een kort knikje. Achter hem aan kwam een mager manspersoon met lange bakkebaarden en een vlinderstrikje. Een jurylid. Akelig stil werd het. Een trombonist, zittende op een bok, schetterde plotseling een glissando. De vrouw met de poppen sloeg de handen voor de oren en keek lelijk. Een tandeloze vrouw probeerde een melodietje op een mondharmonica. Het jurylid keek de zaal rond en grijnsde, hij liet daarbij een aantal gouden tanden zien. Aan de vrouw met de poppen vroeg hij of ze mee wilde komen, waarna ze verdwenen achter het doek. Niet veel later gemompel en daarna gelach, dat overging in gebulder. De poppenmevrouw scheen succes te hebben. Met een verhit gezicht en een grote smile verscheen ze even later weer in de zaal, direct gevolgd door de man met het strikje. De vrouw had succes gehad. De man met de draailier werd verzocht het jurylid te volgen. Een ieder in de zaal keek naar het doek. Er volgde een afschuwelijk jankend geluid dat sommigen op de banken naar de oren deed grijpen. Intussen zat Nokia te schuifelen op de bank. Ze had haar accordeon op schoot genomen. Ze zou zo direct aan de beurt zijn. Angstig hoefde ze niet te zijn, want ze kon zich met gemak meten met wat ze tot nu toe gehoord had.

 

Boven de bomen uit ontwaarde zich de romp van de rode molen. Het was in de namiddag toen juffrouw Annette de nauwe straatjes van hartje Sint-Petrusburg binnen rolde. Het was er gezellig druk. Haast had ze. Ze wilde zo snel mogelijk naar het Molensteegje. Nieuwsgierig was ze naar haar kamer. Hoe verder ze vorderde des te drukker het werd. Zielen bleven de vrouw met zonneklep en rolkoffer nakijken. De straten werden nauwer. Cinema’s en toeristenshops, snackhuisjes en bierluiken. Zwart zag het voor het Museum De Heilige Boon.

‘Het Molensteegje? Ja daar vraagt u me wat. Het stikt hier van de steegjes.’ De agent krabde achter zijn oren en keek haar onderzoekend aan. Hij fronste de wenkbrauwen, keek richting rode molen en antwoordde:

‘Het moet daar ergens zijn.’ Hij wees voor zich uit en leek na te denken. Toen zei hij: ‘U merkt het van zelf. De feestverlichting brandt en een ieder is goed gehumeurd. Het kan niet missen. Vijf minuutjes van hier, niet langer.’ De man aarzelde. Toen zei hij nog: ‘Maar wees op uw hoede.’Juffrouw Annette bedankte de agent met haar mooie glimlach en ratelde verder. Het werd drukker en drukker. Flirtende meisjes, kort gerokt en opgedirkt. Er was op dit namiddaguur veel manvolk op de been. Mannen met ringetjes in de oren, mannen met kaal geschoren hoofden en veel blauw op de armen, en mannen met lang haar, haar tot over de schouders, mannen die geleken op een volgeling van Jezus. De meisjes achter de ramen lachten hen toe. Van overal klonk muziek, populaire muziek, luide muziek die hoorde bij de warmte van het centrum. Het was reeds aan het schemeren toen ze er aan kwam. De Molensteeg. Een smalle kromme steeg die iets op liep, zodat ze het idee had een kleine heuvel te bestijgen. Nummer 17A, daar moest ze zijn.


101 Fancy Fair

Nieuweling Frank Sinatra van nummer 303 had vriendschap gesloten met Guus Verdi van 705. Ze hadden elkaar ontmoet in het pianokamertje op de begane grond. Sinds die ontmoeting huren zij dagelijks het kamertje af om hun stem op peil te houden. Iedere ochtend tussen elf en twaalf klinken in de nabijheid van café de Nadorst toonladders, drieklanken liederen aria’s en vocalen op Noe noe noe… Ah ah ah… en dergelijke.

Nu stonden de twee achter een kraam op de fancy fair aan de achterzijde van de artiflat. SOLFEGE EN STEMVORMING stond er op een spandoek aan de kraam, LAAT HIER UW STEM KEUREN

‘Dames en heren, T h e V o i c e,’ riep Guus Verdi overdreven luid als een marktkoopman en hij spreidde zijn armen.

‘V i v a V e r d i,’ riep Sinatra op zijn beurt. Samen hieven zij het lied La donna e mobile aan. Over bezoek hadden de twee zangpedagogen niet te klagen. Verschillende burgerzielen uit de stad hadden hun stand reeds bezocht, waaronder leden van het koor van de Sint-Jan Kathedraal, de machtige kerk op het Plein van de Hemelse Vrede. Veel voorkomende vragen waren: ‘Wat vindt u, ben ik een bariton of een tenor? Ben ik een mezzo of een alt?’ Voor slechts 5 zilverlingen kreeg men een vakkundige oordeel. Ook bekende gezichten bezochten de stemkraam, waaronder medebewoonsters van het arti-koor de Dames van de derde. Mevrouw Lucy Ball van 304 had zeker een half uur stemoefeningen gedaan met Guus Verdi. Met geen mogelijkheid kon hij de amateurzangeres een fatsoenlijke toonladder laten zingen. Hardop durfde hij het niet te zeggen, maar er was weinig met haar stem te beginnen.

Naast de stemkraam bevond zich de Evangelisatiekraam van de dames Mahalia Jackson van 205 en Frau von Bingen van 606. Op hun spandoek stond te lezen VERVLOEKT ZYT GY DIE DE RECHTEN VAN VREEMDELINGEN SCHENDT. De dames verkochten voor 5 zilverlingen zelf ontworpen en mooi gekalligrafeerde Bijbelspreuken. Ook boden zij houten kruisjes te koop aan met of zonder figuurtje. Alles handgemaakt stond er op een kaartje.

Naast de Evangelisatiekraam verkochten de jongedames Janis Joplin van 105 en haar buurvrouw Amy Winehouse van 107 bosjes bloemen versierd met kleurrijke lintjes. De naam van hun kraam bedroeg Flower Power. Hun koopwaar hadden de dames op een late avond geplukt uit het bruidsboeket en uit de velden met rode zonnebloemen. Je kon voor 15 zilverlingen een pracht van een boeket kopen.

In het bruidsboeket wapperde vlaggen en hing er een reuze spandoek met de aankondiging FANCY FAIR. De vlag voor de arti, pal voor de ingang van de flat, was die morgen vroeg door huismeester Smit uitgehangen. Aan een tafeltje, naast de met ballonnen versierde ingang van de Nadorst zat Marlene Dietrich van nummer 504. ORGANISATIE stond er op een schoolbord. Mevrouw Dietrich verkocht de kaartjes. Burgerzielen betaalde 10 zilverlingen, eigen volk van de arti de helft. Naast de kassa, staande tegen de muur van de flat speelde de kleine muzikante Nokia op haar accordeon. Herhaaldelijk klonk de wals uit de Jazzsuite van haar minnaar Sjors van 701. Laatstgenoemde had deze dag de baan van zijn dromen door vandaag op te treden als biertapper op het terras achter de Nadorst, waar de eigenlijke fancy fair begon.

In de Johannesburger, het krantje dat wekelijks ongevraagd in de brievenbussen werd gekieperd, had op de voorpagina een oproep gestaan van burgemeester mevrouw moeder Teresa. Aan de bewoners werd gevraagd hun medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een opvangcentrum voor dakloze purgatijnen. Een gebouw was reeds beschikbaar. Het betrof de leegstaande Bethlehem kerk aan de Kleine Ring in Noord. Toen de oude dame mevrouw Dietrich de oproep onder ogen had gekregen had zij direct actie ondernomen. Zij wilde zich met alle geweld hard maken voor de oproep van de burgemeester. Tevens wilde ze de Heer een dienst bewijzen en haar dankbaarheid tonen voor haar verhuizing van de eerste etage naar de vijfde. Een aantal bewoners die gewoonlijk hun neus ophaalde voor de excentrieke dame roddelden: Nogal wiedes dat zij haar best doet, want kwam zij ook niet uit de hoek van purgatijnen, liep ook zij niet met een chip in haar rug? Hoe dan ook. Een maand na de oproep van moeder Teresa werd er in de achtertuin van de artiflat een heuse fancy fair georganiseerd. De bewuste dag beloofde een mooie dag te worden. Iedereen was in een optimale stemming en ook het weer werkte mee. De zon scheen lieflijk, er hing zelfs geen wolkje aan de lucht en er woei een aangenaam briesje. Zowel het caféterras als de kegelbaan stonden vol met tafeltjes, kraampjes en wat al niet meer.

Marie Monroe, verreweg de mooiste vrouw van de artiflat, woon achtend op nummer 102, had even voor het middaguur plaats genomen op een krukje voor de schildersezel van Pablo Picasso, de snoodaard van de achtste. De kunstschilder had aan de rand van de kegelbaan, daar waar het heuvelland begint, zijn stek opgezet om in een mum van tijd een portret van iemand te maken. Vijfendertig zilverlingen kostte zo’n tekening, een hoge prijs, doch het was voor het goede doel. Een groepje nieuwsgierige burgerzielen keek met belangstelling naar de verrichtingen van de kunstenaar toen hij met het portret van Monroe bezig was. Waarom werd er zo gegniffeld, vroeg Marie Monroe zich af, waarom lachten zij? Waarom stootten zij kreetjes uit als Poeh poeh… en Tsjonge tsjonge… Wat tekende Pablo in godsnaam? Dreef hij de spot met haar, maakte hij haar belachelijk? Ze kon zich nauwelijks inhouden om een blik op haar portret te werpen. Weer werd er gelachen en naar de tekening gewezen. Van ongeduld en nieuwsgierigheid zat ze te wippen op haar kruk. Plotseling stond ze op, liep naar de schildersezel, keek naar de tekening en stoof als een bezetene op Pablo af.

‘Jij v-vuile schoft,’ schold ze. Bang dat ze hem een mep zou geven deinsde Pablo achteruit. ‘Jij geilaard, hoe durf je mij zo te verminken.’ En inderdaad het kunstwerk leek in de verste verte op de mooie Monroe. Niets was er van haar schoonheid op papier gezet. In plaats van haar mooie gezichtje had hij haar een scheve mond gegeven en wijduitstaande ogen. Onder haar mismaakte gelaat pronkten twee loeigrote borsten.

‘Hoe durf je mijn b-borsten zo uit te vergroten, brieste ze. Bang dat ze hem te lijf zou gaan, weerde Picasso zich met beide handen af.

‘Maar Marietje,’ stamelde hij, wat is er met die borsten mis? Ik heb ze getekend zoals ik ze ooit heb mogen zien, sterker nog, ik heb ze in mijn handen gehad.’

‘Jij hebt alle t-tieten van de flat in je handen gehad,’ schreeuwde ze. Intussen was Frank Zappa, de vriend van Marie, tussenbeide gaan staan.

‘Marietje, houd je in, het is maar een tekening,’ suste hij. En tegen Picasso fluisterde hij ‘Sorry’. Vervolgens nam hij haar bij de arm en troonde haar het terrein af.

‘Ik kijk je n-nooit meer aan’, riep ze de kunstschilder nog venijnig na.

Otis Redding van de hoek van de eerste etage liep al geruime tijd met zijn kloten onder zijn arm. Doelloos slentert hij langs de zijlijn heen en weer. Van een afstand aanschouwd hij de drukte op de fancy fair. Hij vraagt zich af wat hij hier eigenlijk doet. Hij belieft geen tekening van zichzelf, hij hoeft geen bloemboeket, hij heeft geen stemadvies nodig, zijn hoofd staat er niet naar om naar een godsdienstpraatje te luisteren. Brian, zijn vriend van 104 had hem geprobeerd over te halen om samen de fancy fair te bezoeken, maar hij had bedankt, hij wilde liever alleen zijn. Hij was maar met een ding bezig, met juffrouw Annette. De vrouw die in het niets was verdwenen. Van de ene op de andere dag was ze er niet meer. Zonder een woord te zeggen was ze vertrokken. Aan de deur van de wasserette hing een simpel bordje GESLOTEN. Hij verweet zichzelf dat hij haar zijn liefde niet had verklaard. Nog niet zo lang geleden had hij een liefdeslied voor haar gecomponeerd. Hij had het voor haar, zittende op een wasautomaat, gezongen, hij had zijn ziel voor haar bloot gelegd. Hij miste haar als geen ander. Hij miste zijn dagelijkse loopje naar de wasserette. Hij miste haar gestalte, haar atletische figuur, haar aanstekelijke lach, haar wipneusje, haar ietwat loensende ogen, verschillend van kleur, als hij zich niet vergiste de ene grijs, de ander groen… Niemand kende de reden van haar vertrek. Nu ja, heel misschien die hoge ome van 601, meneer Bruckner. Ze had het wel eens over hem gehad, over die sigaar rokende godvruchtige man. Ze was zijn hulpje in de huishouding geweest, had ze eens verteld. Misschien moest hij eens bij hem aankloppen. Maar tot dusver had hij de moed niet gehad om bij hem op de zesde aan te bellen.

Huismeester Gerrit Smit stond onder een groepje olijfbomen het spul gade te slaan. In zijn rechterhand hield hij de lijn met Lodewijk, een extra lange lijn van wel 10 meter. Hij had deze reuze lijn gevonden in een reclamefolder van het Goudvat. Het hondje zelf zat te snuffelen onder de broodjeskraam. Genoeg kruimels en ander lekkers. De huismeester zelf had ook wel trek in iets. Terwijl hij aan zijn sjekkie trok, stond hij in tweestrijd of hij een broodje kaas of ham zou nemen. Ook had hij zin in een bakkie leut. De broodjes- en koffiekraam werd gerund door Hannie en Fannie, het setje van de derde etage. Een van de dames slaakte plotseling een gil toen zij de likkende tong van Lodewijk over haar onderbeen voelde.

‘Jakkes nog aan toe,’ riep ze. Ongemanierd kefte Lodewijk haar uit. Terwijl hij zijn sigaret voor zich in het grind wierp en deze uittrapte, trok hij zijn hondje naar zich toe. Op het moment dat hij beslist had een broodje kaas te zullen gaan kopen plofte er een stomp sigaar voor hem neer in het grind. Smit keek verbaasd omhoog. Wie gooit zoiets nou naar beneden, bromde hij. Zal wel weer van het gespuis van de eerste zijn, die gooien al hun rotzooi naar beneden. Terwijl hij zich bukte om de sigaar op te rapen keek hij omhoog. Hij keek naar de appartementen die zich boven het fancy fair gebeuren bevonden. Het moet van een nummer 1 komen, stelde hij vast. 101 kan niet, daar woont de nieuweling Zappa, die zag hij zo juist nog lopen met die blonde del van 102. Meneer Strauss van 201 rookte niet voor zo ver hij wist. Brel van 301 was sigaretten kettingroker en rookt naar zijn weten geen sigaren. En trompettist Armstrong van 401 had hij nimmer met een rokertje gezien, evenals de King met de kuif van 501. Aha, Bruckner van 601 dus, riep hij hardop, dat is dus de boosdoener, want die rookt sigaren! Ik zal hem hierover zeker aanspreken. Terwijl hij zich dit alles bedacht, en de zesde in het vizier hield, raapte hij de stomp sigaar op.

‘Godgloeiende,’ vloekte hij, toen hij zijn vingers brandde. Wild gooide hij de nog smeulende sigaar voor zich uit. Daarna liep hij rood aangelopen en zijn pijnlijke vingers in zijn mond houdende op de broodjeskraam af.

Chet Baker van 103 stond op een kistje te spelen op zijn nieuwe trompet. GRATIS PROEFLES stond er op een stuk karton dat voor hem lag. Het jongetje mocht het proberen maar kreeg er nauwelijks geluid uit.

‘Mag ik bij u op les?’ vroeg hij.

‘Natuurlijk jongetje,’ antwoordde Chet die blij was met een klant. ‘Jij bent de zoon van de hoge piet van de bovenste is het niet?’ Het jongetje knikte, maar begreep hem niet. ‘Vraag het eerst maar eens aan je vader,’ zei Chet. Maar het jongetje wist nu al dat deze het niet goed zou vinden. Had hij laatst niet gezegd dat hij niet te veel moest omgaan met zielen van de laagste etage.

‘En als mijn vader het niet goed vindt?’

‘Dan krijg je gratis les van mij.’

‘Deal,’ zei het jongetje en ze gaven elkaar een high five.

 

Iemand die het vandaag te kwaad heeft is de 72 jarige organist Anton Bruckner van 601. In plaats van zich beneden tussen het volk te begeven loopt hij te kniezen in zijn donkere woonkamer. De kamer waarvan de zware gordijnen al dagenlang voor de helft gesloten zijn. De kleine kale man ziet er aller belabberdst uit. Magerder lijkt hij te zijn geworden. Zijn driedelig grijs hangt als een zak vodden over de gemakkelijk stoel. Dagenlang draagt hij hetzelfde overhemd. Zijn sokken moeten nodig een sopje hebben evenals zijn ondergoed, zakdoeken en beddengoed. Maar de wasserette is dicht. Juffrouw Annette is met de horizon vertrokken. Zin om zich aan te kleden heeft hij niet, laat staan zich naar buiten te begeven. Hij loopt rond te banjeren in zijn gestreepte boxershort, ooit een cadeautje van juffrouw Annette. Eten doet hij mondjesmaat. Huismeester Smit brengt hem om de paar dagen boodschappen, jenever en sigaren. Rond de klok van 3 neemt hij gewoonlijk zijn eerste glaasje. En als hij vier of vijf borreltjes gedronken heeft en de tranen tevoorschijn komen, wil het wel zijn dat hij zijn koffertje te voorschijn haalt, het koffertje met meisjeskleding. Hij voelt aan zijn stoppelbaard en denkt na. Intussen steekt hij een stuk sigaar op dat hij tussen de andere peuken uit de asbak plukt. Vervolgens opent hij de schuifpui en kijkt naar beneden, naar het feestgedruis, de kraampjes, kleedjes, vlaggetjes en ballonnen. Drukte op het caféterras en op de kegelbaan. Er heerst een fancy fair, wat dit ook betekenen mag. In het frisse briesje ruikt hij zijn onderhemd. Hij snuift aan zijn oksels. Zo af en toe droogt hij zijn natte wangen. Hoe lang treurt hij nu al niet? Twee nachten heeft hij zich in het bruidsboeket schuil gehouden. Als een zwerver, een dakloze purgatijn had hij op de uitkijk gelegen, wachtende op het moment dat ze thuis zou komen. ‘Is dit nu het hiernamaals!!’ schreeuwt hij plotseling met overslaande stem. ‘Het lijkt goddomme wel de verdoemenis!!’ Wild drukt hij de stomp sigaar uit op de rand van de balustrade, en werpt het naar beneden. Terwijl hij naar de brandplek op het hekwerk kijkt slaat hij een kruisje. Jezus, Maria, zucht hij, wat moet ik zonder haar. Het is een vraag die hem de gehele dag bezighoudt. Voor een moment laat hij de schuifpui op een kier. Een beetje frisse lucht kan geen kwaad. Beneden op het prikbord heeft hij een briefje gehangen. Hij heeft een poetsvrouw gevraagd, een hulp in de huishouding. Een stille hoop koestert hij dat er misschien een jonge juffer op af komt. Een juffer zoals zijn lieve juffrouw Annette. Hij lispelt voor de zoveelste keer haar naam. Van uit de diepte klinkt er een accordeon. Alsmaar dat zelfde wijsje. Hij sluit de schuifpui, loopt de kamer in, kijkt op de pendule en ziet dat het nog maar 1 uur is. Toch schenkt hij zich een borrel in.


102 Otis en Anton

Otis Redding, de 26 jarige soulzanger, de benjamin van de artiflat, wonende op de hoek van de eerste etage, ligt in bad. Vanuit de woonkamer hoort hij de falsetstem van Anton. Deze zingt een gregoriaanse melodie, niet op woorden maar op vocalen, al meent hij zo af en toe wel de woorden Kyrie en Credo op te vangen. Hij is in goede doen, anders zou hij niet zo luidruchtig zingen. Dat was een paar weken geleden wel anders. Door met zijn voeten te trappelen ontstaan er golfjes en beweegt het bootje dat hij gevouwen heeft op en neer. Hij kijkt om zich heen. De badkamer van Anton is net zo groot als zijn woonkamer op nummer 111. De appartementen vanaf de zesde verdieping en hoger beschikken over een badkamer met ligbad. De etages drie, vier, en vijf hebben een douchecabine. De bewoners van de twee laagste verdiepingen hebben geen wasgelegenheid. Zij moeten volstaan met de kraan van het aanrecht of het fonteintje in de wc. Wat een genot zo’n bad, denkt hij, terwijl hij het bootje heftig heen en weer laat schudden. Als hij thuis een bad zou hebben, zou hij er veel in liggen. Otis vindt het tof dat hij Anton bij zijn voornaam mag noemen. Eerst was het meneer Bruckner voor en na. Maar gisteren in de slang naar Sint-Petrusburg hadden ze besloten elkaar te tutoyeren. Hij mocht de zachtaardige man graag. Hij zag hem als een soort vader, of misschien grootvader.

Otis had er tegenop gezien toen hij een aantal weken geleden rond het middaguur bij de maestro op 601 had aangebeld. Hij herinnert zich hoe hij van de kleine kale man was geschrokken. Nog ziet hij hem staan in de deuropening, in zijn onder plunje. Hij had vermoeid uit zijn ogen gekeken en had een stoppelbaard. Na enige aarzeling was hij uitgenodigd binnen te komen. Al direct in de hal had de muffigheid hem bij de keel gegrepen. De woonkamer was groot en donker en was bekleed met dikke gordijnen en tapijten. Het was er vol. Aan de wanden hingen schilderijen van onbekende personen, verder kleine en grote kruisen met de Lieve Heer en diverse Maria’s. In het midden stond een grote ruwhouten tafel met er omheen stoelen met hoge ruggen en houtsnijwerk. Naast de tafel stond een strijkplank waarover een grijze pantalon hing. Het lichtje van de strijkbout brandde. Otis had zich geëxcuseerd dat hij hem gestoord had. Maar de gastheer had dit weggewuifd en hem uitgenodigd plaats te nemen. Midden op tafel lag een grote lederen bijbel met gouden scharnieren met daar bovenop oneerbiedig een asbak vol sigarenpeuken. Nadat Bruckner een verse sigaar had opgestoken, het strijkijzer had uitgezet en voor thee had gezorgd nam hij plaats aan de tafel tegenover zijn bezoeker. Hij leek zich in het geheel niet te generen dat hij nog altijd in zijn onderbroek zat.

‘U bent nieuwsgierig naar Gods woord’, had Bruckner gevraagd toen hij Otis langdurig naar de imposante bijbel had zien kijken.

‘Wij hadden thuis ook een grote bijbel,’ had Otis geantwoord. ‘Maar niet zo’n mooie als u heeft.’

‘Wat een geluk dat uw ouders ook de Heer in huis hadden,’ had Bruckner gezegd. Otis had geknikt. Hij wist verder niets te zeggen. ‘De Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken’, had Bruckner gepreveld, terwijl hij een koektrommel onder zijn neus had gehouden. Otis had het kunstig gevonden dat Bruckner spreken kon zonder zijn sigaar uit zijn mond te nemen.

‘Wat brengt u hier naar toe?’ had Bruckner na een stilte gevraagd.

 

Nu ligt hij dus in bad, in de badkuip van Anton Bruckner op de 6e etage. Anton is opgehouden met zijn gezang. Het is stil in huis. Als hij zijn oren scherpt hoort hij het tikken van de verschillende uurwerken die zich in het huis bevinden.

‘Sinds de wasserette dicht is doe ik de was in de badkuip.’ Otis schrikt. Want de heer des huizes staat in de deuropening van de badkamer. Hij heeft hem niet horen aankomen. Anton toont hem een brede glimlach. ‘Is het water warm genoeg?’ Otis knikt en probeert zich zo ver mogelijk onder de waterlijn te verbergen. Hoe lang staat hij daar al, vraagt hij zich af. Zijn bootje kabbelt tussen zijn voeten, het botst tegen de wand van het bad. Anton leunt ontspannen tegen de deurpost. Hij rookt een sigaar. ‘Ik weet niet hoe het jou vergaat’, zegt hij dan, ‘maar ik moet nog veel denken aan gisteren. Ik kon zelfs moeilijk in slaap komen.’

‘Het was een geweldige dag,’ antwoordt Otis. ‘Een dag om niet snel te vergeten.’

‘Zo is dat,’ zegt Brucker en hij maakt aanstalten de badkamer te verlaten. ‘Ik heb thee gezet, dus als je zo ver bent,’ zegt hij nog. ‘Of was je van plan de hele dag in de oceaan rond te dobberen?’ Dan draait hij zich grinnikend om en verheft zich wederom in luid gezang. Ja het was een bijzondere dag, denkt Otis. Een dag vol verrassingen en onverwachte gebeurtenissen.

 

‘Wat mij hier naar toebrengt,’ had Otis die voormiddag gehakkeld, ‘is dat de wasserette plotsklaps gesloten is. U zult hier zeker van gehoord hebben. En toen ik had vernomen dat de juffrouw bij u in de huishouding werkte had ik gedacht dat ik eens bij u zou informeren, wellicht wist u waar zij was. Ik had een goede band met de juffrouw van de wasserette en ik begrijp er geen sikkepit van dat ze zomaar verdwenen is.’ Bruckner had langzaam van neen geschud.

‘I k w e e t h e t n i e t, i k w e e t h e t n i e t,’ had hij plotseling luid geroepen. Hij had hierbij zijn eigen woorden gedirigeerd. Het had geleken alsof hij kwaad of radeloos was. ‘Het is voor mij eveneens een groot raadsel, een mysterie!!’ Toen was hij opgestaan en had ruw de gordijnen geopend. Otis had zich niet op zijn gemak gevoeld. Hij had zich afgevraagd of hij er wel goed aan had gedaan om Bruckner te bezoeken. De man leek hem danig in de war. De componist had nog steeds geen aanstalten gemaakt om zich fatsoenlijk aan te kleden. De witte benen onder zijn boxershort hadden lachwekkend aangedaan. Zonder een woord te zeggen had Bruckner een tijdlang voor de balkondeuren gestaan. Toen hij even later weer tegenover hem aan tafel had gezeten, had Otis zijn betraande ogen gezien. Na een lange zucht zei hij op zachte toon: Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden… Daarna waren lange stiltes gevolgd. Ze hadden van hun thee gedronken en koekjes gegeten. Geen van beiden hadden iets losgelaten over hun gevoelens jegens juffrouw Annette. Tenslotte was Bruckner moeizaam opgestaan en had zijn strijkwerk hervat. ‘Doet u ook aan muziek?’ had hij plotseling vanachter de strijkplank vriendelijk gevraagd.

‘Ja zeker,’ had Otis geantwoord. Hij was blij dat het onderwerp van het gesprek een wending had gekregen. ‘Ik zing,’ had hij gezegd.

‘Prachtig,’ had de componist geantwoord.’ En hij vervolgde met zekere trots: ‘Ik heb veel voor de menselijke stem gecomponeerd. Kent u mijn Te Deum?’ Otis schudde van nee.

‘Ik ken nauwelijks klassieke muziek,’ had hij geantwoord. ‘Ik zing van uit mijn soul.’

‘Dat heeft u mooi verwoord,’ had Bruckner geantwoord. ‘Doet u mij een plezier en laat iets van uw zangkunst horen. Vrolijk mij op. U zult gemerkt hebben dat ik enigszins treurig gestemd ben.’ Een moment later hadden tranen over Bruckners wangen gebiggeld toen Otis het lied I’ve got dreams to remember had gezongen. Daarna had de componist zijn strijkwerk hervat. Otis had gezien hoe secuur en langdurig hij met de broekspijpen bezig geweest was. Bruckner die zijn bezoeker naar hem had zien kijken zei: ‘Een klusje dat onze lieve juffrouw altijd voor mij deed.’ Er volgde een snik. Toen zei hij: ‘Ik zou u mijn Adagio willen laten horen. Over een week ga ik naar Sint-Petrusburg om daar het orgel van de Dom te bespelen. Als u wilt, bent u die dag mijn gast.’ En zo geschiedde het.

 

Het bootje is gekapseisd. Met mijn tenen probeer ik het overeind te krijgen. Ik maak nog geen aanstalten om de badkuip te verlaten. Ik denk aan gister. ’s Morgensvroeg hadden we de slang naar Sint-Petrusburg genomen. Het was een stralende dag, met een heerlijk zonnetje en een flauw briesje. Vanuit de kamer hoor ik Anton met zijn onvervalste falset stem zingen. Hij is opgeknapt, vind ik. Wellicht komt dit door de prachtige dag van gisteren. Eerst hadden we de reusachtige Dom bezocht, een kerk met een gouden koepel. Anton had op het orgel een gedeelte uit zijn Adagio gespeeld en geïmproviseerd op I’ve got dreams to remember. Het had indrukwekkend geklonken. Ik had er kippenvel van gekregen. Daarna hadden we de trappen naar de koepel bestegen om over de stad te kijken. De koster die ons begeleidde had opvallende gebouwen aangewezen, waaronder het voetbalstadion, het centraalstation, musea, de gebouwen van de wereldmarkt, diverse kerkgebouwen, en aan de horizon de Toren van Babel, waarin zijn idool Richard Wagner woonde. Toen zijn wijzende vinger op de rode molen was blijven rusten, had hij ons een ondeugende knipoog gegeven. Direct na de Dom hadden we aan de overkant van het plein een McDonalds bezocht. Anton had getrakteerd op een vorstelijk bord met patatfrites en een Petrusburger met saus. Daarna waren we richting centrum gelopen. Ik had me gegeneerd voor de veel te korte pantalon van Anton. Een stuk kuit was geheel zichtbaar. Verschillende burgerzielen hadden ons nagekeken. Toen ik had gevraagd waarom hij zijn broekspijpen zo omgeslagen had, had hij geantwoord dat dit het orgelspelen met pedalen vergemakkelijkt. We waren door een park gelopen toen Anton plotseling halt had gehouden. ‘Ik denk nog veel aan haar,’ had hij gezegd. Ik had hem vragend aangekeken. En na een aarzeling vervolgde hij: ‘Ik bedoel juffrouw Annette. Zij was geen hulp in de huishouding zoals ik je deed geloven, zij was mijn minnares.’ Ik had op dat moment niets weten te zeggen. Moest ik nu ook mijn gevoelens blootgeven? Ik hield me echter in. Wat had ik moeten zeggen? We hadden wel woorden kunnen krijgen. Minutenlang was er gezwegen. Rond de klok van drie waren we het drukke centrum binnengewandeld. Anton was moe en we hadden in een parkje een bankje opgezocht met zicht op de rode molen. En toen vertelde ik Anton over mijn liefde voor juffrouw Annette. Het moet een schok voor hem geweest zijn, want hij was wit weggetrokken. Toen had hij een hand op mijn knie gelegd en zich daarna op het gras gevlijd om een dutje te doen of even weg te dromen. Ik was opgelucht en had gekeken naar de overkant waar het volk zich richting rode molen bewoog. Daarna waren we verder gelopen en hadden een museum bezocht. Daar waren we direct weer weggegaan vanwege het onzedelijke karakter van de tentoonstelling. Bij het verlaten van het museum lazen we in neonletters MUSEUM DE HEILIGE BOON. Verderop waren de straten nauwer geworden. Er waren volop cinema’s, toeristenshops, snackhuisjes en bierluiken. Anton had plotseling halt gehouden, een kruisje geslagen en gepreveld: Heer vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen. Want in de volgende straat zaten allemaal meisjes achter de ramen, mooie meisjes. Op de hoek van een steegje hadden we geruime tijd stil gestaan. Molensteeg, had ik op het straatnaambordje gelezen. Het was er zo druk dat je er nauwelijks fatsoenlijk doorheen kon lopen. Alsof hij bang geweest was mij kwijt te raken had Anton me bij mijn arm gepakt,

‘Kom,’ had hij gezegd, ‘het is mooi geweest.’ Resoluut had hij zich omgedraaid en mijn hand genomen. Vervolgens waren we aan de terugweg naar het station begonnen. Een warm gevoel bekruipt me als ik terugdenk aan de kortgerokte, lachende en wenkende meisjes achter de ramen. Achteraf vind ik het jammer dat dit allemaal zo kort had geduurd. Ik was nog graag even het steegje ingelopen. En dan zie ik dat het topje van mijn eigen mast boven het water uitsteekt. Snel duw ik mijn zaakje onder water.

‘De thee wordt koud’, roept Anton vanuit de woonkamer. Dan hoor ik hem aankomen. Snel sta ik op, schudt me uit en sla een handdoek om Mijn lendenen. Net op tijd, want daar staat Anton.

‘Ik dacht dat je verdronken was,’ lacht hij.

 

 


103 Verhuizing

Er heerste die dag bedrijvigheid alom rond appartement 110 op de eerste etage. Herr von Karajan zou gaan verhuizen. In het midden van de kleine woonkamer lagen met bindtouw bijeengehouden paparassen, voornamelijk partituren, twee tassen en een bruine koffer. Huisraad stond tegen de wand. Dit alles zou door de huismeester gelabeld worden en opgehaald. Karajan zelf stond op de bok om zijn laatste repetitie af te werken. Op de lessenaar stond de ouverture uit de opera Parsifal van Wagner. Met de ogen gesloten, zong hij de frases mee. Kijken naar het notenbeeld op de lessenaar deed hij nauwelijks. Hij kende het werk als geen ander. Het zat volledig in zijn brein. Het orkest speelde voorbeeldig, alleen de pauken waren te luid. Hij tikte af en vroeg aan de paukenist: ‘Waarom zo luid, er staat immers piano’. Het orkest zette opnieuw in en weer waren de pauken te luid. Toen bemerkte hij dat er op de voordeur gebonsd werd. Het was dus niet de paukenist. Hij tikte wederom af en excuseerde zich. Hij sprong van de bok, veegde met een wit zakdoekje het zweet van zijn voorhoofd en liep naar de voordeur.

‘Waarom doet die eikel niet open,’ mopperde huismeester Smit, nadat hij een aantal keer op de deur had staan kloppen. Hij had een karretje bij zich. Op hetzelfde ogenblik dat hij weer op de deur wilde slaan, deed Karajan open.

‘Bent u zo ver?’ vroeg de huismeester. Karajan knikte. Hij was zo ver.

Terug in de huiskamer klom de maestro weer op de bok en sprak zijn orkest toe. Hij dankte hen voor hun inzet. Daarna sprong hij van zijn kistje, liep naar de balkondeur, opende deze, maakte van zijn handen een toeter en riep op luide toon “YES!!”

Het was droevig maar niemand van de eerste etage leek de dirigent uitgeleide te willen doen, niemand stond in de deuropening om hem een laatste handdruk te geven. Er schenen weinig of geen bewoners die treurden om zijn vertrek. Wel waren er vanachter lamellen en gordijnen spiedende ogen die de verhuizing gadesloegen. Het moge bekend zijn dat Herr von Karajan niet geliefd was bij de artibevolking. In de hal stonden slechts twee bewoners die hem een laatste groet brachten, de componisten meneer Ludwig van 903 en Sjostakovitsj van 701. Zijn wedergroet was zoals men van hem verwachten kon: klakkende hakken en het hoofd schuin omhoog. De twee componisten gunde hij een kort knikje. Gezien zijn bravoure deed zijn rugzakje ietwat koddig aan. Daarna verliet hij met opgeheven hoofd het arti terrein en marcheerde al zingend het lied de Toreador richting het Slangenpad. Hij voelde zich strijdlustig, hij voelde zich een overwinnaar. Aan het einde van het pad, vlak voor het tunneltje staakte hij zijn gezang en hield halt. Daarna draaide hij zich om richting artiflat, klakte wederom met zijn hakken, maakte van zijn handen weer een toeter en riep met zeer luidruchtige stem nogmaals: YES!! Hij was blij van het schorremorrie af te zijn. Opgelucht haalde hij diep adem. Hij voelde zich het hijgend hert der jacht ontkomen. In het midden van de flat, ergens op de 5e etage ontwaarde hij een zwaaiend figuurtje. Gezien de afstand kon hij niet zien dat het Frau Dietrich betrof, de tang zoals hij haar gewoonlijk noemde. En dat was maar goed ook. Het zou waarschijnlijk zijn goede humeur verpesten. Met de ene hand zwaaide ze hem overdreven toe, met de ander hield ze een middelvinger omhoog. Het was bekend dat de twee elkaar het licht in de ogen niet gunde. Meerdere malen hadden er hevige aanvaringen plaats gevonden. De laatste woordenwisseling was nog maar kort geleden. Karajan was haar tegengekomen met het geldkistje in haar handen na afloop van de fancy-fair. Hij had haar in het voorbijgaan toegebeten dat het te hopen was dat er niet te veel aan de strijkstok zou blijven hangen. Het gevolg was een ordinaire scheldpartij waarbij woorden en zinnen als rotte vis en vuile SS’er werden gebruikt.

Het vertoeven in het hiernamaals was voor Karajan tot nu toe een worsteling geweest. Hij hoopte dat het in Sint-Petrusburg, in de Toren van Babel beter zou zijn. Slechter dan in de arti zou het niet worden. In ieder geval kon hij in de Toren rekenen op vriendschap. Nog even en hij zou Richard Wagner en Richard Strauss in zijn armen kunnen sluiten. Doch zodra hij het centraal station van Sint Petrusburg was binnengestapt was daar alweer een eerste ergernis. Op verschillende bankjes op het perron lagen haveloze figuren. Purgatijnen, dat kon niet anders. Als gewone burgerziel ging je daar niet voor oud vuil liggen. God wat stoorde hij zich aan dit soort zielen. Lichtkranten vertoonden teksten met PURGATIJNEN WELKOM IN SINT-PETRUSBURG en PURGATIJNEN ZIJN ONZE VRIENDEN. Met opgeheven hoofd passeerde hij het een en ander. Vervolgens zocht hij de uitgang die toegang bood tot het centrum. Bij een bloemenstalletje liet hij zich een witte anjer op zijn jas steken. Wat hem betrof was hij er klaar voor. Er zou een nieuwe tijd voor hem aanbreken.

Nog met het strijdlustige lied de Toreador in gedachten stapte hij die namiddag, het leek al te gaan schemeren, de hoofdstad van de zevende hemel in. Direct bij het verlaten van het centraal station kreeg hij de machtige Dom met zijn gouden koepel in het vizier. Daar op aan! Op de aanwijsbordjes kon hij nog niet de Toren van Babel vinden, wel het centrum. Het was in de vooravond, de straten waren reeds gezellig verlicht, toen hij zich enige rust veroorloofde in een parkje op een bankje tegenover een molen. Hij stak een sigaret op. Nu pas voelde hij hoe moe hij was. Hij zou zeker nog twee uur moeten lopen. Hij vroeg zich af of er achter de molen niet een hotel zou zijn. Hij zou dan morgenvroeg uitgerust aan de wandeling naar de Toren van Babel kunnen beginnen. Een wijselijk besluit, vond hij. Moeizaam stond hij op, doofde zijn sigaret op het hout van het bankje, rechtte zijn rug en begaf zich in een langzaam adagio richting drukte. Een klok in de buurt sloeg acht.

Om kwart over acht liet hij zich inschrijven in hotel Daar bij die molen. De man achter de balie droeg een zwart overhemd met een wit strikje, hij had ruimschoots goud in de mond en droeg zijn haar strak en glimmend achterover. Een koffieautomaat maakte een slurpend geluid. De entree was huiselijk. Veel bruin en donkerrood. Je liep vanaf de toegangsdeur direct naar een barretje. Op het bruine glimmende barretje stond een grote kassa, een glazen bak met pepermuntjes en een houder met ansichtkaarten van de omgeving. Een houten wenteltrap gaf toegang tot de kamers. Onder de trap stond een zwarte piano met goudkleurige kandelaars. Op de lessenaar stond een menukaart. Achter de man in het zwart hingen foto’s van meisjes in badpak en minirok met onder elke foto een nummer. Toen de man hem naar de foto’s zag kijken, knikte hij naar de hoek waar een jukebox stond. Het bleek een jukebox zonder muziek. In plaats van grammofoonplaatjes lagen daar keurig inrij de afbeeldingen van de meisjes. Het was de bedoeling dat je een zilverling in de gleuf wierp, vervolgens een nummertje van een meisje indrukte, waarna het meisje oplichtte en haar stem door een luidsprekertje klonk. Von Karajan geloofde het wel. Hij was bekaf.

Drie uur later werd hij wakker in kamer 11. Er scheen licht van buiten naar binnen, licht dat van kleur veranderde. Het veroorzaakte vreemde schaduwen op de wanden. In de kamer was het nagenoeg donker. Hij knipte het bedlampje aan. Hij was wakker geworden van onbekende geluiden van buiten. Populaire muziek, geschreeuw, gelach en geroezemoes. Het leken geluiden van een kermis. Ook was hij ontwaakt uit een vervelende droom, een droom die hem terugbracht naar de artiflat. De tang had hem uitgezwaaid en vuile SS’er geroepen. Ook waren zijn homoseksuele buren verschenen, de barkeeper van de Nadorst en zijn nichtje Freddie Queen. God wat had hij een hekel aan dat stel. De kliederaars Lautrec, Picasso en Warhol waren ook in zijn slaap aanwezig geweest. Ze toonden enkele van hun kinderlijke prentjes. Hij voelde onder het bed tevergeefs naar zijn sigaretten. Hij ging rechtop zitten en keek in het rond. Vervolgens stapte hij uit bed en nam het pakje van de tafel. Met een kussen in zijn rug rookte hij en dacht aan de meisjes uit de jukebox. Nummer 22 en 38 waren in zijn geheugen blijven hangen. Kon je zo’n meisje gewoon bestellen, vroeg hij zich af. Hij stond op en zocht naar een asbak. Hij zou aan de man in het zwarte overhemd uitleg vragen. In de badkamer waste hij zijn gezicht. Als hij meer van hen te weten zou willen komen zou hij de jukebox in werking moeten stellen. Hij poetste zijn tanden en kamde zijn haar. Ondertussen voelde hij aan zijn geslacht dat opstandig was. Vervolgens liep hij de krakende trap af naar beneden. De man in het zwarte overhemd poetste glazen. Hij gaf zijn gast een knikje. Karajan klikte met zijn hakken als tegengroet. Vervolgens liep hij naar de jukebox en zocht in zijn zak naar een zilverling.

Het was even voor middernacht toen Karajan de hoteldeur achter zich dichttrok. Razend druk was het in de straten en stegen rond de molen. Voetje voor voetje leek hij in een optocht te lopen. Achter de ramen pronkten de meisjes. Karajan zocht naar de ramen met de nummers 22 en 38. Bij het meisje met nummer 22 waren de gordijnen dicht. Een aantal manspersonen stonden te wachten totdat zij vrij zou zijn. Even later stond hij oog in oog met meisje 38. Ze lachte uitnodigend en tikte tegen de ruit. Ze viel hem tegen en hij liep door. In een smalle straat, misschien wel een steeg, bleef hij voor nummer 17 staan. Iemand botste vanachter tegen hem op. Hij excuseerde zich. Hij stond als aan de grond genageld. De vrouw achter het raam keek hem uitnodigend aan. Ze wenkte hem. Haar gelaat en hals waren blank, haar gestalte slank. Als hij het goed zag loenste ze enigszins. Licht rood of rozig waren haar korte haren. Ze had een wipneusje en kleine mond. Haar tanden waren groot, waarvan de voortanden iets over elkaar stonden. Die mond, waar had hij die heerlijke mond eerder gezien, vroeg hij zich af. De vrouw wenkte hem nog eens, opende toen het raam en zei:

‘Ha meneer Karajan, u hier? Wat gezellig.’


104 De Bethlehemkerk

Aan een van de bruine tafeltjes in café de Nadorst zaten die avond de heren J.S. van 901, zijn vriend Frederik Händel van 703 en Doctor Anton Bruckner van 601. Het was even voor tienen. Het gedeelte van het café, waar de drie zaten, zag blauw van de rook, veroorzaakt door de sigaren rokende Bruckner en Händel. De barkeeper had zo juist een kaars op tafel ontstoken, en op verzoek van J.S. de krant gebracht. De heren spraken op luide toon, zij leken verhit. De reden hiervan kon niet aan de consumpties liggen, want barman Wig had hen tot nu toe slechts twee keer een kopje thee geserveerd. De klok had nog geen tien geslagen, dus een wijntje, een cognac, of iets dergelijks zat er nog niet in. Wel zou de Johannesburger de reden kunnen zijn. Deze lag opengeslagen op tafel. BETHLEHEMKERK ONDER DE SLOOPHAMER stond er in een vette kop te lezen. Het leek er op alsof de gemoederen bij het drietal hoog op liepen. De anders altijd zo rustige Bastiaan Bach had nota bene het hoogste woord, de organist had zelfs een rood hoofd. Hij wuifde voortdurend de wolkjes sigarenrook voor zich weg. Hij leek geïrriteerd. De andere twee leken zich eveneens druk te maken. Anton Bruckner had vlekjes in zijn nek, terwijl zijn vrijwel kale schedel glom. Als hij iets zei, al sprak hij niet veel, verschenen er bubbeltjes speeksel in zijn mondhoeken. Frederik Händel zat de gehele tijd aan zijn oorbelletje te frunniken en met zijn andere hand op de tafel te roffelen. Verschillende keren hadden de andere cafébezoekers, gezeten aan de bar en de leestafel verwonderd hun richting uit gekeken. Wigbert was al een aantal keren langs het tafeltje gelopen en gevraagd of alles naar wens was.

De Bethlehemkerk was een allerliefst kerkgebouw in het noorden van de stad en een sieraad voor de wijk. Het lag op de kruising van de Magdalena Avenue en de Driekoningenlaan. Het was een kleine kerk dat aan zo’n 200 gelovigen plaats bood. Het kerkje was van oorsprong van de Lutherse gemeente. Behalve godsdienstoefeningen werden er soms exposities gehouden en concerten gegeven. Helaas was het kerkbezoek dusdanig achteruitgegaan dat men besloten had de kerkdeuren te sluiten. Het gebouw maakte eerst een doorstart als wijkcentrum en later als sportschool. De kerk, of liever gezegd het kerkje was wit van kleur en stond geheel in het groen. Helaas was dit ook aan achterstand onderhevig, want het onkruid tierde welig. Hoog stond het gras en kriskras groeide bloemen, zelfs doornstruiken hadden vrij spel. De Bethlehemkerk stond in de wijk van de notabelen, een sjieke wijk met grotendeels laagbouw woningen. Grote huizen en villa’s bewoond door zielen van aanzien, zielen die het op hun manier ver geschopt hadden op het aardse: notarissen, advocaten, accountants, vastgoedondernemers en meer van dat soort. Onder de bewoners bevond zich eveneens burgemeester mevrouw moeder Teresa, en ook de hoofdcommissaris van politie had een optrek in de kakwijk, want zo werd de wijk door de gemiddelde Johannesburger genoemd.

Op zekere dag stond er op het grasveldje voor het witte kerkje een container, een betonmolen, een zaagmachine, een werkbank met bankschroef en allerlei gereedschappen. Binnen was het een kabaal van jewelste. Hamerslagen dreunden, boor- en frasemachines gierden en verder luid gezang van werklui. Aan de achterzijde van het kerkje stond een bouwkeet en een buitentoilet. Op een groot bord rechts van de kerk stond te lezen CENTRUM VOOR ONZE DAKLOZE MEDEBURGER.

‘Maar ze kunnen toch niet de hele kerk slopen?’ De heer J.S was de eerste die na een lange pauze weer het woord nam.

‘Alles moet er uit,’ zei Händel.

‘Alles?’

‘De banken, de kansel, alles.’ antwoordde Händel, waarna hij kunstig een aantal kringetjes rook de lucht in blies. Gedrieën keken ze de kringetjes na. Vervolgens voegde hij er aan toe: ‘Ook het orgel.’

‘Verdikkeme, verdikkeme, ‘ verzuchtte Bach.

‘Terwijl de kerk op de monumentenlijst staat,’ vervolgde Händel.

‘Dus zullen wij actie moeten ondernemen.’

‘Zo is dat.’

‘Er staat in de Bethlehemkerk een authentiek Jubal-orgel,’ murmelde Bruckner. Voor een ogenblik was het stil. De vrienden Bach en Händel trokken hun wenkbrauwen op en keken elkaar veelbetekenend aan. Daar zijn we hier voor bij elkaar, oliebol, dacht Händel. Een dom figuur vond hij de spreker. Niet alleen vanwege zijn boertige uiterlijk, zijn vettige driedelig grijs, maar ook zijn gewoonte om met een sigaar in zijn mond te praten. Overigens was hij zonder rookwaar soms ook moeilijk te volgen. Maar goed, zijn vriend Bastiaan had hem hoog zitten. Het zou een beest op het orgel zijn. Händel kon zich hierbij weinig voorstellen. Hijzelf had hem nog nooit horen spelen. Als je hem zo zag zitten leek het eerder een watje dan een beest. Zuchtend nam hij de Johannesburger ter hand en las wederom over de ondergang van het witte kerkje. Bach vond Bruckners opmerking eveneens vreemd. Het Jubal-orgel was toch de reden geweest dat ze vanavond als drie organisten, drie kenners, met elkaar afgesproken hadden om eventueel actie te ondernemen. Met twee handen wuifde hij de sigarenrook weg en hoestte overdreven.

‘Ik stik hier bijna,’ klaagde hij. Ze lachten.

Händel rolde de krant op en gaf er een harde mep mee op de tafel.

‘Wigbert!’ riep hij luid. Haastig kwam de barman aanlopen.

‘U had mij geroepen?’

‘Het is tijd voor een borrel,’ antwoordde Händel.

 

Drie organisten stonden die ochtend rond koffietijd op de hoek van de Driekoningenlaan in het hoge gras bij het witte kerkje. Klokslag 10 voegden zich bij hen afgevaardigden van Bouw en Woningtoezicht, Monumentenzorg en Stichting Orgel en Kerkmuziek. De groep stond bijna tot de knieën in het groen. De man van Woningbouw was een nietszeggende burgerziel. Hij droeg een dunne crème kleurige regenjas met een donker kraagje. In zijn hand droeg hij bouwtekeningen mee. De afgevaardigde van de Stichting Orgel en Kerkmuziek deed zich met zijn lange haar voor een artistiekeling te zijn. Op het eerste gezicht was hij een vrouwelijk type. Hij droeg een wollen trui in opvallende kleuren. Om zijn nek hingen een aantal dunne sjaaltjes. De man had een uiterst vriendelijk gezicht. Het leek dat hij ieder moment in lachen uit zou kunnen barsten. De vrouw van Monumentenzorg was met haar grote bos rode haren een beauty. Ze droeg een lange dunne zwarte rok tot net boven haar halfhoge laarsjes. De rok was een weinig doorzichtig. Ze hield een map tegen zich aangedrukt, a l zou het om iets kostbaars gaan, een donkerbruine map met een zilveren knip. Ze had kleine handen en droeg een bril. Dit laatste was absoluut niet ten nadele van haar schoonheid, integendeel. Aan alles kon je zien dat de vrouw zielsgelukkig was in het hiernamaals. Als iemand aan het woord was verscheen er een glimlach en knikte ze onophoudelijk. Als ze ja of nee schudde, wapperde haar bos rode haar mee. De heer J.S., min of meer de leider, de initiatiefnemer van het gezelschap, toonde opvallend veel belangstelling voor de vrouw. De organist verloor haar nauwelijks uit het oog. Als hij sprak, leek het alsof hij alleen tegen haar sprak. Als ze lachte, lachte hij met haar mee. Wat een heerlijk roodachtig schepsel, dacht hij alsmaar. Ook bij Anton Bruckner was het liefde op het eerste gezicht. Uitgesproken mooi, vond hij haar, en begeerlijk. Ze was niet opgemaakt. Geen streepje zwart, geen roodgeverfde lippen. Bruckner hield van onopgemaakte vrouwen.

‘Wie verzint nou zoiets om dit prachtige Godshuisje aan daklozen over te leveren,’ zuchtte de heer J.S., en hij vervolgde: ‘Is daar nu echt geen andere oplossing voor?’ Een zaagmachine werd in werking gezet. De woorden van Bastiaan Bach werden vrijwel geheel overstemd door het lawaai. De man van Bouw en Woningtoezicht was de enige die de spreker verstond. Hij schraapte zijn keel en riep:

‘Het is de wens van mevrouw de burgemeester en haar gemeenteraad.’

‘We hadden beter laarzen aan kunnen trekken,’ riep Bruckner plotseling op luide toon. De groep keek verwonderd naar de spreker. Voor een moment werd er niet gesproken. Dit was ook bijna niet te doen vanwege het lawaai. Een ieder had zijn gedachte over de vreemde opmerking van Anton Bruckner. De vrouw van Monumentenzorg was de eerste die het gesprek weer richting gaf.

‘Het gebouw zal van de buitenkant ongeschonden uit de strijd komen,’ sprak ze zacht, doch gedecideerd.

‘Dat is een hele geruststelling,’ zei Bach en hij legde zijn hand op haar schouder. Hij vond haar een mooie vrouw. Maar daarom raakte hij haar niet aan. Hij vond het prettig te merken dat de vrouw hart voor de zaak had. Hij vervolgde, terwijl zijn hand op haar schouder bleef rusten: ‘Ik ga er ook van uit dat er maatregelingen getroffen zijn om het authentieke orgel te beschermen.’ De vrouw keek de man van Bouw en Woningtoezicht met een vragend gezicht aan. Deze stond met gebogen hoofd naar het onkruid te staren.

‘Het zou een schande zijn dat daar iets mee zou gaan gebeuren,’ zei Frederik Händel. Zijn collega organisten knikten instemmend.

‘Ik sluit mij daar helemaal bij aan,’ zei de man van de Stichting Orgel en Kerkmuziek. De roodharige vrouw leek op antwoord te wachten van de man van Bouw en Woningtoezicht. Toen deze alleen maar kuchte vroeg ze:

‘Er zijn toch hopelijk wel afspraken gemaakt over het Jubal-orgel, is het niet?’ En weer antwoordde de man niet. Hij voelde zich tussen de artistiekelingen weinig op zijn gemak. Bovendien vond hij de ophef over het kerkorgel overdreven. De vrouw vroeg zich ondertussen af of ze inderdaad tegenover de grote Bach stond. Ze vond hem knap zonder pruik. Bij haar weten had er in de hal van haar ouderlijke huis een portret van hem gehangen, eentje met pruik, heel deftig. Maar zo, zonder pruik, vond ze hem een stuk aantrekkelijker. Händel, de man met het oorringetje, daar van herinnerde zij zich vaag de naam. Vader zal ongetwijfeld vroeger over hem gesproken hebben. En misschien heeft hij ooit wel op het klavecimbel muziek van hem gespeeld. Van de kale, de onooglijke man, die zojuist de opmerking plaatste over laarzen, volgens haar een nerd van de bovenste plank, daar had ze bij haar weten niet eerder van gehoord. Bruckner, heette hij, als ze zich goed herinnerde. Wellicht ook een grootmeester. Zij voelde de mannenblikken op haar gericht. Ze was het gewend dat manvolk haar aanstaarde. Zelfs de man van de Stichting Orgel en Kerkmuziek, waarvan je er toch donder op kon zeggen dat hij van de andere kant was, leek zijn ogen niet van haar af te kunnen houden. Er werd afgesproken een kijkje te nemen in het kerkgebouw. In de bouwkeet achter de kerk zou het gezelschap kennis maken met de uitvoerder die hen rond zou leiden. In de bouwkeet kreeg een ieder een helm aangereikt en trakteerde de hoofduitvoerder het gezelschap op sigaretten en sigaren. De mannen van Bouw en Woningtoezicht en Orgel en Kerkmuziek namen een sigaret, terwijl Bruckner en Händel een sigaar in de brand staken. Alleen de vrouw en J.S. rookten niet. Tijdens het opdoen van de helmen in de krappe bouwkeet, die in een mum van tijd blauw van de rook zag, wist Anton Bruckner naast de vrouw komen te staan. Per ongeluk raakte zij hem aan. Het veroorzaakte hem een schok. De helm was de vrouw veel te groot. Ze schaterde het uit. De uitvoerder hielp haar de helm passender te maken. Soms leek Bruckner zich af te vragen waarom hij hier eigenlijk was, hier in een bouwkeet, op een bouwterrein. O ja, het orgel, het Jubal-orgel. Daar was hij hier voor. Waarom keek ze niet naar hem. Het leek alsof haar belangstelling geheel uitging naar Bastiaan. Hij schrok bij de gedachte dat hij vandaag sinds lange tijd niet aan juffrouw Annette had gedacht. Zou de Heer er voor gezorgd hebben dat hij met de mooie vrouw kennis zou maken, vroeg hij zich af. Zou de Goedertierenheid hier achter zitten. Niemand anders dan de Verlosser kende zijn verdriet van de afgelopen tijd. Hij voelde zijn ogen vochtig worden. Hij zou haar op de thee kunnen vragen of een wandeling met hem te maken door het heuvelland. Onverhoeds werd hij tegen haar aangedrukt. Voor een moment keken ze elkaar recht in het gelaat, ze konden niet anders, ze stonden tegen elkaar aan. Hij probeerde geen rook in haar gezicht te blazen. Maar direct keek ze de andere kant weer uit, haar ogen zochten naar J.S.

‘Speelt u ook orgel?’ vraagt hij dan. De vrouw kijkt hem verwonderd aan, lacht en schudt heftig van neen. Bruckner denkt, wat is ze mooi als ze nee schudt. En wat staat die helm haar goed! Wat een imbeciele vraag, denkt Frederik Händel, die aan de andere zijde van de vrouw staat. Onbeschoft vindt hij het dat Bruckner met een sigaar in zijn mond met haar spreekt. Hij schaamt zich er voor dat hij een collega van hem is. Een boerenlul vindt hij hem, een regelrechte prutser. Hadden ze hem maar op de arti gelaten, aan de redding van het orgel voegt hij absoluut niets toe.

Als het gezelschap even later gehelmd wel en in gezelschap van de hoofduitvoerder de bouwkeet verlaat verschijnt er uit het kerkgebouw een man met een orgelpijp in zijn armen. Hij staat op het punt deze in de container te kieperen.

‘Ho, ho, ho,’ roept Bastiaan Bach en hij haast zich naar de werkman toe.

‘God, Christus me zielen,’ kreunt Händel, ‘ze zijn het orgel aan het slopen.

‘Waar gaat u met die pijp heen?’ vraagt Bach op strenge toon.

‘Die flikker ik in de container,’ antwoordt de arbeider. ‘Of heb jij misschien interesse?’


105 Afscheid

Met de artiflat in de rug liepen ze over het Slangenpad richting het tunneltje, het jongetje, huismeester Gerrit Smit en mevrouw Mahalia Jackson. Het was nog vroeg maar het beloofde een prachtige dag te worden. Een strak blauwe lucht met een opkomende warme zon kondigden zich reeds aan. Van achter de ramen en balkons voelden de twee volwassenen de ogen op hen gericht. Glurende buren! Daar gaan die twee weer, hoorden Smit en Jackson ze denken. Ze lopen nog net niet hand in hand. Laat ze maar lullen, had Smit tegen zijn vriendin gezegd als zij weer begon te zeuren dat er over hen geroddeld werd. Het jongetje liep een paar meter huppelend voor hen. Hij droeg een wit overallpakje met korte broek, zijn schooltenue, zijn kinderparadijs kleding. Hij zag er precies zo uit zoals hij een tijd geleden op de arti was gearriveerd als zoon van Wolfgang von Goethe van nummer 902. Mama Lieve had zijn pakje voor hem gewassen en gestreken. Zijn haar glom van het vet en zijn wangen waren rood van opwinding. Soms draaide hij zich om, om nog een keer te zwaaien. Hij wist dat zijn vrienden hem nakeken, meneer Ludwig van 902 en ome Chet Baker van 103. Dat hadden ze gisteren afgesproken toen hij afscheid van hen had genomen. Hij zou de wandelingen met meneer Ludwig door het heuvelland missen en ook de trompetlessen van ome Chet. Nu hij eindelijk geluid uit het instrument kon krijgen moest hij met de lessen stoppen. Hij vond dit kut, maar het was niet anders. Geen bolle wangen en probeer de toon lang en recht aan te houden, riep hij plotseling hardop, zijn trompetleraar imiterend. Hij zou aan de moeder van gebouw acht vragen of er in de buurt van het kinderparadijs misschien een trompetleraar zou zijn. Hij dacht aan Lodewijk het hondje van meneer Smit dat niet mee op reis mocht en nu aan een barkruk in het café bij meneer Wig vastgebonden zat. Lodewijk, die zijn stem al herkende en kwispelend en piepend op hem af kwam rennen als hij hem zag. Hij zou hem missen. Gelukkig dat de barkeeper vandaag voor het beestje zou zorgen.

Toen hij vanmorgen voor vader had gestaan om afscheid te nemen, had hij niet gehuild. Hij had zich weten te beheersen. Achtjarigen huilen niet. In plaats van een kus had hij vader een hand gegeven. Hij had hem nauwelijks durven aankijken. Hij had hem beloofd zijn best te doen op school en hij zou proberen om van zijn watervrees af te komen en te leren zwemmen. Mama Lieve had hem als een echte moeder geknuffeld. Hij had naar adem gehapt toen zij zich tegen hem aan had gedrukt en hij haar parfum had geroken. Niet lekker vond hij. Nu liep hij met zijn vriend meneer Smit en de dikke negermevrouw Jackson richting de slang. Ze waren bijna in het tunneltje. Ze gingen op reis, op reis naar de bloemenstad, de stad waar hij woonde. Van balorigheid trok hij een sprintje en maakte een luchtsprong. Hij kon het wel uitschreeuwen van vreugde. Op naar het kinderparadijs, op naar Gebouw 8. Eindelijk zou hij zijn allerbeste vriend Lucas weer zien en ook Boris en Tomek. Vandaag was het feest. Nog een keer keek hij achterom, toen verdween hij in het bijna donker.

In het tunneltje, nu geheel uit het zicht van de arti, nam Gerrit Smit zijn metgezellin bij de arm. Maar direct schudde zij zich van hem af. ‘Je weet dat ik daar niet op gesteld ben,’ zei ze nors. Smit haalde zijn schouders op en maakte aanstalten om een sjekkie te rollen. Hij vergat soms dat ze zich ongemakkelijk voelde als hij haar bij de arm nam. Vooral in de buurt van de flat mochten ze vooral niet denken dat ze bezig waren een koppel te worden. Ze waren daar geen figuren voor, vond Mahalia, zij met haar grote lijf en hij met zijn tengere gestalte. Spottend hoorde ze de buren zeggen: Kijk daar gaan de twee tortelduifjes. Wat ze denken hebben ze toe, zei Smit dan. Gerrit kende zo langzamerhand haar nukken. Toch schrok hij telkens weer van haar soms onbehouwen gedrag. Na een gezellig borreluurtje bij haar op nummer 205 kon ze hem van het ene op het andere moment de deur wijzen. Meestal zei ze dan dat ze plotseling erg moe was geworden. Nadat hij haar voorzichtig een kus op haar voorhoofd of op haar wang had gegeven, verliet hij zonder morren haar woninkje. Meestal deed hij daarna eerst een sjekkie. Binnen een sigaret opsteken was uit den boze, want zo zei ze, je spullen gaan er naar ruiken. Ook moest hij in het halletje zijn schoenen uit doen. Lodewijk mocht ook niet bij haar in huis, want stel je voor dat hij haar tapijt zou bevuilen of tegen haar gemakkelijke stoel zou plassen. Het hondje zelf zat, als hij bij Jackson op bezoek was, met de lijn aan de knop van de voordeur.

Ondanks alles mocht Smit zijn donkere vriendin wel en had hij zijn zinnen op haar gezet. Ze had een lekker lijf al had hij daar nog weinig van kunnen genieten. Maar wat niet is kan nog komen had hij een paar dagen geleden gedacht toen hij voor de zoveelste keer buiten de deur was gezet. Ze was die namiddag in de keuken een broodje kroket aan het maken toen hij haar onverhoeds in de billen had geknepen. Ze had een overdreven gilletje geslaakt, maar er was eveneens een veel betekende glimlach om haar mond verschenen. Ze had geprobeerd hem terug te knijpen en voor ze het wist -ze had de kroketten de kroketten gelaten- had ze hem als een schoolmeisje achterna gezeten. Ze was echter met haar logge lichaam geen partij voor hem geweest. Hij was de trap op gerend, bijna uitgegleden omdat hij op z’n sokken liep, en voor ze het wisten waren ze stoeiend in haar krib beland. Daar hadden ze elkaar voor het eerst geliefkoosd. Hij had bovenop haar gelegen en haar grote borsten omvat. Ze had zachtjes gekreund, of eigenlijk was het meer brommen geweest, in ieder geval had hij het idee dat ze zijn aanrakingen aangenaam had gevonden. Daarna had ze hem lachend een kleine vieze man genoemd, waarna ze hem met kracht het bed had uit geduwd. Na de bedscène waren de kroketten weer opgezet en hadden ze een borreltje gedronken. Even later had Smit zijn hondje horen janken. Hij had op zijn klokje gekeken en Mahalia had gezegd dat ze erg moe was. Toen hij even later op de galerij stond en terug dacht aan de stoeipartij was hij tevreden geweest en wist hij dat het de volgende keer menens zou worden.

In een poep en een scheet waren ze in de bloemenstad aangekomen, officieel Voorstad Sint Jacoba geheten, de stad van het kinderparadijs, het doel van de reis, de stad van het World Park met de pretparken en de Vierjaargetijden, de stad van de immense Here Jezus Christus Kathedraal de kerk waar Dominee Martin Luther King zijn voordrachten hield. Mahalia hoopte vurig dat ze ook een bezoek zouden brengen aan de kathedraal, deze lag net als het kinderparadijs in het centrum van de stad. En wie weet zou ze de populaire predikant in het echt zien, want het was bekend dat hij soms onverwachts en gewoon in zijn burger kloffie tevoorschijn kwam om handtekeningen uit te delen. Als Smit nou maar niet moeilijk zou doen, dacht Mahalia. Vanmorgen vroeg had hij te kennen gegeven weinig zin te hebben om op zijn vrije dag een kerk te bezoeken. Misschien zou ze hem van gedachten kunnen veranderen door hem iets moois, iets spannends in het vooruitzicht te stellen.

Bij de gekleurde blokkendozen van het kinderparadijs aangekomen was er een stoet van kinderzieltjes naar het jongetje gerend. Van top tot teen was hij bekeken en betast alsof hij uit een andere hemel was gekomen. Smit en zijn vriendin hadden met een brok in de keel en tranen in de ogen afscheid genomen en hem overgeleverd aan de moeder van Gebouw 8, een grote, op het eerste gezicht norse vrouw, met zware wenkbrauwen en een witte schort. In een mum van tijd was het jongetje van hen weggerend en had hij met zijn vriendjes de tuin van het kinderparadijs opgezocht. Daar op het sportveldje zittend in een van de doelen had hij verteld over zijn avonturen. Hoe hij in de grote stad Johannesburg was geweest, over zijn weerzien met zijn vader, zijn ontmoeting met de belangrijkste vrouw van de hemel, moeder Maria de moeder van God, en het grote bord patat bij een echte McDonalds. Stik jaloers waren zijn vriendjes geweest toen hij vertelde dat zijn vader een beroemd man was en hoog in de wolken in een flatgebouw woonde. Hij vertelde over het hondje Lodewijk. Hij moest het beestje helemaal beschrijven omdat Tomek en Boris geen idee hadden hoe een hondje eruit zag. Toen hij ’s avonds moe in bed lag en Lucas zijn bed tegen het zijne had geschoven fluisterde hij over mama Lieve, en dat hij haar blote tieten had gezien. Het jongetje droomde die nacht dat hij de volgende morgen het middelpunt zou zijn van het kringgesprek. Hij zou vertellen over de trompetlessen van ome Chet Baker en over zijn wandelingen met meneer Ludwig, die naast zijn vader woonde en ook een beroemd man was. Er woonde trouwens allemaal coole mensen in de flat van zijn vader.

Na langdurig aandringen en veel stoute beloftes had Smit uiteindelijk toegestemd om de kerk te bezoeken. Wel had hij het idioot gevonden om een kaartje te moeten kopen. Het was druk op het plein voor de kathedraal toen Gerrit Smit en Mahalia Jackson er arriveerden. Bang om hem in het gedrang kwijt te raken had Mahalia haar vriend bij zijn mouw. De Here Jezus Christus Kathedraal in het hartje van Voorstad Sint Jacoba was een van de meest beroemde kerken in de zevende hemel. Overal in de omtrek waren de imposante torens te zien. Mede door de populariteit van de kerkvader Martin Luther King was de kathedraal een toeristenattractie van de eerste orde. Ook de wand- en plafondschilderingen trokken tal van toeristen.

Mahalia had een plaatsje gevonden op een van de achterste banken. Ze was direct op haar knieën gezonken. Eerbiedig had ze de ogen gesloten en een gebed gepreveld. Vervolgens had ze zich in de harde houten bank gehesen. Op haar schoot rustte een enveloppe met een gesigneerde ansichtkaart van Martin Luther King, die ze zojuist gekocht had in het souvenirwinkeltje bij de entree. In een bruin papieren zak zat een T-shirtje met een beeltenis van de beroemde predikant dat ze voor haar vriendin Frau von Bingen had gekocht. Een goede reden om haar weer eens op te zoeken. Sinds het gedoe rond Smit was de klad in hun vriendschap gekomen. Ook had ze nog een kaarsje opgestoken voor het jongetje. In gebed verzonken dacht ze na over haar zonden. Smit zat naast haar. Hij rolde een sigaret. Hij stootte haar aan en fluisterde dat hij buiten ging roken. Ze knikte. Ze had behoefte om even alleen te zijn. Ze keek hem na, de man met de sigaret in zijn mond. Ze wist zich soms geen raad met hem. Haar hele hebben en houwen was door hem overhoop gehaald. Voelde hij werkelijk iets voor haar of was het alleen om de seks te doen. Ze wist het niet. En dan ook nog, er zat geen greintje liefde voor God in hem. Haar gedachten flitsten terug naar de belachelijke dates, haar advertentie in de Singel. Vrouw zoekt man. Het schaamrood steeg haar naar de kaken als ze daar aan terugdacht. Ze zag de kickbokser weer voor zich. Ze huiverde. Ze herinnerde zich niet eens meer zijn naam. Ze vouwde weer haar handen, hief haar hoofd en keek naar de plafondschilderingen. Tal van Bijbelse vertellingen waren op het plafond afgebeeld. Pal boven haar zag ze hoe God de vader met lange grijze baard met zijn vinger de mens aanraakt en leven in blaast. De nieuwe mens, Adam geheten. Mooi, atletisch en geheel naakt. Ze leken naar beneden te kijken. Ze sloot de ogen en bad. Ze vroeg God om raad. Of zij er wel goed aan deed om met een purgatijn samen te zijn. Misschien wilde hij haar een teken geven. Kon hij een van de Bijbelsfiguren aan het plafond geen glimlach laten geven, een vinger of duim laten opsteken of iets dergelijks? Maar een teken bleef uit. Geen lach, geen vinger, geen duim, klap of bliksemschicht.

Mahalia Jackson zuchtte diep en schudde haar hoofd. Met een zakdoekje bette ze haar voorhoofd. Zelf twijfelde ze ook over haar gevoelens. Ze moest toegeven dat het niet alleen maar kommer en kwel was met Smit. Ze had ook aardigheid en gezelligheid met hem. Als hij in de namiddag kwam buurten en zijn roddels deed over wat er zich allemaal in de arti afspeelde was het gezellig in haar huisje op 205. Zij smulde van zijn verhalen en schonk nog eens bij. Wist zij dat die zogenaamde mama van het jongetje die met Goethe hokt een regelrechte hoer was, dat ze achter het raam had gezeten in de Rose buurt van Sint Petrusburg? En wist ze dat Frederik Händel van 703 het de laatste tijd deed met Lucy Ball van 304? En hoe vond ze het dat de barman van de Nadorst bij nichtje Queen was ingetrokken? En terwijl ze een tweede borreltje inschonk keek ze hem hoopvol aan om een volgend nieuwtje te horen. Had ze al gehoord dat J.S. van 901 ook iets aan het handje had? En dat meneer Sjostakovitsj van 701 met een straatmuzikante scharrelde? En wat vond ze er van dat de meisjes Mendelssohn en Mozart met elkaar hokten? Had zij ook enig idee waarom de gordijnen de laatste tijd dicht waren op 606? Vond zij het ook niet sneu voor Herr von Karajan hoe hij op de arti was weggetreiterd? Heerlijk, al die weetjes, ze verslond ze. Maar andersom werd er ook geroddeld. Wat moest de huismeester steeds bij mevrouw Jackson. Was haar wc alweer verstopt of lekte de kraan nog steeds of moest er ergens een stopcontact bijkomen? Ze had vernomen dat men ook lachwekkend over hen deed. Over de grote zwarte vrouw tegenover het magere manneke… En dan ziet ze het plotseling, daar is het teken. Boven haar, aan het plafond ziet ze hoe Adam haar een knipoog geeft, en nog één, en nog één. Klam zweet. Ze staat op, spreidt haar armen en heft haar handen. Ze roept: ‘Thank you Lord!!’ Op dat moment keert Smit terug in de kerk. Hij ziet haar staan in de bank. ‘Riep je,’ vraagt hij fluisterend. Ze keert zich naar hem toe, neemt zijn hoofd tussen haar handen en kust hem hartstochtelijk op zijn mond.


106 Karajan onderweg

Die volgende morgen was Von Karajan vroeg op. Uit zijn rugzakje haalde hij een schone onderbroek, scheergerei, haarvet, parfum, tandpasta en tandenborstel. In de badkamer poetste hij zijn eikel en maakte uitgebreid toilet. Op de kleine overloop ontdekte hij een schoenpoetsmachine. Hij zocht naar een zilverling. Vervolgens rolden de boenders over zijn zwarte laarzen. Ze moesten glimmen, vond hij. Een goede indruk was het halve werk. Hij moest er vandaag goed uitzien. Sodeknetter wat had hij zin in de dag. De toekomst zag er veelbelovend uit, voorlopig had alles meegezeten in zijn nieuwe woonplaats. Beneden bij het raam vond hij een tafeltje voor zijn ontbijt. De man achter de balie zag er hetzelfde uit als de dag daarvoor. Vreemd had hij dit gevonden. Net als de vorige dag droeg hij een zwart overhemd, een wit strikje, terwijl zijn zwarte haren strak achterovergekamd waren. Misschien was het zijn broer, zijn tweelingbroer. De man bracht hem thee en vroeg of hij goed geslapen had. Karajan antwoordde dat hij een goede nacht had gehad. Hij bedankte de man voor zijn belangstelling. Hij had zich voorgenomen hier in Sint Petrusburg vriendelijk en hoffelijk te zijn. Terwijl hij van zijn thee dronk en de eerste happen in een witte boterham zette bleven zijn ogen rusten op de jukebox. Hij dacht aan de afgelopen nacht. Hij dacht aan de vrouw die hem getrakteerd had op een heerlijk handwerkje. Willens en wetens een vakvrouw. De bekende onbekende vrouw, de vrouw van de wasserette, de vrouw die net als hij gevlucht was uit de artiflat. Met een voldane glimlach om de mond keek hij naar buiten waar het, ondanks het vroege uur, voorzichtig druk aan het worden was. De man in het zwart kwam voor de tweede keer naar hem toe en vroeg of alles naar wens was. En weer bedankte hij de man uiterst hoffelijk. Het viel hem op dat hij de enige gast was, maar zoals gezegd, het was nog vroeg.

Terwijl de ochtendzon een ietwat hinderlijk op zijn tafeltje scheen dacht hij terug aan gisteravond laat. Hij probeerde zich tevergeefs de naam van de vrouw te herinneren. Hij nam een slok van de slappe thee en sloot het gordijn tegen het felle zonlicht. De man in het zwart, die hem, zo leek het, nauwkeurig in de gaten hield, gaf hem een goedkeurend knikje. Ondanks het vroege uur voelde hij dat zijn temperatuur steeg als hij terugdacht aan de vrouw met het wipneusje en de grote tanden. Haar ietwat schele ogen, verschillend van kleur, en haar uitnodigende mond hadden hem doen uiteen spatten van geiligheid. Ze was blijkbaar ook de afgelopen nacht in zijn dromen aanwezig geweest want hij was met een keihard geslacht ontwaakt. Als hij hier gesetteld was zou hij zeker naar haar terugkeren. Of hij de groeten aan de artibevolking wilde doen, had ze gevraagd. Ze waren beiden in lachen uitgebarsten. In tijden had hij niet zo’n plezier gehad. Zou hij voordat hij aan de wandeling begon nog even naar zijn kamer gaan om zich te behelpen? Zijn gedachten werden verstoord doordat de man aanstalten maakte zijn tafel af te ruimen. Von Karajan schonk hem de ruimte en ging staan. Hoelang het wandelen was naar de Toren van Babel? ‘Al sla je me dood,’ had de man geantwoord, waarna hij zijn gouden tanden bloot lachte om zijn eigen grap. Daarna keek de man hem onderzoekend aan. Zijn ogen bleven rusten op de glimmende zwarte laarzen . ‘Poeh,’ zei hij toen. Vervolgens haalde hij een plattegrond tevoorschijn en spreidde deze uit op de tafel.

Even later liep de 81jarige dirigent kwiek door de nauwe straatjes van het centrum. De luiken van de meisjes waren gesloten. ‘Goed zo dames, rust maar goed uit. Jullie hebben het verdiend,’ mompelde hij binnensmonds. De eerste winkeltjes openden hun vensters. Burgerzielen die hem tegemoet kwamen groette hij overdreven. Toen hij zag dat de molen draaide gaf dat hem een aangenaam gevoel. Hij was in opperbeste stemming. Net als gister neuriede hij het hoofdthema uit de Toreador. Hij zette de vaart er in en merkte dat hij marcheerde. Enkele minuten later liep hij door de poorten van het Stadspark. Jongens en meisjes met haarbanden, trainingspakken en kleurrijke sportschoenen renden hem rechts en links voorbij. Hij voelde zich tussen de sporters opgelaten in zijn lange jas en hoge laarzen. In de verte klonk muziek. Dat kwam goed uit want hij hield van muziek. Hij liep die richting uit. Hij wierp een zilverling in een doos van een jongeman die vier ballen omhoog hield. Hij gaf de jongen een knipoog. De jonglerende tiener, gehuld in lichtblauwe korte broek en wit T-shirt waarop de naam van een sportschool stond, deed Karajan denken aan een soortgelijk figuur van de arti. Vaslav heette hij en woonde ergens op de vijfde etage. Hij had het nichterige ventje in zijn strakke maillot wel eens zien ballen in het bruidsboeket. Maar nu niet aan de arti denken, bromde hij. Hij gaf de jongen een tweede zilverling en liep in stevige tred richting muziek. Hij genoot van het knarsende geluid van het grind onder zijn laarzen. Hij merkte dat hij in de maat van de muziek liep die steeds dichterbij kwam. In zijn binnenzak omklemde hij zijn inschuifbare dirigeerstokje. Hij had een sterke neiging om te dirigeren. Van deze afstand herkende hij nog niet wat er gespeeld werd. Het leek hem een amateurorkest.

Niet veel later bevond hij zich in een kring die uitkeek op dansende zielen. Maar echte dansers kon je ze niet noemen. Het was meer bewegen op muziek, maar dan synchroon. Vier rijen vrouwen en een enkel manspersoon gekleed in cowboyachtige kledij bewogen zich met eenvoudige pasjes voor en zijwaarts terwijl hun armen gelijksoortige bewegingen maakten. Gefascineerd keek Von Karajan naar het schouwspel. De bewegingen van de vrouwen in lange rokken en halfhoge laarsjes deden zijn adem stokken. Kunstzinnig vond hij het geenszins, maar wel wond het hem op. Achter het gezelschap bevond zich in een grote kiosk het orkest. De leider, een violist, een man met een big smile en lang donker haar tot op de schouders, dirigeerde met zijn strijkstok. Het orkest bestond merendeel uit dames. Zij musiceerden in uitgaanstenue, in kleurrijke en glitterachtige jurken met versierselen in het haar. Thans werd er een wals gespeeld, een muziekstuk in driedelige maatsoort. Hij kende dit stuk, maar wist het niet direct te benoemen. Zijn vingers jeukten. Hij wilde, hoe eenvoudig de muziek ook, dirigeren. Zijn blik verhuisde naar de dansende vrouwen. Ze keken blij, verheerlijkt. Hij had het idee dat enkelen naar hem keken. Hij verliet de kring. Bij een karretje kocht hij een broodje bal en een biertje. Zittend op een bankje, met zicht op de kring zag hij tussen toeschouwers de bewegende rokken. Het wond hem zo erg op dat een geilheid hem overmande. Wat is er de laatste dagen met mij aan de hand? vroeg hij zich af, terwijl hij in zijn broekzak zijn lid schikte. Hij moest hier weg. Uit zijn rugzakje haalde hij een pakje onaangebroken sigaretten. Hij ontspande zich en rookte. Daarna nam hij weer plaats in de kring, bedacht zich en zocht de uitgang van het park.

Hij had het oude historische gedeelte van de stad achter zich gelaten. Voor hem lag een nieuwe wijk. Hij bevond zich in een laan die sterke gelijkenissen vertoonde met de Boulevard Antonius in Johannesburg. Hij hield een grote donkere vrouw aan en vroeg haar of hij in de goede richting liep. Het was hem trouwens opgevallen dat er veel donkere zielen rondliepen. De vrouw haalde haar schouders op en zei nooit van die naam gehoord te hebben. Von Karajan bedankte haar vriendelijk en liep door. Het marcheren was overgegaan in wandelen, haast slenteren. Zijn gedachten waren bij de vrouwen uit de dansrijen. Opwaaiende rokken, blote benen en zwiepende borsten. Hij verzette zijn gedachten. De Toren van Babel, daar ging het vandaag om. Hij hoopte dat huismeester Smit zijn werk naar behoren had gedaan en dat zijn partituren en rokkostuum in goede orde waren aangekomen. De laan voor hem leek eindeloos lang. Hij zou halverwege een etablissement opzoeken voor een lunch. Voor een moment bleef hij staan, stak weer een sigaret op en keek om zich heen. Handelingen der Apostelen, las hij op een straatnaambord. Daarna rechtte hij zijn rug, richtte zijn blik op de horizon en zette de pas er weer in. Hij passeerde statige gebouwen. Op een bord in de tuin van een dansschool werd een cursus line dancing aangeprezen. Bij het lezen van de tekst dacht Karajan wederom aan de vrouwen in het park. Naast de dansschool bevond zich een kunstacademie en even verderop passeerde hij de studio’s van de Evangelische Omroep. Plotseling wist hij het weer. De muziek van het orkest uit het Stadspark was een wals van Dmitri Sjostakovitsj. Hoe vaak had hij deze niet gedirigeerd. De componist was een medebewoner van hem geweest in de artiflat. Contact had hij nauwelijks met hem gehad. Een zuipschuit, had hij wel eens iemand de componist horen karakteriseren. Hij passeerde de Hogere Bijbelschool en zocht even rust op een bankje onder een aantal vijgenbomen. Hij ontdeed zich van zijn rugzak en haalde zijn sigaretten tevoorschijn. Op het grasveld voor de Bijbelschool zaten en lagen studenten te lezen. Hij trapte zijn sigaret uit in het grind onder een groene afvalbak. Terwijl hij zijn rugzak weer om deed, bemerkte hij dat hij trek in iets had. Hij zou de straten links en rechts in de gaten houden en uitkijken naar een lunchplek. Hij vervolgde zijn weg, een eindeloze weg, leek het. Even verderop liep hij langs een gazon, haast zo groot als een voetbalveld met aan de rand een kasteel. Even bleef hij staan kijken en hield zich staande tussen een groepje burgerzielen, toeristen zo te zien. Op een bord aan het hek stond in gouden letters Ambassade der Koninklijke Hemelen Zes.

Na een half uur of langer hield hij op de hoek van de Heilige Geeststraat een agent van politie aan. Misschien kon deze hem informeren waar hij zijn toekomstige woonplek kon vinden. Karajan salueerde overdreven, waarna de agent bij wijze van wedergroet twee vingers naar zijn pet bracht.

‘De Toren van Babel, tja, daar vraagt u me wat. Ik heb er wel eens van gehoord, maar in dit district…‘ De agent aarzelde en tuurde de Handelingen der Apostelen af. Karajan keek met hem mee. Op de andere hoek van de straat stond een groepje opgeschoten jongemannen, zover hij het kon zien, allen met een donkere huidskleur. ‘Ik denk dat u in de Nove Mesto moet zijn,’ vervolgde de agent. Karajan fronste zijn wenkbrauwen, hij keek de agent vragend aan. ‘Nove Mesto is een duur woord voor Nieuwe Stad,’ legde de agent uit. ‘Maar het gewone volk heeft het doorgaans over de City. D’r is niet veel aan daar,’ vervolgde hij, ‘wolkenkrabbers en foeilelijke gebouwen.’ Ze keken naar het groepje jongens op de hoek van de straat, die op hun beurt naar de agent en de vreemdeling keken. Ze praatten luidruchtig en lachten. ‘U bent niet van hier?’ vroeg de agent. Hij nam Von Karajan van top tot teen op. Zijn ogen bleven rusten op zijn laarzen. De dirigent schudde van nee.

‘Ik kom van Johannesburg. Ik heb een flat aangeboden gekregen in de Toren van Babel. Veel van mijn vrienden wonen daar.’ De agent knikte en keek weer de laan uit. ‘Ik zou u graag willen helpen, maar de Toren van Babel zegt mij eigenlijk niets.’ Hij leek na te denken en schudde langzaam van nee.

‘Die jongens komen uit t’Veld,’ zei de agent, die zag dat Karajan het groepje observeerde. ‘Er lopen hier bosjes van die jochies rond. Het zijn merendeel vluchtelingen, purgatijnen, crimineeltjes. Wij houden een oogje in het zeil. En denk er aan, er zitten ook trekkertjes bij, als u begrijpt wat ik bedoel.’ Karajan knikte.

‘Maar wat doen ze in deze sjieke wijk?’

‘Geld verdienen, en hopen op een klusje. Ik zou als ik u was –en weer nam hij de vreemdeling helemaal op- bij hen uit de buurt blijven.’ Hij was nauwelijks uitgesproken of er stak één van de jongens de straat over en liep naar hen toe.

‘Ik breng u naar de City,’ zei de jongen. Behalve zijn lange ongekamde bos zwarte harten zag hij er verzorgd uit. Hij droeg zelfs een colbertjasje. ‘Ik ben Roco en ik breng u naar de City,’ zei hij weer. ‘Ik ben vandaag uw gids. Het kost u slechts 10 zilverlingen per uur en een bordje frites bij McDonalds in de Hemelvaart.’ De jongen knikte naar verderop in de laan. Karajan keek van de jongen naar de agent. Deze haalde zijn schouders op, groette Karajan door weer twee vingers naar de pet te brengen, en verdween in de Heilige Geeststraat. ‘Geluk,’ zei hij nog. Karajan stond nu met Roco alleen.

‘Heb je beet?’ riep een van de jongens uit de groep naar Roco.

‘Lik m’n reet,’ antwoordde hij. Daarna spoorde Roco de dirigent aan om met hem mee te gaan. ‘Kom, zei de jongen.’ Een tijdje liepen ze zwijgend voort. Deed hij er wel goed aan, dacht Karajan, om met zo’n schoffie mee op pad te gaan? Maar voorlopig was het op de Handelingen der Apostelen aardig druk, al bleef hij het nog steeds vreemd vinden dat er opvallend veel donkere typen rondliepen.

‘Heb jij wat te roken bij je,’ vroeg Roco toen ze een straat overstaken. Lucaslaan, las Karajan. Hij zocht naar zijn sigaretten en gaf de jongen er één. Zelf stak hij ook een sigaret op. Langzaam maar zeker voelde hij zich op zijn gemak worden met het joch naast hem. Ze rookten en zwegen.

Karajan was moe. De gebouwen leken gaandeweg minder imposant. De laan werd ook smaller. Ze waren zojuist de Hemelvaart, een straat linksaf ingeslagen, en aten een bordje patatfrites op het terras van McDonalds.

‘Hoe ver is de City nog?’ vroeg Karajan aan zijn jonge metgezel, terwijl hij hem een sigaret aanbood.

‘Ik denk nog een halfuurtje,’ antwoordde hij. Karajan knikte. Hij was blij dat het opschoot. ‘We kunnen een sluipweg nemen,’ zei de jongen, terwijl hij de straat in keek. ‘Ik heb trouwens nog wel zin in een cola.’ Karajan legde een vijfzilverlingen muntstuk op het bruine bord. Roco ruimde af en kwam met twee rode kartonnen bekers cola terug. Even later bevonden ze zich in een wirwar van nauwe straatjes en steegjes.

‘Misschien kunnen we alvast afrekenen,’ zei Roco na een tijdje. Het begon reeds te schemeren. Aan het einde van de straat was de hoogbouw van de City te zien. Bij het aanzien van deze skyline, sloeg de schrik Von Karajan om het hart.

‘Loop nog even met me mee,’ zei Karajan met onvaste stem. Helemaal veilig voelde hij zich hier allesbehalve. Hij voelde aan zijn kontzak en haalde zijn portemonnee tevoorschijn. De ogen van de jongen volgden zijn handelingen. ‘Je hebt me goed geholpen,’ zei Karajan. ‘Dank je wel.’ De straat eindigde in een groot plein met een klein plantsoen. Het leek op het bruidsboeket vlakbij de artiflat, maar was bij lange na niet zo kleurrijk en onderhouden. In het midden van het plein stond een standbeeld van de apostel Lucas. Deze stond, al zou hij er niets mee te maken willen hebben, met de rug naar de City. Aan de andere zijde van het plein zag hij de hoogbouw. Hij rilde. Hij overhandigde Roco twee briefjes van 20 zilverlingen.

‘Bedankt,’ zei deze, en gaf Von Karajan een vriendschappelijk tikje op de bovenarm. ‘Doei.’ En weg was hij. Hij holde terug richting Handelingen der Apostelen.

Rond het plantsoen, waar zich weer veel jonge zielen ophielden, was vertier. De omgeving had veel weg van een uitgaanscentrum. Hij stond voor een casino. De lichten brandden fel, al was het nog geen avond. Aan de overkant flikkerde de neonverlichting van een Hilton hotel. Hij moest die richting uit. Voor een moment flitste hem de artiflat voor de geest. De groene omgeving, het bruidsboeket, de mooie flat met zijn oranje zonneschermen. Moest hij naar die kouwe bedoening aan de overkant? Hij huiverde en zocht het tunneltje op dat hem onder het plantsoen met het beeld van Lucas naar de Nove Mesto, oftewel de City zou brengen.

Het tunneltje was slecht verlicht. Ook kwam er een onaangename tocht hem tegemoet. Na een twintig meter gelopen te hebben stond er een groepje jongens, gehuld in jacks met capuchons en veel bont. Ze stonden verdekt opgesteld. Karajan had de indruk dat ze naar hem keken. Zou hij daar wel langs durven. Waarom liepen er geen normale burgerzielen met hem richting City? Was Roco nu nog maar bij hem. Camera toezicht las hij op een wit bordje met zwarte letters. Het zweet brak hem uit. Zou hij terug gaan, de hele Handelingen der Apostelen afrennen en nog een nachtje in hotel Daar bij die molen vertoeven. God, wat had hij op dit moment een heimwee naar de wasserettevrouw. Natuurlijk een idiote gedachte, maar toch! Doorzetten, beet hij zichzelf toe. Niet kijken maar doorlopen. ‘Hé ouwe, zin in een trekje?’ hoorde hij één van de knapen roepen. Hij versnelde zijn pas. Er leek geen einde aan de tunnel te komen.

Toen Herr von Karajan weer tevoorschijn kwam stond hij oog in oog met de hoogbouw van de City. Op het eerste gezicht een kille bedoening. Het was nagenoeg donker. Alleen de kantoorgebouwen, banken, hotels en restaurants gaven licht. Boven alles uit stak de wolkenkrabber van het Heaven Trade Center uit. Burgerzielen met aan de hand een aktetas liepen hem gehaast, zonder te groeten voorbij. Af en toe stak hij voorzichtig zijn hand op, maar niemand reageerde. Op een richtingsbordje las hij eindelijk de naam waar hij de godganse dag mee bezig was geweest, Toren van Babel, 0.6 km. ‘Yes!!’ riep hij. Hij zou pakweg over een halfuur op zijn bestemming zijn en zijn vrienden in de armen kunnen sluiten. Hij was opgelucht en moe. Ook had hij het koud, maar tegelijkertijd transpireerde hij. Hij schudde zijn hoofd. Koorts bestond niet in het hiernamaals. Voor het Hilton hotel nam hij plaats op een bankje en zocht naar zijn sigaretten. Even een trekje, mompelde hij glimlachend. Nog slechts één sigaret zat er in het pakje. Bij de ingang van het hotel hing een sigarettenautomaat. Hij zocht naar zijn portemonnee, maar zijn kontzak was leeg. Hij ging staan en beklopte zijn andere zakken. Geen portemonnee. Van het goede humeur van het begin van de dag was weinig over. ‘Godverdomme,’ schold hij. ‘Dat klote jong.’ De maestro was gerold.


107 Marianne Gottlieb

Bach stond in zijn keuken en zette thee. Voor de zekerheid had hij ook een pak Fristi uit de koelkast gehaald. Hij luisterde naar de lift. Hij woonde dichtbij de lift dus hoorde hij deze aankomen. Hij probeerde haar voor de geest te halen. Ja, ja rood, kei rood. Prachtige krullen. Brildragend. ‘Mmmm…’ Ze was niet groot en mooi slank. ‘Ze had hem de laatste tijd weinig met rust gelaten. Elk moment van de dag was ze in zijn gedachten geweest. Verdikkeme verdikkeme, wat een vrouw,’ mompelde hij, terwijl hij zichzelf bekeek in de spiegeling van het keukenraam. Zijn pruik hing aan de kapstok. Hij had gedacht deze op te doen, maar uiteindelijk had hij dit te officieel gevonden. De pruik had hij trouwens de laatste tijd zelden meer op gehad. Zijn vriend Frederik had hetzelfde. Nergens meer voor nodig, hadden ze geconcludeerd. Een glimlach verscheen als hij terug dacht aan de helm die ze hadden gedragen tijdens hun bezoek aan de verbouwing van de Bethlehemkerk. Wat had die helm haar beeldig gestaan en wat hadden ze er een lol om gehad. Zou hij op zijn vijfenzestigste dan toch weer aan de vrouw geraken? ‘Was Gott tut das ist wohlgetan,’ zong hij plotseling luid. Gelijktijdig begon de ketel te fluiten. Bang dat haar naam hem zou ontschieten had hij deze op het keukenbord geschreven. Marianne. De naam deed hem denken aan de naam van zijn eerdere echtgenotes, Maria Barbara en Anna Magdalena. Bach keek op de klok. Ze zou zo komen. Vijf uur hadden ze afgesproken. Als een kleine jongen voelde hij het in zijn buik kriebelen. Zijn middagdutje en theevisite met vriend Frederik zouden er vandaag bij inschieten. Hij opende het pak met likkoekjes en legde ze netje in rij op het zilveren dienschaaltje. Daarna klikte hij de radio aan. Radio Maria zond rond deze tijd de Klassieke Fruitmand uit. Hij hoopte dat er straks een werk van hem zou worden uitgezonden als Marianne er was. Hij wreef aan zijn kin. Moest hij zich nog scheren? Hij liep naar de badkamer en schraapte de laatste stoppels van zijn kin. Met een pincetje trok hij een lange haar uit zijn neus. Au! Hij was nerveus. Het leek wel of hij vlak voor een concert zat, dat hij zo direct een prestatie zou moeten leveren. Een zachte wind ontglipte hem. Verdikkeme verdikkeme, daar heb je het al. Hij nam plaats op de pot. Toen hij had doorgetrokken inspecteerde hij het een en ander. Wild sopte hij daarna met de wc-borstel in het water. Het moest er optimaal bij hem uitzien. De afgelopen week was hij flink aan het poetsen geweest. De nacht na hun ontmoeting bij het witte kerkje was hij kletsnat van het zweet wakker geworden. Hoe had hij het gedurfd zo’n mooie vrouw bij hem thuis uit te nodigen. Hij schudde zijn hoofd en neuriede het koraal dat hij zojuist had gezongen. De melodie zou hem vandaag een oorwurm bezorgen. ‘Was Gott tut das ist wohlgetan,’ Ze zouden op de flat jaloers zijn als ze hem samen met haar zouden zien. Hij dacht weer terug aan het moment dat hij haar uitgenodigd had. Als een schooljongen had hij voor haar gestaan. Beiden hadden de helm nog op. Voor een moment had ze hem bedenkelijk aangekeken, maar direct ja geschud. Na afloop had het gezelschap nog wat gedronken. Iedereen leek blij met de goede afloop van het Jubal-orgel. Hij trok zijn broek omhoog, liep naar de woonkamer en nam plaats op de stoel bij het voorraam. Op de staartklok zag hij dat het kwart voor vijf was. Hij stond op, liet een wind en nam zijn kijker tevoorschijn. Vervolgens tuurde hij de Boulevard Antonius af. Nog geen… Verdikkeme verdikkeme, weer was hij haar naam vergeten. Met de kijker om zijn nek liep hij naar de keuken om haar naam op het bord te lezen. Nog geen Marianne te bekennen, mompelde hij toen hij zijn plaats voor het raam weer had ingenomen. Nog geen pluk van haar rode haar. Hij draaide zich naar het bruidsboeket. Hij deed een stap naar voren. Zag hij dat goed, was Marianne dat? Was zij dat niet, die daar doodleuk in het zonnetje zat terwijl hij van de zenuwen aan de schijterij was?

Marianne Gottlieb liep over de Boulevard Antonius richting west. Op de Sint-Jan had ze zojuist gezien dat het kwart over vier was. Ze was op weg naar meester Bach, deze had haar op de thee uitgenodigd. Hij woonde op de hoogste etage van de artiflat. Ze kende de flat van de 100 kunstenaars. Een aantal jaren geleden had ze op de zesde bij de heer Gaudi een cursus architectuur gedaan. Bach was een beroemd man, hij stond hoog aangeschreven, ze wist er alles van. Er was vroeger bij haar thuis veel aan muziek gedaan. Ze was na haar scheiding en de dood van haar moeder bij haar vader ingetrokken. Deze had, als ze zich goed herinnerde, uitermate veel bewondering voor Bach gehad. Wat zou hij trots geweest zijn of misschien wel jaloers als hij zou weten dat ze hem een bezoek zou brengen. Vader die vaak gemopperd had als hij met de Goldbergvariaties aan het stoeien was. Met welke variatie was hij soms ook al weer dagelijks bezig om deze onder de knie te krijgen? Ze herinnerde zich het huisconcert toen er vier klavecimbels in de muziekkamer stonden om Bachs concerto uit te voeren. Ook herinnerde ze zich de wandelingen langs de Elbe met naast haar een alsmaar neuriënde of zacht fluitende vader. Of de zondagmiddagwandelingen langs de paleizen aan de Zwinger. Zonder met elkaar te spreken zaten ze soms een halfuur op de kademuur of op één van de bankjes tussen de Augustusbrug en de Carolabrug aan de Brühl Terrasse met zicht op de Elbe. En dan was daar de statige Hofkirche in het centrum van de stad. Eens in de maand mocht vader het orgel van de Hofkirche bespelen. Marianne mocht mee om de registers te bedienen en de muziek om te slaan, muziek van Bach uiteraard. Ja, ze had Bach met de paplepel naar binnen gekregen. Nu was ze dus op weg naar hem. Gossepietje, ze had het er warm van. Het lopen in haar krappe rok viel niet mee. Ze verweet zichzelf dat ze niet iets anders had aangetrokken. Ze wist immers dat ze de halve Boulevard moest aflopen. Zeker een halfuur had ze voor de spiegel staan drentelen. Op haar bed had zich een berg kleding opgehoopt. Haar eerste keus was de halflange zwarte rok, haar favoriete rok, haar ietwat ondeugende rok vanwege de dunne stof, maar ze herinnerde zich dat ze deze ook gedragen had tijdens de dag van de Bethlehemkerk. Dus had ze genoegen genomen met de tweede keus, het grijze krappe rokje met daaroverheen het vlotte donkerrode jasje. Ze had staan twijfelen voor de lange schappen bij het Goudvat, haar onderburen. Waar kon ze een man mee plezieren. Een geurtje, een mooi stukje zeep, een aftershave? Zover ze wist, rookte hij niet. Was hij een snoeper, vroeg ze zich af, een zoetbek? Uiteindelijk had ze met een grote puntzak drop bij de kassa gestaan. Mannen houden van drop, had ze besloten. Kwart voor vijf. De artiflat kwam in zicht. Een imposant gebouw, vond ze. Ze zou nog een bankje pikken in het bruidsboeket. Het weer was zalig, er woei een strelend briesje en de zon scheen nog volop. Even later zat ze in een perkje tussen de bloemenpracht met uitzicht op de artiflat. Ze opende de puntzak drop en keek hoopvol naar de bovenste etage.

Marianne was 32 jaar toen ze tijdens een bombardement op Dresden de aardkloot verlaten had. Weinig weet ze zich hiervan te herinneren. Hier heeft haar helderheid van geest haar in de steek gelaten. Wel hoort ze nog het brommen van de vliegtuigen. Honderden waren het er. Daarna de explosies en het geschreeuw. ‘Rennen’, werd er van alle kanten geroepen. Niet veel later rende ze begeleid door een horde grote witte vogels met honderden stadsgenoten door de jachtvelden richting de Aankomst in de zevende hemel. Thans bewoont ze in Johannesburg een alleraardigst appartement boven het kleine winkelcentrum aan het Plein van de Hemelse Vrede. Ze heeft het naar haar zin in het centrum van Johannesburg. Ze is ook is tevreden met haar baan bij monumentenzorg. Elke dag geniet ze van de roerigheid op het plein. Zo ziet ze iedere morgen de musici van het Johannesburg Philharmonic met hun instrumentenkoffers opdraven. Ze geniet er van hoe sommigen vlak voor de repetitie op de trappen van de concerthal nog een kopje koffie en een sigaretje doen. En rond het middaguur de dagjeszielen die op de bankjes onder de vijgenbomen hun lunchpakketjes verorberen. Gezelligheid alom. Een hoogtepunt van de afgelopen tijd was dat ze de Heer en zijn vriendin had gezien, dat was tijdens de Dag des Heren, de dag dat er een stoet van 100 kunstenaars onder haar raam voorbij schreed, kunstenaars uit de beroemde artiflat uit Johannesburg-West. Niemand had volgens Marianne zo’ n mooi zicht gehad op de Messias en Magdalena als zij. Ze had gezwaaid, doch ze hadden haar niet gezien. Ook geniet ze nog iedere dag van de Sint-Jan Kathedraal, de zondagse kerkgang en de drukte tijdens feestdagen. Een verrijking van het plein was de verrijzenis van het reusachtige beeld Johannes, de apostel die Jezus liefhad, pal onder haar raam. Ze had het beeld zien vorderen en was getuige geweest tijdens de onthulling door mevrouw de burgemeester moeder Teresa. Vaak had ze de kunstenares Camille Claudel een kopje thee gebracht. Nog ziet ze de aardige rustige vrouw met een dankbare glimlach om haar mond van haar steiger afkomen, en de thee van haar aannemen Ze spraken dan een over koetjes en kalfjes en natuurlijk over de vorderingen van haar beeldhouwwerk. Ja, Marianne Gottlieb heeft het naar haar zin in het hiernamaals.

\Het was 5 uur in de middag. In de Nadorst was het happy hour. Mudvol was het in het café. Marie Monroe van 102 hielp als invalkracht in de bediening. Ze had een klein wit schortje voor. In het midden van de bar, op zijn vaste stek zat de heer Dmitri Sjostakovitsj van 701. Naast de componist zat de straatmuzikante Nokia, woonachtend in de kunstenaarskolonie de Trapeze. Ze dronk ranja met een rietje. Haar accordeon stond bij haar voeten naast de kruk. Sjors, zoals men Sjostakovitsj meestal noemde zat aan een biertje. Hij had zijn rode trainingspak aan. Vanmiddag had hij drie rondjes rond de kegelbaan gerend. Hij had wel een biertje verdiend, vond hij. Met een schuin oog keek hij naar de knieën van zijn vriendin. Hij scheen zich te ergeren aan haar gewiebel. Verschillende keren had hij zijn hand op haar knie gelegd om het zwiepen van haar korte beentjes tegen te gaan. ‘Zit toch eens stil,’ had hij haar al een aantal keer toegefluisterd. ‘Je maakt me nerveus.’ De kleine vrouw, die als een braaf meisje naast de musicus zat leek zich te vervelen. Behalve met haar benen te zwaaien pufte ze herhaaldelijk. Ze was moe. Ze had de hele middag gespeeld in de stationshal van Holy City. Ze hoopte dat haar vriend het vanavond niet te laat zou maken. Ze viel nu al om van de slaap.

Naast Nokia zat Van Gogh. De roodharige schilder zat in zichzelf te mompelen. Klaarblijkelijk had hij de hoogte. Hij zat iets voorover gebogen. Er stonden twee glazen rode wijn voor hem, een vol glas en een restje. Bang dat hij met zijn hoofd de glazen om zou laten vallen had de barkeeper deze voor de zekerheid iets van de hem af gezet. Het volle glas had hij zojuist gekregen van Sjors. ‘Van meneer Sjors,’ had Wig gezegd. De schilder keek verward om zich heen. Had hij Sjors al bedankt? Voor de zekerheid proostte hij nog eens met de musicus. ‘Ja ja ja, het is wel goed,’ glimlachte Sjors. Vincent oogde treurig, en zo was het ook. De reden hiervan was dat Zusje, zijn verkering, zich nauwelijks meer om hem bekommerde. Diep bedroefd was hij daarom. Het stoorde haar, zo had ze hem verteld, dat hij te veel in het café kwam. Ze had geen zin om iedere dag met een dronkenman op pad te gaan. Bovendien vond ze zijn omgang met Lautrec ongepast. Deze had een slechte invloed op hem. Diezelfde Lautrec stond nu in het gedrang achter hem. Gewoonlijk zat hij naast zijn vriend, maar nu was de kruk bezet door Erik Satie, de pianist van 106. ‘Wigbert’, riep Lautrec plotseling, ‘breng mij nog eens zo’n klein glaasje.’ Vervolgens keek hij over de schouder van zijn vriend, hij zag echter dat deze nog ruimschoots voorzien was.

Een paar plaatsen verderop zat Freddie Queen. Hij kwam de laatste tijd regelmatig in de Nadorst. Uitgaan in het centrum of een bezoek brengen aan één van de homobars in Sint Petrusburg was er niet meer bij. Hij had verkering! Nauwlettend volgde hij de verrichtingen van Wigbert, sinds kort zijn huisgenoot op nummer 108. Freddie dronk mineraalwater. Het was nog vroeg voor alcohol, vond hij. Gisteravond had hij te veel gedronken en dat was hem duur komen te staan. Om zijn bleke, vermoeide gelaat te camoufleren had hij zich gepoeierd, ook leken zijn ogen opgemaakt. Zijn outfit was ten opzichte van de meeste cafébezoekers opvallend te noemen. Hij droeg een strakzittend leren broek met een openstaand leren vest zonder mouwen, met daar onder een strak hemdje. Zijn armen tot aan de schouders en borst waren bloot. Regelmatig keek hij op de klok. Het zou nog uren duren voordat hij zijn kale vriend weer helemaal voor zichzelf zou hebben. Als hij maar even in de buurt was sjanste hij met de man achter de bar, die ondanks de drukte zijn blikken beantwoordde met knipoogjes en ondeugende tongetjes. Op de hoek van de bar zat Frank Zappa van 101. Hij volgde de bewegingen van Marie Monroe, zijn vriendin. Wat was het toch een heerlijk schepsel. En kijk eens hoe sexy dat schortje haar stond! Hij was in gesprek met John Lennon van 402 en Jimi Hendrix van 202. Gezien hun lichaamstaal hadden ze het over gitaarspelen. Aan de andere zijde van de bar, bij de sigarettenautomaat, zat achterstevoren hangend op één bil mevrouw Marlene Dietrich. Behalve een alpino en voor haar ogen een voile, droeg ze een lange zwarte krappe rok met reuze split en netkousen. Ze was in conversatie met Salvador Dali, de excentriekeling van 404. Beiden dronken champagne uit een hoog glas. Dali had haar zojuist geïnviteerd om in de schilderszaal naar een nieuw doek van hem te komen kijken. Zij had immers verstand van kunst, zo liet hij haar weten, althans daar zag zij naar uit. Marlene was zeer vereerd. Sinds zij naar de vijfde verhuisd was had ze veel meer aanspraak met ontwikkelde zielen dan voorheen. ‘Mag ik even t-tussen u door,’ vroeg Marie Monroe die met een blad lege glazen kwam aanlopen. Terwijl Dali haar achterwerk bewonderde, knikte Marlene de blonde dienster vriendelijk toe.

De schuifdeuren van de gelagkamer waren open. Het koortje De dames van de derde hield haar vergadering. Nannie en Fannie het koppel van de derde schikten de stoelen achter de lange vergadertafel, spreidden kleedjes uit, zetten asbakken neer en deelden met de handgeschreven agenda’s uit. Het zou een belangrijke bijeenkomst worden. Nu mevrouw Maria Callas als voorzitter en dirigente afscheid nam, diende er een opvolgster gekozen te worden. Mevrouw Alma Mahler had zich beschikbaar gesteld. Echter, onder voorwaarde dat zangeres Lucy Ball wegens gebrek aan kwaliteit het koortje zou moeten verlaten. Nieuwe leden die op het punt stonden toe te treden waren Edith Piaf en Mahalia Jackson, Klaartje Wieck en George Sand. Nadat Marie Monroe de dames voorzien had van een consumptie schoof ze deuren dicht.

Aan de leestafel, bezaaid met folders, kranten, tijdschriften, halfvolle en lege kopjes en glazen zaten Jim Morrison van 206 en zijn buurvrouw Billie Holiday van 203. Sinds hun nachtelijke avontuur voor het winkeltje van huismeester Smit, het borrelen aan de kegelbaan, en de vrijpartij daarna, waren ze onafscheidelijk. Ze rookten en luisterden naar de verhalen rondom hen. Verhalen, gebeurtenissen en roddels van de afgelopen tijd zoals de verhuizing van Herr von Karajan, het succes van de fancy fair, het daklozenprobleem, het jongetje… Onder de tafel omsloten hun handen elkaar. Verder zaten aan de leestafel Scott Joplin de pianist van 209 en de trompetblazers Louis Armstrong van 401 en Miles Davis tegenwoordig wonende op nummer 110 in het gewezen appartementje van Herr von Karajan. Ze bladerden ongeïnteresseerd in reclamefolders, lazen de Johannesburger en dronken sloom van hun gelagjes. Een krantenkop vermeldde: Bethlehemkerk onder de sloophamer.

Aan een van de bruine tafeltjes aan het raam, dichtbij de entree, zaten Janis Joplin, Amy Winehouse en Chet Baker, allen bewoners van de eerste etage. Chet had schik met de dames. Onophoudelijk grapte hij met Amy, de lady die nog niet zo lang geleden op de arti was komen wonen, de goedoogende lady met haar schunnige grappen en stevige dronk. Aan alles was te merken dat hij haar graag zag. De drie hadden vanmiddag door het heuvelland gewandeld en naar bijzondere soorten grasjes gezocht. Lacherig en een beetje geheimzinnig sorteerden ze nu hun vangst, roken er aan, gaven het aan elkaar door, keurden het, en soms werd het in een papiertje gerold en in de brand gestoken. Om beurten werd de rokerij gekeurd. Wigbert keek oogluikend en zuur toe. Hij had het te druk om er iets van te zeggen. Wel schudde hij afkeurend met zijn hoofd. Het was in Johannesburg niet toegestaan om verboden middelen te kweken, laat staan te roken, en helemaal niet in een openbare gelegenheid. Amadeo Mozart zat op de rand van het biljart om zich heen te kijken. Een biljartje plegen was gezien de drukte onmogelijk. Wigbert had hem bij het langskomen reeds een paar keer gewaarschuwd op te passen voor het groene laken, gezien hij zijn consumptie gevaarlijk naast hem op het randje neer had gezet. Aan de andere kant van het biljart zaten de vrienden Brian Jones van 104 en Otis Redding van 111. Zwijgend keken ze met bewondering naar de hoek van de bar, waar Jimi Hendrix een luchtsolo ten beste gaf. Pablo Picasso van 801 had een stoel naast de schuifdeuren van de gelagkamer gezet. Hij rookte, nipte van zijn borrel en luisterde met één oor wat er zich binnen afspeelde. Hij hoopte voor Alma dat zij gekozen zou worden als leidster van De dames van de derde. Hij klakte met zijn tong toen Marie Monroe hem passeerde. ‘Ha lekker ding’ groette hij haar, waarop zij op haar beurt haar tong naar hem uitstak.

Plotseling werd het stil in de Nadorst. In de deuropening was een jonge onbekende vrouw verschenen. Een vrouw met een grote bos rode haren dat alle kanten uitstak. Ze was welgevormd, brildragend, en droeg een grijs rokje tot net boven haar knie. De ogen van de cafébezoekers bleven op de vrouw gericht. Vanachter de schuifdeuren was een applaus te horen. Niemand scheen de vrouw te kennen. Een speld kon je horen vallen. Heel in de verte, vanuit het pianokamertje, waren de stemmen te horen van Frank Sinatra en Guus Verdi, die op dat moment solfège oefeningen deden.

‘O, neemt u mij niet kwalijk, de verkeerde deur…’, zei de vrouw in de deuropening.


108 Toren van Babel

Het was even over zeven uur en vrijwel donker. Karajan stond voor de Toren van Babel. Het gebouw, vrijwel geheel van glas, was hel verlicht. Het deed hem denken aan een hospitaal, een warenhuis, of vertrekhal van een groot vliegveld. In ieder geval oogde het futuristisch. Hij hield niet van modern gedoe. Wat dat aangaat was hij een boerenlul. Als dirigent stond hij niet vooraan om werken van avant-gardisten te dirigeren. Ook de moderne schilderkunst interesseerde hem weinig. Aan de gevel stond in groene neonletters Toren van Babel, met daaronder een verlichtte vogel, een papegaai of zo iets. Karajan was niet sterk in dierennamen. Als kind op school was hij slecht in biologie. Machines, auto’s, vliegtuigen, meiden en muziek daar ging zijn belangstelling naar uit. Hij stond een tijdlang stil, hij aarzelde. Dit had hij niet verwacht. Hij keek naar binnen. In de grote verlichte hal, achter een balie, zat een juffer in een donkerblauw mantelpakje. Ze had wel iets van een bankemployee of stewardess. In de hoek, onder een roltrap, voor een groot zilveren wandbord met naamplaatjes stond een geüniformeerd manspersoon, een portier zo te zien. De roltrap was niet in werking. Op straat was het stil. Hij keek om zich heen. Wat nu te doen? Hoe moest hij zich aanmelden? Moest hij ergens aanbellen? Werd hij op dit tijdstip nog wel verwacht? Hij was veel te laat. Zijn vrienden zouden ongerust zijn. Hij schrok bij de gedachte dat er misschien wel een welkomstcomité op hem gewacht zou hebben. Hij deed een stap naar voren. Hij schrok. Twee enorme wanden van glas schoven uiteen. Boven zijn hoofd floepte een schijnwerper aan. Hij deed een stap terug. De deuren sloten weer. Het licht doofde. De juffer aan de balie keek zijn kant uit. Ze stond van haar plaats op en zei iets tegen de man in het uniform. Beiden tuurden zijn richting uit de duisternis in. Karajan verzamelde moed en deed weer een stap naar voren. Hij liep de hal in, een glimmende hal, een hal met marmer, staal en beton. Het meisje in het mantelpak kwam hem lachend tegemoet. De portier bracht bij wijze van groet een hand naar zijn pet. Beiden droegen dezelfde vogel op hun revers als die van de gevel, het logo van de Toren.

‘U zult mijnheer Von Karajan zijn,’ riep het meisje enthousiast, en alsof ze een bekende of familielid zou zijn, kwam ze op hem af, en stak beide handen naar hem uit, ‘We hadden u eerder verwacht.’ De portier knikte bevestigend.

‘Ik heb even moeten zoeken,’ hakkelde Karajan, die haar uitgestoken handen aannam. Haar handen waren warm, de zijne koud. Het meisje keek hem bezorgd aan. Ze bleek een jonge vrouw te zijn. ‘Ik heet Ursula,’ zei ze. ‘Hoe maakt u het?’ Ze droeg een knot in d’r haar. Het uniformmantelpakje dat ze droeg bestond uit een krappe donkerblauwe rok, een bijpassend colbertje met daaronder een witte blouse dat zedig tot het bovenste knoopje gesloten was.

‘Komt u verder.’ Hij liep met haar naar de balie. ‘Eerst even wat puntjes op de i zetten,’ zei ze, en zocht in een stapeltje paparassen. Op de marmeren vloer, naast de balie zag hij zijn bruine lederen koffer. Opgelucht haalde hij adem. De portier nam weer plaats bij het bellenbord. Hij deed een stapje achteruit toen hij bemerkte dat de nieuweling de naamplaatjes trachtte te lezen. Terwijl het meisje in haar administratie rommelde las Karajan: J.Dean, J.Sibelius, H.Heine, B.Epstein, W.Disney, J.Hallyday, A. Hitchcock, J. P. Sartre, J.Coltrane, F.Chopin… Verder kwam hij niet. Met een langgerekte ‘Zooo…,’ gaf Ursula te kennen dat ze klaar was. Ze overhandigde hem een mapje met een magneetpasje. Hoe ze aan zijn foto waren gekomen was hem een raadsel. ‘Hiermee kunt u de deuren openen van de badruimtes, toiletten, slaapzaal, bibliotheek, fitnessruime, muziekzaal… U krijgt morgen een rondleiding. Ze keek naar de portier. Deze knikte. Plotseling vulde de hal zich met een luid gezoem. De roltrap kwam in beweging en druk conserverend kwamen enkele zielen naar beneden. ‘Heren, heren’ riep Ursula, ‘wat bent u laat!’ Ze schudde oudwijvig haar hoofd. De zielen, het was een groepje van vier, keken met belangstelling naar de nieuweling. Ze hieven hun hand op. Karajan zwaaide terug. Hij meende een bekend gezicht te zien, maar veel tijd om hierover na te denken had hij niet. Ursula nam hem weer in beslag. Met een map onder de arm en haar magneetpasje in de aanslag richtte ze zich weer tot Karajan. ‘U zult honger hebben, en dat komt goed uit want de eetzaal is zojuist geopend. Uw vrienden zullen blij zijn met uw komst. Er is reeds een plaats voor u gereserveerd.’ Ze keek in haar map. ‘Komt u maar mee.’ Als een schooljongen draafde hij achter haar aan. Een geroezemoes kwam hen tegemoet. Met haar pasje opende ze de deur naar een zaal met in het midden een aantal rijen lang gedekte tafels. Het was er een hels kabaal. Gepraat, gelach, geschuifel, getik van bestek, een roep…

Ursula deed een knopmicrofoon aan haar jasje en besteeg een klein spreekgestoelte. Langzaam werd het stil. ‘Mannenbroeders,’ zei ze met luide stem. Er klonk gelach. ‘Mannenbroeders, mag ik even uw aandacht.’ Het werd nu muisstil. Karajan zag nu pas dat er alleen manvolk aan de tafels zat, lange, met witte lakens beklede tafels. Hij was in een mannengemeenschap terecht gekomen. Jonge vrouwen in witte schortjes en lange broeken met een vogel op hun kont liepen af en aan achter glimmende ziekenhuiswagentjes waarvan eten en drinken werd uitgedeeld. Plotseling voelde Karajan dat hij ook trek had. Hij dacht aan de frites en aan de jongen die met hem meegelopen was en zijn portemonnee had gerold. Hij was zijn naam alweer vergeten. ‘Ik wil u graag voorstellen aan onze nieuwe huisgenoot Herbert von Karajan.’ Ursula klapte in haar handen, waarna er een enthousiast applaus losbarstte. Sommigen tikten met hun bestek op hun ijzeren borden. Het was een warm onthaal. Hij glimlachte verlegen en stak zijn hand op. Het lawaai deed hem denken aan de tijd toen hij  in het leger had gediend. Hoe vaak hadden hij en zijn maten tijdens een maaltijd in de mess uit balorigheid ook niet met hun bestek op de metalen borden geslagen. Alle hoofden keken zijn richting uit. Ursula leidde hem naar het midden van de middelste rij. Hij voelde zich met de blikken op hem gericht behoorlijk opgelaten. Direct herkende hij zijn vrienden Richard Wagner en Richard Strauss. Ze staken hun hand op en gingen staan. Gadegeslagen door de aanwezigen gaven de vrienden elkaar een knuffel. Langzaam maar zeker kwam het geroezemoes weer op gang, het gepraat, gelach, gesmak… Rechts van hem zat Richard Wagner, links Richard Strauss. Hij zou ze voortaan Richard1 en Richard2 noemen. Behalve een ‘hallo’ en ‘hoe gaat het’, hadden ze nog geen woord met elkaar gewisseld. Ze dronken wijn uit tinnen bekertjes, aten brood en kippenbouten. Langzaam maar zeker zochten zijn ogen de rijen af naar meer bekenden. Was dat Sibelius niet, die kale tegenover hem, die hem al een aantal keren vriendelijk had aangekeken? En die rooie met baard op de eerste rij, dat leek goddomme Piet Tsjaikovski wel…

Toen de vrouwen afgeruimd hadden en de mannenbroeders een extra kannetje wijn kregen toegeschoven, begon plotsklaps een orgel te spelen. Het was de melodie van het koraal Was Gott tut, das ist wohl getan. Karajan keek om zich heen. Nergens een orgel te bekennen. De klanken kwamen uit een luidspreker. Een ieder stond op, de één wat sneller dan de ander, sommigen nog nippend van hun wijn of kauwend op een korst brood. Het koraal werd ingezet. Karajan kende het lied, maar zong niet mee. In plaats van dat keek hij om zich heen. Vele blikken waren op hem gericht, veelal vriendelijke blikken. Richard2, die uit volle borst meezong gaf hem een knipoog.

Even later stonden ze in de hal. In de gauwigheid las Karajan nog enkele namen op het zilveren wandbord: G.Harrison, A.Modigliani, D.Ellington, G.Gershwin, R.W.Fassbinder, R.Strauss, T.Monk, B.Goodman, A. Sax… Sommige namen kende hij, andere weer niet. Ze namen de roltrap naar boven. ‘Kom dan laten we je de hele ballentent zien,’ zei Richard1 schertsend. Richard2 schoot in de lach. Karajan had Richard2 nog niet horen praten. Hij zag dat enkelen het gebouw verlieten. ‘Die gaan nog een straatje om,’ sprak Richard1, al zou hij zijn gedachten raden. Waar ze zin in hebben, dacht Karajan. Hij huiverde toen hij zich de kille omgeving en de donkere straten voor de geest haalde. Hij zou morgen bij daglicht de wijk verkennen. Wie weet, zou het allemaal reuze meevallen.

De speelzaal op de eerste verdieping had een geheel ander karakter dan de eetzaal en de hal. De vloer was bekleed met dik diep rood tapijt en de wanden behangen met bloemmotieven. Het meubilair was van hout. Kriskras door het speellokaal stonden gezellig beklede houten tafeltjes met bijpassende stoelen en kussentjes op de zitting. Op de tafeltjes stond een bloemetje, een asbak, kop en schotels, een aantal glazen van verschillende afmeting, en een schaaltje lekkers. Tegen de wanden stonden donkerbruine kasten met glazen deuren. Er stond een tafeltennistafel, een biljard, een flipperautomaat, enkele sjoelbakken en een jukebox. Mannenbroeders opende de glazendeurtjes van de wandkasten en zetten zich als kleine kinderen met een zes-spellendoos, een dambord, of schaakbord aan een van de tafeltjes. ‘Hebben die gasten niets beter te doen dan een spelletje ganzenbord te spelen,’ grapte Karajan. De twee Richards lachten. Ze passeerden een tafeltje waaraan werd gekaart. De kaartende zielen keken op en knikten de nieuweling vriendelijk toe. Een groepje van zes zat aan twee aaneen geschoven tafels met een monopolyspel voor hen. Karajan herkende de man die aan het hoofd van de tafel zat en op dat moment geld uitdeelde. Hij was de bank. De man had hem al een aantal keer toegewuifd. ‘Wie is hij?’ vroeg hij aan de Richards. Ze stonden gedrieën in het begin van de zaal, dichtbij de flipperautomaat. ‘Serge,’ antwoordden zij vrijwel gelijktijdig. En Richard1 vervolgde: ‘Als je die piano hoort spelen, man, je weet niet wat je hoort.’ Karajan glimlachte de man toe. Hij peinsde welke achternaam er bij Serge hoorde. ’Serge Rachmaninov,’ vulde Richard2 voor hem in.

Twee schuifdeuren met kleine gele geribbelde raampjes gaven toegang tot de bibliotheek. Gelijktijdig haalden de Richards hun magneetpasje tevoorschijn. Richard1 opende de deuren. Aan een gezellig verlichte leestafel in het midden van de ruimte zat een drietal zielen, twee met de rug naar hen toe. Een donker type, en iemand met haar tot over op zijn schouders. Aan de andere zijde van de tafel zat een bolle man. Karajan meende hem te herkennen. De beide Richards bleven bij een tafeltje bij de ingang staan om nieuw verschenen boeken te bekijken. Karajan keek met belangstelling in het rond. Het beviel hem hier. Een gunstige plek om aantekeningen in zijn partituren te maken. Het vertrek straalde rust uit, en daar hield hij van. Het drietal aan de leestafel zat voorovergebogen te lezen. Karajan probeerde over de schouders heen te kijken van de twee voor hem. De man met het lange haar keerde zich om. Karajan keek in een mager gezicht. De man stond op.

‘Jij bent hier nieuw, hoorde ik. Welkom.’ Hij stak een hand naar hem uit. ‘George Harrison is de naam. Hoe maak je het.’ Zijn buurman was inmiddels ook opgestaan en stak hem eveneens een hand toe. Hij droeg een zonnebril. ‘Ray Charles,’ stelde de man zich voor. ‘En ben Hardy,’ riep de dikkerd aan de overzijde van de tafel terwijl hij het blad van zijn tijdschrift omsloeg. Noem me gerust Oli, want zo wordt ik meestal aangesproken. Karajan zag dat de man een stapeltje Donald Ducks naast zich had liggen. Toen ze de bibliotheek verlieten hoorde hij één van de drie zeggen: ‘Die is hartstikke fout geweest in de oorlog.’

Middenin het volgend vertrek stond een reusachtige vleugel, en in bioscoopopstelling roodpluche stoelen. Kris kras doorelkaar voor een klein podium stonden een aantal lessenaars, en op een statief een saxofoon. Ze waren de muziekzaal binnen getreden. Karajan had echter geen oog voor de intieme ruimte. Hij dacht terug aan de opmerking van zoeven in de bibliotheek. De woorden dreunden hem nog na. Wie het zinnetje had uitgesproken wist hij niet. Hij baalde er flink van. Er waren drie concerten per week, hoorde hij Richard2 zeggen. Hij zei nog iets, maar dat drong niet door hem door. Hij luisterde nauwelijks. Hij was ziedend op de schoft die hem beledigd had. Begon het gesodemieter nu hier ook al?

Ze namen een vaste trap naar boven, naar de tweede verdieping. Richard1 liet hem de wasgelegenheden en de slaapzaal zien. Karajan kreeg een prop in zijn maag toen ze de slaapzaal inliepen. Hij wilde het liever niet weten, maar moest hij hier slapen, tezamen met al die kerels? Was hij misschien in een inrichting beland, of in en hospitaal, in plaats van een fatsoenlijk huis voor kunstenaars? Er brandde een flauw licht. Hier en daar lag iemand te lezen. Ze sloegen geen acht op hem. Achter de keurig opgemaakte bedden stond een  metalen kast. Hij dacht weer terug aan zijn diensttijd. Hij zag dat op één van de bedden zijn bruine koffer lag. De deuren van de kast achter het bed stonden wijd open. Het zou toch niet waar zijn. Had hij hier zo naar verlangd? Was dit de beroemde Toren van Babel? Here Jezus Christus, waar was hij in terecht gekomen? ‘Je snurkt toch hoop ik niet hè?’ Richard1 had een hand op zijn schouder gelegd. Richard2 stond nog in de deuropening. ‘Valt het je allemaal mee?’ fluisterde Richard1 in zijn oor. De vraagsteller klonk enigszins bezorgd. Karajan maakte een wegwerpgebaar. Hij wilde het vertrek verlaten, of nee, diep onder de dekens duiken. ‘Laten we naar boven gaan,’ stelde Richard1 voor. Hij moet de teleurstelling in de ogen van Von Karajan gezien hebben.

Even later bevonden ze zich op de derde verdieping. Richard2 probeerde met zijn pasje de deur van de fitnessruimte te openen. Tevergeefs, de deur weigerde open te gaan. Het nieuwe pasje van Karajan werkte wonderbaar wel. De ruimte was leeg en donker. Er werd tevergeefs gezocht naar een lichtschakelaar. De noodverlichting en de lichtkoker gaven echter voldoende licht om je te verplaatsen. In het midden van de zaal, onder de lichtkoker, lag een grote gymnastiekmat. Richard1 liet zich op de mat zakken, de andere twee volgden zijn voorbeeld. Ze leken vermoeid. ‘Laten we een sigaret opsteken,’ stelde Richard1 voor. ‘Kijkuit waar je loopt,’ waarschuwde hij naar Richard2 toen deze op zoek ging naar een asbak. Richard1 kwam terug met een schoteltje. Ze zwegen en rookten. Flauw licht scheen boven hun hoofden vanuit de lichtkoepel. Toen zijn ogen aan de duisternis gewend waren probeerde Karajan de verschillende fitnesstoestellen te zien. Richard1 was gaan liggen. Toen ze hun sigaret gedoofd hadden en Karajan aanstalten maakte een nieuwe op te steken vroeg Richard 2: ‘Hoe was je reis, Herbert?’ Sinds lange tijd hoorde hij iemand hem bij zijn voornaam noemen. Het klonk aangenaam en vertrouwd. Richard1 lag met geopende ogen door de lichtkoepel naar buiten te kijken. Karajan zocht naar een antwoord. Hij vertelde over zijn belevenissen en ergernissen toen hij op weg naar hier was. Over zijn angst. Over de Handelingen der Apostelen, en de groepjes donkergekleurde jongeren, over… plotseling herinnerde hij zijn naam weer, Roco, de jongen die hem later zijn portemonnee zou ontfutselen, over het enge donkere tunneltje, over de waarschuwingsbordjes camera toezicht… Richard1 was weer overeind gekomen. Hij stak een sigaret op. ‘Ik voelde me echt onveilig,’ vervolgde Karajan zijn betoog. ‘Ik heb de hele weg hier naar toe slechts één politieman gezien, terwijl er toch allemaal groepjes rare individuen stonden.’ De twee Richards schudden hun hoofd. Ze keken somber. ‘We weten er alles van,’ zei Richard1 terwijl hij wild aan zijn sigaret zoog ‘Er zijn hier in de buurt al buurtpreventie borden geplaatst. Het is hier met die loslopende purgatijnen helemaal uit de hand gelopen.’ ‘Die ook nog eens geen zak uitvoeren,’ vulde Richard2 aan. De twee leken geërgerd. ‘Het is een plaag aan het worden,’ zuchtte Richard1. ‘Niemand doet er wat aan. Als wij naar het centrum willen, moet er begeleiding mee, of gaan we in een groep. Wat is dat godverdomme voor een idioterie! En mevrouw de burgemeester maar verkondigen dat we lief moeten zijn en de minderheden accepteren.’ De spreker scheen nu echt boos te worden. ‘Tuig is het. Opsluiten die handel.’ Ze zwegen en zuchtten.

Plotseling werd de deur geopend en floepten stuk voor stuk de neonlampen aan. Een magere heer van een jaar of veertig in korte broek en wit T-shirt met onder zijn armen een handdoek verscheen in de deuropening.

‘Stoor ik?’ vroeg hij aarzelend.’

‘Ha meneer Kafka,’ riep Richard2, die speelde alsof hij de boosheid van zich had afgeschud. ‘Nog even de beentjes strekken?’ Achter de aangesprokene verscheen een tweede figuur. Deze had een rode baard en zweetbanden om zijn voorhoofd en polsen. Hij droeg lage gymschoenen of waren het balletschoentjes? en een strakke maillot.

‘Ha die Pjotr, ook nog even trainen?’ vroeg Richard2 die de rozige componist spottend observeerde.

De lucht stond vol sterren. Het was een heldere avond. Ze stonden op het dakterras, een terras omheind met een stevig glimmend hekwerk. Hier en daar stonden clubjes met gemakkelijke stoelen, lage tafels en een aantal lounge sets. Het dak was met verschillende steensoorten betegeld. Hier en daar lagen vlonders en rond de lichtkoker grind. In het midden stond een grote telescoopkijker. Karajan rilde, van de kou of was het vermoeidheid, want wat had hij vandaag niet allemaal meegemaakt.  De twee Richards wandelden op hun gemak met de handen op de rug over het dak. Ze waren hier duidelijk thuis. Karajan drentelde rond de kijker. ‘Hoe ver reikt de kijker,’ wilde hij weten. ‘Met gemak tot Holy City,’ antwoordde Richard2 die naar hem toe kwam lopen. Richard1 stond aan de rand. Hij leunde over het hekwerk en keek naar beneden. ‘En verder?’ vroeg hij door. ‘Met helder weer kun je de Here Jezus Christus Kathedraal van Voorstad Sint Jacoba zien.‘ En Johannesburg?’ Richard2 lachte luid. ‘Waarom zo’n schik?’ wilde Richard1weten. Karajan zag in gedachten de artiflat, het heuvelland, het bruidsboeket, de gezellige Boulevard Antonius met zijn imposante Sint Jan. Had hij nu reeds heimwee? ‘Kijk liever de andere kant uit naar de molen, naar de meisjes,’ liet Richard1 weten, terwijl hij de andere Richard een knipoog gaf. Op aanwijzingen van zijn twee vrienden tuurde hij richting het centrum. Hij ontwaarde een roze gloed en zag plotseling boven de bomen van het stadspark de draaiende verlichte molenwieken uitsteken. Hij slikte een aantal keren. Daar bevond zich de vrouw bij wie hij nog geen 24 uur geleden een heerlijk uur had doorgebracht. Hij liep naar de rand van het dak, rechtte zijn rug, kneep zijn ogen dicht en probeerde haar beeltenis op zijn netvlies te krijgen. God nog aan toe, wat zou hij haar op dit moment graag in zijn armen willen nemen. Hij zou er een zak vol zilverlingen voor over hebben.

Uitgeblust had hij zijn koffer geledigd en in de kast achter zijn bed gepropt. Alles zou er uitkieperen indien de deur geopend zou worden. Hij kroop direct onder de dekens. Hij was te moe om rond te kijken. Hij wist dat hij van alle kanten bekeken werd. Hij was niet in de wasruimte geweest. Hij lag in zijn ondergoed in bed. Toen de lichten zachtjes doofden en hij links en rechts welterusten en goedenacht hoorde zeggen sloot hij zijn ogen en dacht aan zijn huisje op de eerste etage van de artiflat. Hij dacht hoe zijn orkest misschien op hem zat te wachten. ‘Slaap lekker,’ hoorde hij Richard1 naast hem fluisteren. Hij wilde antwoorden maar een brok in de keel hield dit tegen. Zijn kussen was nat van zijn tranen.


109 Vriendin voor J.S.

De vriendin van J.S.

‘Wat een prachtig uitzicht,’ zuchtte Marianne Gottlieb verwonderd. Bach haalde zijn verrekijker uit het foedraal. ‘Hier kunt u alles nog beter mee zien.’ Hij overhandigde haar de kijker. Ze plaatste deze voor haar ogen. Hij rook haar rode haar. Hij stond dicht achter haar. ‘Met dat wieltje draai je hem scherper.’ Met zijn arm over haar schouder wees hij naar het wieltje. Haren kriebelden in zijn gezicht. Marianne tuurde de horizon af. Wat had de goede God hem deze dag een geschenk gebracht, dacht Bastiaan Bach. Ze stonden op het brede achterbalkon van appartement 901 op de bovenste verdieping van de artiflat. Marianne keek over het heuvelland en Bastiaan legde uit.

‘Dat zijn de velden met rode zonnebloemen. En ziet u die grote boom op de berg? Dat is een plataan waar geliefden hun afspraakjes hebben.’ Bastiaan stuurde haar arm iets naar links. ‘En heel in de verte, die groene strook, dat is het pijnbomenbos, u weet wel, waarvan men vermoedt dat zich daar een nederzetting van purgatijnen bevindt.’ Marianne knikte en draaide de kijker nog meer naar links. ‘Met helder weer kun je Mozestown zien liggen, in ieder geval de spits van de Onze-Lieve-Vrouwenkerk. Maar daar is het nu te schemerig voor. Kom laten we naar binnen gaan, dan schenk ik iets te drinken in.’ Even later zaten ze in gemakkelijke zetels tegen over elkaar in de grote woonkamer. ‘U heeft het magnifiek ingericht,’ zei Marianne terwijl ze om zich heen keek. Haar blik bleef rusten op de staande staartklok. Het was kwart over vijf.

‘Ik heb graag dat u mij Bastiaan noemt.’

‘Dan mag u mij Marianne noemen,’ antwoordde ze, terwijl ze een mooie glimlach liet zien. Ze beliefde geen Fristi, toen de gastheer haar dit aanbood. Ze dronk liever een glaasje wijn. Toen Bastiaan het schaaltje likkoekjes voorhield maakte ze een afwerend gebaar. Uiteindelijk serveerde hij haar een stukje kaas. Hij zette een schoteltje met kaasblokjes neer op het bijzettafeltje naast haar stoel. Zelf snoepte hij uit de puntzak drop die hij zojuist van haar had gekregen. Het gesprek kwam moeilijk op gang. Hij keek naar haar knieën. Zij trok haar rokje goed. Ze spraken over de vorderingen van de Bethlehemkerk, de redding van het Jubal-ogel, en het vluchtelingenbeleid. Of Bastiaan nog wel eens achter het klavecimbel zat? Bach stond direct op en troonde haar mee naar de muziekkamer. Het was een gezellige kamer. Behalve een wand met boeken en partituren, een zitje met twee stoelen, stond daar een heus klavecimbel. Op het tafeltje stond een grote glazen asbak, een bloemetje, een metronoom, en enkele vellen muziekpapier met schrijfgerij. Aan de wand hing een viool. Marianne zette haar glas op het tafeltje.

‘Roept u maar,’ riep Bach uitgelaten terwijl hij achter het instrument plaats nam en een aantal chromatische toonladders speelde.

‘U zou mij een groot plezier… ik bedoel, je zou mij een groot plezier doen met iets uit de Goldbergvariaties.’

‘De Goldberg. U vraagt wij draaien.’ Bach zette de aria in. Toen hij de aria gespeeld had hoorde hij haar zachtjes snikken. Toen hij zich omdraaide zag hij dat ze huilde. ‘Wat nu?’vroeg hij verbaasd. ‘Waarom die tranen?’</